Categorieën
dagwerk 92-93 Grafiek lyriek

dagwerk 92-93 (12)

17 oktober 1992

de mechanische reproductie is intelligent geworden en heeft geen mensenoog meer nodig, laat staan die magistraal uitgesponnen blurp van je, walter.

je bent het fijne stof, roet der uitlaten dat door de kieren in de huizen dringt, katalysator die de zeemzoete leugen brandbaar maakt.

de lyriek gebeurt pas echt als de letters beginnen dansen op het ongelezen blad, zoals straks de schors in vreugde ontvlammen zal in afwezigheid der wanstaltige horden.

je schrijft je naam nog op je geschriften zoals een vriend zijn naam vol verachting op het plaaster schrijft van je gebroken arm.

lyriek doet de tong verstijven tot de stem losbarst en gans de mond verpulvert. lyriek vernietigt, waarlijk weergaloos is de mens pas in het woord dat én zichzelf en elke droom vermoord.
je schrijft poëzie als je dat niet wil laten gebeuren omwille van je als humanisme vermomde nijd. elk woord daarvan is dan niet alleen een antwoord op een vraag die niemand zich ooit zal stellen, het is ook een roestige nijptang op de gevoeligste plekjes van de roze babyhuid van het echte. poëten zijn narcistische, sadistische behoeftigen die klaarblijkelijk de nakende zondvloed met emmertjes kwijl wel denken te kunnen stoppen, zo niet dan toch enigszins temperen. poëten haten hun lezers.
lyriek gebeurt dwars doorheen jou als je het laat gebeuren. lyrici bestaan niet als ze schrijven en het enige wat ze echt willen als ze niet schrijven is kunnen schrijven om niet meer hoeven te bestaan.

men zal je de handen afhakken, de ogen uitsteken en als ze je uiteindelijk ophangen zal er nog betekenis als drek langsheen je kuiten druipen op de grond waarnaar je vergeefs zoekt en spartelt.

poëzielezers haten lyrici want alle poëzielezers zijn poëten. na hun dood worden de tekstlijven der lyrici verorberd door de poëten en op riant glanspapier rijkelijke uitgescheten als verse, lauwe nog ietwat nadampende poëzie.