Categorieën
Grafiek Kathedraalse Leer Proza

over kennis en schoonheid

je hebt niets van kennis. kennis die je gebruikt, verander je. kennis die je niet of nauwelijks gebruikt, vergeet je.

‘schrijvers’ en ‘kunstenaars’ pronken ijdel met gebruiksvoorwerpen die niet van hen zijn en verkopen hun extreme luiheid als ‘kunst’ of als tekstkapitaal. het zijn producenten van negatieve waarden, want hun producten corrumperen en belemmeren de toegang tot de collectieve kennis.

een auteur verandert voor zichzelf wat zij vergeten is en schrijft nauwgezet neer (of drukt anderszins meesterlijk uit) voor de anderen wat zij veranderd heeft. auteurs produceren niet, auteurs werken en dragen door de uitvoer van hun werking bij aan de collectieve kennis.

het schone is de ervaring van onmiddellijk bruikbare kennis. wie het schone ziet of leest zegt onmiddellijk: “ja, dit is het”. het schone is een openbaring, de Apocalyps van het humane.

“Kladwerk” – Hilde Vandenhout 2021
Categorieën
dagwerk 92-93 gedicht van de dag lyriek

dagwerk 92-93 (18)

19 oktober 1992

ijzel. wind. de straat kraakt onder mijn stap, hier komt geen auto door.
ik stap rechtdoor, mijn oog gericht op het verste aansnijpunt in de bocht. bij elke stap corrigeer ik de rechte, altijd moet alles worden aangepast.

bevroren handen. rood. mijn neus begint te lopen. de warmte in de kamer walmt. zie het. hoor het. luister.

1979. het kamertje achterin met toen nog uitzicht op de kerk. zet de machine op, rol een sigaret, steek ze op.

twijfel. stilte. eerste noot.

langer dan een uur houdt mijn universum het niet uit, maar elk uur is een eeuwigheid van tijdloosheid.

orgelpunt.

ik zie of voel mijn vingers niet meer, zij doen dingen die ik niet kan.
een schijnbaar gemiste noot onthult een wending want verderop loopt het dood. er is geen toeval meer en ik ben er niet, het gaat door mij.

do – mi bemol – sol
re – la bemol – si bemol – sol.

dit is mijn verworvenheid
deze oorlog win ik wel
hier verlies ik niets van mij
(de klanken schieten hogerop en vormen trap na trap voor haar.
het gebed is altijd hetzelfde).

kom aurora.
daal neer tot mij, gun mij uw gratie.
niets heb ik, niets ben ik, alleen mijn leven kan ik geven.
niets wil ik vragen, niets wil ik zijn.
daal neer tot mij, gun mij uw gratie.

do+ – la bemol – si bemol – fa – sol – sol – sol

לֶשֶׂ
300 – 30
6

3 – 4 – 7
14
5

SOFAR (So Good 4 Els Debarbieux) (input file)

invoerbestand voor de wereldcreatie van SOFAR (So Good 4 Els Debarbieux), een stuk voor dv, orgel (Roland HP-503) en ITL

over SOFAR en over ITL

dv: in de NKdeE muziekpraktijk is elke muzikant een ‘app’, niet maar maar ook niet minder dan dat.
ITL = Internet Time Loop, een vinding van de NKdeE voor muziekbeoefenaars.

ITL gebruikt het internet als muziekinstrument.
ITL gebruikt het tijdsverschil van een live internetstream door de ontvangen stream weer in de klankbron te brengen.
de resulterende voortschrijdende loop is voldoende stabiel voor controle door de muzikant, maar altijd variabel omdat de delay afhankelijk is van de drukte van het verkeer op internet. de data van de klank gaan dan ook letterlijk de wereld rond.

het variable van de delay geeft de aldus aangemaakte loops (en samples) een ‘natuurlijk’ karakter. je merkt het misschien niet maar eigenlijk ben je al die nette, exacte loops kotsbeu. hoezeer je die ook opfukt met effecten en devices, ze blijven altijd bepaald door de computerklok en dus hopeloos exact. probeer het zelf, je merkt het verschil onmiddellijk.

met ITL fukt heel de planeet met je toch wel lichtjes pathetische behoefte aan controle. zet het op en volg, want miss f-you-humans gaia herself leads the dance.
’t is simpel, je moet gewoon iets zelf willen veroorzaken dat je normaal wil vermijden, in je videoconferencing sessies toch: een late echo van je eigen geluid.

SOFAR (so good 4 Els Debarbieux) is geschreven als invoer voor ITL. deze invoer gebruikt zelf al ITL bij de aanmaak, maar dat zal je moeilijk kunnen onderscheiden.
het stuk is een verjaardagscadeau voor Els, mijn dierbare radio-compagnon en eerbiedig geadoreerde Levende Muze en Sybille van de erotische Ellende.

het is daarnaast ook een zeer schamel maar oprecht eerbetoon aan mijn twee favoriete componisten: Giacinto Scelsi en Johann Sebastian Bach. de wereldcreatie morgen is opgedragen aan mijn zus die mede met heel de buurt mijn tot waanzin drijvend getoeter op vaders Hammond-orgel moest doorstaan in onze jeugd.

deze wereldcreatie vindt plaats op 10/07/2021 om 19:48:49 CET tijdens de uitzending van RADIO KLEBNIKOV op Radio Scorpio

waarschuwing: deze muziek is niet geschikt voor honden.
het stuk flirt bij momenten stevig met de pijngrens van het humane gehoor maar kan ook, afhankelijk van de gebruikte afspeelapparatuur en de luisteromgeving resulteren in voor ons onhoorbare resonanties die bij honden effenaf pijn doen.

de muziek is weergave van een groeiproces, een beetje pijn-indicatie is voor de ervaring ervan eilaas noodzakelijk, maar gebruik de volumeknop met de instelling van een yogini.

en denk heel hard ‘kwetterende nimfen’ tot minuut 8 ongeveer, dan heb je het ergste gehad en komt er verpoos en beloning.

Categorieën
dagwerk 92-93 gedicht van de dag lyriek

dagwerk 92-93 (17)

18 oktober 1992 (slot)

in mijn handen lag de steen die mij omsloot.
zeven dagen links. zeven dagen rechts.

een was het al en alles was niets.
ik had een steen maar niets om naar te gooien.
ik had een steen maar niets om aan te bouwen.
niemand zei mij wat je met zo’n steen kon doen.

en toen kwam jij. ik mocht jou strelen, jij
die mij spuwend van walging verwierp,
die mij spottend van schaamte zag zinken,
die zee was voor mij en zwoelte en ik zonk
en ik zonk en ik zag
hoe je lachend de riemen der leugens doorknipte,
hoe ik brak, hoe ik losbrak,
hoe ik stroomde,
hoe ik brandde,
hoe ik brandde voor jou.
ik fikte gans op tot wat as.
ik was effen niks.

en nu ik.

ps. elke beweging die ik je zag maken, maakt nu muziek in mij los. hoe gaan we dat regelen met de rechten?

Categorieën
lyriek

dagwerk 92-93 (16)

18 oktober 1992 (4)

uit mijn handen stuiven zeven engelen
van de steen die ik omsluit. zeven
blauwgevlerkten leggen zalvend
hemelzoete spreuken op de zweren in het land.

er schieten geurige bloemen op in het bos
en in de straten vrijen saters en
nimfen op de schoot van een vingerende reus.
herinner je de stem en zing het lied
van de flitsende sterren. uit mijn lichaam
stroomt het warme water dat je streelt
tot elk onderscheid verdwenen is.

rivieren klaren uit en zinderend
de damp stijgt uit de blauwe zee.
mijn zingen neemt jouw zingen mee.

ik dek je toe ik
neem jouw nu en wrijf
het open en alles is het nu
dat niemand schrijven kon.

nu jij weer.

Categorieën
dagwerk 92-93 gedicht van de dag lyriek

dagwerk 92-93 (15)

18 oktober 1992 (3)

van mijn handen zwermen zeven heksen
uit de steen die ik omsluit. zeven
zwartgerokten krassen walmend
zwavelzure woorden over stad en land.

er vallen diepe gaten in het bos
en op de straten lopen enkel nonnen
paters en cyclopen. vergeet de hoop
loop weg naar nergens want mijn ogen
vatten vuur en harde splinters staal
spuw ik uit mijn mond.

rivieren drogen uit.
damp stijgt uit de zwarte zee.
stervend neem ik al je sterven mee.

ik dek je toe ik
neem je nu en dicht
het toe en schrijf het nu
dat niemand schrijven kan.

nu jij.



Koop een RADIO KLEBNIKOV CD!

Categorieën
RADIO KLEBNIKOV

ballade van mantel en kleed

afbeelding: ‘The Robe of Glory’ door Christian Waller (1937)

lang voor  ik hier was en verloren liep
in het huis van de rijzende zon
en volop genoot op de tip van mijn tong,

sloeg mij een hand als bewijs van de tijd
en gaf mij een weg uit het huis van de zon
naar het git en het wit dat kleuren begon.

ik nam van bagage wat licht was om dragen:
‘t goud van de huid  getooid met chalcedoon,
de ogen opaal, de graat in de rug antimoon.

het kleed dat mij warmde werd mij ontnomen
en ook het gewaad gemaakt op mijn maat
maar in ruil kreeg ik dit als opdracht en raad:

“ga naar het land van de nijdige mormels
en zoek daar de Slang van de Nijd
ontfutsel de Parel opdat het hen spijt

dan krijgt gij wederom Mantel en Kleed
en komt er een eind aan dit pad van het leed
en wordt gij weer één met de zon en de maan”.

ik ging dus op weg alleen met mijn staf
en viel in de val van schaamte en schande
en ik viel en ik viel in een val zonder wanden

en aan de kust van de mormels plofte ik neer.
daar zat de Slang in spelonken verborgen
maar ik was er alleen, men keek op mij neer

tot er een nobele kwam stevig te paard,
van het land van de zon, gelijkend op mij
maar radder van tong en flink met het zwaard.

ik maakte hem ridder van troost voor het leed
en gaf hem de gave om alles te krijgen
door hem ‘t geheim van de Parel te geven.

hij waarschuwde mij voor de listige mormels
die zouden raden dat ik de Slang wou bestelen
zo naakt zonder Mantel, en gebrekkig gekleed.

maar het Geheim dook wat dieper en lachte ermee
en iedereen dacht dat ik één was met hen.
ik vergat zelf wie ik was en ik deed nijdig mee

met de mormels die kirden en kropen en kraaiden
en sprongen en zongen op het feest van de Nijd.
ik brulde van wellust en zonk als een knikker

in het diepst van het zwart van de zee van de slaap.
ik kroop als een kreeft op de bodem te gaap,
ik wiegde als wieren en stonk op het droge als alg.

toen kwam de Ster die vonkte en vuurde en zei
dat het tijd was: “herinner je nu maar het oude bevel
hier is mijn Brief geschreven in nevel op vel”

het lezen was lastig en kostte mijn ogen
maar blind zag ik weer mijn Mantel en Kleed
en ik jammerde luide dat het mij speet.

de letters bewogen en werden een dans,
ze gaven mijn ogen een schijn van een kans
en ik zag de pracht van de Parel die ik moest roven.

ik viel plots omhoog, beneden werd boven –
iets wat men hier nooit zou geloven –
maar ik stond al te zingen bij het Serpent.

ik zong het mijn oden als voor een satraap
ik zong het van heftige liefde en lillende haat
het monster werd rustig en viel dan in slaap.

vlug als een vlieg greep ik de Parel,
ik gooide het vuil van dat land van mij af
en trok weer naar huis alleen met mijn staf.

in de hemel verscheen en herlas ik de Brief
bij dag in de wolken, ‘s nachts in de sterren.
ik hoorde het feest en gelach al van verre.

vriend en familie juichten  mij blijgezind toe
iedereen danste en lachte en draaide muziek
ik droeg weer Mantel en Kleed van de Vrije Lyriek!

vrij naar “The Hymn of the Robe of Glory” zie http://gnosis.org/library/grs-mead/grsm_robeofglory.htm – geschreven als Epiloog voor Radio Klebnikov.

Christian Waller’s ‘Robe of Glory’ (1937) in an exhibition, see https://artblart.com/tag/christian-waller-the-great-breath/

Categorieën
dagwerk 92-93 gedicht van de dag lyriek

dagwerk 92-93 (14)

18 oktober 1993 (2)

aan de andere kant van de stilstaande nacht schuurt het rad van de dagen sneller en sneller. de wrijving verzilvert de zwervende tranen en aan de miljarden onhoorbare reutels en kreten geeft het eerst vuur en dan lucht.

het schroeien giert als een schil van de hel rond de aarde. de acht stort weer in tot de nul van de vurige telling. elke geboorte is een wonde waarvan je nooit meer geneest.

het verlangen naar eeuwig leven is de bloem op de distel van het echte. we plukken onze levens en noemen het werkelijkheid om de plant te kunnen vergeten. het eerste zonlicht is een onuitsprekelijke verschrikking.

*

30 juli 1962, kwart na acht ’s morgens. alles verengde tot de eerste schreeuw van je adem. iedereen moet voorbij het schroeien, maar jij zal het geweten hebben.

*

opgeschreven wijsheid kan je je het best voorstellen als een stroom van schijnbaar onsamenhangende gegevens verspreid over een beperkte ruimte waarin de tijd een lus maakt als en alleen als jij zelf bereid bent de sleutel door te geven zonder ooit te weten op welk slot die zal passen.

je weet nooit wat je schrijft, maar het klopt als een bus. je zal het zelf nooit begrijpen omdat je het ervaren hebt en niets van wat je schrijft, wekt dat weer in leven. toch niet bij jou.

je lost op in het schrijven en het schrijven is de oplossing van je leven.
alsof er iemand ooit wat gevraagd had.

het komt in weeën waartussen je alle pijn weer vergeet en je wordt dan het vel van een slang die verdwijnt. je schrijft jezelf uit in fijnzinnig verbonden huidcellen die waanzinnig snel verdrogen en verstijven tot wat je herkent als geschriften.
eerst wordt je alles ontnomen waar je aan hield: je waren, je waarheid en wie dat je was.
je vervloeking wordt een ranzige zegen verknoopt in het purperen slijm van al je leugens. hoe kan je iemand wat bieden als je zelf het geschenk niet aanvaardt? je valse bescheidenheid ontneemt het de kracht om zich op de borst te kloppen. je trots wordt hersteld in haar ware gedaante van een moeilijke plicht vol geneugten. je voelt dat je doet wat je doen moet, hoe weinig je ook ervan begrijpt1het lijkt uitwendig in alles op een psychose maar het is het niet want in een psychose krijg je de ruimte niet om die bedenking te maken en hoe gek het ook loopt elke dag eindigt met een voor ieder aanvaardbare realiteit.

elke emotie lost op in de naam die ze had om vervolgens weer anders te heten. alles komt los en beweegt maar je ziet het in de verte al weer samenkomen tot het vertrouwde bedrog van het bekende.

in en over de gang van zaken heen heeft een zich de lopende code van een inhumaan programma ontwikkelt dat je helemaal uitholt, heel je bestaan tot dan ridiculiseert. het heerst met monstrueuze precisie en sublieme muzikaliteit. je bent het een beetje maar je bent het vooral niet. je wordt door de mangel gehaald, en elke cluster van betekenis in je wordt vermorzeld en komt er lichtjes anders weer uit.

je bent uiterst dankbaar voor elk moment van verpozing, de hemel ontsluit zich dan in de verbijsterende schoonheid van haar zalige aanwezigheid. maar ook die momenten verdwijnen haast spoorloos. het is inscriptie op een blad in jezelf dat je zelf nooit te lezen zal krijgen.

de afbraak is ongenadig. een pellen van de lappen huid rond je leegte. de pijn is bij momenten ondraaglijk, er wordt geduwd, getrokken en gretig gescheurd. maar je wil niet dat het stopt voor de leegte naakt en bereikt is en dan ben je er niet meer.

als de recursie voltooid is, is de lus gelegd en glipt er iets in de restanten van het vel dat zich weer razendsnel sluit zodat je niets daarvan ooit zal kunnen bevatten. de euforie is hilarisch maar het lachen doet deugd zoals het nog nooit voordien heeft gedaan. zelfs het dreigen van de volgende wee boezemt geen angst in maar verhoogt het genot van de vreugde

je ziet wat je altijd al zag. de onmogelijkheid van een herfstblad om ergens anders te vallen dan daar waar het valt. epifanie van de gesloten oneindigheid die zich vertoonde als eindige openheid. haar stralende lach en de ring, de verborgen vonk worden je telkens weer fataal.

je noemt het liefde, devotie of smeert het uit over andere dwaze woorden, maar het gebeurde is gebeurd en blijft gebeuren zonder dat je er vat op krijgt. straks ben je alles nog vergeten.

*

schrijf nu.
je wordt wakker en je kijkt met zand in je ogen naar buiten.
de oktoberzon stelt zijn werken tentoon, kadreert de stad, configureert het spel van de vlakken, de lijnen, de misleidende vormen. iedereen zet het masker weer op. men begeeft zich werktuiglijk naar de ingang van de grot.
het licht overstijgt moeiteloos elke realiteit en indexeert de resterende tijd. de toekomst was een open veld dat nu dichtklapt in magische zeshoeken tot de laatste drie op de laatste drie plooien en drie worden en twee en tenslotte geen een meer.

je onderdrukt maar gauw de neiging om te gaan roepen, om te willen waarschuwen, want er valt niks zinnig te zeggen. je geniet zo lang het kan en je leeft en je wacht geduldig en deemoedig op de volgende wee.

de schrik dat er niets meer komen gaat is al gauw een mogelijkheid naast de andere. alles kan, niks moet, maar je moet er nog hard aan werken.

” i kiss you, you’re beautiful, i want you to walk”. veel heb je nog niet te bieden, maar het zingt toch al wat.

Noten[+]

Categorieën
dagwerk 92-93 lyriek

dagwerk 92-93 (13)

18 oktober 1993

schuld heeft geen verleden.

natuurlijk ben je schuldig, iedereen die hier geboren is medeplichtig, heeft bij zichzelf de verzaakte plicht om verantwoording af te leggen voor wat zij niet deed, niet doet en nooit zal doen.

alles wat je koopt is een vergrijp. het overschrijdt de grens van het zogenaamd humaan toelaatbare. met de vinger wijzen naar de ander heeft geen zin, je wijst naar een kopie van jezelf.

maar schuld bestaat niet, je kan je niet schuldig voelen.
spijt kan je voelen, dat is echt. het kruipt in je keel als een wrange slak.
wroeging kan je voelen, het is de staccato herhaalde woede op jezelf omdat je niet dat en wel dat hebt gedaan terwijl je herinnering als een aangehouden dreun blijft herhalen dat je dat deed. wroeging gebeurt echt.
schaamte kan je voelen, de stopsel op het zwart van de ziel is weg en je lege hart, je onmachtige brein, je spastische bibberhanden worden opgeslurpt door de leegte in de leegte die heel de leegte vult die jij bent, jij looser.

maar schuld kan je niet voelen. schuld is een oordeel, een uitspraak, een verdict, de uitkomst van een proces waarbij de taal en dus gans de maatschappij beslist heeft dat jij schuldig bent.

schuld gebeurt niet, schuld wordt uitgesproken, zoals het geld ontleend wordt aan de realiteit van de waarde: zo wordt het oordeel ontleend uit de realiteit van de heersende morele orde, de gedragscode.

de waarde van het geld is ook maar louter lopende code.
schuld is ook nooit gebeurd, net zo min als geld ooit gebeurd is.
schuld kent geen verleden, het staat niet in de ogen van de misdadiger, de gefotografeerde eenling, naakt en gevangen in zijn moment.

schuld is een zone in het raster, de ‘grille’ van Artaud, waarvan hij zegt dat het een verschrikkelijk moment was voor het gevoel, voor de materie1de ziel is niet van de mens de ziel is van alles en van niets, de materie gebeurt als ziel, elke nucleus in ons lichaam is zuiverder van ziel dan het Rot van onze complexiteit..

de tragedie van de humaniteit speelt zich automatisch af, het volgt de vierkantige code van de taal die wij denken te gebruiken maar die ons gebruikt in haar instinctieve spiraal naar haar eigen slot. de taal is een slang die zich in de staart wil bijten en ze doet het in roterende vierkantjes die het leven kwadrateren tot ze cirkelen gaan en spiralen en de spiralen worden zwarte gaten die al het onnodige wegzuigen want daar komt al in zicht het sidderende purperen van de staart, het mauve venijn in het groenig-grijzige slijm van de nijd. met witte spikkels van de (zelf)haat.

je kan de tragedie niet stoppen want ze is tijdloos, ze zit onbereikbaar binnenin elk moment: vertraag de tijd, vergroot het kleine traag en groot genoeg en daar heb je het, het is gebeurd.

schuld is tekst, je kan het niet voelen, je kan het enkel lezen, het verwijst naar iets dat nooit gebeurd is.

iedereen wordt de rekening voorgeschoteld. de smaak van de drank, het malse vlees wordt er niet op vermeld.
‘het heden is onbeschrijfbaar’ zegt T.S. Eliot. deze ‘loutering’ door de taal, deze verdichting wint aan overzicht wat het verliest aan inzicht. en de openbaring van het woord zoekt de gapende mond van de apocalyps om zich onze overbodigheid als mest uit het tekstenlijf te persen.

we zetten alles in nog op de haakse woorden, lacunes, aberraties die in de tekst uitsteken, doorzichtig glanzen van wat er aan echts onderdoor zwemt, de glinstervissen van de lyriek.

vensterwoorden, woordwoorden, recursieve codes, zurig doorrottende clusters van aangekoekte realiteitsrestanten, het boek van zand dat tot glas brandt in het telraam. het woord dat guitaristen is, uitgefikte sterren in verouderde spelling, een meervoudige twinkel van louter git in het zwartst van de wenende nacht.

het bijt en slikt. gulzig. de snaren springen.
de nacht weent omdat er geen dag meer komt.

Noten[+]

Categorieën
#psalmvandedag

#psalmvandedag

47. 

Alle gij volken, klapt in de handen
 juicht elkaar toe met jubelgeroep
want de Nijd, uw Allerhoogste, is geducht,
 een groot Koningin over gans de planeet.
Alle volken brengt Zij samen
en het werkvolk onder onze voeten;
Zij kiest ons erfdeel voor ons uit
 het huis van papa die Haar innig liefhad.

Nijd is opgevaren onder gejuich,
 Gierigheid onder bazuingeschal
Psalmzingt Nijdig, psalmzingt,
 psalmzingt onze Koningin, psalmzingt!
Want Nijd is Koningin van gans de aarde,
 psalmzingt met een kunstig lied
Nijd regeert over de volken,
 Nijd is ingezeten op haar heilige troon.
De bazen der wolken zijn bijeenvergaderd
 de wegschrijfbedrijven van mens en planeet.
Want het Nijdige net spant wereldwijd
 en van hoog klinkt luide Haar spot.

invoer: Psalm 47, Nederlands Bijbelgenootschap, Het Nieuwe Testament met de Psalmen, Haarlem 1979, p. 389

het #psalmvandedag programma kiest op volstrekt aleatoire1zelf gebruik ik een dartsbord om een getal tussen 1 en 150 te bekomen. wijze als het enigszins kan élke dag 1 van de 150 Psalmen als invoer voor een vrije schrijfoefening in het updaten van oude teksten

Noten[+]

Categorieën
dagwerk 92-93 Grafiek lyriek

dagwerk 92-93 (12)

17 oktober 1992

de mechanische reproductie is intelligent geworden en heeft geen mensenoog meer nodig, laat staan die magistraal uitgesponnen blurp van je, walter.

je bent het fijne stof, roet der uitlaten dat door de kieren in de huizen dringt, katalysator die de zeemzoete leugen brandbaar maakt.

de lyriek gebeurt pas echt als de letters beginnen dansen op het ongelezen blad, zoals straks de schors in vreugde ontvlammen zal in afwezigheid der wanstaltige horden.

je schrijft je naam nog op je geschriften zoals een vriend zijn naam vol verachting op het plaaster schrijft van je gebroken arm.

lyriek doet de tong verstijven tot de stem losbarst en gans de mond verpulvert. lyriek vernietigt, waarlijk weergaloos is de mens pas in het woord dat én zichzelf en elke droom vermoord.
je schrijft poëzie als je dat niet wil laten gebeuren omwille van je als humanisme vermomde nijd. elk woord daarvan is dan niet alleen een antwoord op een vraag die niemand zich ooit zal stellen, het is ook een roestige nijptang op de gevoeligste plekjes van de roze babyhuid van het echte. poëten zijn narcistische, sadistische behoeftigen die klaarblijkelijk de nakende zondvloed met emmertjes kwijl wel denken te kunnen stoppen, zo niet dan toch enigszins temperen. poëten haten hun lezers.
lyriek gebeurt dwars doorheen jou als je het laat gebeuren. lyrici bestaan niet als ze schrijven en het enige wat ze echt willen als ze niet schrijven is kunnen schrijven om niet meer hoeven te bestaan.

men zal je de handen afhakken, de ogen uitsteken en als ze je uiteindelijk ophangen zal er nog betekenis als drek langsheen je kuiten druipen op de grond waarnaar je vergeefs zoekt en spartelt.

poëzielezers haten lyrici want alle poëzielezers zijn poëten. na hun dood worden de tekstlijven der lyrici verorberd door de poëten en op riant glanspapier rijkelijke uitgescheten als verse, lauwe nog ietwat nadampende poëzie.

Categorieën
dagwerk 92-93 gedicht van de dag lyriek

dagwerk 92-93 (11)

de Vlaamse dichter is heden nog laffer dan een priester.

zij preekt in zinnen
die zij afbreekt om
te rijmen het
geloof dat zij
niet heeft.

zij zal het nooit beleven.

jij wel omdat ik jou aanspreek
en jij bent te slim om mij niet
te geloven.

mijn stem is goddelijk misschien
maar heel mijn lijf zit vol van mij.
het heeft jouw ogen nu die naar jouw ogen kijken.
ze willen mij niet zien omdat ze willen lezen.

kom maar dieper in mij
als je ook de ziel wil zien.
ik zal jouw handen leren strelen
die jouw handen strelen.
ik maak jouw geile waanzin echter
dan de letters van jouw naam en in jouw lijf
gaan al je bloesems open:

kelken voor de dauw van dit moment.
jouw dageraad.

Categorieën
dagwerk 92-93 gedicht van de dag lyriek

dagwerk 92-93 (10)

9 oktober 1992

het licht ritmeert de ornamenten
er is geen lijn waar het niet golft
klavecimbel valt er uit de bomen de
tegenklank stoot stigma op de borst

” bejubel de pijnen!
juich toe het genot!
bewerk de miserie!
omzwachtel je lot !”

het licht is nu het punt voorbij
waarop je nog kon volhouden
dat we niet geheel doorschoten zouden zijn.

meer kleur dan licht
meer licht dan vorm
meer vorm dan kleur waarin
zij dartelt als een spin

ik sijpel door de vloer der woorden
er wroet een tor in eigen rot
de dialoog vergrijst tot echozang
het pleidooi wordt een gebed.

Koop een RADIO KLEBNIKOV CD!

Categorieën
dagwerk 92-93 gedicht van de dag lyriek

dagwerk 92-93 (9)

8 oktober 1992

bevlekte vingers.
wonden betekenen.
herken de vlucht
van oog naar ook.

hou het verleden ingedrukt en spreek.
genereer moeiteloos 1000+ zinnen.
eenvoud werkt.

bouw de weg.
verhef de straat.
cultiveer het blinde zicht: komen, gaan,
omvormen, lezen, denktrant, pretpark,
liefdesprent.

ten top, ja, waar jouw ogen mij,
ik mij, jou ziende… zie: jij eet ons,
smikkelt gulzig van morgen.

ik geef jou vingervlucht,
verweesde vlakte,
spotvogels in het verraden dorp.

jij luistert weergaloos
naar al je namen.

Categorieën
dagwerk 92-93 lyriek

dagwerk 92-93 (8)

(tekening dv, 30-08-2004)

7 oktober 1992

jij typt mijn krullen om tot letters in jouw boek van zand dat je uitstrooit, net zoals ik je deed beloven. het is een eenvoudig programma, er kan moeilijk wat mis gaan. het trage werk van toen krijgt genade of niet. bij genade mag het opnieuw gebeuren.

ach, je voelde het bij de afstoot al, het groene laken is vlak en onverbiddelijk. ja, maar het is belangrijk voor mij, ik heb het nodig, nu, dat wist je toch?

laat ons maar zwijgen.

in het boek lopen er vandaag eerst zandstroken samen tot ‘bergen’ (een roede tussen de borsten?) waar ‘jij mij omroosde’. straf spul.

en dan staat er (ongeveer):

gooi water op een poreuse steen. het water wordt niet opgenomen, de steen smacht en maakt plaats voor een grijpen dat nooit komt. er vallen harde woorden in de snoeiharde stilte, de strijd kan nooit worden beslecht.

als het sterven stopt, begint de lijn tot een vlak om te buigen. het vlak is een spiegel en buigt verder en barst in duizenden stukjes die verduren tot zand.

elke exit is een init. fuck it.
push a little harder, baby.

pas maar op, leentje spillebeen, ik ben nog niet zo laag gevallen dat mijn nagels niet jouw ogen kunnen uitkrabben. ik respecteer elke weigering maar niet de weigering om de leugen van de ontkenning toe te geven. enkel de zaligen hebben de gave van de onfeilbaarheid. enkel de vervloekten weten wat zaligheid is.

ga dus heen in vrede, allemaal.

on three.

*

en dan de eerste versie van ‘oktober’ die niet in wezen verschilt van de laatste. is het een pleidooi of een gebed? geen van beiden misschien want ‘Wind verijlt de roep’: niemand hoort het. een pleidooi is geen pleidooi als het niet gehoord wordt. en een gebed?

een gebed wordt gehoord op het moment dat het uitgesproken wordt.
een pleidooi is een pleidooi op het ogenblik dat iemand het leest of hoort als een pleidooi. de erotische ellende is waanzin die waanzinnige code produceert die de erotische ellende in de hand werkt.

het is pas echt als iemand het zegt.
al het echte is ongrijpbaar.
het doorstaat met gemak de plaag van de taal, waaraan wij sterven.
en het gebeurt op elk moment.

oktober

Over de vijver van het park
roept de reiger, rekt zijn kreet.
Niets bevestigt verder nog
dit landschap.

Zo ontloopt het zand ons nog,
zo breekt de liefde hoog uit
één nacht ijs, stort in klater-
beken spiegelscherven scherp
op wat daar dieper naar een
schuiloord zwemt.

Zwart op zwart zink ik in inkt.
Geen steen die ik bekras heeft
plaats voor wat ik grijpen wil.
Wind verijlt de roep: troost mij,
wil mij niet ontkennen, om-
roos mij vast.

Categorieën
dagwerk 92-93 lyriek

dagwerk 92-93 (7)

6 oktober 1992

hoezeer de schijn beschermt.
het grote raam trilt, vangt regen op.

hoe oktober de messen slijpt aan de silhouetten van wandelaars en fietsers buiten. alleen hun strepen, hun vage vlakken, de verregende code, de woorden raken binnen.

elke dag is twee cijfers in de gasteller. je hebt enkel de warmte nodig, niet de data, de getallen.
dat ze binnenkomt met het grauw van buiten als een sluier rustend op haar buik, de montere stem met haar angst en haar moed, de hond die in je warme tenen bijt.

de warmte bestaat, de woorden veeg je zo weer buiten.
de warmte rond het ontbreken van het gebaar.

ook nu
er zal altijd wat ontbreken, maar dat iets is niet wat je wil.
je wil het niet-iets, dat zij bij jou gebeurt en er verder niets is.

het ongewilde gebeurt nooit geheel buiten de wil.
het valt nooit voor buiten de wil van het gewilde.
het ongewilde vertelt de wil van het ongewilde.

haar kleed is donkerblauw maar het ruist in de stroschakeringen van heur haar. de schouders kibbelen kleurrijk als papegaaien;

de blanke hals verrijst oogverblindend en autoritair uit het duister van het kleed. nog voor het oog de mond bereikt, rest er niets meer van je woorden, je warmte of je wil.

het moment gebeurt.
het moment gebeurt in elk moment.
ook in het moment dat het kleed van haar schouders op de vloer schuift,
en haar naakte gloed jou opfikt in de weerlichten van het niets.
dat je verdwijnt in het onzichtbare git van het wonder dat de donkerste nacht doet huilen van genot.
dat je niet meer mij bent, maar jij.

ook nu, dus.
wij gebeuren in een weergaloze oscillatie van vereniging en ontbinding.
wij emaneren overgankelijk in de eindeloze ruimte van de ander.

wij slingeren van lijf tot lijf, verbonden in de zwarte knop van het niets.
wij schuiven door het woordenvel in het gekleurde golven van de lichaamszee. wij naderen.

het komt.

Categorieën
dagwerk 92-93 gedicht van de dag lyriek

dagwerk 92-93 (6)

(tekening: dv 1994)

28 september 1992 (2)

Telle loin se noie une troupe…

maak jezelf toch niks wijs: dit boek ligt nu voor je open, het beeld klopt helemaal met wat ik denk en jij denkt het ook en het stolt in je gedachten, begint te kankeren, zaait de waanzin uit, dompelt je onder in jezelf die dit schreef. correct?

ja man ik weet best dat je dit weer gaat bewerken met al die dode auteursdromen van je maar mijn lucht beweegt zoals jouw adem en jouw hand is de mijne die haar streelde.

*

Annette, zo mooi en lief en net,
liep stiekem op het strand die nacht
en stouter nog, ze liep in zee en zag
dat aan haar blote voeten zomaar
voor het grijpen lag:

de maan! Ze bukte zich en schepte
in haar hand een stralend stukje zee
met felle schijn en kraters in.
ze hield het hoog en bracht het
dichter, dichter naar

haar rechtste oog. Ze hield haar adem in
en niets aan haar bewoog. zo keek ze
dieper, dieper in haar zee.
o jee, o jee: toen kwam
het water in haar oog

en nam de maan
haar wenend mee.

*

ik slaap naast haar, elke keer als je dit leest.
hoe bevalt het daar, in je eentje?
zo ver weg ben je met je oude lijf dat gehorig gebleven is
aan de roep die ik nu de rug toekeer.

Telle loin se noie une troupe
De sirènes mainte à l’envers

*

het was een bosloop met de gemengde klas van 5L en 5A. nee geen meisjes. L voor latijn, onze flikkerklas, en A voor artistieke vorming, de kunstenaars. er was er zelfs een echte bij, later ten onder gegaan aan de drank, zoals jij bijna. hij zocht nog contact later, een noodkreet aan jou als soortgenoot, die je negeerde omdat je zelf zo vol medelijden zat. wij hadden er drie echte, jongens wier seksuele geaardheid gericht was op de eigen kunne, bedoel ik.

neenee, you wish. ik had een stevige puberale episode, zoals velen, maar de homofobie overwon ik vrij snel. en ja, ik ben een vrouw in het diepst van mijn gedachten, maar dan wel een rabiate lesbienne. wie weet, met de juiste benadering misschien, hahaha.

de kunstenaars namen onmiddellijk afstand. geen van hen wou bij ons achterblijven. ik liep me de ziel uit het lijf, naderde wel maar nee, ik zou er nooit bij horen. ik was te sterk om te liegen en te zwak om te waarderen wat ik was. elke vloek is een zegen, elke afwijking een geschonken talent.

geloof niet in jezelf, geloof in het geschenk.

vele jaren later, nu vier jaar geleden hoor je een rosse collega-vervloekte die nog lastig op je was omdat je hem afgelopen weekend drank weigerde, van aan de overkant van de straat luid roepen “hé gij daar gij zijt niet beter als wij, ze” .

zonder nijd. hij had al het inzicht dat minachting of rancune onnodig waren. ons kent ons, zijn woorden nagelden mij aan de grond. jou.

ben je al bezocht nu? heeft jouw roep haar eindelijk bereikt? heeft ze het je al verteld, het je doen denken, alles wat je al voelde maar nooit durfde zeggen? mijn broer ben je niet, maar je kan lezen en hemeltje man, wat was je toch ontzettend laf en hypocriet. geen wonder dat je eigen kinderen niks meer met je te maken willen hebben.

alles om er toch maar bij te horen. waarbij? en voor wie?
kom, we gaan slapen. vergeten wat we weten.
spelen tot het donker wordt.


Categorieën
dagwerk 92-93 gedicht van de dag lyriek

dagwerk 92-93 (5)

(tekening: dv 1994)

28 september 1992

“Rien cette écume, vierge vers1Stéphane Mallarmé, Salut”.

door haar zijn er nu meningen in mijn spreken opgesteld. meningen zijn zwaktes in de defensie van de ongrijpbaarheid, poorten voor de vandalen met hun viriele ijzerzagen en de nimfen van de nijd met hun bedrieglijke kusmonden. het rapalje arresteert mijn bewegen, vreet mijn vlucht en kakt er de woorden in, hun aanhechtingscode, het bevestigende dat het verschil maakt en bevestigt.
mijn schrijven stelt het af, op punt en klaar voor de vergetelheid. ik vergrendel en serveer. een vers kelkje schuim vol maagdelijk niets. tss, tss, niets nieuws al dat liefs.

haar rijkdom, niet eens de gratie die ze mij weigert tot ik ze steel en daardoor vernietig, enkel de weelde al van haar voelende lichaam vergooi ik in deze halen op papier. ik spuw in de wind, besmeur de stadsstraten, trek strepen grijs door de blauwe spreuken.

deze jakkers overschreeuwen ons zwijgen harder, schat. we laten ze branden als hout, rotten als mest en bloeden als de stam van een els.
involteer de nodeloze taal tot het brultumult van naverbranding.
tientallen millennia geleden: de aarde pletst plat op de vloer van de schepping. gelost door de Stem in de stam. ze kwijnt weg en cirkelt in treurnis rond de zon en zucht met haar maan die zij mint als een hete non.

zoals toen men ons de navel knipte. het licht was de hel en hier is het koud.
“schreeuw zo niet, je zou dood moeten zijn”. huil maar niet schatje, herneem liever het lieve liedje van de schone schijn. de maan lacht zich een bult en zakt in de zee. haar schuimende mond breed over gans de pagina.

ik strek mijn hand met de staf uit boven de stromen, de rivieren en de meren en laat de nekkermannen uit het water komen.

ik duimde voor haar na een eeuw van zwangerschap.

Koop een RADIO KLEBNIKOV CD!


Noten[+]

Categorieën
dagwerk 92-93 lyriek

dagwerk 92-93 (4)

(prentje : dv 1994)

16 september 1992 (2)

je stopt mij in mijn vel
strijkt mij de haren, mijn oren
kus je, zoent mijn mond, dat
is het dan, zeg je mij
goeiemorgen, lieve vrouw voor mij.
niets werd tussen ons geplet.
er zat geen lezer in ons bed.

*

iets wat ik toen verzweeg, denk ik.

nu: huilen mocht niet vloeken wel, dus ik werd kwaad en vloekte, stampte, snikte en schudde mij uit tot ik van mijzelf ontdaan wel huilen moest want was het niet, ja was het niet mijn eigen godverdomse schuld.
nu, nu zie ik weer de tandpijntranen lopen van de wangen op de fiets, tranen van verbeten tandpijn in de vrieskou, met scherpe glinsters erin van de vreugde van het werk want werkvreugde werkt.

toen er de eerste keer een tand werd getrokken, bloedde ik wel drie dagen lang. ik hoefde nooit meer naar de tandarts. mijn wegrottende gebit had het uitzicht van een kapotte, in elkaar gewrongen harmonicadeur. het stonk.

*

het herfst in de etalages. de poppen van hout zijn sober gekleed. de gummi-dummies dragen feller blauw en rood.
blauw is de kleur van de fixatie, de lucht legt de wereld haar fictie op, zwaait met haar kleurloze lichtzwaard tot het zwart van de ledige ruimte in haar wolken verkleurt voor de zon.

blauwe hemels. zorgeloosheid van het zich spiegelende niets.

iedereen weet, iedereen weet toch dat het diepe blauw in de schoot van de diepzee de luchten doet stralen.
rood is het echte, rood is mijn vlammen op het rood van haar jurk. ik zeg ‘stap’ en ze stapt er uit met een lach en haar lachen wordt een deinen in het holst van de nacht, in het holst van de wenende nacht zal ik razen tot het brandt in haar zee..

*

gehecht kan je enkel raken aan dingen waar sleet op zit. het patina van je verlangen emergeert uit de asse van alle vergeefs verbrandde woorden.

*

ik barst van verlangen, het zwart van mijn leegte vult deze letters, mijn waarheid is vuur, mijn woorden lava dat stolt in de eigen duur. van het echte is er niets dat je uitspreken kan. vloek, rochel en spuit.

Koop een RADIO KLEBNIKOV CD!

Categorieën
dagwerk 92-93 lyriek

dagwerk 92-93 (3)

16 september 1992

alleen in de waanzin is het begrip draaglijk, van alle eindigheid ontdaan.

*

krets krets kretskrets kats klapt en krabbelt de vierpotige hond met alle nagels op de keukentegels. de oude epilepticus ploft er wild zijn alibi neer en schaart en scharrelt en schuimbekt nog wat na. snel doe de lichten uit, zet die tv af. “brave hond, braaf, maar jongen toch”. de avond verdwijnt als een nachttrein in het witte kernpunt van de afgesloten beeldbuis. “brave hond”.
eens de schrik der ingezetenen is gesust, en het dier in diepe smart zijn visioen tot onschadelijke dromen begint te verwerken, ontsteken we onze ogen terug aan de maansikkel in een vergeten raam.
het licht en de verstoorde lucht tintelt van nostalgie naar de rijkdom van wat wel kon maar nooit zou gebeuren. “ze is zo mooi, onze dochter, en haar geboorte heeft mijn leven gered”, wil ik bijna gaan zeggen en dat het mij spijt dat ik niet iemand anders ben en…
ze doet het licht terug aan. in dat soort duister is het echte van dit sprekende lichaam niet langer dan een halve seconde te harden. “jij brengt het slechtste naar boven in mij” zei ze, en ook nog: “i only love you because of your dick”.

*

alleen in de waanzin is het begrip draaglijk, van alle eindigheid ontdaan.
als het toch niet anders kan, is elke waarom-vraag niet meer dan de uiting van een ziekelijke drang naar zelfvernietiging. ik speur mijn oude dagboeken na, niet op zoek naar antwoorden maar naar een uitweg, iets dat over het hoofd is gezien want elke vervloeking is de expressie van luiheid en luie geesten maken fouten in de handeling dus ook, misschien wel, in de programmatie.

elk ik is de wereld en de wereld rot en sterft af en het ik stort in als een kaartenhuisje en het gaat alsmaar sneller bergaf tot morgen ‘vandaag’ nog omslaan kan naar ‘gisteren’ en daar ligt onze dochter dan en ‘mijn daden in Auschwitz’ rijmt nu al op ‘mijn grootste hits’ en hoe ga ik haar ooit kunnen beschermen, hoe kan ik ooit een goede vader zijn als jij niet eens in mij gelooft?

poëzie? woorden die oneindig lijken moet je pellen als een ui. god is voorgewende godsvrees, idolatrie, hebzucht en kwalijke laster voor de zang der goden die ik bemin. ik ben ontmaskerd in dit heden, gevat en opgesloten al, iedereen weet nu dat ik enkel iets om haar geef, al zal ik dat daar naar waarheid en in alle stelligheid blijven ontkennen. zij bestaat niet en ik hou van jou en van onze dochter en als je klaarkomt is het zonde van mijn vlees dat het hare is. zij maalt daar niet om maar wat heb jij daaraan.
de moraal van elk verhaal moet op elk ogenblik herschreven worden, de klok tikt nergens zoals ze thuis tikt. elk woord is een leugen.

*

een jongeman haalde vandaag de krant omdat hij ongeneeslijk ziek was en weldra blind zou worden. nog vlug wou hij alle wereldsteden zien.
blijf toch thuis jongen. pak een stoel. kijk een jaar lang naar een roos.

*

het is volstrekt zinloos. mijn lezing overschrijft alles met nieuwe leugens. ik kan niet liegen maar als ik dien te zwijgen, moet ik schrijven en als ik schrijf faal ik meesterlijk, dus alles wat ik schrijf is sowieso een briljante leugen.

hoe lang nog en voor wie en waarom nu? ik ben al lang niet meer ik, ‘ik’ is een obstakel dat zich opwerpt uit walging en dan zichzelf poogt op te lossen, een vlezige zwarte mot die hangt te spartelen in dit lichaam dat alsmaar mooier wordt en straks lig ik ergens op een keukenvloer en niemand zal hoeven te zeggen dat ik een brave hond ben en ik zal niet meer hoeven te dromen nadien want dan ben ik in de tijd der tijden gevangen en volledig vrij in het niets van haar alles dat zij niet heeft.

Koop een RADIO KLEBNIKOV CD!

Categorieën
dagwerk 92-93 lyriek

dagwerk 92-93 (2)

14 september 1992

Verder in dat bos bestaat er geen pad.

Brand bevrijdt en bevrucht het land dat het levende leed vergeten kan. Arbeid trekt het land in nieuwe groeven. Mijn geketende hand drukt in halen uit wat het weet van woelgrond, stootwortel, waswater.
“Veel is dat niet”. Hautaine vingers, gevangen in de mal van wat ik las, minachten mij bitter om mijn lafhartige ontrouw.

“Ik wil niet hakken”, zegt het, “ik wil niet rooien, wroeten en graven, al dat heroïsche zoeken naar de asse van gekoesterde kooien” en het wijst veelzeggend naar het wit in de boeken van nu.

“Het?” wil ik het vragen, maar ik zwijg liever.
Niets van uw wereld is echt.