Categorieën
Anke Veld

Lode’s credo

“in de naam van de dingen
zit de naam van het niets.
het niets noemt de dingen
de dingen dragen de naam
als satellieten van het niets

de naam van god is uit het
niets de naam geworden
die de god der dingen
heeft tot god benoemd.
de god der dingen heeft
de mens tot slaaf gemaakt.

schrap de namen, laat
het zijn, weg met de dingen
weg met alles dat in de naam
van de dingen, in de naam
van god gebeurt want in
de naam van het zijn
gebeurt er hoegenaamd
niets.”

Lode Kok, Anke VeldKOLK, 2022

invoer (2017)

ANKE VELD

ANKE VELD is de internetroman die sinds 2002 gepubliceerd wordt terwijl hij geschreven wordt. de vertelde gebeurtenissen in de roman spelen zich grotensdeels ook simultaan af met de publicatietijd, of relatief korte tijd daarna, waardoor er soms wel eens wat moet worden bijgewerkt (ook Nostrodamus was niet onfeilbaar).

ANKE VELD is het verhaal van de AFLOOP. het is op dit moment niet bekend of het goed of slecht afloopt, maar aflopen doet het, daar kunnen we vooralsnog zeker van zijn.

ANKE VELD bestaat uit 8 plateau’s of ‘velden’ die elk één hoofdpersonage hebben. 18 jaar na de eerste publicaties is het niet langer duidelijk waar in het werk van de auteur de roman begint en waar de realiteit 1kwatongen beweren dat geheel WIKIPEDIA een onderdeel geworden is van de roman, maar dat lijkt ons toch nogal een indianenverhaal. ophoudt, of wat dan wel de realiteit van Anke Veld is. wie is , überhaubt, die Anke Veld?

Steun de Kathedraal, Radio Klebnikov en Platform PLEE!

Koop meer BROL!

op de grote Brolexpo van HET ROT!
Nog tot 17 november 2020 in FLUGZEUG Music-Art-Design te Leuven…
Bekijk de Cataloog
(prijslijst met foto’s op FB)

Noten   [ + ]

1. kwatongen beweren dat geheel WIKIPEDIA een onderdeel geworden is van de roman, maar dat lijkt ons toch nogal een indianenverhaal.
Categorieën
101Aanroepingen Anke Veld gedicht van de dag hemelnet2020 HEMELNETLYRIEK lyriek

rastopaal

2 fragmenten uit het Weerants Liedboek, een corrupt tekstbestand in het Neo-Nederlands uit de Afgesloten Toekomst dat in 2045 wordt opgevangen door de Neo-Kathedraalse audioFaag, een gignomenologische verontwezenlijking. de publicatie ervan in 2046 veroorzaakt een pantemporele deining die leesbaar is tot in de bucolische geschriften van Vergilius…

[…]

0  Node grashopper1sprinkhaan faaltje ni moeftu nog:
   ’t zuden hand is af, hebben de hemelluh
   hunnen hellu afgedoan. Gekeerd in se du
   ut der utten utgefeeld, verdaan al boenkte
5  huver gesoegd die sunne die lokens in alle
   tinge tingt in & weur di weur were wie nu
   mit uns die alle wie be wier, sinne die.
   Priktuns die eugen om zie
10 mit ziede geplakte drupting, druptie ze uut
   die kwetterdeung frolikt die roden rad 2van de rotspraak wordt de rode raad zo vrolijk als een hondje
   tut tu tunen tutter sie bilabillen, klakt sie
   aspectogans diene tuttelmip & hast sie
   die klakgang in ritmus leuswie der kant

[…]

0  heurig dich veulen, hemelluh effel3de hemel sta ons bij, playtuns nu
   diftiane uber ikspi tinggleuf tangmoezel ere
   ins euteleute utsnidde euterleunt, heultuns
   irte manoe habbe urweil nitvergongen dru
5  ikspi verdisspierte heurplekt, schrukt mut
   der blubiallen peurtent ikspi sik nier
   ikspi snikti noestalgica indirtisse4in de dichte mist
   utzude suituske richque chikalte skune klapti
   org velti ikspi der bubarsneuterbeu intu intu.

invoer (2017)

oude glasplaatfoto (meermaals belicht) uit de NKdeE archieven

HEMELNETLYRIEK

lyrische teksten vanop http://vilt.skynetblogs.be 2004-2007
herwerkt voor 2020 en erger

Noten   [ + ]

1. sprinkhaan
2. van de rotspraak wordt de rode raad zo vrolijk als een hondje
3. de hemel sta ons bij
4. in de dichte
Categorieën
Anke Veld English texts Grafiek strip

anke veld 13

As if to make her point in one flash moment Anke unfolded her own image seven times within the dome before me, thereby demonstrating that all of time is just an illusion and that reality, if needs be, can be constructed even by hammer and lever, by fysically pounding one’s own will into the fabric of appearances that we perceive…this ability to construct the reality that we live, however, came with a price tag and that was what, within that very moment, made me feel gloriously sad and insolably happy…next i heard myself reciting these all too familiar verses:

Time present and time past
Are both perhaps present in time future,
And time future contained in time past.
If all time is eternally present
All time is unredeemable.
What might have been is an abstraction
Remaining a perpetual possibility
Only in a world of speculation.
What might have been and what has been
Point to one end, which is always present.
Footfalls echo in the memory
Down the passage which we did not take
Towards the door we never opened
Into the rose-garden. My words echo
Thus, in your mind.
                       But to what purpose
Disturbing the dust on a bowl of rose-leaves
I do not know.

‘ANNA’ is the first episode of the English Comic Book version of Anke Veld the internet-novel otherwise written in Dutch

If you’re new to this comic, you can start reading it here.

Categorieën
journal intime Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #167

BLOEDSTRAAL

JONGEMAN
Ik hou van jou en alles is mooi.

MEISJE, met verhevigde tremolo in haar stem.
Je houdt van mij en alles is mooi.

JONGEMAN, een toon lager.
Ik hou van jou en alles is mooi.

MEISJE, nog een toon lager dan hem.
Je houdt van mij en alles is mooi.

JONGEMAN, wendt zich plots van haar af
Ik hou van jou.

Een stilte
Ga voor me staan.

MEISJE, met een zelfde beweging gaat ze voor hem staan
Voilà.

JONGEMAN, geëxalteerd, schelklinkend
Ik hou van jou, ik ben groot, ik ben helder, ik ben vol, ik ben dicht.

MEISJE, op dezelfde schelklinkende toon.
Wij houden van elkaar

JONGEMAN
Wij zijn intens. Ha wat zit de wereld goed in elkaar.

Een stilte. We horen iets als een enorm wiel dat draait en wind maakt. Een orkaan drijft hen uit elkaar.
Op dat moment zien we twee sterren met elkaar in botsing komen, en een hele reeks benen van levend vlees valt met voeten handen, pruiken, maskers, zuilengangen, gaanderijen, tempels, distilleerkolven, alles valt maar steeds langzamer, als viel het in een vacuum en dan dalen een voor een drie schorpioenen neer en tenslotte een kikker en een scarabee die naar beneden komt met een traagheid om wanhopig, om misselijk van te worden.

JONGEMAN, roept zo hard hij kan
De hemel is gek geworden.
Hij kijkt naar de hemel.
Lopen, weg van hier.
Hij duwt het meisje voor zich uit.
Een Ridder uit de Middeleeuwen komt op, in een vervaarlijk harnas, gevolgd door een voedster die haar borsten met beide handen vasthoudt en hijgt vanwege haar te zware borsten.

RIDDER
Blijf van je borsten af. Geef mij mijn papieren.
VOEDSTER, slaakt een kreet.
Ai! Ai! Ai!
RIDDER
Kak seg wat krijg jij?
VOEDSTER
Kijk daar, onze dochter, met hem.
RIDDER
Zwijg, er is geen dochter!
VOEDSTER
Ik zeg je dat ze neuken.
RIDDER
Laat ze neuken, wat kan mij dat schelen.
VOEDSTER
Incest.
RIDDER
Matrone
VOEDSTER, steekt haar handen diep in haar zakken die even groot zijn als haar borsten
Pooier.
Ze gooit hem snel zijn papieren.

RIDDER

Pfuh, laat mij eten.

De voedster maakt zich uit de voeten.
Hij krabbelt overeind en haalt vantussen elk der papieren een grote homp gruyere.
Plots begint hij te hoesten en naar adem te snakken.

RIDDER, de mond vol.
Eumf. Eumf. Laat me je borsten zien. Laat je borsten zien. Waar zit ze nu?
Hij gaat lopend af.
De jongeman komt terug op.

JONGEMAN
Ik zie, ik weet, ik heb begrepen. Hier heb je de publieke ruimte, de priester, de schoenmaker, de vier seizoenen, de drempel van de kerk, de lantaarn van het bordeel, de weegschaal van gerechtigheid. Ik hou het niet meer!

Een priester, een schoenlapper, een koster, een hoerenmadam een rechter, een handelaar in vier-seizoenen komen op als schaduwen.

JONGEMAN
Ik ben haar kwijt, geef haar terug.
IEDEREEN, op een verschillende toon.
Wie, wie, wie, wie.
JONGEMAN
Mijn vrouw.
KOSTER, heel kosterlijk 1‘bedonnant’: dikbuikig – woordspeling nvdv
Uw vrouw, pfu, onnozelaar!
JONGEMAN
Onnozelaar! ’t is misschien uw vrouw wel!
KOSTER, slaat zich op het voorhoofd.
Het zou zomaar kunnen.
Hij gaat lopende af.
De priester komt op zijn beurt uit de groep en legt zijn arm om de hals van de jongeman.
PRIESTER, alsof hij biecht hoort.
Naar welk deel van haar lichaam verwijst u het vaakst?
JONGEMAN
Naar God.
De Priester, verbouwereerd door het antwoord vervalt onmiddellijk in een Zwitsers accent.
PRIESTER, met een Zwitsers accent.
Maar dat kan je niet meer maken. Wij horen niets meer met dat oor. Dat moet je maar aan de vulkanen vragen, aan de aardbevingen. Wij moeten het hebben van de kleine smeerlapperijen in de biecht. En daarmee uit, dat is het leven.
JONGEMAN, heel erg aangedaan.
Ach zo, dat is het leven!
Ah bon, iedereen trap het maar af.
PRIESTER, nog steeds met een Zwitsers accent.
Maar zeker.
Op dat moment valt de nacht plots op de scène. De aarde beeft. De donder raast, met weerlichten die zigzaggen in alle richtingen, en in de zigzaggende weerlichten ziet men de personages het op een lopen zetten, ze lopen tegen elkaar op, vallen, krabbelen recht en lopen als gekken.
Op een gegeven moment grijpt een enorme hand de hoerenmadam bij de haren. Die vat vuur en zwelt zienderogen op.

GIGANTISCHE STEM
Teef, kijk naar je lichaam!
Het lijf van de hoerenmadam komt naakt en afschuwelijk uit het korset en de jurk tevoorschijn als waren die van glas.
HOERENMADAM
Laat mij los, God.
Ze bijt God in de pols. Een immense bloedstraal schiet dwars over de scène en in een weerlicht groter dan die van de anderen ziet men de priester een kruis slaan.
Wanneer het licht terug aangaat, zijn alle personages dood en liggen hun lijken over de vloer verspreid. Alleen de jongeman en de hoerenmadam verslinden elkaar met de ogen.
De hoerenmadam valt in de armen van de jongeman.
HOERENMADAM, zuchtend, als op het uiterste punt van een amoureus spasme.
Vertel mij hoe het met jou gebeurd is.

De jongeman bergt zijn hoofd in zijn handen.
De voedster komt terug op met het meisje onder haar arm als een pakket. Ze laat haar op de grond vallen waar ze neerstort en zo plat wordt als een boterkoek.
De voedster heeft geen borsten meer. Haar borst is helemaal plat.
Dan duikt de Ridder op die zich op de voedster werpt en haar heftig dooreenschudt.

RIDDER, met een vreselijke stem.
Waar heb jet het verstopt? Geef mij mijn gruyere!
VROEDVROUW, dartel.
Hierzie.
Ze heft haar rokken op.
De jongeman wil weglopen maar hij staat perplex als een versteende marionette.

JONGEMAN, als opgehangen in de lucht en met een buiksprekersstem.
Doe mama geen pijn.
RIDDER
Vervloekte.
Hij wendt in afschuw zijn gezicht af.
Een massa schorpioenen komen vanonder de rokken van de vroedvrouw en die beginnen te paren in haar vagina die opzwelt en glazig wordt en schittert als een zon.
De jongeman en de vroedvrouw gaan ervandoor als gelobotomiseerden

MEISJE, komt verblind overeind
De maagd! ha, dat was het wat hij zocht.

DOEK

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.74-81] – vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

LE JET DE SANG

LE JEUNE HOMME

Je t’aime et tout est beau.

LA JEUNE FILLE,
avec un tremolo intensifié dans la voix.

Tu m’aimes et tout est beau.

LE JEUNE HOMME, sur un ton plus bas.

Je t’aime et tout est beau.

LA JEUNE FILLE,
sur un ton encore plus bas que lui.

Tu m’aimes et tout est beau.

LE JEUNE HOMME, la quittant brusquement.

Je t’aime.

Un silence.

Mets-toi en face de moi.

LA JEUNE FILLE, même jeu,
elle se met en face de lui.

Voilà.

LE JEUNE HOMME,
sur un ton exalté, suraigu.

Je t’aime, je suis grand, je suis clair, je suis plein, je suis dense.

LA JEUNE FILLE,
sur le même ton suraigu.

Nous nous aimons.

LE JEUNE HOMME

Nous sommes intenses. Ah que le monde est bien établi.

Un silence. On entend comme le bruit d’une immense roue qui tourne et dégage du vent. Un ouragan les sépare en deux.

À ce moment, on voit deux astres qui s’entrechoquent et une série de jambes de chair vivante qui tombent avec des pieds, des mains, des chevelures, des masques, des colonnades, des portiques, des temples, des alambics, qui tombent, mais de plus en plus lentement, comme s’ils tombaient dans du vide, puis trois scorpions l’un après l’antre, et enfin une grenouille, et un scarabée qui se dépose avec une lenteur désespérante, une lenteur à vomir.

LE JEUNE HOMME,
criant de toutes ses forces.

Le ciel est devenu fou.

Il regarde le ciel.

Sortons en courant.

Il pousse la jeune fille devant lui.

Et entre un Chevalier du Moyen Âge avec une armure énorme, et suivi d’une nourrice qui tient sa poitrine à deux mains, et souffle à cause de ses seins trop enflés.

LE CHEVALIER

Laisse là tes mamelles. Donne-moi mes papiers.

LA NOURRICE, poussant un cri suraigu.

Ah ! Ah ! Ah !

LE CHEVALIER

Merde, qu’est-ce qui te prend ?

LA NOURRICE

Notre fille, là, avec lui.

LE CHEVALIER

Il n’y a pas de fille, chut !

LA NOURRICE

Je te dis qu’ils se baisent.

LE CHEVALIER

Qu’est-ce que tu veux que ça me foute qu’ils se baisent.

LA NOURRICE

Inceste.

LE CHEVALIER

Matrone.

LA NOURRICE,
plongeant les mains au fond de ses poches
qu’elle a aussi grosses que ses seins.

Souteneur.

Elle lui jette rapidement ses papiers.

LE CHEVALIER

Phiote, laisse-moi manger.

La nourrice s’enfuit.

Alors il se relève, et de l’intérieur de chaque papier il tire une énorme tranche de gruyère.

Tout à coup il tousse et s’étrangle.

LE CHEVALIER, la bouche pleine.

Ehp. Ehp. Montre-moi tes seins. Montre-moi tes seins. Où est-elle passée ?

Il sort en courant.

Le jeune homme revient.

LE JEUNE HOMME

J’ai vu, j’ai su, j’ai compris. Ici la place publique, le prêtre, le savetier, les quatre saisons, le seuil de l’église, la lanterne du bordel, les balances de la justice. Je n’en puis plus !

Un prêtre, un cordonnier, un bedeau, une maquerelle, un juge, une marchande des quatre-saisons, arrivent sur la scène comme des ombres.

LE JEUNE HOMME

Je l’ai perdue, rendez-la-moi.

TOUS, sur un ton différent.

Qui, qui, qui, qui.

LE JEUNE HOMME

Ma femme.

LE BEDEAU, très bedonnant.

Votre femme, psuif, farceur !

LE JEUNE HOMME

Farceur ! c’est peut-être la tienne !

LE BEDEAU, se frappant le front.

C’est peut-être vrai.

Il sort en courant.

Le prêtre se détache du groupe à son tour et passe son bras autour du cou du jeune homme.

LE PRÊTRE, comme au confessionnal.

À quelle partie de son corps faisiez-vous le plus souvent allusion ?

LE JEUNE HOMME

À Dieu.

Le prêtre décontenancé par la réponse prend immédiatement l’accent suisse.

LE PRÊTRE, avec l’accent suisse.

Mais ça ne se fait plus. Nous ne l’entendons pas de cette oreille. Il faut demander ça aux volcans, aux tremblements de terre. Nous autres on se repaît des petites saletés des hommes dans le confessionnal. Et voilà, c’est tout, c’est la vie.

LE JEUNE HOMME, très frappé.

Ah voilà, c’est la vie !

Eh bien tout fout le camp.

LE PRÊTRE, toujours avec l’accent suisse.

Mais oui.

À cet instant la nuit se fait tout d’un coup sur la scène. La terre tremble. Le tonnerre fait rage, avec des éclairs qui zigzaguent en tous sens, et dans les zigzags des éclairs on voit tous les personnages qui se mettent à courir, et s’embarrassent les uns dans les autres, tombent à terre, se relèvent encore et courent comme des fous.

À un moment donné une main énorme saisit la chevelure de la maquerelle qui s’enflamme et grossit à vue d’œil.

UNE VOIX GIGANTESQUE

Chienne, regarde ton corps !

Le corps de la maquerelle apparaît absolument nu et hideux sous le corsage et la jupe qui deviennent comme du verre.

LA MAQUERELLE

Laisse-moi, Dieu.

Elle mord Dieu au poignet. Un immense jet de sang lacère la scène, et on voit au milieu d’un éclair plus grand que les autres le prêtre qui fait le signe de la croix.

Quand la lumière se refait, tous les personnages sont morts et leurs cadavres gisent de toutes parts sur le sol. Il n’y a que le jeune homme et la maquerelle qui se mangent des yeux.

La maquerelle tombe dans les bras du jeune homme.

LA MAQUERELLE, dans un soupir et comme
à l’extrême
pointe d’un spasme amoureux.

Racontez-moi comment ça vous est arrivé.

Le jeune homme se cache la tête dans les mains.

La nourrice revient portant la jeune fille sous son bras comme un paquet. La jeune fille est morte. Elle la laisse tomber à terre où elle s’écrase et devient plate comme une galette.

La nourrice n’a plus de seins. Sa poitrine est complètement plate.

À ce moment débouche le Chevalier qui se jette sur la nourrice, et la secoue véhémentement.

LE CHEVALIER, d’une voix terrible.

Où les as-tu mis ? Donne-moi mon gruyère.

LA NOURRICE, gaillardement.

Voilà.

Elle lève ses robes.

Le jeune homme veut courir mais il se fige comme une marionnette pétrifiée.

LE JEUNE HOMME, comme suspendu en l’air
et d’une
voix de ventriloque.

Ne fais pas de mal à maman.

LE CHEVALIER

Maudite.

Il se voile la face d’horreur.

Alors une multitude de scorpions sortent de dessous les robes de la nourrice et se mettent à pulluler dans son sexe qui enfle et se fend, devient vitreux, et miroite comme un soleil.

Le jeune homme et la maquerelle s’enfuient comme des trépanés.

LA JEUNE FILLE, se relevant éblouie.

La vierge ! ah c’était ça qu’il cherchait.

Rideau.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma



Noten   [ + ]

1. ‘bedonnant’: dikbuikig – woordspeling nvdv
Categorieën
Anke Veld Grafiek lyriek strip

anke veld – 12

Next moment I found myself staring in disarray at me, another me, a future version of me, whatever, someone who looked exactly like me and felt like me ‘cause yes I could feel her at the same time and therefore I immediately knew this she-me was pointing out something to me, something that somehow I already knew, and I knew that I knew it but I didn’t want to know it, but here I/ she was standing before a huge construction that looked like a hydraulic power plant and I knew that I was going to die in 5 years time and I also knew that that didn’t matter at all, so I shouldn’t worry about it at all. Still…

‘ANNA’ is the first episode of the English Comic Book version of Anke Veld the internet-novel otherwise written in Dutch

If you’re new to this comic, you can start reading it here.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza

journal intime #166

166 – se repondre à soi – VUUR

voetnoot bij ‘Brief aan de heer Wetgever’

lees de tekst bij dewelke dit een voetnoot is

Ik weet maar al te goed dat er ernstige stoornissen van de persoonlijkheid bestaan, die er zelfs toe kunnen leiden dat het bewustzijn zijn individualiteit verliest: het bewustzijn blijft intact maar herkent zich ziet meer als aan zichzelf toebehorend (en herkent zich in geen enkele mate).
Er bestaan minder erge stoornissen, of beter gezegd minder wezenlijke, maar stoornissen die veel pijnlijker en belangrijker zijn voor de persoon, en op een bepaalde wijze schadelijker voor de vitaliteit, en dat is wanneer het bewustzijn zich een hele reeks van dislocatie- en ontbindingsverschijnselen van zijn krachten gaat toe-eigenen als aan zichzelf toebehorende, te midden waarvan dan zijn materialiteit zich vernietigt.
Naar deze stoornissen verwijs ik hier.

Maar het is juist de kwestie om te weten of het leven niet beter wordt bereikt door een ontlijving van het denken met het behoud van een deel van het bewustzijn, dan door de projectie van dit bewustzijn in een ondefinieerbaar elders met een strikt behoud van het denken. Het gaat er daarbij niet om dat zulk een denken vals spel speelt, dat het waanzinnig wordt, het gaat erom dat het gebeurt, dat er vuur wordt gestookt, zelfs al is het waanzin. Het is een kwestie van het bestaan ervan. En ik beweer, onder andere, dat ik geen denken heb.

Maar mijn vrienden lachen daarom.
En toch!

Want wat ik noem ‘een denken hebben’ is voor mij niet het juist zien of zelfs niet het juist denken, maar zijn denken in stand houden, in staat zijn het aan zichzelf manifest te maken en dat het kan een antwoord bieden aan alle omstandigheden van het gevoel en het leven. Maar vooral een antwoord geven aan zichzelf.

Want hier vindt dat ondefinieerbare en verontrustende fenomeen plaats dat ik maar niemand kan doen begrijpen, en vooral niet mijn vrienden (of beter nog, mijn vijanden, degenen die mij nemen voor de schaduw waarvan ik maar al te goed besef dat ik slechts dat ben; – en ze beseffen niet hoe goed ze dat hebben, zij, schaduwen van schaduwen, een keer van hen en een keer van mij).

Mijn vrienden heb ik nooit gezien als mijzelf, met de tong uit de mond en met een afschuwelijk haperende geest.

Ja, mijn denken kent zichzelf en wanhoopt ooit nog zichzelf te bereiken. Het kent zichzelf, ik bedoel het heeft een vermoeden van zichzelf; en in ieder geval voelt het zichzelf niet meer. – Ik heb het over het fysiek leven, over het substantiële leven van het denken (en hier kom ik terug bij mijn onderwerp), ik heb het over dit minimum aan denkend leven in zijn ruwe staat, – nog niet tot verwoording gekomen, maar daartoe in staat als het nodig is, – zonder welk minimum de ziel niet meer kan leven, en het leven is alsof het niet meer is. – Degenen die klagen over de tekortkomingen van het menselijk denken en over hun eigen machteloosheid om tevreden te zijn met wat zij hun denken noemen, verwarren en zetten op hetzelfde foutieve vlak perfect gedifferentieerde staten van denken en vorm, waarvan het laagste nu alleen maar spreken is, terwijl het hoogste nog steeds geest is.

Indien ikzelf in het bezit zou zijn van dat wat ik weet dat mijn denken is, dan had ik misschien Navel van het Voorgeborchte geschreven maar dan had ik het op een geheel andere manier geschreven. Men zegt dat ik denk omdat ik niet helemaal ben gestopt met denken en omdat mijn geest, ondanks alles, zich op een bepaald niveau handhaaft en van tijd tot tijd bewijzen levert van zijn bestaan, bewijzen waarvan men niet wil erkennen dat ze zwak zijn en oninteressant. Maar denken is voor mij iets anders dan niet helemaal dood zijn, het is te allen tijde met zichzelf verenigd zijn, het is om nooit te stoppen met het voelen in je innerlijk, in de niet verwoorde massa van je leven, in de inhoud van je realiteit, denken is niet in jezelf een kapitaal gat te voelen, een vitale afwezigheid,het is altijd voelen dat je gedachte gelijk is aan je gedachte, ongeacht de onvolkomenheden van de vorm die men in staat is om het te geven. Maar mijn gedachte bij mijzelf, zondigt door zwakte, maar is zondigt ook door kwantiteit. Ik denk voortdurend aan een lager tarief.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.66-70] – vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Je sais assez qu’il existe des troubles graves de la personnalité, et qui peuvent même aller pour la conscience jusqu’à la perte de son individualité : la conscience demeure intacte mais ne se reconnaît plus comme s’appartenant (et ne se reconnaît plus à aucun degré).

Il y a des troubles moins graves, ou pour mieux dire moins essentiels, mais beaucoup plus douloureux et plus importants pour la personne, et en quelque sorte plus ruineux pour la vitalité, c’est quand la conscience s’approprie, reconnaît vraiment comme lui appartenant toute une série de phénomènes de dislocation et de dissolution de ses forces au milieu desquels sa matérialité se détruit.

Et c’est à ceux-là même que je fais allusion.

Mais il s’agit justement de savoir si la vie n’est pas plus atteinte par une décorporisation de la pensée avec conservation d’une parcelle de conscience, que par la projection de cette conscience dans un indéfinissable ailleurs avec une stricte conservation de la pensée. Il ne s’agit pas cependant que cette pensée joue à faux, qu’elle déraisonne, il s’agit qu’elle se produise, qu’elle jette des feux, même fous. Il s’agit qu’elle existe. Et je prétends, moi, entre autres, que je n’ai pas de pensée.

Mais ceci fait rire mes amis.

Et cependant !

Car je n’appelle pas avoir de la pensée, moi, voir juste et je dirai même penser juste, avoir de la pensée, pour moi, c’est maintenir sa pensée, être en état de se la manifester à soi-même et qu’elle puisse répondre à toutes les circonstances du sentiment et de la vie. Mais principalement se répondre à soi.

Car ici se place cet indéfinissable et trouble phénomène que je désespère de faire entendre à personne et plus particulièrement à mes amis (ou mieux encore, à mes ennemis, ceux qui me prennent pour l’ombre que je me sens si bien être ; – et ils ne pensent pas si bien dire, eux, ombres deux fois, à cause d’eux et à cause de moi).

Mes amis, je ne les ai jamais vus comme moi, la langue pendante, et l’esprit horriblement en arrêt. Oui, ma pensée se connaît et elle désespère maintenant de s’atteindre. Elle se connaît, je veux dire qu’elle se soupçonne ; et en tout cas elle ne se sent plus. – Je parle de la vie physique, de la vie substantielle de la pensée (et c’est ici d’ailleurs que je rejoins mon sujet), je parle de ce minimum de vie pensante et à l’état brut, – non arrivée jusqu’à la parole, mais capable au besoin d’y arriver, – et sans lequel l’âme ne peut plus vivre, et la vie est comme si elle n’était plus. – Ceux qui se plaignent des insuffisances de la pensée humaine et de leur propre impuissance à se satisfaire de ce qu’ils appellent leur pensée, confondent et mettent sur le même plan erroné des états parfaitement différenciés de la pensée et de la forme, dont le plus bas n’est plus que parole tandis que le plus haut est encore esprit. Si j’avais moi ce que je sais qui est ma pensée, j’eusse peut-être écrit l’Ombilic des Limbes, mais je l’eusse écrit d’une tout autre façon. On me dit que je pense parce que je n’ai pas cessé tout à fait de penser et parce que, malgré tout, mon esprit se maintient à un certain niveau et donne de temps en temps des preuves de son existence, dont on ne veut pas reconnaître qu’elles sont faibles et qu’elles manquent d’intérêt. Mais penser c’est pour moi autre chose que n’être pas tout à fait mort, c’est se rejoindre à tous les instants, c’est ne cesser à aucun moment de se sentir dans son être interne, dans la masse informulée de sa vie, dans la substance de sa réalité, c’est ne pas sentir en soi de trou capital, d’absence vitale, c’est sentir toujours sa pensée égale à sa pensée, quelles que soient par ailleurs les insuffisances de la forme qu’on est capable de lui donner Mais ma pensée à moi, en même temps qu’elle pèche par faiblesse, pèche aussi par quantité. Je pense toujours à un taux inférieur.

Categorieën
Anke Veld gedicht van de dag lyriek

maya

mei is de maya die doet mij geloven
dat het absoluut vele, het schone
in mijn enkele iets zit verscholen

hoe zoetelijk zingt het, hoe nachtelijk wil het
hoe hoog en hoe lustig zoekt ook de leeuwerik
hoe wild en onzinnig graven mijn honden
hoe dicht in zichzelf heeft het ik zich omwonden

mei is de maya die doet mij geloven
dat het absoluut vele, het schone
in mijn enkele iets zit verscholen

met ruimte de lucht wil mij omvatten
met groeien het gras mij doorklieven
de mensen zijn lippen met blijtende bleinen
de goden zijn spasmen, ventielen en dieven.

mei is de maya dus drink van het hart
het gutsende geven, het woord
is uw weg, de hel van dit leven.

invoer (2017) – Anke Veld – Lode’s lied

alles van waarde is hoe het gebeurt, dus alles van waarde wordt onherroepelijk Brol, zoals ook deze vogel perfect gezeten nochtans in de jonge boom maria.
nu, eilaas niet meer dan een A4 stukje Brol. Brol kan je kopen, wel, dat is de troost ervan. in september toch, want

SEPTEMBER was BROLMAAND!

gedurende heel de maand september kon je de originele tekeningen en aquarellekens die gebruikt werden/worden als illustratie bij het literaire werk van de NKdeE kopen aan BROLPRIJS!

Dit ter ondersteuning van de
Neue Kathedrale des erotischen Elends!
BROLprijs wordt per formaat berekend, met A6 als basis

A3 = 8 x A6 = €40
A4 = 4 x A6 = €20
A5 = 2 x A6 = €10
A6 = €5

eilaas, september is henen!
Uitzonderlijk is er dit jaar de ROTexpo waarop deze en andert BROL nog te verkrijgen is tegen dit tarief. Tot en met zaterdag 17 oktober!
Haast u naar FLUGZEUG, Diestsestraat 208 te Leuven en KOOP alsnog MEER BROL!!!!

*

Categorieën
Anke Veld gedicht van de dag lyriek

zeer

een Pisaans Lorelied

mijn lief is leed, mijn heil verdriet
van pijn ken ik het einde niet
ik bid u muze maak mijn lied
eer ik van zeer zal sterven.

de zon is zwart, mijn dag is nacht
er is geen bed dat op mij wacht
alleen de koude leegte lacht
om mij: mijn geest wil zwerven.

geen vrouwe lief, geen eerlijk man
geen mens die mij nog helpen kan.
enkel jij LAIS, hebt kennis van
wat ik van haar kan erven.

mijn lief is leed, mijn heil verdriet
sinds Anna Anke achterliet
ik bid u muze zing mijn lied
eer ik van zeer mag sterven.

invoer (2017)

ANKE VELD

ANKE VELD is de internetroman die sinds 2002 gepubliceerd wordt terwijl hij geschreven wordt. de vertelde gebeurtenissen in de roman spelen zich grotensdeels ook simultaan af met de publicatietijd, of relatief korte tijd daarna, waardoor er soms wel eens wat moet worden bijgewerkt (ook Nostrodamus was niet onfeilbaar).

ANKE VELD is het verhaal van de AFLOOP. het is op dit moment niet bekend of het goed of slecht afloopt, maar aflopen doet het, daar kunnen we vooralsnog zeker van zijn.

ANKE VELD bestaat uit 8 plateau’s of ‘velden’ die elk één hoofdpersonage hebben. 18 jaar na de eerste publicaties is het niet langer duidelijk waar in het werk van de auteur de roman begint en waar de realiteit 1kwatongen beweren dat geheel WIKIPEDIA een onderdeel geworden is van de roman, maar dat lijkt ons toch nogal een indianenverhaal. ophoudt, of wat dan wel de realiteit van Anke Veld is. wie is , überhaubt, die Anke Veld?

Noten   [ + ]

1. kwatongen beweren dat geheel WIKIPEDIA een onderdeel geworden is van de roman, maar dat lijkt ons toch nogal een indianenverhaal.
Categorieën
Anke Veld gedicht van de dag gelegenheidsgedichten lyriek Proza

niemand

de tijd verglijdt,
bewijst op zicht:
wij blijven niet
en zijn niet vrij.

per dag de pijn
der straf neemt af.
wij slapen in
met ochtendzin.

’t verblijf is nacht
in ’t zwart gedacht:
droev’ge stilte
is klankenpracht.

de spijt gaat weg
zij ligt erbij
zo lijf aan lijf
gaat het voorbij.

‘Anna’, zegt Anke
‘Anke’, zegt Anna
‘niemand zijn wij
en wij gaan voorbij’.

invoer (2017)

ANKE VELD

ANKE VELD is de internetroman die sinds 2002 gepubliceerd wordt terwijl hij geschreven wordt. de vertelde gebeurtenissen in de roman spelen zich grotensdeels ook simultaan af met de publicatietijd, of relatief korte tijd daarna, waardoor er soms wel eens wat moet worden bijgewerkt (ook Nostrodamus was niet onfeilbaar).

ANKE VELD is het verhaal van de AFLOOP. het is op dit moment niet bekend of het goed of slecht afloopt, maar aflopen doet het, daar kunnen we vooralsnog zeker van zijn.

ANKE VELD bestaat uit 8 plateau’s of ‘velden’ die elk één hoofdpersonage hebben. 18 jaar na de eerste publicaties is het niet langer duidelijk waar in het werk van de auteur de roman begint en waar de realiteit 1kwatongen beweren dat geheel WIKIPEDIA een onderdeel geworden is van de roman, maar dat lijkt ons toch nogal een indianenverhaal. ophoudt, of wat dan wel de realiteit van Anke Veld is. wie is , überhaubt, die Anke Veld?

een stukske BROL uit 2015, denk ik, maar ik kan mij vergissen. veel zwarte inkt alleszins. BROLprijs = €20 want ’t is A4 è en

SEPTEMBER was BROLMAAND!

gedurende heel de maand september kon je de originele tekeningen en aquarellekens die gebruikt werden/worden als illustratie bij het literaire werk van de NKdeE kopen aan BROLPRIJS!

Dit ter ondersteuning van de
Neue Kathedrale des erotischen Elends!
BROLprijs wordt per formaat berekend, met A6 als basis

A3 = 8 x A6 = €40
A4 = 4 x A6 = €20
A5 = 2 x A6 = €10
A6 = €5

eilaas, september is henen!
Uitzonderlijk is er dit jaar de ROTexpo waarop deze en andert BROL nog te verkrijgen is tegen dit tarief. Tot en met zaterdag 17 oktober!
Haast u naar FLUGZEUG, Diestsestraat 208 te Leuven en KOOP alsnog MEER BROL!!!!

*

Noten   [ + ]

1. kwatongen beweren dat geheel WIKIPEDIA een onderdeel geworden is van de roman, maar dat lijkt ons toch nogal een indianenverhaal.
Categorieën
Anke Veld

anke veld – 11

Outside. The moment she said it we were outside, on a hilltop, looking down on The Place, its two huge domes now reduced to a Playmobil dominion, flanked by an enormous new building, very straight and very standard solar panel 100% self-sustainable durability proof slick piece of engeneering.

“But you like the bird, don’t you?” sensing, no reading my present day suspicion of everything that looks too neat to be true. “It’s a sooty tern”, Anke continued, “it doesn’t belong her, I wrote it for you”.
“Wrote it?? It’s not real?

In a number of ways I knew what was coming, what Anke would answer next. I had been living up to this moment for some time, I guess.

‘ANNA’ is the first episode of the English Comic Book version of Anke Veld the internet-novel otherwise written in Dutch

If you’re new to this comic, you can start reading it here.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #165

165 – l’étiage toxicomanique de la nation – FEU

BRIEF
aan de heer Wetgever
van de Wet op de Verdovende Middelen

Mijnheer de Wetgever,

Mijnheer de Wetgever van de wet van 1916, in juli 1917 bij decreet aanvaard als de Wet op de Verdovende Middelen, je bent een debiel.
Jouw wet enerveert enkel de wereldwijde farmacie zonder enige invloed op het niveau van drugsverslaving in dit land en wel hierom:

  1. het aantal drugsverslaafden dat zich bij de apotheek bevoorraadt is gering
  2. de echte drugsverslaafde bevoorraadt zich niet bij de apotheker
  3. de drugsverslaafden die zich bij de apotheker bevoorraden zijn allemaal ziek
  4. het aantal drugsverslaafden dat ziek is is gering t.o.v. de genotzuchtige druggebruikers
  5. de farmaceutische beperkingen van de drugs treffen nooit de druggebruikers uit genotzucht en de georganiseerde druggebruikers
  6. er zullen altijd fraudeurs zijn
  7. er zullen altijd drugsverslaafden zijn door ondeugdzaamheid, door passie
  8. zieke drugsverslaafden hebben een onaantastbaar recht in deze maatschappij en dat is om met rust gelaten te worden.

Het is voor alles een gewetenskwestie.
De Wet op de Verdovende Middelen geeft aan de inspecteur-usurpator van de volksgezondheid het recht om te beslissen over de pijn van anderen; het is een merkwaardige pretentie van de moderne medische wetenschap om de eigen plichten te willen voorschrijven aan ieders geweten. Al dat geblaat van het officiële handvest staat machteloos tegen dit ene gewetensfeit: te weten dat, meer nog dan over mijn dood ik de baas ben over mijn eigen pijn. Ieder mens is rechter – en enige rechter – over de hoeveelheid fysieke pijn, of ook geestelijke leegte die hij in alle oprechtheid kan dragen.

Helderheid van geest of niet, er bestaat een helderheid van geest die mij geen enkele ziekte kan ontnemen en dat is het aanvoelen dat mijn fysieke leven mij geeft1hier voegt Artaud een lange voetnoot in die in het volgende deel zal worden vertaald. En als ik die helderheid dan heb verloren, dan heeft de medische wetenschap maar één ding te doen en dat is mij die substanties te verschaffen die mij in staat stellen die helderheid terug te hebben.

Heren dictators van de farmaceutische school van Frankrijk, jullie zijn pedante geknipten: er is een ding dat jullie beter zou moeten inschatten, en dat is dat opium die ene, niet voor te schrijven en imperiale substantie is die het eigen zielenleven weer toegankelijk maakt aan hen die het ongeluk hadden dat kwijt te raken.

Er bestaat een kwaal waartegen opium onfeilbaar is en die kwaal heet Angst. Angst in zijn mentale, medicinale, psychologische, logische of farmaceutische betekenis, wat je maar wil.

De Angst die gekken maakt.
De Angst die zelfmoordenaars maakt.
De Angst die vervloekten maakt.
De Angst die de medische wetenschap niet kent.
De Angst die uw dokter niet begrijpt.
De Angst die het leven krengt.
De Angst die de navelstreng van het leven afknijpt.

Door uw onbillijke wet geeft u mensen in wie ik geen greintje vertrouwen heb – medische debielen, snertapothekers, rechters in wanpraktijken, doktoren, vroedvrouwen, dokters, dokters-inspecteur, het recht in handen om te beslissen over mijn angst, een angst die in mij zo fijn is als de naalden van alle kompasnaalden van de hel.

Bij bevingen van lichaam of ziel bestaat er geen mensenseismograaf die het iemand mogelijk maakt om naar mij te kijken en tot een meer nauwkeurige evaluatie van mijn pijn te komen dan mijn eigen bliksemende geest dat doet!

Heel de riskante wetenschap van de mens is niet superieur aan de onmiddellijke kennis die ik van mijn wezen kan hebben. Ik ben de enige rechter over wat er in mij zit.

Ga terug naar jullie zolders, medische luizen, en jij ook, meneer de wetgever Schaapmans, jij raaskalt niet uit liefde voor de mens maar volgt een traditie van imbeciliteit. Jouw onwetendheid over wat het is om een mens te zijn wordt alleen geëvenaard door je dwaasheid om hem te willen beperken. Moge jouw wet neerkomen op je vader, je moeder, je vrouw, je kinderen en al je nageslacht. En slik nu maar in die wet van je.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.66-70] – vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com


originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Monsieur le législateur,

Monsieur le législateur de la loi de 1916, agrémentée du décret de juillet 1917 sur les stupéfiants, tu es un con.

Ta loi ne sert qu’à embêter la pharmacie mondiale sans profit pour l’étiage toxicomanique de la nation

parce que

1o Le nombre des toxicomanes qui s’approvisionnent chez le pharmacien est infime ;

2o Les vrais toxicomanes ne s’approvisionnent pas chez le pharmacien ;

3o Les toxicomanes qui s’approvisionnent chez le pharmacien sont tous des malades ;

4o Le nombre des toxicomanes malades est infime par rapport à celui des toxicomanes voluptueux ;

5o Les restrictions pharmaceutiques de la drogue ne gêneront jamais les toxicomanes voluptueux et organisés ;

6o Il y aura toujours des fraudeurs ;

7o Il y aura toujours des toxicomanes par vice de forme, par passion ;

8o Les toxicomanes malades ont sur la société un droit imprescriptible, qui est celui qu’on leur foute la paix. C’est avant tout une question de conscience.

La loi sur les stupéfiants met entre les mains de l’inspecteur-usurpateur de la santé publique le droit de disposer de la douleur des hommes ; c’est une prétention singulière de la médecine moderne que de vouloir dicter ses devoirs à la conscience de chacun. Tous les bêlements de la charte officielle sont sans pouvoir d’action contre ce fait de conscience : à savoir, que, plus encore que de la mort, je suis le maître de ma douleur. Tout homme est juge, et juge exclusif, de la quantité de douleur physique, ou encore de vacuité mentale qu’il peut honnêtement supporter. Lucidité ou non lucidité, il y a une lucidité que nulle maladie ne m’enlèvera jamais, c’est celle qui me dicte le sentiment de ma vie physique. Et si j’ai perdu ma lucidité, la médecine n’a qu’une chose à faire, c’est de me donner les substances qui me permettent de recouvrer l’usage de cette lucidité. Messieurs les dictateurs de l’école pharmaceutique de France, vous êtes des cuistres rognés : il y a une chose que vous devriez mieux mesurer ; c’est que l’opium est cette imprescriptible et impérieuse substance qui permet de rentrer dans la vie de leur âme à ceux qui ont eu le malheur de l’avoir perdue.

Il y a un mal contre lequel l’opium est souverain et ce mal s’appelle l’Angoisse, dans sa forme mentale, médicale, physiologique, logique ou pharmaceutique, comme vous voudrez.

L’Angoisse qui fait les fous.
L’Angoisse qui fait les suicidés.
L’Angoisse qui fait les damnés.
L’Angoisse que la médecine ne connaît pas.
L’Angoisse que votre docteur n’entend pas.
L’Angoisse qui lèse la vie.
L’Angoisse qui pince la corde ombilicale de la vie.

Par votre loi inique vous mettez entre les mains de gens en qui je n’ai aucune espèce de confiance, cons en médecine, pharmaciens en fumier, juges en mal-façon, docteurs, sages-femmes, inspecteurs-doctoraux, le droit de disposer de mon angoisse, d’une angoisse en moi aussi fine que les aiguilles de toutes les boussoles de l’enfer.

Tremblements du corps ou de l’âme, il n’existe pas de sismographe humain qui permette à qui me regarde d’arriver à une évaluation de ma douleur plus précise, que celle, foudroyante, de mon esprit !

Toute la science hasardeuse des hommes n’est pas supérieure à la connaissance immédiate que je puis avoir de mon être. Je suis seul juge de ce qui est en moi.

Rentrez dans vos greniers, médicales punaises, et toi aussi, Monsieur le Législateur Moutonnier, ce n’est pas par amour des hommes que tu délires, c’est par tradition d’imbécillité. Ton ignorance de ce que c’est qu’un homme n’a d’égale que ta sottise à le limiter. Je te souhaite que ta loi retombe sur ton père, ta mère, ta femme, tes enfants, et toute ta postérité. Et maintenant avale ta loi.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Noten   [ + ]

1. hier voegt Artaud een lange voetnoot in die in het volgende deel zal worden vertaald
Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #164

164 – j’y tombe du ciel – BUIK

‘Homme’ van André Masson

(lees eerst het eerste deel van deze tekst)

En nu schikt hij zich in cellen waar een zaadje van onwerkelijkheid groeit. De cellen zitten elk op hun plaats in een waaiervormig patroon,

rond de buik, voor de zon , boven de vogel, enrondom die circulatie van solferwater.

Maar de architectuur is onverschillig aan de cellen, zij ondersteunt en zegt niets.

Elke cel heeft een ei, welke kiem glanst daarin? In elke cel wordt plots een ei geboren. Er is in elk van hen een onmenselijk krioelen dat evenwel helder is met de gelaagdheid van een bevroren universum.

Elke cel heeft wel degelijk zijn ei en biedt het ons aan; maar het maakt weinig uit of het ei wordt verkozen of afgekeurd.

Niet alle cellen dragen een ei. In sommige wordt een spiraal geboren. En in de lucht hangt een grotere spiraal, maar alsof die al solfer is, of nog fosfor en gewikkeld in onwerkelijkheid. En die spiraal heeft het belang van de meest krachtige gedachte.

De buik doet denken aan chirugie en het Lijkenhuis, aan een werf, een publieke plaats, de operatietafel. Het lichaam van de buik lijkt van graniet, of van marmer, of van plaaster, maar dan een verharde plaaster. Er is een vakje voor een berg. Het schuim van de lucht geeft de berg een koele, doorschijnende krans. De lucht rond de berg is sonoor, vroom, legendarisch, verboden. De toegang tot de berg is verboden. De berg heeft zijn plaats in de ziel. Hij is de horizon van iets dat voortdurend wijkt. Hij geeft de indruk van de eeuwige horizon.

En ik beschreef dit schilderij in tranen, want dit schilderij raakt mijn hart. Ik voel mijn denken zich daar ontvouwen als in een ideale, absolute ruimte, maar een ruimte die een vorm heeft die in de werkelijkheid gevoegd zou kunnen worden. Ik val er uit de hemel.

En elke vezel in mij spert zich open en vindt zijn plaats in een welbepaald vakje. Ik ga erin op als in mijn bron, ik vind er de plaats en de aard van mijn geest. Wie dit schilderij heeft geschilderd, is de grootste schilder van de wereld. Aan André Masson wat hem toekomt.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.62-64] – vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Et voici qu’il se dispose en cellules où pousse une graine d’irréalité. Les cellules se casent chacune à sa place, en éventail,

autour du ventre, en avant du soleil, au delà de l’oiseau, et autour de cette circulation d’eau soufrée.

Mais l’architecture est indifférente aux cellules, elle sustente et ne parle pas.

Chaque cellule porte un œuf où reluit quel germe ? Dans chaque cellule un œuf est né tout à coup. Il y a dans chacune un fourmillement inhumain mais limpide, les stratifications d’un univers arrêté.

Chaque cellule porte bien son œuf et nous le propose ; mais il importe peu à l’œuf d’être choisi ou repoussé.

Toutes les cellules ne portent pas d’œuf. Dans quelques-unes naît une spire. Et dans l’air une spire plus grosse pend, mais comme soufrée déjà ou encore de phosphore et enveloppée d’irréalité. Et cette spire a toute l’importance de la plus puissante pensée.

Le ventre évoque la chirurgie et la Morgue, le chantier, la place publique et la table d’opération. Le corps du ventre semble fait de granit, ou de marbre, ou de plâtre, mais d’un plâtre durcifié. Il y a une case pour une montagne. L’écume du ciel fait à la montagne un cerne translucide et frais. L’air autour de la montagne est sonore, pieux, légendaire, interdit. L’accès de la montagne est interdit. La montagne a bien sa place dans l’âme. Elle est l’horizon d’un quelque chose qui recule sans cesse. Elle donne la sensation de l’horizon éternel.

Et moi j’ai décrit cette peinture avec des larmes, car cette peinture me touche au cœur. J’y sens ma pensée se déployer comme dans un espace idéal, absolu, mais un espace qui aurait une forme introductible dans la réalité. J’y tombe du ciel.

Et chacune de mes fibres s’entr’ouvre et trouve sa place dans des cases déterminées. J’y remonte comme à ma source, j’y sens la place et la disposition de mon esprit. Celui qui a peint ce tableau est le plus grand peintre du monde. À André Masson, ce qui lui revient.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
Anke Veld

anke veld – 10

 “The Place is in fact this dome. This is the active part of the building”. She spoke inside my head as I saw her as a statue inside the dome.” The dome is a machine, something we call a ‘trance-target’. If you have sufficiently developed your skills you can target it and start informing the others that are present.”

“What are those strange white spaces (French: ‘étranges éspaces vides’)?”, I blurted out. It sounded from me without me opening my mouth. “Oh, those are projection screens for transmitting movement, you see there can’t be any actual movement inside the dome.” I er, saw.
“Best way to think of it is that’s a kind of theatre, but inside out: nothing happens there but the machine is writing everything that happens outside…”

‘ANNA’ is the first episode of the English Comic Book version of Anke Veld the internet-novel otherwise written in Dutch

If you’re new to this comic, you can start reading it here.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #163

163- sang mélé de safran et de soufre – VENTRE

‘Homme’ van André Masson

Een slanke buik. Een strakke poederbuik, als op een prentje. Aan de voet van de buik een gespleten granaatappel.

Uit de granaatappel circuleert een vlokkenstroom omhoog als vuurtongen, een koud vuur. De circulatie neemt de buik op en zet hem terug. Maar de buik draait niet.

Het zijn aders met wijnbloed, bloed vermengd met saffraan en zwavel, maar zwavel verzacht met water.
Boven de buik zijn er borsten zichtbaar. En hoger, in de diepte, maar op een ander vlak van de geest brandt er een zon, maar zodanig dat je zou denken dat er een borst brandt. En aan de voet van de granaat een vogel.
De zon lijkt te kijken. Maar de blik kijkt naar de zon. De blik is een kegel die zich bij de zon omdraait. En heel de lucht is als bevroren muziek, maar een weidse diepe muziek, goed gemaçonneerd en geheim en vol ijzige vertakkingen.

En dit alles ommetseld met zuilen als in een soort architectenschets die de buik met de werkelijkheid verbindt.

Het doek is een gelaagde holte. Het schilderij zit goed ingesloten in het doek. Het is als een gesloten cirkel, een soort afgrond die in het midden roteert en splitst. Het is als een geest die zichzelf ziet en graaft, het wordt voortdurend geremixt en bewerkt door de krampachtige handen van de geest. De geest zaait zijn fosfor.

De geest is zelfverzekerd. Hij zet zijn voet stevig in de wereld. De granaatappel, de buik, de borsten zijn als bewijzen getuigend van de werkelijkheid. Er is een dode vogel, er is gebladerte van zuilen. De lucht zit vol met potloodstrepen, potloodstrepen als messteken, als striemen van magische nagels. De lucht is voldoende omgedraaid.

lees verder

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.62-64]
vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com


originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Un ventre fin. Un ventre de poudre ténue et comme en image. Au pied du ventre, une grenade éclatée.

La grenade déploie une circulation floconneuse qui monte comme des langues de feu, un feu froid.

La circulation prend le ventre et le retourne. Mais le ventre ne tourne pas.

Ce sont des veines de sang vineux, de sang mêlé de safran et de soufre, mais d’un soufre édulcoré d’eau.

Au-dessus du ventre sont visibles des seins. Et plus haut, et en profondeur, mais sur un autre plan de l’esprit, un soleil brûle, mais de telle sorte que l’on pense que ce soit le sein qui brûle. Et au pied de la grenade, un oiseau.

Le soleil a comme un regard. Mais un regard qui regarderait le soleil. Le regard est un cône qui se renverse sur le soleil. Et tout l’air est comme une musique figée, mais une vaste, profonde musique, bien maçonnée et secrète, et pleine de ramifications congelées.

Et tout cela, maçonné de colonnes, et d’une espèce de lavis d’architecte qui rejoint le ventre avec la réalité.

La toile est creuse et stratifiée. La peinture est bien enfermée dans la toile. Elle est comme un cercle fermé, une sorte d’abîme qui tourne, et se dédouble par le milieu. Elle est comme un esprit qui se voit et se creuse, elle est remalaxée et travaillée sans cesse par les mains crispées de l’esprit. Or, l’esprit sème son phosphore. L’esprit est sûr. Il a bien un pied dans le monde. La grenade, le ventre, les seins, sont comme des preuves attestatoires de la réalité. Il y a un oiseau mort, il y a des frondaisons de colonnes. L’air est plein de coups de crayon, des coups de crayon comme des coups de couteau, comme des stries d’ongle magique. L’air est suffisamment retourné.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #162

162 – la suppression radicale d’un membre – ÊTRE

Beschrijving van een lichamelijke toestand

een scherp, brandend gevoel in de ledematen,

verkrampte spieren en als opgespannen het gevoel om van glas te zijn en breekbaar, een schrik, een terugdeinzen van beweging, van lawaai. Een onbemerkte hulpeloosheid in de stap, de gebaren, de bewegingen. Een voortdurend gespannen wil voor de eenvoudigste gebaren,

het verzaken aan het eenvoudige gebaar,

een soort centrale, overweldigende moeheid, een hunkerende moeheid. Alle bewegingen dienen herbedacht te worden, een soort doodsmoeheid, geestesmoeheid voor de eenvoudigste musculaire krachtinspanning, het gebaar iets te nemen, van zich gedachteloos ergens aan vast te grijpen,

door de inzet van de wil ondersteund te worden.

Een vermoeidheid van bij het begin van de wereld, de sensatie om het eigen lichaam te moeten dragen, een gevoel van een ongelooflijke kwetsbaarheid, dat uitgroeit tot een slopende pijn,

een toestand van pijnlijke verdoving, een soort verdoving gelokaliseerd op de huid, die geen enkele beweging verhindert maar het inwendige gevoel van een ledemaat verandert, en zo de simpele verticale stand de prijs van een zegevierende inspanning geeft.

Waarschijnlijk beperkt tot de huid, maar aanvoelend als de radicale verwijdering van een ledemaat, het geeft aan de hersenen enkel nog beelden van draadachtige, pluizige ledematen door, beelden van verre ledematen en die niet op hun plaats zitten. Een soort inwendige breukin de samenhang van de zenuwen.

Bewogen zwijmeling, een soort dwarse verblinding die gepaard gaat met elke inspanning, een stolling van warmte die knelt rond heel het schedeloppervlak of die in stukken wordt gesneden, plakken warmte die zich verplaatsen.

Een verhevigde pijn in de schedel, een snijdende druk op de zenuwen, de nek gebogen om te lijden,slapen die verglazen of marmeren, een hoofd dat door paarden wordt vertrapt.

We moeten het nu hebben over de ontlijving van de werkelijkheid, van dat soort breuk, die, zo lijkt het, zich gaat verspreiden tussen de dingen en het gevoel dat ze produceren in onze geest, de plaats die ze dienen in te nemen.

deze ogenblikkelijke ordening der dingen in de cellen van de geest; niet zozeer in hun logische orde maar in hun gevoelsmatige, affectieve orde

(die niet meer tot stand komt):

de dingen hebben geen geur meer, geen geslacht. Maar ook hun logische orde wordt soms doorbroken, juist door hun gebrek aan emotionele geur. Woorden die rotten bij de onbewuste roep van de hersenen, alle woorden voor eender welke mentale operatie, en vooral die woorden die raken aan de meest gewone, meest werkzame delen van de geest.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.60-61]
vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com


originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

DESCRIPTION
D’UN ÉTAT PHYSIQUE

une sensation de brûlure acide dans les membres,

des muscles tordus et comme à vif, le sentiment d’être en verre et brisable, une peur, une rétraction devant le mouvement, et le bruit. Un désarroi inconscient de la marche, des gestes, des mouvements. Une volonté perpétuellement tendue pour les gestes les plus simples,

le renoncement au geste simple,

une fatigue renversante et centrale, une espèce de fatigue aspirante. Les mouvements à recomposer, une espèce de fatigue de mort, de la fatigue d’esprit pour une application de la tension musculaire la plus simple, le geste de prendre, de s’accrocher inconsciemment à quelque chose,

à soutenir par une volonté appliquée.

Une fatigue de commencement du monde, la sensation de son corps à porter, un sentiment de fragilité incroyable, et qui devient une brisante douleur,

un état d’engourdissement douloureux, une espèce d’engourdissement localisé à la peau, qui n’interdit aucun mouvement mais change le sentiment interne d’un membre, et donne à la simple station verticale le prix d’un effort victorieux.

Localisé probablement à la peau, mais senti comme la suppression radicale d’un membre, et ne présentant plus au cerveau que des images de membres filiformes et cotonneux, des images de membres lointains et pas à leur place. Une espèce de rupture intérieure de la correspondance de tous les nerfs.

Un vertige mouvant, une espèce d’éblouissement oblique qui accompagne tout effort, une coagulation de chaleur qui enserre toute l’étendue du crâne ou s’y découpe par morceaux, des plaques de chaleur qui se déplacent.

Une exacerbation douloureuse du crâne, une coupante pression des nerfs, la nuque acharnée à souffrir, des tempes qui se vitrifient ou se marbrent, une tête piétinée de chevaux.

Il faudrait parler maintenant de la décorporisation de la réalité, de cette espèce de rupture appliquée, on dirait, à se multiplier elle-même entre les choses et le sentiment qu’elles produisent sur notre esprit, la place qu’elles doivent prendre.

Ce classement instantané des choses dans les cellules de l’esprit, non pas tellement dans leur ordre logique, mais dans leur ordre sentimental, affectif

(qui ne se fait plus) :

les choses n’ont plus d’odeur, plus de sexe. Mais leur ordre logique aussi quelquefois est rompu à cause justement de leur manque de relent affectif. Les mots pourrissent à l’appel inconscient du cerveau, tous les mots pour n’importe quelle opération mentale, et surtout celles qui touchent aux ressorts les plus habituels, les plus actifs de l’esprit.

Categorieën
Anke Veld

anke veld – 8

Next morning Anke showed me around. The Place wasn’t exactly hidden but it sat against a wooded hill, and the main entrance was directed towards a sandy road leading to nothing but a small village that had somehow retained its agricultural past. The villagers called it ‘den Bol’, and nearly all of them were doing chores there as gardener, craftsmen, administrators or some other  function, but ‘All of them are students and teachers’ she explained, ‘because The Place was all about education and there was no distinction between teaching and learning.’ 

Some sect, i thought but before i could finish the thought Anke corrected me..

‘ANNA’ is the first episode of the English Comic Book version of Anke Veld the internet-novel otherwise written in Dutch

If you’re new to this comic, you can start reading it here.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza

journal intime #161

161- le verbe n’est qu’un foetus – ZIJN

jamaar Vekemans gij met uw doemende kritiek altijd wanneer gaat ge ne keer iets positiefs schrijven, wanneer krijgen we ne keer een schoon gedichtje, een plezant tekeningske, iets simpel en bevattelijk waar ge blij van kunt worden?

joa joa.

’t is dat ge ’t niet wil horen è. het hoopvolle is vooralsnog onaanvaardbaar omdat ge zelf in de weg zit, en daar kan en wil ik, uw zogenaamde auteur, niks aan verhelpen.

de Neue Kathedrale des erotische Elends is een proefproject van een programma dat programma’s aanmaakt. ondersteunende, troostbiedende en sanerende (be)leefprogramma’s voor de organisatie van de menselijke creativiteit. auteursprogramma’s. schrijf-leesprogramma’s (schrijven=lezen, iedereen is auteur).

wat is dat? neen: hoe gebeurt het?

de creatieve activiteit krijgt middels de programmering ritme, de I/O flow wordt adem.
de adem is de levensadem: het getij van expressie en regressie van het zelf, een zelf dat geleidelijk aan in de crea-tijd uitklaart, ontspant tot poort.

het werk wordt een open voortuin in de wereld aan het huis van het zelf, een thuis (kom thuis! zorg eerst voor uzelf!), een belevingsruimte. de voortuin is een uitnodiging, niet tot het zelf als inhoud maar tot de poort, tot de activiteit : het spreekt de ander aan in haar nood om (er) iets (aan) te doen.

binnen in haar thuis zoekt het creatieve zelf verbinding met de overlevering, het reactiveert de adem, de flow van de ziel in de afgestorvenen, de voltooiden. het zelf is geen ik meer maar een het: het heeft zich van het nijdige ik onthecht.

onthecht, ontdaan van eigenbelang ontsluit het in haar thuis de schatten van het bewaarde, de humane kwaliteit

deze ontsluiting is een lezing en de lezing is telkens weer lezing van een graf, een occulte connectie met het onleefbare Buiten, transformatie van de morbide code naar actieve Stem, een schrijven van het Echte.

daar is niks mystieks aan, jij doet het hier en nu, terwijl je dit leest. lezen is ook geloven dat je de schat van het Bewaarde ontsluit. lezen is geloven dat jij het waard bent om betekenis te ontvangen. lezen is religie, verbinding.

en elk lezen is een schrijven. jij bent auteur van wat je leest.

het zelf is (ook) een sterven van de ziel (Heraclitus) in de dissimulerende rede, het werk van de dodende Werkelijkheid. de Ziel beweegt zich pijnlijk in het stramme van onze mortificerende realiteiten, onze koopwaar.
de wereldziel strandt en sterft in ons, spoelt aan op het zand in onze harten als potvis

maar sterven is leven, net zoals lezen schrijven is, leven is de negatie van de negatie van het sterven.

de bloei van het werk is wat bloei altijd is: verleiding, geil, expressie van de wil tot copulatie, bevruchting, transmissie.

bloei is sowieso altijd transgressie van de geterritorialiseerde Werkelijkheid. bloei breekt uit het cocon van de realiteit, van het verkochte Rot. bloei breekt vrij uit de Brol.

buiten, in de voortuin nodigt het de ander uit, niet tot het zelf maar tot de verbinding, de poortwerking, de bezigheid, de adem van de wereldziel. het heeft er geen belang bij wat u of wie dan ook doet met deze uitnodiging.

het wil niet overtuigen, het wil geen succes, het wil niets, het is louter beleving, exemplarisch actief, vegatatief onuitroeibaar, onooglijk flexibel als gras, viraal transmuteerbaar tot elke leef/sterf-omgeving.

het is het virus van de Vrije Lyriek.

en het individu lost op in de verbindingen die het faciliteert.
en het is als niemand dat het telt, een schrijven zonder naam, een lichaam zonder organen.

‘jamaar V… ‘
ja maar wie? alles van mij is al lang weg.

graag uw commentaar op deze aflevering van het journal intime-programma. commentaren worden geplaatst bij herziening van de teksten in een van de volgende programma’s
vermeld uw mailadres als u persoonlijk antwoord wil krijgen (uw mailadres wordt niet publiek gemaakt)
vermeld uw website als u een link daarnaar bij uw commentaar wenst

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
Anke Veld Proza

ANNA – Anker

Een boom in dit huis, uit de vloer vorkt een stam, de blik volgt de stam. Jij bent die blik, het programma. Vertakkingen splijten je. De splijtende blik wordt versplintering. Desintegratie: bij elke vertakking laat je een deel van je lichaam achter, zoals in een videospel maar dan omgekeerd: je hart, je nieren, een oog, een vingerkootje. Een spoor van slijm en bloed trek naar boven. De boom wil het huis uit, de daksponten kraken.

Dan ben je een oude vrouw. Een oude handgehaakte sprei geurt muf op je benen, de thee is al lauw. Je hoorde een geluid, je dacht dat het de storm was buiten, maar daar wordt je het salon al uitgesleurd, een gezichtsloze vrouw sleurt je de kleren van het lijf, je wordt het bad ingeduwd. De scene verwildert. Wakker worden, roept een stem. Wordt wakker.

Handen slaan, duwen, hakken. ‘Oefening, oefening.’ Haar stem in je hoofd. Je zit in je kooi, in je kot. Hoe lang is nog maar geleden? Twee dagen? Een week? Het heeft geen belang, er is toch geen tellen aan, nergens kan je in krassen, geen teken houdt stand in het smetteloze wit van deze ruimte en de groene balk op het werkvlak lijkt wel voor eeuwig stil te staan op net iets meer dan twee vijfde van de weg. Is er er wel voortgang, vooruitgang, vordering? Maakt het wat uit?

Oefening.’ Opstaan. Je weet wat er van je wordt verlangd. Niet aarzelen: je ritst jezelf weg uit het gat in je droom, je holt naar de glasmuur, plakt je neus tegen het glas, kijkt naar de vlek van je adem op het glas die uitdeint, ogenblikkelijk krimpt, verdwijnt, uitdeint. De zware bromtoon van het hydraulisch systeem zet in.
Niet aarzelen, niet omkijken, niet denken. Met een hels gesis slokken de wanden het weinige meubilair op. Dat weet je, dat voel je, dat je zag je ook die ene keer dat je wel keek. Niet bewegen. Doe je niet wat je doen moet, dan krijg je een stroomstoot van hoge voltage door je naakte lichaam.

Langzaam zetten de wanden zich in beweging, de balk wordt smaller en smaller, ook de muur met de deur komt op je af. Je adem gaat sneller, de wasem versnelt, je hartslag verdubbelt.

Nog niet. Je wordt niet verpletterd, een schrille fluittoon waarschuwt je, de druk wordt met de buitenlucht gelijkgesteld, je klemt je ellebogen tegen de zijwanden die je nu nog net een meter laten en daar schuift het glas weg, je wankelt in de felle kou die je plots overvalt want het is koud koud koud buiten en er staat een strakke wind waar je binnen niets van merken kon.

Neen, je wordt ook nu niet de afgrond ingeduwd, het is je zelfs toegestaan de maximale steun op te zoeken van het metertje grond dat je hebt, je mag knielen, je mag bibberend je neus over de rand van het platform steken, naar beneden turen, links, rechts, onder je, nee, ja, nee je bent niet alleen, want onder je, zo’n tien, twaalf meter lager zie je nog zo’n hoofd als een larve uit net zo’n platform als het jouwe wriemelen.

Ernaar schreeuwen helpt niet.

Elk geluid gaat verloren in de wind en je bent op je hoede want in de eerste weken (of was het later) was er één rakelings langs je heen naar beneden gestort, je had zijn gil gehoord 1 eeuwigheid lang toen het beeld van van een klapwiekend lichaam al een tel verdwenen was, maar zeker ben je niet want toen je het begreep was er beneden al niets meer te zien en wat maakt het ook uit of je nu zegt ‘iemand sprong ‘ of ‘iemand werd geduwd’ of ‘ik droomde dat ik viel’?

De wind giert en je kan 1, 2, 3 van je lotgenoten onderscheiden op twaalf meter afstand onderling, net zo ver tot ze samen versmelten in een strakke lijn die op zijn beurt in de witte leegte onder je verdwijnt. Springen is geen optie.

Het glas schuift terug, je metertje verbreedt zich weer, je hok deint uit tot alles weer uit de muren geklapt, glanzend en ordentelijk is, van huidschilfers en haartjes ontdaan perfect, naadloos nieuw en wit zoals het was (wanneer?), net als de vraag die weer opdoemt en het oude vertrouwde antwoord van haar stem in je hoofd.

Springen is geen optie. Hou van die stem.

Mijn stem is een anker’.

invoertekst (2006)

ANKE VELD

ANKE VELD is de internetroman die sinds 2002 gepubliceerd wordt terwijl hij geschreven wordt. de vertelde gebeurtenissen in de roman spelen zich grotensdeels ook simultaan af met de publicatietijd, of relatief korte tijd daarna, waardoor er soms wel eens wat moet worden bijgewerkt (ook Nostrodamus was niet onfeilbaar).

ANKE VELD is het verhaal van de AFLOOP. het is op dit moment niet bekend of het goed of slecht afloopt, maar aflopen doet het, daar kunnen we vooralsnog zeker van zijn.

ANKE VELD bestaat uit 8 plateau’s of ‘velden’ die elk één hoofdpersonage hebben. 18 jaar na de eerste publicaties is het niet langer duidelijk waar in het werk van de auteur de roman begint en waar de realiteit 1kwatongen beweren dat geheel WIKIPEDIA een onderdeel geworden is van de roman, maar dat lijkt ons toch nogal een indianenverhaal. ophoudt, of wat dan wel de realiteit van Anke Veld is. wie is , überhaubt, die Anke Veld?

Noten   [ + ]

1. kwatongen beweren dat geheel WIKIPEDIA een onderdeel geworden is van de roman, maar dat lijkt ons toch nogal een indianenverhaal.
Categorieën
Anke Veld

anke veld – 7

 The Place was a huge wooden construction behind a stone wall in the back of a large domain somewhere on the outskirts of Brussels. It had several large domes…

‘ANNA’ is the first episode of the English Comic Book version of Anke Veld the internet-novel otherwise written in Dutch

If you’re new to this comic, you can start reading it here.

Categorieën
Anke Veld Proza

ANNA – Zin

Twijfels bij de zin van dit bestaan ? Onrust & angst, maar vooral : je wil de wereld begrijpen ? Neem een stoel, ga naar je tuin. Kies een plant uit, maakt niet uit welke. Zet je stoel voor de plant, neem plaats, kijk naar de plant. Denk aan niets anders dan aan wat je ziet. Neem waar die plant. Blijf kijken. Begrijp de wereld.Je staat als een blad te trillen van je bad, het kolkt in je kop en je tong spelt obstinaat de vier letters van haar naam. Anna’s mantra tot het hijgen stopt. Gelukkig ontvangt de zetel voor het wereldscherm je slappe lichaam met beide armen. Net als vroeger, net als morgen.

Wat je geeft, moet je eerst nemen. Als je het niet kan nemen, moet je het krijgen. Aan alles is gedacht. Er wordt voor je gezorgd. Je geeft kennis, dus je krijgt de weg naar kennis. Staat de plant op het scherm voor je ernaar verlangde of heeft het verlangen de plant op het scherm gebracht ? Zwijg toch. Hou je bij het noodzakelijke : daarnet bestaat niet, seffens ook niet, enkel dit. Nu.

Dit: de plant op het scherm is een distel. De scherpe bladeren schroeven met vlijmende stekels de ranke stam vanuit een wazig gehouden weiland de blauwe hemel in. Purperen bloemknoppen wiegen dreigend in de wind.

Weiland, hemel, distel. Alles hetzelfde, keer op keer, je zat er al honderden uren naar te kijken, afgemat van je bad en je werk, maar telkens ook (je bént al die distel): iets nieuws dient zich aan, een lekkage, een zich uiterst langzaam uitbreidende zwarte vlek op het volledige niets van de kraakwitte muur in je brein en je voelt en je weet nog hoe je klom en je klimt de zwarte, rechte weg op richting de Fuji Yama aan de horizon, het is ondraaglijk heet onder de zon, je voeten branden op de weg, en je ziet slechts stenen en gruis links van je, gruis en stenen rechts van je en achter je de eindeloze weg en in de verte de vage schittering van de Fuji en je denkt als ik kan stappen zonder te ademen, beweeg ik misschien als de lucht over het pek van deze weg.

Maar de Fuji rolt minachtend een ijzige tong uit haar krater en de weg kleeft als een bloedzuiger aan je voeten en meer nog, de hemel recht voor je – je ziet het meteen – begint zich plots als een hol gebogen spiegel te krommen in een punt, pal boven de berg. Met een ijzingwekkende vaart komt het zwarte punt op je af, neemt de vorm aan van een wolk, geen donkere wolk maar een inktzwart rafelig kluwen van slierten dat op ooghoogte met bolbliksems op je afstormt. Op het ogenblik dat je weet dat je tot een hoopje verschroeit zal worden, dat alle lucht in je longen je lichaam is uitgezakt, dat de speer van de angst je dwars door de onderrug aan de grond geregen heeft, knapt er ergens iets hoorbaar met een droog krakje en zit je weer als een zak vlees voor het beeld van de distel in je kooi.

Urenlang, ononderbroken. Het beeld van die distel in je brein gegrift. De wereld is de wereld is de wereld is het beeld van een distel in je brein gegrift.

Trauma. Herstel. Trauma.

Je zit te pulken aan je navel, je denkt ik ben een gevangene & je bent een gevangene in een kerker diep in de buik van het oude Parijs, voorgoed aan het oog van de wereld onttrokken, onbereikbaar voor de stijve vingers van de geschiedenis, levend begraven. Geen straaltje licht bereikt je, je moet je regelmatig van je bestaan overtuigen, je knijpt in je hand, je armen, je borst tot je in de wonde het geruststellende, warme vocht kan roeren. Tot je weer ontvankelijk wordt voor het grommen van de aarde, tot de aarde gromt. De beelden in je hoofd vlammen op, bolbliksems die je cel in lichterlaaie zetten, een vlammend kader wordt er opgericht, een bouwwerk van beelden voor de beelden met een bericht: je ziet je huis, je ziet het vervallen krot dat eens je huis was, enkel toeristen met nieuwsoortige camera’s verwaardigen zich soms nog om door het raam naar binnen te gluren. Een dikke vlieg ligt verdroogd en met stof op de vleugels op een vensterbank, je ziet een oud vrouwtje, haar broze geraamte in de gelige flarden van wat ooit een bruidsjurk was, je ziet weer je oude werkkamer, het oude vrouwtje hoort erin, ze knelt een roestbruin kussen op haar schoot en knijpt in een hardnekkig ritme, stopt en prevelt iets en knijpt.

Stop. Je zit te pulken aan je navel, je bent niet langer die gevangene.

Elke gedachte, elk verhaal is als het bloed in je aders, je zinnen volgen gedwee de weg van de minste weerstand, tot ook die dichtslibt.

Vervaging, ontplooing, vervlakking.

Distel. Tot het donker wordt, tot je speelt dat het donker wordt. Niets nog geeft licht in je balk dan dat groene prikkelding in je oog. Is er nog iets, achter je rug, achter de leuning van je wit-vilten stoel? Iemand? Een dreiging? Dit soort aanwezigheden ben je vergeten zoals een wolf in de zoo zijn roedel vergeet. Ook aan fantoompijn komt ooit een einde. Het is slapenstijd. Een solferkopje flitst onooglijk op het scherm. Brandt ook zo de zon op, uiteindelijk?
Volslagen duisternis, want licht is overbodig nu. Heb kennis van de weg naar je bed. Ontdoe je van kleren. Bestijg de slaapholte, zak in de slaapzak in het hol, doe de zak dicht in het hol.

Verdoving, verstilling, ontaarding.

Wie neemt er je mee? Waar naartoe? Is er nog iemand? Doet het ertoe? Voel je huid, wrijf een hand op je huid, voel je nog de mogelijkheid?

Je droomt dat je wandelt en je wandelt door nauwelijks verlichtte straten, maar het is er veilig, want je draagt een hoge, glanzend zwarte hoed & er loopt een vrouw aan je arm in een zalmroze jurk, een zijden sjaaltje ligt als een huisdier te glijden tussen het scherp van haar schouderbladen en de weekste plek in haar hals. Je komt op een binnenplaats, bestijgt samen met andere mannen onder zwarte hoeden en met slanke vrouwen in feestelijk gewaad de marmeren treden van het operahuis, boven je hoofd zie je nog net in de schittering van gouden letters een onleesbare spreuk onder het portret van de koning verdwijnen.

Even later geeft een kaalhoofdige man vooraan instructies, de dirigent dirigeert zijn honderdkoppig orkest. Het doek opent op een gigantisch leeg podium. Achteraan zie je al haar gedaante wazig bewegen in de langzame aanzet tot een dans, de belofte van dat lichaam, de nu al verblindende aanblik van die vrouw. De dirigent maakt brede gebaren, hij wil het gebouw tot in de kleinste uithoek vullen met de geraffineerde klanken van de muziek, wil van zijn cello’s geen passie maar het oorverdovende brullen van een uitslaande brand, van de violen niet een zuchtend verlangen maar het onwereldse klateren van brekend kristal en van de hijgende koperblazers een exacte kopie van de hitsige kreetjes van zijn jeugdliefde.

Niemand ziet hem, niemand hoort iets.

Het gepeupel in de engelenbak niet, de notabelen op het balkon niet, de Secretaris met zijn maitresse in de koninklijke loge niet. Haar kleinste beweging maakt elke muziek overbodig. Hier en daar zie je dan ook al een muzikant zijn instrument wegleggen, het slagwerk heeft zich omgedraaid, de eerste violist en als 1 man mét hem alle strijkers, leggen de boog en de snaren en de dodende blik van de dirigent naast zich neer. De muziek sterft uit als het gepruttel van een kleuter die weet dat hij zijn zin toch niet meer gaat krijgen.

Haar naakte voeten op de podiumplanken, de rust van haar subliem gecontroleerde ademhaling: het publiek is als bevroren. Niet het minste kuchje in de zaal.

Transfiguratie, metamorfose, voleinding.

Haar lichaam is duidelijk, ze spreekt heldere taal. Na elke zin staat ze met gesloten ogen een eeuwigheid stil tot het laatste woord in al zijn betekenis is doorgedrongen. Sneller als een kogel gaat haar blik dan naar steeds hetzelfde punt in de zaal en hervat ze als een wervelwind dezelfde zin.

Kijkt ze naar jou? Uiteraard. Heeft ze een naam? Jazeker. Wie is dan die dansende vrouw? Wat zegt ze?

Hou je mond. Blijf kijken. Doe je werk.

invoer (2006)

ANKE VELD

ANKE VELD is de internetroman die sinds 2002 gepubliceerd wordt terwijl hij geschreven wordt. de vertelde gebeurtenissen in de roman spelen zich grotensdeels ook simultaan af met de publicatietijd, of relatief korte tijd daarna, waardoor er soms wel eens wat moet worden bijgewerkt (ook Nostrodamus was niet onfeilbaar).

ANKE VELD is het verhaal van de AFLOOP. het is op dit moment niet bekend of het goed of slecht afloopt, maar aflopen doet het, daar kunnen we vooralsnog zeker van zijn.

ANKE VELD bestaat uit 8 plateau’s of ‘velden’ die elk één hoofdpersonage hebben. 18 jaar na de eerste publicaties is het niet langer duidelijk waar in het werk van de auteur de roman begint en waar de realiteit 1kwatongen beweren dat geheel WIKIPEDIA een onderdeel geworden is van de roman, maar dat lijkt ons toch nogal een indianenverhaal. ophoudt, of wat dan wel de realiteit van Anke Veld is. wie is , überhaubt, die Anke Veld?

Noten   [ + ]

1. kwatongen beweren dat geheel WIKIPEDIA een onderdeel geworden is van de roman, maar dat lijkt ons toch nogal een indianenverhaal.
Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #160

Geachte Heer,

Denkt u niet dat het ogenblik gekomen is om te pogen de Cinema te verbinden met de intieme realiteit van de hersenen. Ik deel met u enkele fragmenten uit een scenario dat ik u graag wil aanbevelen. U zal zien dat het geestelijk niveau, de innerlijke conceptie ervan het een plaats geven in de geschreven taal. En om de overgang minder bruut te maken, laat ik er twee essays aan voorafgaan die meer en meer – ik bedoel, naarmate ze zich ontwikkelen – afbuigen, zich in steeds minder vrijblijvende beelden opdelen.

Dit scenario is geïnspireerd, zij het van ver, op een boek dat zeker vergiftigd is, versleten, maar ik ben het toch dankbaar dat het mij de beelden heeft laten vinden. En omdat ik geen verhaal vertel, maar gewoon beelden laat passeren, kan men het me niet kwalijk nemen dat ik er slechts enkele stukjes van aanbied. verder heb ik twee of drie pagina’s ter uwer beschikking waarin ik probeer de surrealiteit aan te pakken, die zijn ziel te te kennen te laten geven, zijn wonderlijke gal te doen opgeven, en die zouden het geheel kunnen voorafgaan, en die kan ik u, zo u dat wenst, binnenkort ook toesturen.

Met de meeste enz.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.59]
vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Cher Monsieur,

Ne croyez-vous pas que ce serait maintenant le moment d’essayer de rejoindre le Cinéma avec la réalité intime du cerveau. Je vous communique quelques extraits d’un scénario auxquels j’aimerais beaucoup que vous fassiez accueil. Vous verrez que son plan mental, sa conception intérieure lui donne place dans le langage écrit. Et pour que la transition soit moins brutale, je le fais précéder de deux essais qui inclinent de plus en plus, – je veux dire qui, à mesure qu’ils se développent, – se répartissent en des images de moins en moins désintéressées.

Ce scénario est inspiré, quoique de loin, d’un livre certainement empoisonné, usé, mais je lui sais tout de même gré de m’avoir fait trouver des images. Et comme je ne raconte pas une histoire mais égrène simplement des images, on ne pourra pas m’en vouloir de n’en proposer que des morceaux. Je tiens d’ailleurs à votre disposition deux ou trois pages où j’essaie d’attenter à la surréalité, de lui faire rendre son âme, expirer son fiel merveilleux, dont on pourrait faire précéder le tout, et que je vous enverrai, si vous le voulez bien, prochainement.

Agréez, etc.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #159

159 – Car nous sommes uniquement dans l’ Esprit – FOU

VOGELEN-PAUL
of
DE PLAATS VAN DE LIEFDE (slot)

lees eerst het eerste stuk van deze tekst

Op het moment dat het doek opgaat; ligt Selvaggia op sterven.
Paolo Uccello komt op en vraagt haar hoe het gaat. De vraag krijgt Brunelleschi zo buiten zichzelf dat hij de louter mentale atmosfeer van het drama doorbreekt met een gebalde, materiële vuist.

BRUNELLESCHI. – Varken, zot.
PAOLO UCCELLO, niets driemaal. – Imbeciel.

Maar laat ons eerst de personages beschrijven. Lataen we ze een fysieke gestalte geven, een stem, een opschik.

Vogelen-Paul heeft een onmerkbare stem, een insectenpas, een gewaad dat te groot voor hem is.

Brunelleschi, die heeft een echte sonore theaterstem die goed in het vlees zit. Hij lijkt op Dante.

Donatello is tussen de twee: St. Franciscus van Assisi vóór de Stigmata.

De scène speelt zich af op drie plateaus.

Onnodig te zeggen dat Brunelleschi verliefd is op de vrouw van Vogelen-Paul. Hij verwijt hem onder andere haar te laten sterven van honger. Kan men sterven van de honger in de Geest?

Want we zijn zuiver en alleen in de Geest.

Het drama speelt op verschillende niveaus en heeft verschillende aspecten, het gaat er net zo goed om de stupiede vraag of Paolo Uccello genoeg medemenselijkheid zal vinden om Selvaggia te eten te geven, als om te zien wie van de drie, vier personages het langst op zijn plateau zal blijven.

Want Paolo Ucello stelt de Geest voor, niet noodzakelijkerwijs zuiver, maar onthecht.

Donatello is de verheven geest. Hij kijkt al niet meer naar de aarde, al raken zijn voeten nog de grond.

Brunelleschi daarentegen is door en door aards, en het is aards en seksueel dat hij Selvaggia begeert. Hij denkt alleen aan neuken.

Paolo Uccello kent de seksualiteit wel, maar hij ziet ze achter glas en van kwikzilver, en koud als ether.

En Donatello, die is voorbij de rouw ervan.

Paolo Uccello heeft niets onder zijn gewaad. Hij heeft enkel een klep op de plaats van het hart.

Aan de voeten van Selvaggia groeit er een kruid dat er niet thuishoort.

Plots voelt Brunelleschi zijn pik verstijven, hij wordt enorm. Hij kan het niet houden en er vliegt een grote witte vogel uit als sperma dat spiraalsgewijs de lucht inschiet.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.55-58]
vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Au moment où le rideau se lève, Selvaggia est en train de mourir.

Paolo Uccello entre et lui demande comment elle va. La question a le don d’exaspérer Brunelleschi qui lacère l’atmosphère uniquement mentale du drame d’un poing matériel et tendu.

BRUNELLESCHI. – Cochon, fou.

PAOLO UCCELLO, éternuant trois fois. – Imbécile.

Mais d’abord décrivons les personnages. Donnons-leur une forme physique, une voix, un accoutrement.

Paul les Oiseaux a une voix imperceptible, une démarche d’insecte, une robe trop grande pour lui.

Brunelleschi, lui, a une vraie voix de théâtre sonore et bien en chair. Il ressemble au Dante.

Donatello est entre les deux : saint François d’Assise avant les Stigmates.

La scène se passe sur trois plans.

Inutile de vous dire que Brunelleschi est amoureux de la femme de Paul les Oiseaux. Il lui reproche entre autres choses de la laisser mourir de faim. Est-ce qu’on meurt de faim dans l’Esprit ?

Car nous sommes uniquement dans l’Esprit.

Le drame est sur plusieurs plans et à plusieurs faces, il consiste aussi bien dans la stupide question de savoir si Paolo Uccello finira par acquérir assez de pitié humaine pour donner à Selvaggia à manger, que de savoir lequel des trois ou quatre personnages se tiendra le plus longtemps à son plan.

Car Paolo Uccello représente l’Esprit, non pas précisément pur, mais détaché.

Donatello est l’Esprit surélevé. Il ne regarde déjà plus la terre, mais il y tient encore par les pieds.

Brunelleschi, lui, est tout à fait enraciné à la terre, et c’est terrestrement et sexuellement qu’il désire Selvaggia. Il ne pense qu’à coïter.

Paolo Uccello n’ignore pas cependant la sexualité, mais il la voit vitrée et mercurielle, et froide comme de l’éther.

Et quant à Donatello, il a fini de la regretter.

Paolo Uccello n’a rien dans sa robe. Il n’a qu’un pont à la place du cœur.

Il y a aux pieds de Selvaggia une herbe qui ne devrait pas être là.

Tout d’un coup Brunelleschi sent sa queue se gonfler, devenir énorme. Il ne peut la retenir et il s’en envole un grand oiseau blanc, comme du sperme qui se visse en tournant dans l’air.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
Anke Veld Proza

ANNA – Water

Werken is ontspanning, en dat heb je nodig. Maar eerst eten. Druk je gezicht in de holte, je masker in het masker in de muur. Open je mond. De geursimulator zet het grommen van je maag in gang. Je lippen door duizenden tongen betast. Glijdingen, kronkels, het priemen van peper en de vers krakende sla op je tong. Sappen schieten je verhemelte langs, een zachte, zeemzoete bal ontrolt zich in je keel tot een warme slang in je slokdarm. Kauw maar, en bijt, ruk uit het leven dit vlees. Breek dit brood, dompel het in de saus, zwelg deze wijn. Vermorzel je honger, ontdoe je van dorst.

Je denkt en je bent een grote kat met zijn voedsel in de bek, je hoort het kraken van de botten tussen je tanden, voelt de wind van de savanne zachte cirkels in je pels maken (of een man met zijn mes in de buik van een andere man, sijpelend bloed, nieuws in de kranten. Wanneer gaat de deur open ? De deur gaat nooit open.

De druk neemt af. Als een zeemvel voel je hoe je huid de holte uitglijdt, los van de muur, weer van jezelf. Je honger is gestild, je slentert geeuwend naar de badplaats. Vlei je eerst effen languit neer, rol je om, schuur je pels aan de schors van een neergestuikte boom. Plons dan, speels uithalend naar een wegstuivende gier, in de vijver.
Nee, het helpt niet. Hoezeer jij ook je best doet, hoezeer men ook zijn best deed om het te verdoezelen : wassen impliceert het gebruik van water. Doodsangst, al voor je je kleren uit hebt. Verkrampende benen als je het verstuivingspak aantrekt, de ritsluiting sluit. Droge keel, bonzend hart nu het zoemen begint.

Je voelt geen vocht, maar je weet dat het er is, en het is er rondom, je hele lichaam rond. Hooguit vijftig seconden. Hou je adem in . Luister. Er is nog nooit iets fout gegaan met onze drukreinigingspakken. Hou van haar stem.

Waar is de maan ?

invoer (2006)

ANKE VELD

ANKE VELD is de internetroman die sinds 2002 gepubliceerd wordt terwijl hij geschreven wordt. de vertelde gebeurtenissen in de roman spelen zich grotensdeels ook simultaan af met de publicatietijd, of relatief korte tijd daarna, waardoor er soms wel eens wat moet worden bijgewerkt (ook Nostrodamus was niet onfeilbaar).

ANKE VELD is het verhaal van de AFLOOP. het is op dit moment niet bekend of het goed of slecht afloopt, maar aflopen doet het, daar kunnen we vooralsnog zeker van zijn.

ANKE VELD bestaat uit 8 plateau’s of ‘velden’ die elk één hoofdpersonage hebben. 18 jaar na de eerste publicaties is het niet langer duidelijk waar in het werk van de auteur de roman begint en waar de realiteit 1kwatongen beweren dat geheel WIKIPEDIA een onderdeel geworden is van de roman, maar dat lijkt ons toch nogal een indianenverhaal. ophoudt, of wat dan wel de realiteit van Anke Veld is. wie is , überhaubt, die Anke Veld?

Noten   [ + ]

1. kwatongen beweren dat geheel WIKIPEDIA een onderdeel geworden is van de roman, maar dat lijkt ons toch nogal een indianenverhaal.
Categorieën
Anke Veld

anke veld – 5

 If she wasn’t anything, did I not just dream her? invent her? made her up to compensate for the meagre outcome of my existence, a shipwreck on the ruins of my childhood? Perhaps. But she was real enough for me.

The first time I saw her was in an ice-cream bar. I had just broken up with my boyfriend, an artist I modelled for who couldn’t draw his own dick staring him in the face. His lasagna was real good though, so I felt entitled to a compensation. 

She was wearing some Mayan  outfit. You could  see straight through it and she wasn’t wearing anything underneath.

“For you I have nothing to hide” she said, as if she just read my thoughts. “I can”, she added, “because you want me to.” Next thing I knew we were making out in The Place.

‘ANNA’ is the first episode of the English Comic Book version of Anke Veld the internet-novel otherwise written in Dutch

If you’re new to this comic, you can start reading it here.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #157

157 – une démarche d’insecte – TEMPS

VOGELEN-PAUL
of
DE PLAATS VAN DE LIEFDE (1)

Paolo Uccello1Artaud heeft het thema van Paolo Ucello overgenomen van ‘Paolo Ucello’ uit de ‘Ingebeelde levens‘ van Marcel Schwob, een boek dat in 1921 werd heruitgebracht door Gallimard (eerste ed. Fasquelle, 1896 ) worstelt met zichzelf te midden een immens mentaal weefsel waarin hij alle wegen naar zijn ziel en naar de vorm en de aanhechting van zijn werkelijkheid is kwijtgeraakt.
Raak van je tong af Paolo Ucello, raak van je tong af, mijn tong, mijn tong, kak, wie spreekt er daar, waar ben jij? Wég, wég, Geest, Geest, vuur, vuurtongen, vuur, vuur, eet je tong op, ouwe hond, eet zijn tong, eet, enz.
Ik ruk mijn taal uit.

JA.

Ondertussen verscheuren Brunelleschi en Donatello elkaar als verdoemden. Weliswaar is Paolo Ucello het zware en gewogen punt van het geschil maar die staat op een ander plateau dan zij.

En er is ook Antonin Artaud. Een Antonin Artaud in barensnood evenwel, aan de andere kant van alle mentale glazen en hij doet er alles aan om zich elders te wanen (bij André Masson bijvoorbeeld die helemaal het uiterlijk van Paolo Ucello heeft,een gelaagd uiterlijke als van een insect of een idioot en als een vlieg gevat in de verf, in zijn verf die van de weeromstuit gelaagd wordt).

En overigens is het in hem (Antonin Artaud) dat Uccello zichzelf denkt, maar als hij zichzelf denkt is hij niet echt meer in hem, etc., etc. Het vuur waarin zijn ijs weekt heeft zich in een mooi weefsel vertaald.

En Paolo Uccello zet de prikkelende operatie verder van deze wanhopige tonguitrukking.

Het gaat hier om een probleem dat in de geest van Antonin Artaud is ontstaan, maar Antonin Artaud heeft geen probleem nodig, hij zit al genoeg opgezadeld met zijn eigen gedachten, met onder andere dat hij zichzelf is tegengekomen, er achter kwam wat een slechte acteur hij is, bijvoorbeeld gisteren, in de bioscoop, in Surcouf, zonder dat die larve van een Kleine Paul hem zijn tong komt opeten.

Het theater is door hem gebouwd en bedacht. Hij heeft zo’n beetje overal arcades en plateau’s uitgezet waarin al zijn personages als honden tekeergaan.

Er is een plateau voor Paolo Uccello, en een plateau voor Brunelleschi en Donatello, en een plateau voor Selvaggia, de vrouw van Paolo.

Twee, drie, tien problemen zijn plotseling verstrengeld met de zigzagbewegingen van hun spirituele tongen, met alle ruimtelijke verplaatsingen op hun plateaus.

Lees verder…

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.55-58]
vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

PAUL LES OISEAUX
OU
LA PLACE DE L’AMOUR

Paolo Uccello est en train de se débattre au milieu d’un vaste tissu mental où il a perdu toutes les routes de son âme et jusqu’à la forme et à la suspension de sa réalité.

Quitte ta langue Paolo Uccello, quitte ta langue, ma langue, ma langue, merde, qui est-ce qui parle, où es-tu ? Outre, outre, Esprit, Esprit, feu, langues de feu, feu, feu, mange ta langue, vieux chien, mange sa langue, mange, etc. J’arrache ma langue.

OUI.

Pendant ce temps Brunelleschi et Donatello se déchirent comme des damnés. Le point pesant et soupesé du litige est toutefois Paolo Uccello, mais qui est sur un autre plan qu’eux.

Il y a aussi Antonin Artaud. Mais un Antonin Artaud en gésine, et de l’autre côté de tous les verres mentaux, et qui fait tous ses efforts pour se penser autre part que là (chez André Masson par exemple qui a tout le physique de Paolo Uccello, un physique stratifié d’insecte ou d’idiot, et pris comme une mouche dans la peinture, dans sa peinture qui en est par contre-coup stratifiée).

Et d’ailleurs c’est en lui (Antonin Artaud) que Uccello se pense, mais quand il se pense il n’est véritablement plus en lui, etc., etc. Le feu où ses glaces macèrent s’est traduit en un beau tissu.

Et Paolo Uccello continue la titillante opération de cet arrachement désespéré.

Il s’agit d’un problème qui s’est posé à l’esprit d’Antonin Artaud, mais Antonin Artaud n’a pas besoin de problème, il est déjà assez emmerdé par sa propre pensée, et entre autres faits de s’être rencontré en lui-même, et découvert mauvais acteur, par exemple, hier, au cinéma, dans Surcouf, sans encore que cette larve de Petit Paul vienne manger sa langue en lui.

Le théâtre est bâti et pensé par lui. Il a fourré un peu partout des arcades et des plans sur lesquels tous ses personnages se démènent comme des chiens.

Il y a un plan pour Paolo Uccello, et un plan pour Brunelleschi et Donatello, et un petit plan pour Selvaggia, la femme de Paolo.

Deux, trois, dix problèmes se sont entrecroisés tout d’un coup avec les zigzags de leurs langues spirituelles et tous les déplacements planétaires de leurs plans.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Noten   [ + ]

1. Artaud heeft het thema van Paolo Ucello overgenomen van ‘Paolo Ucello’ uit de ‘Ingebeelde levens‘ van Marcel Schwob, een boek dat in 1921 werd heruitgebracht door Gallimard (eerste ed. Fasquelle, 1896 )
Categorieën
Anke Veld lyriek Proza

ANNA – Uitvoeren

Het appartement heeft geen vensters, maar de muur naar het oosten is een vierkant van glas. Geen opdelingen, geen kamers, niet moeilijk doen. Hou het eenvoudig : de deur centraal in het westen, rechts daarvan het bed, links de zetel gericht naar het wereldscherm.
Voedselvoorziening en reinigingscabine in de noordelijke wand ingebouwd. Werkblad zuidelijk. Het geheel is een balk van 5 hoog, 5 breed, 7 diep, gericht naar het oosten. Afstand doet er niet toe, de verhoudingen dienen te kloppen. De deur is een deur die niet opengaat.

Geen kleuren, dat is overbodig. Alles is wit. Door de glazen wand zie je ‘s nachts de sterren en wolken en ‘s ochtends de zon : kleur zat. Binnen is het wit, met de schaduw van iets wit op wit, je huid in een wit uniform. Staar in de spiegel, kijk naar je iris : wat zit je te zeuren om kleur ? De grond kan je niet zien door het glas, sporen van andere bouwwerken daarop evenmin. Daarvoor is het hier te hoog. Sterren, wolken, zon: niets anders dan dat. Zijn er nog vogels, of is dit ook voor hen te hoog ?

Zwijg. Hou je koest. Beperk je tot het nodige. Zet je neer. Adem in, adem uit.

Links: spreid je vingers, leg je hand op het voelvlak, denk aan niets. Rechts : draai je hand om, beweeg de rug over de rand van het werkvlak, denk start. Floep. Haar stem in je hoofd. Haar lach op het scherm. Luister. Hou van haar stem. Bevestig ontvangst van de taak. Uitvoeren.

Wat is er met de maan gebeurd ?

invoertekst (2006)

ANKE VELD

ANKE VELD is de internetroman die sinds 2002 gepubliceerd wordt terwijl hij geschreven wordt. de vertelde gebeurtenissen in de roman spelen zich grotensdeels ook simultaan af met de publicatietijd, of relatief korte tijd daarna, waardoor er soms wel eens wat moet worden bijgewerkt (ook Nostrodamus was niet onfeilbaar).

ANKE VELD is het verhaal van de AFLOOP. het is op dit moment niet bekend of het goed of slecht afloopt, maar aflopen doet het, daar kunnen we vooralsnog zeker van zijn.

ANKE VELD bestaat uit 8 plateau’s of ‘velden’ die elk één hoofdpersonage hebben. 18 jaar na de eerste publicaties is het niet langer duidelijk waar in het werk van de auteur de roman begint en waar de realiteit 1kwatongen beweren dat geheel WIKIPEDIA een onderdeel geworden is van de roman, maar dat lijkt ons toch nogal een indianenverhaal. ophoudt, of wat dan wel de realiteit van Anke Veld is. wie is , überhaubt, die Anke Veld?

https://nkdee.blogspot.com/2020/08/no-thing.html

Noten   [ + ]

1. kwatongen beweren dat geheel WIKIPEDIA een onderdeel geworden is van de roman, maar dat lijkt ons toch nogal een indianenverhaal.
Categorieën
Anke Veld

anke veld – 4

Without her i strutted my hour upon the stage like a dismembered doll,

 I felt like a catalogue of canned organs and senses: the Sickening Heart, the Thieving Feel, the Desperate Stomach, the Greedy Kidneys, the Horny Taste and above all the Cancerous Brain spreading the lingo of lubric decay and luxurious rot. 

With her happening inside me I danced like a Maenad casting my spells and spilling my charms, opening and closing the gates to salvation to human ants and antlered humans alike as i saw fit…

‘ANNA’ is the first episode of the English Comic Book version of Anke Veld the internet-novel otherwise written in Dutch

If you’re new to this comic, you can start reading it here.

Categorieën
Anke Veld Proza

ANNA – Wachet Auf

Een boom in dit huis, uit de vloer vorkt een stam, de daksponten kraken.

Je wordt het salon uit gesleurd, men duwt je het bad in, een gezichtsloze vrouw haalt in een oogwenk met een glasscherf van je beide armen de slagaders open. Een gordijn van blauwgrijze lianen wordt over je hoofd getrokken. De scene verwildert. Handen slaan, duwen, hakken. Donker kloppende zuigpompen sleuren je benen omlaag. Dit is verdrinken : je stem die nog uithaalt met een mondvol water, je tong als een lamme prop in je keel, het barsten van de tijd in je hoofd. Op je laatste moment zie je de twee syllaben drijven in het midden van de inmiddels woest kolkende stroom.

Twee schelpen van water, eivormige vliezen met hun scherpste ronding in elkaar gehaakt. Anna.

Je wil terug, maar de opgaande zon heeft als immer de geruststellende grootte van je voet, (linkervoet, rechtervoet : dat dwingende tempo). Zekerheid houdt je gevangen.

Uit vier zwarte hoeken in de smetteloos witte ruimte is Bach’s ‘Wachet auf’-cantate al halfweg haar steile klim van bassen naar koor.

Droom je of ben je in je droom vermoord, is dit je zelfbereide redding of ben je de afgeschrevene, de uitgediende slaaf die nu nog met sardonisch genoegen in de sterfput van de wereld werd gekeild?

Vijf jaar lang dien je deze dagelijkse hinkstapsprong te herhalen : boom, water, zon. Vijf jaar. Daarna wordt er voor je gezorgd.

Wanneer is het aftellen begonnen? Zijn er twee schrikkeljaren bij, of maar één? Waar is Anna? Trek je kleren aan, stel je die vragen. Tel de stappen naar de spiegel, stel je die vragen. Borstel je tanden in hun ritme. Ontbijt. Doe je werk.

invoertekst (2006)

https://nkdee.blogspot.com/2020/08/numbered.html

ANKE VELD

ANKE VELD is de internetroman die sinds 2002 gepubliceerd wordt terwijl hij geschreven wordt. de vertelde gebeurtenissen in de roman spelen zich grotensdeels ook simultaan af met de publicatietijd, of relatief korte tijd daarna, waardoor er soms wel eens wat moet worden bijgewerkt (ook Nostrodamus was niet onfeilbaar).

ANKE VELD is het verhaal van de AFLOOP. het is op dit moment niet bekend of het goed of slecht afloopt, maar aflopen doet het, daar kunnen we vooralsnog zeker van zijn.

ANKE VELD bestaat uit 8 plateau’s of ‘velden’ die elk één hoofdpersonage hebben. 18 jaar na de eerste publicaties is het niet langer duidelijk waar in het werk van de auteur de roman begint en waar de realiteit 1kwatongen beweren dat geheel WIKIPEDIA een onderdeel geworden is van de roman, maar dat lijkt ons toch nogal een indianenverhaal. ophoudt, of wat dan wel de realiteit van Anke Veld is. wie is , überhaubt, die Anke Veld?

Noten   [ + ]

1. kwatongen beweren dat geheel WIKIPEDIA een onderdeel geworden is van de roman, maar dat lijkt ons toch nogal een indianenverhaal.
Categorieën
Anke Veld

anke veld – 3

ANKE VELD does not exist.
She isn’t a person, she’s not any thing.
She happens. She occurs. When she happened inside me I looked like Queen goddamn NEFERTITE.

‘ANNA’ is the first episode of the English Comic Book version of Anke Veld the internet-novel otherwise written in Dutch

If you’re new to this comic, you can start reading it here.

Categorieën
kort Proza

nergens

het fonkelde.

en de ogen en de handen waren heel even met de nacht alleen. het grauwe lijf  zat achter slot en grendel van de angst. buiten sloeg de zuivere lucht  witte zeilen open in de zee rond de pupillen, maar de opgesloten longen van het lijf verstijfden en het verschroeide er tot gans het lijf kermde en kronkelde. ontzet sloten de ogen zich en de handen sloegen zich voor het afwezige gelaat.

het fonkelen dreef hen verder uit elkaar. de maan blies bellen in de lege straat. benig blanke vingers tikten met hun weke nagels de bellen van het maanlicht aan. de bellen ploften, er zaten kleine draakjes in met metalliek gekleurde vleugels en vliegende kevers met vervaarlijke schilden. 

de benen kloegen en het lijf werd veel te snel door lust en nijd bevrijd. daar stoof alweer met opgekropt, immens en grijs lawaai de solferwind over  het nakende geslechte heen. 

later. het staat te wachten op de bus, het masker bengelt losjes onder de kin. de ogen glanzen droevig, de handen stoppen zich gebald tot nare knoesten helemaal diep in de zakken. in het brein klampen de ogen en de handen zich halsstarrig vast aan de gedachte dat het toch anders kan, dat het kan fonkelen.

en in een veel te zware kar zoeft ongezien de mooiste stem op aarde aan hem voorbij. het ziet haar niet maar hoort het zingen in zijn hoofd. het houdt van haar en zij zijn nooit en nergens samen.

Categorieën
Anke Veld

anke veld – 2

  No, that’s not her. that’s just me, an anybody. ANNA anybody. Anna anybody Van Es. I lived briefly , in Holland. Some crazy Dutch poet tried to rape me and I got killed holding him off. He has been writing weird poems and stuff about me, how he regrets everything and other crap. Drooling over my corpse he is, the horny bastard. She, her, that’s ANKE VELD. She’s no anybody. She is you she is me, she’s Donald Trump and Aretha Franklin, she’a alive and dead and man and woman and white and deep blue purple. She is all that because she’s NO THING.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza

journal intime #156

156- Il y a aussi Antonin Artaud – TONG

de boodschap van de westerse gek, wat de waanzin ons te zeggen heeft, is sinds jaar en dag de ondergang, de heerschappij van Satan, de apocalyps (zie daarover [FOUCAULT 1972, p38-39] ): voorbij de rede is er enkel de ondergang.

maar de westerse waanzinnige manifesteert zich zo ook als een ziener van het Rot, de echte versie van het fictieve Armageddon, de fameuze apocalyps die immers niet meer is dan de zoveelste uiting van de negentropische gewoonte van het uitstel in het denken, een projectie van de waarheid, een verpakking van het Rot tot na het oordeel van de Rede, het Zijn, God dus.

het hele idee van een Apocalyps, die neurose, is uiterst nefast voor de precaire situatie waarin we ons nu bevinden. in plaats van alles te doen om toch het mogelijke te redden van wat er te redden valt, schakelen we in ons hoofd geheel over naar ‘alles is verloren’ en ‘dit is het einde der tijden’. en we doen niks meer.

we vergeten dan prompt het enige stukje zelfkennis dat niet ogenblikkelijk leidt tot onze gebruikelijke megalomanie waarvan ook deze apocalypsneurose, dit ramptoerisme van het denken een onwaarschijnlijke uiting is.
namelijk dat wij als soort verschrikkelijk taai onkruid zijn, een virus waar je niet zomaar vanaf raakt, als het al mogelijk is. want buiten onze eigen leefwereld om, buiten onze negentropische bubbel om, zijn wij gewoon een perfecte desintegratiemachine, het Rot op zijn paasbest dat alles in haar weg verneukt tot het alleen maar aan stilletjes wegkwijnen wil denken.
zo snel is de aarde niet van ons verlost en zelfs dan is het niet ondenkbaar dat er twee miljoen jaren later weer iets vekemansachtig loopt wartaal uit te slaan om de blondjes te imponeren.

maar goed: omdat het idee van de onvermijdelijke entropie van alles, de waarneembare desintegratie, de tastbaar stijgende complexiteit, omdat het Rot als idee onaanvaardbaar is, te veel realiteit voor de ‘human mind’ (T.S. Eliot), duwen we het letterlijk voor ons uit, projecteren we het naar de verre toekomst, het einde der tijden, zodat we onze negentropische bubbel voluit evolutionistisch kunnen blijven denken, voortschrijdend in een voortdurende evolutie naar het hogere. het eschatologische is voor ons westerlingen altijd de uitverkoren oplossing geweest om het Rot leefbaar te maken, om te kunnen blijven lachen terwijl we verder en verder ten onder gaan.

het ‘oor’, overigens, in het laatste ‘oordeel’ heeft niets met het gehoor te maken maar is het handvat aan het ‘ding’, de ‘handler’ van de begrijpelijkheid. etymologische komen al die woorden uit de sfeer van de rechtspraak, maar bon, ik zal maar zwijgen over Derrida vandaag.

de westerse tijdsbeleving is immers altijd die van een uitstel van de toekomst, en een winstneming op de prognose van het onmogelijke. de daden tellen enkel in hun consequenties, hun verwezenlijkingen. als het niet opbrengt, bestaat het niet. en wat het opbrengt moet tastbaar zijn, begrijpelijkheid dus.

net wat u lekker niet krijgt van mij (het zal u leren).

elk oordeel is een tijdsoordeel, het maakt het gebeuren aanhangig in de tijd om tot een verdict te komen, een verdinging, een verharding, een fallische uitspraak in weerwil van het echte. ‘fuck it’: het gebeuren gereïficeerd tot verhandelbare gebeurtenis, de sjachertruuk van Badiou. time is money.

zelfs de fysica ontkent het gebeuren in functie van het begrijpelijke ding, het ‘deeltje’ van de stof, de waan van de materie. en de neurologie reduceert dankbaar de zieke gek tot een ongewenste, onverhandelbare respons op dat deeltje, het essentiële. het zit zo en zo en gij zijt zot.

zo wordt de zot de paljas, de ongelovige én de uitgeslotene, de verdoemde maar ook het levende Aandenken, de Wijsvinger van God, de zombie van het memento mori en de zwaaier met de sabel van het laatste oordeel.

de westerse gek is de gekmakende angst en de angst is de angst voor de waarheid, het toelaten van het Echte in de steeds sneller rottende werkelijkheden van het Zijn.
de westerse waanzin is een lijden aan het lijden dat enkel verholpen kan worden door het onbespreekbare uit te schakelen, te omzeilen. de westerse gek moet gefikst worden, bijgepraat, gedrogeerd, geëlektrocuteerd , opgesloten, genegeerd, gemuilkorfd, verzwegen.

op elke echte vraag van de waanzinnige (“mijn leven in de ontkenning van het Rot en van het lijden werkt niet meer“, “ik ervaar enkel nog het echte van de pijn” ) is er na het falen van de routineus uitgevoerde upgrades en de chemische bugfixes uit het Handboek (het Handboek vervangt de in vrees teruggetrokken hand van de zorg) slechts het standaard antwoord van de dood.

kijk hier is het spuitje, doe het voor jou, doe het voor ons. verlos ons van jouw lijden, van dat Aandenken, die rotte Wijsvinger van het Lijk van God. het is jouw schuld ook wel wat è, kijk naar ons, wij willen wèl geloven.

dit geldt uiteraard enkel voor mannelijke zotten. de zottinen die zijn gewoon hysterisch, die kan je helpen met de Spuit van God (“enkel in de Premiumversie van het Handboek, upgrade nu!”)

de oosterse zot is, in mijn Tao-boekskens toch, vaak de wijze die de ‘Ren’ van het Humane achter zich heeft gelaten, naast zich heeft neergelegd. wat doen de Chinezen met hun wijzen, tegenwoordig?

NKdeE 2020, ‘Artaud is geschoren’ (naar het zelfportret van 17-11/1946) – potlood – A5


Categorieën
Anke Veld

anke veld – 1

Everything is numbered. There’s a count to every thing. Something preceeds, some thing follows. We only get some of the numbers right.    Our days are numbered: we get those right.  We can feel whar number we’re at. We can never tell which number it is, but we feel it all right. Fear prevents us from naming it. But we know, we always knew.  

But only she could tell.  

‘ANNA’ is the first episode of the English Comic Book version of Anke Veld the internet-novel otherwise written in Dutch

If you’re new to this comic, you can start reading it here.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #155

155- – une cristallisation immediate et directe – LANGUE

ARTAUD – Navel van het Voorgeborgte (3 – 4)

God-de-reu sta mij bij en zijn tong
die als een pijl de korst doorboort
van de koepel met de dubbele boord,
van de aarde die jeukt naar zijn woord.

En daar is de driehoek van water
die stapt in de pas van punaises
die zich op hete kolen wil bewijzen
als messteek en niet als punaise.

God-de-teef die is diep in de boezem
van gruwel en grond willen kruipen,
de boezem van aarde en water en ijs
die haar voze tong rottend doet druipen.

En daar is de meid-met-de-hamer,
die de kelders van aarde komt slopen
en de schedel van de hond van de ster
voelt hoger het afgrijzen oplopen.


Dokter,

Er is een punt waarop ik toch zou willen insisteren: het belang namelijk van datgene waarop uw injecties inwerken, de essentiële verslapping van mijn wezen, de verlaging van mijn mentale standaard, die niet, zoals men zou kunnen denken, een vermindering van mijn moraliteit (mijn morele ziel) of zelfs van mijn intelligentie inhoudt, maar wel, zo men wil, van mijn bruikbare intellectualiteit, mijn denkvermogen, wat meer te maken heeft met het gevoel dat ik van mezelf heb, dan met dat wat ik aan anderen laat zien.

De ongehorige, veelvormige kristallisatie van het denken, die op een gegeven moment zijn vorm kiest. Er is een onmiddellijke en directe kristallisatie van het ik te midden van alle mogelijke vormen, alle mogelijke denkwijzen.

Dus nu, mijnheer de Dokter, nu u zich goed bewust bent van wat er in mij kan worden bereikt (en genezen door drugs), van dat omstreden punt in mijn leven, hoop ik dat u mij de hoeveelheid verfijnde vloeistoffen, kostbare middelen, mentale morfine kunt geven, die in staat zijn om mijn vernedering te verhogen, om het dalen in balans te brengen, om wat gescheiden werd te herenigen, om wat vernietigd werd weer op te bouwen.

Mijn denken groet u.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.53-54]
vert. NKdeE 20201) CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Avec moi dieu-le-chien, et sa langue
qui comme un trait perce la croûte
de la double calotte en voûte
de la terre qui le démange.

Et voici le triangle d’eau
qui marche d’un pas de punaise,
mais qui sous la punaise en braise
se retourne en coup de couteau.

Sous les seins de la terre hideuse
dieu-la-chienne s’est retirée,
des seins de terre et d’eau gelée
qui pourrissent sa langue creuse.

Et voici la vierge-au-marteau,
pour broyer les caves de terre
dont le crâne du chien stellaire
sent monter l’horrible niveau.


Docteur,

Il y a un point sur lequel j’aurais voulu insister : c’est celui de l’importance de la chose sur laquelle agissent vos piqûres ; cette espèce de relâchement essentiel de mon être, cet abaissement de mon étiage mental, qui ne signifie pas comme on pourrait le croire une diminution quelconque de ma moralité (de mon âme morale) ou même de mon intelligence, mais si l’on veut, de mon intellectualité utilisable, de mes possibilités pensantes, et qui a plus à voir avec le sentiment que j’ai moi-même de mon moi, qu’avec ce que j’en montre aux autres.

Cette cristallisation sourde et multiforme de la pensée, qui choisit à un moment donné sa forme. Il y a une cristallisation immédiate et directe du moi au milieu de toutes les formes possibles, de tous les modes de la pensée.

Et maintenant, Monsieur le Docteur, que vous voilà bien au fait de ce qui en moi peut être atteint (et guéri par les drogues), du point litigieux de ma vie, j’espère que vous saurez me donner la quantité de liquides subtils, d’agents spécieux, de morphine mentale, capables d’exhausser mon abaissement, d’équilibrer ce qui tombe, de réunir ce qui est séparé, de recomposer ce qui est détruit.

Ma pensée vous salue.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #154

154 – Qu’on lui pile le crâne – AFGROND

ARTAUD – Navel van het Voorgeborgte (2)

Een groot, nadenkend en overbevolkt elan vervoerde mijn ik als een volle afgrond. Er waaide een vlezige wind die resoneerde, en de solfer zat er dik in, ja. Minutieuze wortelhaartjes bevolkten de wind als een netwerk van aderen, en hun vervlechting bliksemde. De ruimte was meetbaar en helder, maar zonder doordringbare vorm. En het centrum was een mozaïek van flitsen, een harde soort kosmische hamer, een van mismaakte zwaarte, een die steeds weer viel als een hoofd in de ruimte, maar met een geluid dat als gedistilleerd klonk. En de watten wikkel van dat geluid had de botte aandrang en het doordringende van een levende blik. Ja, de ruimte gaf zijn volle mentale watten op, waarin geen enkele gedachte nog duidelijk was of de ontlading van voorwerpen ervan kon weergeven. Maar beetje bij beetje keerde de massa zich om als een krachtige walging van slijk, een soort onmetelijke instroom van donderend vegetaal bloed. En de wortelhaartjes die trilden aan de rand van mijn mentale oog, maakten zich met een duizelingwekkende snelheid los van de opgespannen massa van de wind. En heel de ruimte beefde als een geslacht waarmee de vurige hemelbol verwoestend tekeer ging. En iets als de snavel van een echte duif doorboorde die confuse massa der toestanden, en op dat moment trok al het diepe denken in lagen, loste het op, werd transparant en eenvoudig.

En nu hadden we een hand nodig die van het grijpen zelf het orgaan zou worden. En nog een keer of twee, drie draaide de hele vegetale massa zich om, en elke keer nam mijn oog een preciezere positie in. De duisternis zelf werd overvloedig en zonder voorwerp. Geheel het vriezen klaarde uit.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.51-52]
vert. NKdeE 20201) CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Une grande ferveur pensante et surpeuplée portait mon moi comme un abîme plein. Un vent charnel et résonnant soufflait, et le soufre même en était dense. Et des radicelles infimes peuplaient ce vent comme un réseau de veines, et leur entrecroisement fulgurait. L’espace était mesurable et crissant, mais sans forme pénétrable. Et le centre était une mosaïque d’éclats, une espèce de dur marteau cosmique, d’une lourdeur défigurée, et qui retombait sans cesse comme un front dans l’espace, mais avec un bruit comme distillé. Et l’enveloppement cotonneux du bruit avait l’instance obtuse et la pénétration d’un regard vivant. Oui, l’espace rendait son plein coton mental où nulle pensée encore n’était nette et ne restituait sa décharge d’objets. Mais, peu à peu, la masse tourna comme une nausée limoneuse et puissante, une espèce d’immense influx de sang végétal et tonnant. Et les radicelles qui tremblaient à la lisière de mon œil mental, se détachèrent avec une vitesse de vertige de la masse crispée du vent. Et tout l’espace trembla comme un sexe que le globe du ciel ardent saccageait. Et quelque chose du bec d’une colombe réelle troua la masse confuse des états, toute la pensée profonde à ce moment se stratifiait, se résolvait, devenait transparente et réduite.

Et il nous fallait maintenant une main qui devînt l’organe même du saisir. Et deux ou trois fois encore la masse entière et végétale tourna, et chaque fois, mon œil se replaçait sur une position plus précise. L’obscurité elle-même devenait profuse et sans objet. Le gel entier gagnait la clarté.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza

journal intime #153

wie iets van mijn Kathedraalwerk wil begrijpen, passeert best ’s bij de helaas recent overleden filosofisch grootheid Bernard Stiegler…

dit interview is denkelijk een goeie introductie, hier zie je hem nog zoals hij altijd was, bevlogen en gedreven door de urgentie van alles wat diende gedaan te worden, en wat hij ook deed, op onnavolgbaar volhardende wijze. Bernard Stiegler is, zo voel ik dat toch, met gemak de grootste MENS, de beste benadering van een heilige onder de recente zwaargewicht- filosofen, en daardoor ook misschien de meest tragische figuur. hij is daardoor misschien wel de beste antipode van het zwijn Badiou, maar overstijgt die nijdige boutade van mij moeiteloos door zijn flitsend analytisch vermogen dat de lijnen ziet waar ze gebeuren, en niet waar hij ze hebben wil.

https://www.youtube.com/watch?v=3ggF2jE5d8M




aansluitend daarbij, geef ik hier even het grote, brute, domweg-duale Stieglerschema, inclusief de Stieglerismen maar dan uitgebreid met mijn gignomenologsiche concepten:


ENTROPIE – KAPITAAL – KWANTIFICATIE –
CALCULE – ENTENDEMENT (REDE) – ZIJN

tegenover

NEGENTROPIE – CREATIVITEIT – KWALIFICATIE –
INVENTIE – INSTINCT (WAANZIN) – GEBEUREN



zo’n schema is gewoon verschrikkelijk handig, en we hebben er nou eenmaal twee, handen bedoel ik.

maar dit Stieglerveld wil ik dus ook graag wat aanvullen met het ROT waarin de negentropie pas ontstaat als en alleen als de entropie een o b s t a k e l ontmoet dat het niet domweg kan weg-eroderen en ‘slim’ moet worden om die tegenwerking te doorbreken (de aarde, Gaia, is blijkbaar zo’n obstakel, waarom, ik heb geen flauw idee…) en waarin dus de negentropie altijd medeplichtig is aan de entropie, in the long run, maar ja die ‘long’ dat is relatief gezien, astrologisch dus, belachelijk kort.

het is dan ook geen kwestie van de apocalyps te vermijden die is al heel de tijd bezig en die duurt langer dan een mensenbrein kan vatten. spreken van een apocalyps maakt meteen ook dezelfde Bijbelse fout om het einde der tijden gelijk te stellen met de tijden zoals wij ze kennen, met de humane tij, met het leven zoals wij het kennen (we hebben niet eens door dat het leven, ons leven een verrotting is in functie van de entropie, van het Zijn van God, zo je wil. soit, het gegeven is even onvermijdelijk als de aap van Darwin ).

de ondergang van de menselijke soort, dat is wat anders, die is ook bezig, maar die is altijd relatief, want de mens is, in onze contreien toch, het strafste en meest virale rot dat euh voorhanden is, een onkruid dat je niet zomaar wegwieden kan als het nergens toe dient want ja, daarom is het nou net onkruid…

en, wij zijn vooralsnog te duur om weg te gooien. maar maak geen misneming: we zitten wel degelijk al enige tijd in de afslagbak…

maar het wordt nog erger, somberder wanneer we het zwakke punt van Stiegler aanpakken, namelijk zijn onweerstaanbare want heilige neiging naar het Goede en van daaruit zijn al te emotionele reactie op Trump en de Transhumanistische doemscenario’s. hij wil die verjagen als Jezus de commerçanten uit de tempel

uiteraard zijn die SpaceX plannen nefast, en dienen we ze te veroordelen als de misdaden tegen het leven en tegen de mensheid dat ze zijn, maar: ze gebeuren wel.

en ze gebeuren omdat dat nou eenmaal ‘slimme entropie’ is, negentropisch gestuurde entropie, kapitaal geïnjecteerd nijdig neo-humanisme allemaal op de motor van het plezier-principe (Freud)

ze gebeuren zoals Facebook gebeurt, dat zou ook niet mogen…maar die andere sociopaat Zuckerberg is óók maar een symptoom, een ingevuld profiel van het onvermijdelijke.

ze gebeuren omdat ze niet anders kunnen dan gebeuren, wat wij daar zelf ook van vinden. immers, niets op deze planeet is zo lamentabel slecht in het controleren van de monsterlijke mensheid dan de mens zelf: alles wat wij ondernemen verergert ons toekomstperspectief, de oude Tao-wijsheid van het niet-handelen gaat ook dáár over.

het doet absoluut niks af aan de onschatbare waarde van zijn werk, maar dat is helaas altijd de naïviteit van Stiegler geweest, het rot van het marxistisch humanisme tussen zijn tanden, de oorzaak van zijn grote verslagenheid ook, terwijl hij verder nochtans zeer correct is in zijn analyse (bv.:”Trump is geen strategie, Trump is een symptoom”)

dat maakt ook dat hij de benodigde bifurcatie, de verhoopte sprong naar de redding enkel op het humane wil of kan zien gebeuren, en dat hij van daaruit bijna als een Malatesta gans zijn leven de mensen poogde aan te moedigen, het ‘spingere’ van Enrico

terwijl die fameuze humane creatieve sprongen eigenlijk feitelijk altijd op een hoger, een minder rot niveau gebeurden en gebeuren.
hij weet dat ergens wel want hij verwijst ook naar de biologie als het terrein dwars op het veld van de kapitaal corrupte wetenschap.

want die sprongen, die bifurcaties die gebeuren steeds weer in de razernij, de ‘waanzin’ van het animale en ook in de resignatie, de agape van het vegetale: het is het beest in ons dat de serviele autodestructie weigert en het is de bloem in ons die zich offert voor het voortbestaan van de soort.

want wat ons redden kan is niet post- of transhumaan, geen singulariteit, niet iets volstrekt nieuws, maar iets veel ouder dan ons, zuiverder nog;
want het bovenmenselijke, de Übermens van Nietzsche is een met entendement begiftigde 1helaas ook vergiftigde, van de pharmakon paradox geraken we nooit meer verlost plant.

Leaves of Grass, dat is letterlijk, de Ubermens… de plantaardige (rhizomatische) organisatie van het plantaardige leven met iets daarbij, namelijk de waanzinnige rede van de mens. en dat terwijl de steenkoude intelligente techniek de kosmos gaat omploegen om het humane verderf te zaaien

een recursie van het vegetale in de Geldruimte die wij, als onwetende slaven van de entropie hebben in- en aangericht…en die recursie komt er niet door ons, maar ondanks ons, omdat wij enkel de goede weg volgen als we niet anders meer kunnen, als we de plezante weg, de roetsjbaan naar de eigen hel, niet meer kunnen betalen…


aanvulling 18/08

een verdere correctie van de Stiegler-visie zou ik aanbrengen bij zijn visie op het grote proletarisatie-vraagstuk en op de ontwaarding van de kennis: ook dat is in mijn ogen maar een verderzetting van een continu proces dat zo oud is als de taal zelf: de Kritieken van Kant vormen in geen enkel opzicht een ‘betere’ of hogere vorm van begrip ten overstaan van de oude Indiaase kennisleer of soetra’s van het boeddhisme, het zijn adaptaties van een doorgegeven besef aan de toegenomen complexiteit in de humane samenleving, het verdere rot daarvan, het zijn verfijningen van het ‘begrip’, de reïficerende gifpijlen van het Zijn die op dat moment al bijna tweeduizend jaar oud waren; en wat er nu verloren gaat, de waarheid en de basis van alle algemeen geldende semiotiek is enkel een onvermijdelijk vervolg op het reeds ingezette rot. wat er verloren gaat is kennis die uitgewerkt is, een weten dat nutteloos, overbodig is geworden, net zoals elke godsdienst na 500 jaar uitgewerkt , ‘geen verf meer pakt’ en niet meer doet waarvoor zij bekend geworden was en gekoesterd als waardevol.
Stiegler geeft zelf ook aan dat je dat niet moet zien als iets dat bestreden moet worden, maar wat er wel dient te gebeuren is dat de alternatieven worden in gang gezet: hoe sneller dat gebeurt, hoe minder slachtoffers er vallen en hoe meer comfortabel de overgang zal zijn, hoe kleiner en minder wrang het gevoel van verlies zal zijn. meer dan het vergulden van de pil zit er m.i. nooit in, zolang we vasthouden aan onze ‘Ren’ (仁) , de humanistische zelfoverschatting…

erg daarbij is wat je ziet gebeuren bij de stijgende urgentie en de evidente weigering om in de richting van de afgang mee te denken in functie van het menselijke behoud van negentropie, de waardering van ons nest: wat we nu doen is met een hoogzwangere vrouw wiens weeën net zijn ingezet (de dag was al maanden uitgerekend) in zeven haasten een parcours uitstippelen langs de ergste kasseiwegeltjes naar het ziekenhuis: zo wreed dat alleen een mens het kan bedenken en het kan nog wel goed komen, het is onmogelijk in onze gedachten dat het onmogelijke niet zou gebeuren, maar we verkleinen alleen onze kansen op een goede afloop…

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Noten   [ + ]

1. helaas ook vergiftigde, van de pharmakon paradox geraken we nooit meer verlost
Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #152

ARTAUD – Navel van het Voorgeborgte

Daar waar anderen hun werken aanbieden wil ik niets anders dan mijn geest tonen.
Het leven is het verbranden van vragen.
Ik kan mij geen werk voorstellen dat los staat van het leven.
Ik houd niet van losstaande schepping. Ik kan mij ook de geest niet voorstellen al losstaand van zichzelf. Elk werk van mij, elk ontwerp van mijzelf, al die ijzige bloesems van mijn innerlijke ziel bezoedelen mij.
Ik vind mijzelf evenzeer terug in een brief die ik schreef om de intieme vernauwing van mijn zijn te verklaren en de zinloze kastijding van mijn leven, als in een essay dat buiten mij omgaat, en dat mij overkomt als een zwangerschap die zich niets aan mijn geest genegen laat.
Ik lijd er aan dat de Geest niet in het leven is en dat het leven niet de Geest is, ik lijd aan de Geest-als-orgaan, aan de Geest-als-vertaling, of aan de Geest-die-de-dingen-intimideert om ze in de Geest binnen te dwingen.

Dit boek hang ik op in het leven, ik wil dat het gebeten wordt door de dingen erbuiten, te beginnen met alle knipselbuitelingen, alle oogknipperingen van mijn toekomstige zelf.

Al deze bladzijden schuiven als brokken ijs door de geest. Neem mij de absolute vrijpostigheid niet kwalijk. Ik weiger enig onderscheid te maken tussen eender welke minuut van mijzelf, ik kan in de geest geen plan bespeuren.

Weg met de Geest net zo als weg met de literatuur. Ik zeg dat Geest en leven in elk opzicht met elkaar overeenstemmen. Ik wil een Boek maken dat de mensen stoort, dat als een open deur is en dat hen brengt naar een plek waar ze nooit uit zichzelf zouden heen gaan, een deur die gewoonweg uitgeeft op de werkelijkheid.
En dit is net zo min een voorwoord tot een boek, als dat de gedichten het zouden markeren of er de razernijen van het lijden van opsommen.
Dit is niets anders dan zo’n slecht verzwolgen blok ijs.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.49]
vert. NKdeE 2020 1ik heb bij het vertalen gebruik gemaakt van de bestaande vertaling door Hans van Pinxteren [PINXTEREN 1981] en DeepL vertaalsoftware] CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Là où d’autres proposent des œuvres je ne prétends pas autre chose que de montrer mon esprit.
La vie est de brûler des questions.
Je ne conçois pas d’œuvre comme détachée de la vie.
Je n’aime pas la création détachée. Je ne conçois pas non plus l’esprit comme détaché de lui-même. Chacune de mes œuvres, chacun des plans de moi-même, chacune des floraisons glacières de mon âme intérieure bave sur moi.
Je me retrouve autant dans une lettre écrite pour expliquer le rétrécissement intime de mon être et le châtrage insensé de ma vie, que dans un essai extérieur à moi-même, et qui m’apparaît comme une grossesse indifférente de mon esprit.
Je souffre que l’Esprit ne soit pas dans la vie et que la vie ne soit pas l’Esprit, je souffre de l’Esprit-organe, de l’Esprit-traduction, ou de l’Esprit-intimidation-des-choses pour les faire entrer dans l’Esprit.
Ce livre je le mets en suspension dans la vie, je veux qu’il soit mordu par les choses extérieures, et d’abord par tous les soubresauts en cisaille, toutes les cillations de mon moi à venir.
Toutes ces pages traînent comme des glaçons dans l’esprit. Qu’on excuse ma liberté absolue. Je me refuse à faire de différence entre aucune des minutes de moi-même. Je ne reconnais pas dans l’esprit de plan.
Il faut en finir avec l’Esprit comme avec la littérature. Je dis que l’Esprit et la vie communiquent à tous les degrés. Je voudrais faire un Livre qui dérange les hommes, qui soit comme une porte ouverte et qui les mène où ils n’auraient jamais consenti à aller, une porte simplement abouchée avec la réalité.
Et ceci n’est pas plus une préface à un livre, que les poèmes par exemple qui le jalonnent ou le dénombrement de toutes les rages du mal-être.
Ceci n’est qu’un glaçon aussi mal avalé.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Noten   [ + ]

1. ik heb bij het vertalen gebruik gemaakt van de bestaande vertaling door Hans van Pinxteren [PINXTEREN 1981] en DeepL vertaalsoftware]
Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #151

151 – toutes les étoiles de la folie – CHOSE

Het venster van de liefde (slot)

lees eerst het eerste stuk het tweede

Hij was groter dan alle anderen. En er was ook een klein mannetje en dat was ik.

– Maar merk op : u droomt niet, zei Gérard de Nerval tegen mij, en hier is trouwens kanunnik Lewis die er alles van weet: Lewis, zou je het tegendeel durven beweren?
– Neen, bij alle bebaarde geslachten.

Ze zijn dom, dacht ik, het is de moeite niet waard om als een groot auteur bekend te staan.

– Zie je, vertelde mij Gérard de Nerval, dit alles heeft een verband. Je maakt er salade van, je eet het in olie, je schilt het zonder aarzelen, die meid is mijn vrouw.

Hij kent zelfs niet het gewicht van de woorden, dacht ik.

De prijs, sorry, de prijs van de woorden, fluisterde mijn brein, dat het ook kende.
-Zwijg, brein van mij, beval ik het, jij bent nog niet gevensterd genoeg.

Hoffmann zegt me:
– LATEN WE TER ZAKE KOMEN.
En ik :
– Ik weet niet hoe ik met haar tot een gesprek kan komen, ik durf niet.
– Maar je hoeft niet eens te durven, antwoordde Lewis. Je komt er OVERDWARS toe.

– Overdwars, maar dwars waarop?” antwoordde ik. Want op dit moment is zij het die dwars door mij gaat.

Maar omdat ze je vertellen dat de liefde schuin is, dat het leven schuin is, dat de gedachte schuin is, en dat alles schuin is. JE KRIJGT HET ALS JE ER NIET AAN DENKT.
Luister eens., daar boven. Hoor je de samenzwering daar niet van de bruggen der weekheid, de bijeenkomst van een hoop onzegbare plasticiteit?

Ik kon mijn voorhoofd voelen knallen.

Uiteindelijk begreep ik dat het haar borsten waren, en ik begreep dat ze samenkwamen, en ik begreep dat al deze verzuchtingen uit de borst van mijn dienstmeisje werden uitgeademd. Ik begreep ook dat ze op de vloer boven mij lag om dichter bij mij te kunnen zijn.

De regen bleef vallen.
Er klonken liedjes in de straat van een vreselijke stupiditeit:

Wat is het goed bij haar te zijn
en vogelmuur te slikken (bis)
Want wij zijn vogels (m. mv.)
Want wij zijn vogels (v. mv.)
Wat is het goed bij haar te zijn
Van Columbella op 't balkon
Al haar okselwater in een kom
Is het moment niet waard
Dat zij aan het rillen gaat.

Stomme varkens, schreeuwde ik, terwijl ik opstond, jullie bezoedelen de geest van de liefde.

De straat was leeg. Alleen de maan ging door met haar watergefluister.

Wat is de beste snuisterij, wat is het mooiste juweel, wat is de meest pittige amandel?

Bij dat visioen glimlach ik. Zie je wel, het is niet de duivel, zegt ze mij.

Neen, het was de duivel niet, mijn kleine meid was in mijn armen.

– ’t is al zolang, al zolang, zegt ze mij, dat ik naar jou verlang.

En dat was de brug van de grote nacht. De maan kwam op in de lucht, Hoffmann ging naar beneden in zijn kelder, alle klanten gingen terug naar hun restaurant, er was alleen nog maar liefde: Héloise met de mantel, Abélard met de tiara, Cleopatra met haar aspic, alle tongen van de schaduw, alle sterren van de waan.

Het was liefde als de zee, als de zonde, als leven, als dood.

Liefde onder de bogen, liefde aan het zwembad, liefde in bed, liefde als klimop, liefde als springtij.
Liefde zo groot als de sprookjes, liefde als een schilderij, liefde als alles wat er is.
En dit alles in zo’n kleine vrouw, in zo’n mummiehart, in zo’n beperkt denken, maar het mijne dacht voor twee.

In de diepte van een peilloze dronkenschap wordt de duizelende schilder soms gegrepen door een plotse wanhoop. Maar de nacht was mooier dan wat dan ook. Alle studenten keerden terug naar hun kamers, de schilder naar zijn cipressen. Een licht van het einde der tijden viel geleidelijk aan over geheel mijn denken.

Al snel was er niets anders meer dan een enorme berg van ijs waaraan een bos blonde haren bengelden.

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.151 -156]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Il était plus grand que tout. Il y avait aussi un petit homme qui était moi.

— Mais notez bien que vous ne rêvez pas, me disait Gérard de Nerval, voici d’ailleurs le chanoine Lewis qui s’y connaît : Lewis, oseriez-vous soutenir le contraire ?

— Non, par tous les sexes barbus.

Ils sont stupides, pensai-je, ce n’est pas la peine d’être considérés comme de grands auteurs.

— Donc, me disait Gérard de Nerval, tout ceci, vois-tu, a un lien. Tu la mets en salade, tu la manges à l’huile, tu la décortiques sans hésiter, la boniche est ma femme.

Il ne connaît même pas le poids des mots, pensai-je.

— Pardon, le prix, le prix des mots, me souffla ma cervelle, qui, elle aussi, s’y connaissait.

— Tais-toi, ma cervelle, lui dis-je, tu n’es pas encore assez vitrifiée.

Hoffmann me dit :

— VENONS-EN AU FAIT.

Et moi :

— Je ne sais pas comment m’aboucher avec elle, je n’ose pas.

— Mais tu n’as même pas à oser, rétorqua Lewis. Tu l’obtiendras TRANSVERSALEMENT.

— Transversalement, mais à quoi ? répliquai-je. Car pour l’instant c’est elle qui me traverse.

Mais puisqu’on te dit que l’amour est oblique, que la vie est oblique, que la pensée est oblique, et que tout est oblique. TU L’AURAS QUAND TU N’Y PENSERAS PAS.

Écoute là-haut. N’entends-tu pas la collusion de ces ponts de mollesse, la rencontre de cet amas d’ineffable plasticité ?

Je sentais mon front éclater.

À la fin je compris qu’il s’agissait de ses seins, et je compris qu’ils se rejoignaient, et je compris que tous ces soupirs s’exhalaient du sein même de ma boniche. Je compris aussi qu’elle s’était couchée sur le plancher du dessus pour être plus près de moi.

La pluie continua à couler.

Il y eut dans la rue des chants d’une stupidité affreuse :

Chez ma belle qu’il fait bon
Avaler du mouron (bis)
Car nous sommes oiseaux
Car nous sommes oiselles
Chez ma belle qu’il fait bon
Colombelle à son balcon
Toute l’eau de ses aisselles
Ne vaut pas la mirabelle
De ses amoureux frissons.

Cochons stupides, hurlai-je, en me levant, vous salissez l’esprit même de l’amour.

La rue était vide. Il n’y avait que la lune qui continuait ses murmures d’eau.

Quelle est la meilleure breloque, quel est le bijou le plus beau, quelle est l’amande la plus fondante ?

À cette vision je souris. Ce n’est pas le diable, tu vois bien, me dit-elle !

Eh non, ce n’était pas le diable, ma petite boniche était dans mes bras.

— Depuis si longtemps, depuis si longtemps, me dit-elle, je te désirais.

Et ce fut le pont de la grande nuit. La lune remonta dans le ciel, Hoffmann se terra dans sa cave, tous les restaurateurs recouvrèrent leur place, il n’y eut plus que l’amour : Héloïse au manteau, Abélard à la tiare, Cléopâtre à l’aspic, toutes les langues de l’ombre, toutes les étoiles de la folie.

Ce fut l’amour comme une mer, comme le péché, comme la vie, comme la mort.

L’amour sous les arcades, l’amour au bassin, l’amour dans un lit, l’amour comme le lierre, l’amour comme un mascaret.

L’amour aussi grand que les contes, l’amour comme la peinture, l’amour comme tout ce qui est.

Et tout cela dans une aussi petite femme, dans un cœur si momifié, dans une pensée si restreinte, mais la mienne pensait pour deux.

Du fond d’une ivresse insondable, un peintre pris de vertige tout à coup se désespérait. Mais la nuit était plus belle que tout. Tous les étudiants regagnèrent leur chambre, le peintre recouvra ses cyprès. Une lumière de fin du monde remplit peu à peu ma pensée.

Il n’y eut bientôt plus qu’une immense montagne de glace sur laquelle une chevelure blonde pendait.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

Journal intime #150

Het venster van de liefde (2)

lees eerst het begin van deze tekst

Wij, op oudejaarsavond. Het onweer was aan het donderen, de bliksem deed het, de regen kwam op gang, de dromencocons blèrden, de kikkers kwaakten in alle vijvers, kortom, de nacht deed zijn werk.

Nu moest ik een manier vinden om in het reine te komen met de werkelijkheid… In het reine te komen met de duistere resonantie der dingen was onvoldoende, bijvoorbeeld om vulkanen te horen spreken, of om het voorwerp van mijn liefde te kleden met alle charmes van een geanticipeerd overspel, bijvoorbeeld, of met alle rotzooi, alle verschrikkingen, scatologieën, misdaden, misleidingen die verbonden zijn met het idee van de liefde; ik moest eenvoudigweg een manier vinden om haar direct te bereiken, dat wil zeggen om voor alles met haar te praten.

Plots ging het raam open. In een hoek van mijn kamer zag ik een enorm damesspel waarop de weerschijn van een veelheid aan onzichtbare lampen neerviel. Lichaamsloze hoofden maakten rondes, botsten tegen elkaar aan en vielen als pinnen. Er was een immens houten paard, een koningin onder de morfine, een toren van liefde, een eeuw die nog komen moest. De handen van Hoffmann’s duwde de pionnen voort, en elke pion zei: ZOEK HAAR DAAR NIET. En in de lucht zag je gevleugelde engelen met vernikkelde voeten. Dus ik hield op met uit het raam staren en te hopen mijn geliefde dienstmeid te zien…

Toen voelde ik voeten die de kristallen der planeten hadden verbrijzeld, precies in de kamer boven mij. Vurige zuchten doorboorden de vloer, en ik hoorde iets lieflijks verpletterd worden.

Op dat moment begonnen alle borden van de aarde te tuimelen en gingen de klanten van alle restaurants ter wereld op jacht naar Hoffmanns kleine dienstmeid; en we zagen de meid lopen als een verdomde vrouw, en toen passeerde Pierre Mac Orlan, de absurde laarzenventer met een kruiwagen langs de weg. Na hem kwam Hoffmann met een paraplu, toen Achim d’ Arnim, en Lewis overdwars. Ten slotte ging de aarde open en verscheen Gerard de Nerval.

Lees verder…

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.151 -156]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Or nous étions à la nuit de la Saint-Sylvestre. Le tonnerre tonnait, les éclairs marchaient, la pluie faisait son chemin, les cocons des rêves bêlaient, les grenouilles de tous les étangs coassaient, bref, la nuit faisait son métier.

Il me fallait maintenant trouver un moyen de m’aboucher avec la réalité… Ce n’était pas assez que d’être abouché avec la résonance obscure des choses, et d’entendre par exemple les volcans parler, et de revêtir l’objet de mes amours de tous les charmes d’un adultère anticipé par exemple, ou de toutes les horreurs, ordures, scatologies, crimes, tromperies qui s’attachent à l’idée de l’amour ; il me fallait trouver simple-ment le moyen de l’atteindre directement, c’est-à-dire, et avant tout, de lui parler.

Tout d’un coup la fenêtre s’ouvrit. Je vis dans un coin de ma chambre un immense jeu de dames sur lequel tombaient les reflets d’une multitude de lampes invisibles. Des têtes sans corps faisaient des rondes, se heurtaient, tombaient comme des quilles. Il y avait un immense cheval de bois, une reine en morphine, une tour d’amour, un siècle à venir. Les mains d’Hoffmann poussaient les pions, et chaque pion di-sait : NE LA CHERCHE PAS LÀ. Et dans le ciel on voyait des anges avec des ailes en pieds nickelés. Je cessai donc de re-garder à la fenêtre et d’espérer voir ma boniche chérie.

Alors je sentis des pieds qui finissaient d’écraser les cristaux des planètes, juste dans la chambre au-dessus. Des soupirs ardents perçaient le plancher, et j’entendis l’écrasement d’une chose suave.

À ce moment toutes les assiettes de la terre se mirent à dégringoler et les clients de tous les restaurants du monde partirent à la poursuite de la petite bonne d’Hoffmann ; et on vit la bonne qui courait comme une damnée, puis Pierre Mac Orlan, le ressemeleur de bottines absurdes, passa, poussant une brouette sur le chemin. À sa suite venait Hoffmann avec un parapluie, puis Achim d’Arnim, puis Lewis qui marchait transversalement. Enfin la terre s’ouvrit, et Gérard de Nerval apparut.

Categorieën
Kathedraalse Leer lyriek Proza Requichot Vertalingen - Bewerkingen

dagboek zonder dagen (20)

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

De opeenvolgende stadia van gevoeligheid zijn in de eerste plaats de experimentele emotionele schok, de zekere kennis van de schok die wordt

p. 120

gewijzigd door de aandacht, dan het ritme en de drift. Maar je moet ook wel zijn wat je bent op het moment dat je doormaakt. De zekere kennis kan al rijk zijn aan vele driften uit het verleden, en het delirium van driften kan sterk bloeien van een methode die dan sterft of ontluikt. Dit maakt het mogelijk om een cyclus voor te stellen waarin deze factoren elkaar voortdurend opvolgen. Elke behandelde cyclus roept het verloop van zijn gelijke op, terwijl degene die het uitvoert na elke cirkel telkens sterker is, zodat het verloop samen cirkelvormig en toenemend is, zodat de schok, de kennis, het ritme en de drift in elk stadium groeien, om te komen tot het catastrofale delirium waarvan met gelooft dat het finaal is, tot het laatste weten die men alomvattend acht, tot de laatste emotie waarvan men denkt dat het geluk is.

Maar het delirium dat men als definitief beschouwt heeft nog steeds de mogelijkheid van analyse, de laatste kennis een spoor van twijfel en het ultieme geluk een zorg die de eeuwige spiraal alleen maar kan verhogen. Hoe langer men zijn parcours verlengt en vervolgt, hoe sneller het verloop van de cirkels toeneemt in een kracht waarvan men niet kan zeggen of die middelpuntvliedend is of middelpuntzoekend is, maar die cirkelvormig, oneindig, toenemend en vol afwisseling is. Het geheel is het programma van ons lot en de leidmotieven waarvan het pad van de cirkels de constanten van onze werkelijkheid achter zich laat.

Degene die door de beweging wordt gedragen is de “ik” die wordt voorafgegaan door het intuïtieve zelf dat als een radar van het bewustzijn is. Dit paranormale binomiaal waar het onvrijwillige en het onbewuste directe (want de drift heeft zijn tirannie net zoals de wetten van de getallen hun mysterie hebben), voert het verloop van zijn eigen domein uit : de spiraal is zowel zijn weg, zijn aard als zijn leven.

Deze psychische binomiale is ook cirkelvormig, oneindig, groeiend en vol afwisseling, het is het centrum dat beweegt en groeit in zichzelf.
De aldus beschreven spiraal is misschien wel de basis van het universum, de essentie van het spirituele en de essentie van het subjectieve, het beeld van de eeuwigdurende beweging.

originele tekst [RÉQUICHOT 2002, p.120-121]

Les étapes successives de la sensibilité sont d’abord le choc émotif expérimental, la connaissance positive du choc qui se trouve modifié par
l’attention qu’on lui porte, puis le rythme et la dérive. Cependant il faut être ce que l’ on est à l’instant par lequel on passe. La connaissance posi­tive peut se produire déjà riche de bien des dérives passées, et le délire de la dérive s’épanouir fort d’une méthode mourante ou naissante. Ce qui permet d’envisager un cycle où ces facteurs se succèdent perpétuelle­ment. Chaque cycle parcouru appelle le parcours de son semblable, cependant que celui qui l’effectue est une fois plus fort après chaque cercle, que sa démarche est donc ensemble circulaire et croissante, que son choc, sa connaissance, son rythme et sa dérive à chaque étape gran­dissent, pour atteindre vers le catastrophique délire que l’on croit final, vers la dernière connaissance que l’on croit totale, vers la dernière émo­tion que l’on croit bonheur.

Mais le délire que l’on croit final possède encore la possibilité d’une analyse, la dernière connaissance une trace de doute et l’ultime bonheur une inquiétude qui pe11net d’agrandir encore la spirale perpétuelle. Plus on prolonge et poursuit son parcours, plus le parcours de ses cercles s’accroît en rapidité dans une force dont on ne saurait dire si elle est centrifuge ou · centripète mais qui est circulaire, infinie, croissante et mouvementée. Son ensemble est le programme de notre destin et les leitmotive dont le par- . cours des cercles est semé les constantes de notre réalité.

Celui qu’emporte le mouvement est le “Je” précédé du soi intuitif qui est comme un radar de conscience. Ce binôme psychique où l’involontaire et l’inconscient dirigent (car la dérive a sa tyrannie tout comme les lois des nombres ont leur mystère), effectue le parcours de son propre domaine la spirale est ensemble sa voie, sa nature et sa vie.

Ce binôme psychique est aussi circulaire, infini, croissant et mouvementé, il est le centre qui se meut et prend son essor en lui-même.
La spirale ainsi décrite constitue peut-être la base de l’univers, l’essence du spirituel et l’essence du subjectif, l’image du mouvement perpétuel.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #149

149 – un ciel d’amoureux suicide – ZAADPLANT

Het venster van de liefde (1)

Ik wou haar laten glinsteren met bloemen, met kleine vulkanen die aan de oksels haakten, en vooral die bittere amandellava die in het midden van haar gespannen lichaam zat.

Er was ook een wenkbrauwengalerij waar de hele hemel onderdoor ging, een ware lucht van verkrachting, van ontvoering, lava, storm, van woede, kortom, een absoluut theologische hemel. Een hemel als een gespannen boog, als de trompet van de afgrond, als een gifbeker gedronken in een droom, een hemel die in alle flesjes van de dood zit, de hemel van Héloise bovenop Abélard, een hemel van suïcidale geliefden, een hemel die alle razernij van de liefde had.

Het was een hemel van protesterende zonde, een zonde gevangen in de biechtstoel, het soort zonde dat het geweten van de priesters belast, een ware theologale zonde.

En ik hield van haar.

Ze was dienstmeisje in een taverne van Hoffmann, maar een sjofele, slecht gewassen, korzelige meid. Ze gaf de borden aan, maakte de bedden leeg, de kamers schoon, schudde de hemelbedden op en kleedde zich uit voor haar dakraam, zoals alle dienstmeisjes in alle verhalen van Hoffmann.

Ik sliep in een armzalig bed waarvan de matras zich elke nacht opstak, zich opkrulde tegen de opmars der ratten die de afvoer van slechte dromen verslonden, en die zich bij zonsopgang weer uitvlakte. Mijn lakens roken naar tabak en het lijkenhuis, en de heerlijke, misselijkmakende geur die onze lichamen bedekten wanneer we die poogden te ruiken. Kortom, het waren echt de lakens van verliefde studenten.

Ik blokte op een dikke, drammerige thesis over de aborteringen van de humane geest op de verduurde drempels van de ziel die een mensenbrein niet kan bereiken.

Maar het idee van de meid hield mij meer bezig dan alle spookbeelden van het buitenmatige nominalisme der dingen.

Ik kon haar zien aan de hemel, door de gebarsten ramen van mijn kamer, langs haar eigen wenkbrauwen, in de ogen van al mijn vroegere minnaressen en in het gele haar van mijn moeder.

Lees verder…

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.151 -156]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

LA VITRE D’AMOUR

Je la voulais miroitante de fleurs, avec de petits volcans accrochés aux aisselles, et spécialement cette lave en amande amère et qui était au centre de son corps dressé.

Il y avait aussi une arcade de sourcils sous lesquels tout le ciel passait, un vrai ciel de viol, de rapt, de lave, d’orage, de rage, bref, un ciel absolument théologal. Un ciel comme une arche dressée, comme la trompette des abîmes, comme de la ciguë bue en rêve, un ciel contenu dans toutes les fioles de la mort, le ciel d’Héloïse au-dessus d’Abélard, un ciel d’amoureux suicide, un ciel qui possédait toutes les rages de l’amour.

C’était un ciel de péché protestataire, un péché retenu au confessionnal, de ces péchés qui chargent la conscience des prêtres, un vrai péché théologal.

Et je l’aimais.

Elle était bonne, dans une taverne d’Hoffmann, mais une miteuse crapuleuse boniche, une boniche crapuleuse et mal lavée. Elle passait les plats, vidait les lieux, faisait les lits, balayait les chambres, secouait les ciels de lit et se déshabillait devant sa lucarne, comme toutes les bonnes de tous les contes d’Hoffmann.

Je couchais à l’époque dans un lit piteux dont le matelas se dressait toutes les nuits, se recroquevillait devant cette avance de rats que dégorgent les reflux des mauvais rêves, et qui s’aplanissait au soleil levant. Mes draps sentaient le tabac et la morgue, et cette odeur nauséeuse et délicieuse que revêtent nos corps quand nous nous appliquons à les sentir. Bref, c’étaient de vrais draps d’étudiants amoureux.

Je piochais une thèse épaisse, ânonnante, sur les avortements de l’esprit humain à ces seuils épuisés de l’âme jusqu’où l’esprit de l’homme n’atteint pas.

Mais l’idée de la boniche me travaillait beaucoup plus que tous les phantasmes du nominalisme excessif des choses.

Je la voyais à travers le ciel, à travers les vitres fendues de ma chambre, à travers ses propres sourcils, à travers les yeux de toutes mes anciennes maîtresses, et à travers les cheveux jaunes de ma mère.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #148

148 – la zébrure d’un éclair – BOEKJAAR

De Persoonlijke Automaat (slot)

begin bij  het eerste stuk van deze tekst

Dit schilderij is als een ruwe wereld, een naakte wereld, vol vezels en riemen, waar de irriterende kracht van een vuur het innerlijke firmament verscheurt, een verscheuren van de intelligentie, waar de expansie van de oorspronkelijke krachten, waar staten die niet kunnen worden genoemd in hun zuiverste, hun minst verdachte uitdrukking verschijnen van echte legeringen.

Het is het solferachtige leven van het bewustzijn dat aan het licht komt met zijn lichtpunten en sterren, zijn dichtheden, zijn firmament,

met de levendigheid van puur verlangen,
met zijn oproep tot een voortdurende dood nabij het herrijzenismembraan.

Het lichaam van de vrouw is daar, in een obscene vertoning ervan; in een beendergestel van hout. Onbeweeglijk en gesloten hout. Hout van een geïrriteerd verlangen dat zijn ergernis bevriest in een chirurgische en droge naaktheid. Eerst de billen, en dan naar achteren toe het grote en massieve achterwerk dat er is als het achterstel van een beest, waar het hoofd niet meer belang heeft nog dan een vezel. Het hoofd is er als het idee van een hoofd, als de uitdrukking van een verwaarloosbaar en vergeten element.

En rechts en onderaan, op de achtergrond, bij de voorraad, als het uiterste punt van het teken van het kruis.

Moet ik de rest van het schilderij beschrijven?

Het lijkt me dat louter het verschijnen van dit lichaam het situeert. Op dit secce vlak, plat op het oppervlak, is er alle diepte van een ideaal perspectief dat alleen in gedachten bestaat. Er is, als een gelaatstrek, het striemen van een schicht die tot in de aarde zelf is doorgetrokken, en kaarten walsen er omheen.

Boven, onder, de Profetes, de Heks, als een soort engel, een zachtaardige draak, met haar figuur verdraaid. Alle slakken van de geest eten van haar abstracte gezicht op en keren zich om als een gevlochten touw.

Een veelvoud aan harten, een veelvoud aan klaveren, evenveel tekens, evenveel oproepen.

Heb ik een jas, heb ik een jurk?

Op een kerkernacht ontplooit een donkerte vol inkt zijn slecht gecementeerde muren.

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.145 -150]
vert. NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Cette peinture comme un monde à vif, un monde nu, plein de filaments et de lanières, où la force irritante d’un feu lacère le firmament intérieur, le déchirement de l’intelligence, où l’expansion des forces originelles, où les états qu’on ne peut pas nommer apparaissent dans leur expression la plus pure, la moins suspecte d’alliages réels.

C’est la vie soufrée de la conscience qui remonte au jour avec ses lumignons et ses étoiles, ses tanières, son firmament,

avec la vivacité d’un pur désir,

avec son appel à une mort constante avoisinant la membrane de la résurrection.

Le corps de la femme est là, dans son étalage obscène ; dans son ossature de bois. Bois immuable et fermé. Bois d’un désir irrité et que son exaspération même congèle dans sa chirurgicale et sèche nudité. Les fesses d’abord, et vers l’arrière tout le grand et massif fessier qui est là comme l’arrière-train d’une bête, où la tête n’a plus que l’importance d’un fil. La tête est là comme une idée de tête, comme l’expression d’un élément négligeable et oublié.

Et à droite et en bas, dans les arrière-fonds, dans les réserves, comme la pointe extrême du signe de la croix.

Décrirais-je le reste de la toile ?

Il me semble que la simple apparition de ce corps le situe. Sur ce plan sec, à fleur de surface, il y a toute la profondeur d’une perspective idéale et qui n’existe que dans la pensée. On y retrouve, comme un linéament, la zébrure d’un éclair taillé à même la terre, et des cartes valsent autour de là.

En haut, en bas, la Pythonisse, la Sorcière, comme une sorte d’ange, de douce dragonne, avec sa figure contournée. Tous les colimaçons de l’esprit mangent sa face abstraite et se retournent comme une corde tressée.

En haut, en bas. En haut avec sa figure de momie creuse. En bas avec sa masse, sa taille massive et bien tracée. Elle est là comme une muraille de nuit compacte, attirant, déployant la flamme des cartes soufrées.

Une multitude de cœurs, une multitude de trèfles, comme autant de signes, comme autant d’appels.

Ai-je un manteau, ai-je une robe ?

Une nuit de basse-fosse, une obscurité pleine d’encre déploie ses murailles mal cimentées.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #147

De Persoonlijke Automaat (vervolg)

lees eerst het eerste stuk van deze tekst

Een fluisterwind beroert al deze verloren larven die de nacht in zijn glinsterbeelden zamelt. We voelen er een verbrijzeling van sluizen, een soort vreselijke vulkaanschok waaraan het daglicht is ontkoppeld. En uit deze schok, en uit deze verscheuring van twee principes, ontstaan alle krachtige beelden, in een stuwkracht die heviger is dan een vloedgolf.

Zit er zoveel in dit schilderij?

Dit heeft de kracht van een vaste droom, zo hard als de schelp van een insect en vol met poten die alle richtingen van de hemel uit draaien.

En als in reliëf op de stuiptrekking van het ondiepe, op die alliantie van het energetische licht met alle metalen van de nacht, als het ikoon zelve van de erotiek der duisternis, staat daar het volumineuze en obscene silhouet van de Persoonlijke Automaat.

Een hele hoop en een grote scheet.

Hij is opgehangen aan draden waarvan alleen de contacten klaar zijn, en het is de pulsatie van de atmosfeer die de rest van het lichaam bezielt. Hij oogst de nacht om hem heen als een weide, als een plantage van zwarte twijgen.

Hier is de tegenstelling het geheim, die is als de voortgang van een scalpel.
Die is opgehangen aan de draad van het scheermes, in het domein tegengesteld aan de zielen.

Maar laat ons het blad omdraaien.

Een verdieping hoger is er het hoofd. Met een groene explosie van mijngas, als een kolossale lucifer, die de lucht sabelt en scheurt op de plaats waar het hoofd niet is.

Ik vind mijzelf weer precies zoals ik mij zie in de spiegels van de wereld, als gelijkend op een huis of een tafel, omdat de gelijkenis altijd elders is.

Als we achter de muur konden komen, wat een verscheuring zouden we zien, wat een rotzooi van aderen. Een stapel lege kadavers.

En het geheel, verheven als een garnalenschotel.

Ziehier tot welk een lijnvoering al die geest ons heeft gebracht.

De foute bel gaat over, overigens, want met welk oog bekijk ik niet het geslacht, waarvan de appetijt mij niet ontvallen is.

Na zoveel afleidingen en mislukkingen, na al die uitgestalde lijken, na de waarschuwingen van de zwarte klavers, na de peilingen van de heksen, na die kreet uit de mond in de bodemloze val, na het mij bezeren aan de muren, na de wervelwind van sterren, het geklooi van wortels en haren, walg ik er nog niet genoeg van dat heel de ervaring mij afstoot.

De muur doorspekt van ervaring doet niets af aan mijn essentiële voorliefde.

Tegen de schreeuw van revoluties en stormen, bij deze verplettering van mijn brein, in deze afgrond van verlangens en vragen, ondanks al die problemen, die angsten, hou ik in de meest kostbare uithoek van mijn hoofd deze obsessie met het geslacht levend die mij versteent en mij het bloed eruit sleurt.

Mijn bloed mag van ijzer en glibberig zijn, vol van moerassen, ik mag met plagen geslagen worden

Moge mijn bloed ijzer en glibberig zijn, mijn bloed vol moerassen, moge ik geslagen worden met plagen, met ontberingen, gecontamineerd, bestormd door desintegratie en verschrikkingen, zolang het zachte armatuur van het ijzeren geslacht maar blijft bestaan. Ik bouw het op uit ijzer, ik vul het met honing, en het is altijd hetzelfde geslacht pal op de dorre heuveltop. Het is het geslacht waar de stortregens samenkomen, waar de dorst in wegzinkt.

Vol van woede, en zonder sereniteit of vergeving, worden mijn stortvloeden groter en groter en zij verzinken, en ik voeg er bedreigingen aan toe, en de verduringen van de sterren en het firmament.

Lees het slot
van deze tekst

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.145 -150]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Un vent murmurant agite toutes ces larves perdues et que la nuit ramasse en de miroitantes images. On y sent un broiement d’écluses, une sorte d’horrible choc volcanique où s’est dissociée la lumière du jour. Et de ce heurt, et de ce déchirement de deux principes naissent toutes les images en puissance, dans une poussée plus vive qu’une lame de fond.

Y a-t-il tant de choses dans cette toile ?

Il y a la force d’un rêve fixé, aussi dur qu’une carapace d’insecte et plein de pattes dardées dans tous les sens du ciel.

Et en relief sur cette convulsion des bas-fonds, sur cette alliance de la lumière énergique avec tous les métaux de la nuit, comme l’image même de cet érotisme des ténèbres, se dresse la volumineuse et obscène silhouette de l’Automate Personnel.

Un grand tas et un grand pet.

Il est suspendu à des fils dont seules les attaches sont prêtes, et c’est la pulsation de l’atmosphère qui anime le reste du corps. Il ramasse autour de lui la nuit comme un herbage, comme une plantation de rameaux noirs.

Ici l’opposition est secrète, elle est comme la suite d’un scalpel. Elle est suspendue au fil du rasoir, dans le domaine inverse des âmes.

Mais tournons la page.

Un étage plus haut est la tête. Et une verte explosion de grisou, comme d’une allumette colossale, sabre et déchire l’air à cette place où la tête n’est pas.

Je m’y retrouve tel exactement que je me vois dans les miroirs du monde, et d’une ressemblance de maison ou de table, puisque toute la ressemblance est ailleurs.

Si l’on pouvait passer derrière le mur, quel déchirement on verrait, quel massacre de veines. Un amoncellement de cadavres vidés.

Et le tout, haut comme un plat de crevettes.

Voilà à quel linéament a pu aboutir tant d’esprit.

Mauvais son de cloche d’ailleurs, car de quel œil enfin je considère le sexe, dont mon appétit n’est pas mort.

Après tant de déductions et d’échecs, après tous ces cadavres dépiautés, après les avertissements des trèfles noirs, après les étendards des sorcières, après ce cri d’une bouche dans la chute sans fond, après m’être heurté à des murailles, après ce tourbillon d’astres, cet emmêlement de racines et de cheveux, je ne suis pas assez dégoûté que toute cette expérience me sèvre.

La muraille à pic de l’expérience ne me détourne pas de mon essentielle délectation.

Au fond du cri des révolutions et des orages, au fond de ce broiement de ma cervelle, dans cet abîme de désirs et de questions, malgré tant de problèmes, tant de peurs, je conserve dans le coin le plus précieux de ma tête cette préoccupation du sexe qui me pétrifie et m’arrache le sang.

Que j’aie le sang en fer et glissant, le sang plein de marécages, que je sois giflé de pestes, de renoncements, contaminé, assailli de désagrégations et d’horreurs, pourvu que persiste la douce armature d’un sexe de fer. Je le bâtis en fer, je l’emplis de miel, et c’est toujours le même sexe au milieu de l’âcre vallonnement. C’est le sexe où convergent les torrents, où s’enfoncent les soifs.

Pleins de rages, et sans sérénité ni pardon, mes torrents se font de plus en plus volumineux et s’enfoncent, et j’ajoute en plus des menaces, et des duretés d’astres et de firmaments.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
Kathedraalse Leer lyriek Proza Requichot Vertalingen - Bewerkingen

dagboek zonder dagen (19)

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

Als bepaalde vondsten een bepaalde mate van ernst bereiken, is het goed dat ze in de duisternis worden gecultiveerd, dat ze hun pogingen in het occulte doen, dat ze zich verbergen voor de ogen van velen, zodat deze te overvloedige blikken hen niet als lachen bevuilen.

Wat zijn de basisvoorwaarden van het leven?

Stelling: bekijk een schilderij van heel kortbij en je ziet de
toekomstige schilderijen; bekijk het van veraf en je zult de oorsprong ervan zien.

De grens van de tijd is daar waar de snelheid hem opschort en stopt.

p.120

Het gaat er niet om een emotioneel moment te laten duren, maar om het te reproduceren, om het terug te vinden in een andere omstandigheid, in een gelijkaardig moment dat de eerste omstandigheid en het eerste moment samen reproduceert.

Een schilderij is een truc die meta-automatisch geschreven wordt. Hoe meer het schrift wordt gevormd, hoe langzamer het is; als het langzaam is, verliest het zijn automatisme, zijn mogelijkheid om gevoeligheid te manifesteren op het moment dat het wil spreken. Hoe sneller het is, hoe meer de truc verloren gaat en het schrijven onnauwkeurig wordt, vandaar de behoefte aan een beheersing van de “truc” die het snel schrijven en een samengaan van denken en schrijven mogelijk maakt.

De analyse van het schrift en de handelingen die het heeft voortgebracht, maakt het mogelijk om het te herleiden tot elementen die naar believen kunnen worden geïdentificeerd en gereproduceerd. Een synthetische blik maakt het mogelijk om af te leiden welke groepen die uit meerdere handelingen bestaan kunnen worden gereduceerd tot één enkele handeling. Die kennis door middel van analyse zal het mogelijk maken om de middelen voor een handeling meer naar believen in te zetten.

De “Truc” zelf is niets als hij geen kracht put uit de experimentele emotie die hem heeft voortgebracht en ontwikkelt. Het gaat er dus om de truc te doen die de experimentele emotie opwekt die hem heeft doen ontstaan en hem ontwikkelt. Het gaat er dus om de truc te doen die de experimentele emotie uitlokt of, omgekeerd, het experimentele emotionele moment te vinden dat de truc onthult. Deze laatste formule is bijzonder gevaarlijk en aantrekkelijk vanwege de auto-suggestieve effecten en omdat ze berust op een grens van gevoeligheid die neigt naar een algemene nivellering van alle waarden, terwijl ze ons tegelijkertijd in staat stelt de vinger op de hoogste waarden te leggen.

Het laat echter toe om, door middel van verrassingen die stoppen of verplaatsen, de meest acute momenten te fixeren en het zijn deze die we moeten produceren, zowel in onszelf als in anderen. De fout is om ze proberen te laten duren; het is veeleer noodzakelijk om ze opnieuw te vinden of om ze te op te roepen in een andere omstandigheid, in een moment van dezelfde aard die tegelijk de eerste omstandigheid en het eerste moment reproduceert en met de behoefte om de truc opnieuw te vinden.
Men moet ervoor zorgen dat dezelfde emoties in dezelfde trucs worden gereproduceerd: als ze elkaar dicht opeen opvolgen, wordt er een stap gezet in de ontdekking van het ritme.

originele tekst [RÉQUICHOT 2002, p.119-120]

Si certaines trouvailles atteignent un certain degré de gravité il est bon qu’elles se cultivent dans les ténèbres qu’elles fassent leurs tentatives dans l’occulte, qu’elles se cachent aux yeux de beaucoup, pour que ces regards trop abondants ne les souillent pas comme des rires.

Quelles sont les conditions élémentaires de la vie ?

Théorème : regardez un tableau de très près et vous y verrez les tableaux futurs ; regardez-le de très loin et vous y verrez son origine.

La limite du temps est celle où la vitesse l’arrête en suspens.

Il ne s agit pas de faire durer un instant émotif mais de le reproduire, de le retrouver dans une autre circonstance, dans un instant de même nature qui reproduit ensemble la première circonstance et le premier instant.

Un tableau est un truc méta-automatiquement écrit. Plus l’écriture est formée, plus elle est lente ; si elle est lente elle perd son automatisme, sa possibilité de manifester la sensibilité au moment où elle veut parler. Plus elle est rapide, plus le truc se perd et l’écriture devient imprécise, d’où la nécessité d’une maîtrise du “truc” permettant son écriture rapide et une marche de pair de la pensée et de l’écriture.

L’analyse de l’écriture et des actes qui l’ont produite permet de la réduire en éléments identifiables et reproductibles à volonté. Un regard de synthèse permet de déduire quelles sont les sommes faites de plusieurs actes et susceptibles d’être réduites en un seul. Sa connaissance par l’analyse permettra d’utiliser plus à volonté les ressources d’un acte.


Le “Truc” en soi n’est rien s’il ne puise pas un pouvoir dans l’émotion expérimentale qui l’a fait naître et le développe. L’important est donc de faire le truc qui provoque l’émotion expérimentale qui l’a fait naître et le développe. L’important est donc de faire le truc qui provoque l’émotion expérimentale ou, inversement, de trouver l’instant émotif expérimental qui révèle le truc. Cette dernière formule est particulièrement dangereuse et attrayante à cause de ses effets d’auto-suggestion et parce qu’elle s’appuie sur une frontière de la sensibilité qui tend à un nivellement général de toutes les valeurs, en même temps qu’elle permet de mettre le doigt sur les plus graves. Cependant elle permet par des surprises qui arrêtent ou transportent, de fixer les moments les plus aigus et ce sont eux qu’il faut produire, tant en nous que chez les autres. L’erreur est d’essayer de les faire durer ; il faut plutôt les retrouver ou les reprovoquer dans une autre circonstance, dans un instant de même nature qui reproduit ensemble la première circonstance et le premier instant et au besoin retrouver le truc.
Il faut veiller à la reproduction des mêmes émotions dans les mêmes trucs : si elles se succèdent de façon rapprochée un pas est fait dans la découverte du rythme.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #146

De Persoonlijke Automaat (1)

voor Jean de Bosschère

Hij zegt mij te zien met een grote obsessie voor het geslacht. Maar van een geslacht dat gespannen is en geblazen wordt als een object. Een voorwerp van metaal en kokende lava, vol met wortels, twijgen genomen door de lucht.

De opmerkelijke rust van een geslacht gevuld door zoveel roest. Al die ijzers die in elke zin lucht verzamelen.

En, bovenop een vurige opstoot, een dun, knoestig gras dat wortel schiet in deze schrale grond. En het groeit met de zwaartekracht van mieren, een mierenachtig gebladerte dat steeds dieper in de grond graaft. Het groeit en het graaft in dit gebladerte zo ondraaglijk zwart, en terwijl het graaft lijkt het alsof de grond wegtrekt, dat het ideale middelpunt van alles zich verzamelt rond een steeds dunner wordend punt.

Maar al dat beven in een lichaam met al zijn organen, de benen, de armen die spelen met hun automatisch ageren, en daaromheen de rotondes van het kruis dat het goed gefixeerde geslacht omringt. Naar deze organen waarvan de seksualiteit toeneemt, waarin de eeuwige seksualiteit het haalt, wordt een hele reeks pijlen van buitenaf op het schilderij gericht.Net als in de vertakkingen van mijn geest is er die barrière van een lichaam, van een geslacht dat er is, als een gescheurde bladzijde, als een ontwortelde brok vlees, als de opening van een klaarte, van bliksem op de gladde wanden van het firmament.

Maar elders is er dan deze vrouw van achteren gezien, een goede vertegenwoordiging van het conventionele silhouet van de heks.

Maar haar gewicht ligt buiten de conventies en formules. Zij ontplooit zich als een soort wilde vogel in de duisternis die ze om zich heen verzamelt, en waarvan ze een soort dikke vacht maakt.

Het rimpelen van de mantel is zo’n sterk teken dat de eenvoudige beroering ervan genoeg is om de heks en de nacht waarin ze zich ontvouwt, aan te duiden. De nacht toont zich in reliëf en in de diepte, en juist in het perspectief dat uitgaat van het oog, wordt een prachtig kaartspel verspreid dat als het ware boven het water zweeft. Het licht van de diepten klampt zich vast aan de hoek van de kaarten. En een abnormale overvloed aan klavers vlot er op als de vleugels van zwarte insecten.

De oppervlakten zijn niet vast genoeg om elk idee van vallen te beletten. Ze zijn als het eerste trapje van een ideale val, waarvan het schilderij zelf de bodem verborgen houdt.

Er is een draaikolk waarvan de draaiing nauwelijks aan de duisternis kan ontsnappen, een venijnige afdaling die in een soort nacht wordt opgenomen.

En als om deze draaikolk, deze ronddraaiende honger in zijn volle betekenis te laten gelden, is hier een mond die zich uitstrekt en zich opent, die zich lijkt te richten op het bereiken van de vier horizonten. Een mond als een levenszegel om de duisternis en de val aan te bevelen, om een stralend cachet te geven aan het vertigo dat alles naar beneden afvoert.

De opmars van de krioelende nacht met zijn gevolg van riolen. Dat is waar dit schilderij is geplaatst, op het punt van de uitstoot der afvoeren.

lees het vervolg …

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.145 -150]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

L’AUTOMATE PERSONNEL

à Jean de Bosschère.

Il dit me voir dans une grande préoccupation du sexe. Mais d’un sexe tendu et soufflé comme un objet. Un objet de métal et de lave bouillante, plein de radicelles, de rameaux que l’air prend.

L’étonnante tranquillité du sexe que tant de ferrailles remplissent. Tous ces fers qui ramassent l’air en tous sens.

Et au-dessus une ardente poussée, un herbage noueux et mince qui prend racine en cet âcre terreau. Et il pousse avec une gravité de fourmi, une frondaison de fourmilière qui creuse toujours plus avant dans le sol. Il pousse et il creuse ce feuillage si atrocement noir, et à mesure qu’il creuse on dirait que le sol s’éloigne, que le centre idéal de tout se ramasse autour d’un point de plus en plus mince.

Mais tout ce tremblement dans un corps étalé avec tous ses organes, les jambes, les bras jouant avec leur agencement d’automate, et à l’entour les rotondités de la croupe qui cerne le sexe bien fixé. Vers ces organes dont la sexualité s’accroît, sur lesquels la sexualité éternelle gagne, se dirige une volée de flèches lancées d’en dehors du tableau. Comme dans les ramages de mon esprit, il y a cette barrière d’un corps et d’un sexe qui est là, comme une page arrachée, comme un lambeau déraciné de chair, comme l’ouverture d’un éclair et de la foudre sur les parois lisses du firmament.

Mais ailleurs il y a cette femme vue de dos qui représente assez bien la silhouette conventionnelle de la sorcière.

Mais son poids est en dehors des conventions et des formules. Elle se déploie comme une sorte d’oiseau sauvage dans des ténèbres qu’elle ramasse autour d’elle, et dont elle se fait une sorte d’épais manteau.

L’ondoiement même du manteau est un signe si fort que sa simple palpitation suffit à signifier la sorcière et la nuit où elle se déploie. Cette nuit est en relief et en profondeur, et sur la perspective même qui part de l’œil, s’éparpille un merveilleux jeu de cartes qui est comme en suspension sur une eau. La lumière des profondeurs accroche le coin des cartes. Et des trèfles en profusion anormale flottent comme des ailes d’insectes noirs.

Les bas-fonds ne sont pas assez fixes qu’ils interdisent toute idée de chute. Ils sont comme le premier palier d’une chute idéale dont le tableau lui-même dissimule le fond.

Il y a un vertige dont le tournoiement a peine à se dégager des ténèbres, une descente vorace qui s’absorbe dans une sorte de nuit.

Et comme pour donner tout son sens à ce vertige, à cette faim tournante, voici qu’une bouche s’étend, et s’entr’ouvre, qui semble avoir pour but de rejoindre les quatre horizons. Une bouche comme un cachet de vie pour apostiller les ténèbres et la chute, donner une issue rayonnante au vertige qui draine tout vers le bas.

L’avancée de la nuit fourmillante avec son cortège d’égouts. Voilà à quel endroit cette peinture se place, au point d’effusion des égouts.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
Requichot

dagboek zonder dagen (17)

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

Nieuwe reacties ontdekken van het zenuwstelsel en het mentale systeem op de dingen, transformeren wat het gevoel waarneemt, het vermogen om te voelen transformeren, de mogelijkheden transformeren totdat de objecten om ons heen niet meer worden waargenomen zoals ze vroeger waren.
Het veranderen van wat ons omringt door het veranderen van de indruk die we ervan hebben, door het veranderen van de geest en de zintuigen die in staat zijn geworden tot een nieuw begrip van de dingen. Dan zal de zelfanalist, in psychische omstandigheden tot nu toe onaangeroerd, de geest ervaren die hij voor zichzelf en het universum heeft geschapen en die hij met dit oog zal aanschouwen.
Het zou een verandering van het universum zijn: en het universum is relatief gemakkelijk te veranderen.

Deze wijziging van de receptieve vermogens die voor het eerst in enkele mensen zichtbaar zijn, en die zich over generaties verspreiden naar een grotere groep, zou ons in staat kunnen stellen een wijziging van de perceptie van de soort te veronderstellen: een wijziging van het gevoelige systeem ervan, en als de schilderkunst al een zekere communicatieve kracht bezit, kunnen we daaruit afleiden dat vanaf nu de transformatie van de soort begint het kijken naar bepaalde schilderijen.

Wat we het meest liefhebben is ook wat ons het meest doet lijden: dat wat ons nog meer geluk oplevert en wat ons sterker roept dan het geluk, een hoop die de vreugde overstijgt. Voorbij het lijden, voorbij het geluk, begint de hoop. De veeleisende hoop die mettertijd spijt meebrengt die geen dingen meer betreurt als we ze vergelijken met alles wat de voorkeur heeft gekregen. Wie niet eens het geluk heeft opgeofferd, is niet naar de diepte van het lijden gegaan voor wat hij liefheeft, maar wie naar de diepte van het lijden is gegaan, is ook naar de diepte van de ellende en de vrijheid gegaan.

Geluk is nog steeds een gehechtheid aan de aarde.
Ga verder dan het geluk en verder dan de aarde.

originele tekst [RÉQUICHOT 2002, p.118-119]

Découvrir des réactions nouvelles du système nerveux et du système mental devant les choses, transformer ce que perçoit la sensibilité, transformer son aptitude à sentir, transformer ses possibilités jusqu’à ce que les objets qui nous entourent ne soient plus perçus comme ils l’étaient.
Modifier ce qui nous entoure par la modification de ‘impression que nous en avons, par la modification du mental et du sensible devenus aptes à un nouvel entendement des choses. Alors l’auto-analyste, dans des conditions psychiques jusqu’alors intouchées expérimentera le mental qu’il se sera créé et l’univers qu’il contemplera de cet oeil.
Il s’agirait d’une modification de l’univers : et l’univers est relativement facile à changer.

Cette modification de facultés réceptives saillantes d’abord chez quelques-uns, s’étendant au cours des générations à un groupe plus vaste pourrait permettre de présumer une modification des perceptions de l’espèce: une modification de son système sensible et si la peinture possède déjà un certain pouvoir de communication, nous pourrons déduire que regarder certains tableaux commence dès maintenant la transformation de l’espèce.

Cela qu’on aime le plus est aussi ce qui fait le plus souffrir, cela à quoi l’on sacrifie même le bonheur et qui nous appelle plus fort que ce bonheur qui est une espérance au-delà de la joie. Au-delà de la souffrance, au-delà du bonheur, commence l’espérance. Espérance qui exige et qui emporte avec le temps bien des regrets qui ne sont plus des regrets si on les compare à tout ce qui leur a été préféré. Celui qui n’a pas sacrifié même le bonheur n’est pas allé jusqu’au fond de la souffrance pour ce qu’il aime, mais celui qui est allé jusqu’un fond de la souffrance, est allé aussi au fond du dénuement et de la liberté.
Le bonheur est encore une attache à la terre.
Va-t-en par delà le bonheur et par delà la terre.

Afbeeldingsresultaat voor Réquichot Ecrit divers
Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #145

145 – la Ville aux murailles bardées – JENEVERBESSEN

Het aambeeld der krachten (2)

lees eerst het eerste stuk

Maar achter dit visioen van het absolute, achter dit systeem van planten, sterren, tot op het bot afgesneden terreinen, achter dit vurige vlokken van kiemen, deze onderzoeksgeometrie, dit wentelsysteem van pieken, achter dit ploegijzer dat in de geest is geplant en deze geest die zijn vezels afgeeft, haar sedimenten ontdekt, achter deze hand van de mens die uiteindelijk zijn harde duim afdrukt en zijn betasten tekent, achter deze mengeling van manipulatie en hersens, en deze putten in alle zintuigen van de ziel, deze grotten in de werkelijkheid,

staat de Stad met zijn getraliede muren, de immens hoge Stad, die net niet te veel van de hele hemel heeft om er een plafond van te maken waar planten in tegengestelde richting groeien en met de snelheid van de vergooide sterren.

Een stad van grotten en muren die boven de absolute afgrond haar volle bogen en kelders uitsteekt als bruggen.

In de holte van de bogen, in de boog van de bruggen wil je de holte van een bovenmatig grote schouder invoegen, een schouder waaruit het bloed wijkt. Om je lichaam te laten rusten, om je hoofd te plaatsen waar de dromen krioelen, op de boord van deze reusachtige kroonlijsten waarboven het firmament zich verheft.

Want een Bijbelse hemel is er met witte wolken overheen. Maar de zachte dreiging van die wolken. Maar de stormen. En die Sinaï waarvan ze de vlammen doorlaten. Maar de gedragen schaduw van de aarde, en het gedempte, kalkachtige licht. Maar die schaduw in de vorm van een geit eindelijk, en die bok! En de Sabbat der Constellaties.

Een schreeuw om het allemaal te vatten en een taal1 overal waar Artaud ‘langue’ schrijft dien je zowel ‘taal’ als ‘tong’ te lezen, denk ik, het is één betekenaar die altijd dubbel gebeurt, de splijtzwam van zijn Frans, zijn ‘moelle’ (mots d’elle, moedertaal in zijn mouwa -‘moi’), het vrouwelijke merg in zijn botten dat zwanger is van de haven, de zee en van de taaltijd die historisch voortschrijd doorheen de lichamen om mij aan op te hangen.

Al deze getijden beginnen bij mij.

Toon mij de insteek van de aarde, het scharnier van mijn geest, het vreselijke begin van mijn nagels. Een blok, een groot vals blok scheidt mij van mijn leugens. En dat blok is van eender welke kleur die men wil.

De wereld kwijlt daar als de zee op de rotsen, en ik met de getijden van de liefde.

Honden, zijn jullie klaar met het rollen van die kiezelstenen op mijn ziel? Ik. Ik. Draai de bladzijde om van het gruis. Ook ik hoop op het hemelse grind en het strand dat zonder randen is. Dit vuur moet met mij beginnen. Dat vuur en die tongen, en de grotten van mijn dracht. Moge de blokken ijs terugkomen en stranden onder mijn tanden. Ik heb een dikke schedel, maar mijn ziel is glad, mijn hart van gestrande materie. Ik heb geen meteoren, mij is afwezigheid van vlammende balgen. Ik zoek in mijn slokdarm naar namen, en als van de dingen de trillende wimper. De geur van het niets, een zweem van het absurde, de mest van geheel de dood… Het lichte en verdunde lichaamsvocht. Ik ook wacht gewoon op de wind. Of het nu liefde of ellende heet, het kan bij mij slechts aarden op een strand van botten.

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.141 -144]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Mais derrière cette vision d’absolu, ce système de plantes, d’étoiles, de terrains tranchés jusqu’à l’os, derrière cette ardente floculation de germes, cette géométrie de recherches, ce système giratoire de sommets, derrière ce soc planté dans l’esprit et cet esprit qui dégage ses fibres, découvre ses sédiments, derrière cette main d’homme enfin qui imprime son pouce dur et dessine ses tâtonnements, derrière ce mélange de manipulations et de cervelle, et ces puits dans tous les sens de l’âme, et ces cavernes dans la réalité,

se dresse la Ville aux murailles bardées, la Ville immensément haute, et qui n’a pas trop de tout le ciel pour lui faire un plafond où des plantes poussent en sens inverse et avec une vitesse d’astres jetés.

Cette ville de cavernes et de murs qui projette sur l’abîme absolu des arches pleines et des caves comme des ponts.

Que l’on voudrait dans le creux de ces arches, dans l’arcature de ces ponts insérer le creux d’une épaule démesurément grande, d’une épaule où diverge le sang. Et placer son corps en repos et sa tête où fourmillent les rêves, sur le rebord de ces corniches géantes où s’étage le firmament.

Car un ciel de Bible est dessus où courent des nuages blancs. Mais les menaces douces de ces nuages. Mais les orages. Et ce Sinaï dont ils laissent percer les flammèches. Mais l’ombre portée de la terre, et l’éclairage assourdi et crayeux. Mais cette ombre en forme de chèvre enfin et ce bouc ! Et le Sabbat des Constellations.

Un cri pour ramasser tout cela et une langue pour m’y pendre.

Tous ces reflux commencent à moi.

Montrez-moi l’insertion de la terre, la charnière de mon esprit, le commencement affreux de mes ongles. Un bloc, un immense bloc faux me sépare de mon mensonge. Et ce bloc est de la couleur qu’on voudra.

Le monde y bave comme la mer rocheuse, et moi avec les reflux de l’amour.

Chiens, avez-vous fini de rouler vos galets sur mon âme. Moi. Moi. Tournez la page des gravats. Moi aussi j’espère le gravier céleste et la plage qui n’a plus de bords. Il faut que ce feu commence à moi. Ce feu et ces langues, et les cavernes de ma gestation. Que les blocs de glace reviennent s’échouer sous mes dents. J’ai le crâne épais, mais l’âme lisse, un cœur de matière échouée. J’ai absence de météores, absence de soufflets enflammés. Je cherche dans mon gosier des noms, et comme le cil vibratile des choses. L’odeur du néant, un relent d’absurde, le fumier de la mort entière… L’humour léger et raréfié. Moi aussi je n’attends que le vent. Qu’il s’appelle amour ou misère, il ne pourra guère m’échouer que sur une plage d’ossements.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Noten   [ + ]

1. overal waar Artaud ‘langue’ schrijft dien je zowel ‘taal’ als ‘tong’ te lezen, denk ik, het is één betekenaar die altijd dubbel gebeurt, de splijtzwam van zijn Frans, zijn ‘moelle’ (mots d’elle, moedertaal in zijn mouwa -‘moi’), het vrouwelijke merg in zijn botten dat zwanger is van de haven, de zee en van de taaltijd die historisch voortschrijd doorheen de lichamen
Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #144

144 – le centre blancs des convulsions – STUDIEHOOFD

Het aambeeld der krachten (1)

De vloed, de walging, deze riemen, hier is het dat het Vuur begint. Het vuur der tongen. Het vuur in een weefsel tongdraaiingen, in de weerschijn van de aarde die zich opent als een buik in barensnood, met ingewanden van honing en suiker. Met al zijn obscene wonden gaapt deze zachte buik, maar het vuur giert er overheen met vurige draaitongen die op hun puntje zuchten als van dorst. Dit verwrongen vuur als wolken in helder water, met het licht ernaast dat een regel trekt en wimpers tekent. En de aarde aan alle kanten open gehaald toont dorre geheimen. Geheimen zoals oppervlakken. De aarde en haar zenuwen, en haar prehistorische eenzaamheid, de aarde in haar primitieve geologie, waar delen van de wereld worden blootgelegd in een schaduw zo zwart als steenkool. – De aarde is moeder onder het ijs van het vuur. Zie het vuur in de Drie Stralen, met de bekroning van zijn manen waarin de ogen wemelen. Myriaden van duizendpotige ogen. Het brandend verkrampte centrum van dit vuur is als het splijtpunt van de donder aan de kim van het firmament. Het witte midden van de stuiptrekkingen. De absolute schittering in de schermutseling van de kracht. Het ontstellende punt van de kracht die uitbreekt in geheel blauw tumult.

De Drie Stralen vormen een waaier waarvan de takken steil naar beneden vallen en convergeren naar hetzelfde centrum. Dit centrum is een melkachtige schijf bedekt met een eclipsenspiraal.

De schaduw van de eclips vormt een muur op het zigzaggen van het hemelse hoge metselwerk.

Maar boven de hemel is er het Dubbelpaard 1‘Double-Cheval’ – geen mogelijke bron gevonden, ik dacht ff aan een verkleedkostuum zoals in het cirkus. De evocatie van het Paard baadt in het licht van de kracht, tegen de fond van een versleten muur en tot op de draad gekneld. De draad van zijn dubbele schof. En in hem is de eerste van de twee veel vreemder dan de andere. Hij is het die de schittering verzamelt waarvan de tweede alleen de zware schaduw is.

Lager nog dan de schaduw van de muur maken het hoofd en de borst van het paard een schaduw, alsof al het water in de wereld de opening van een put oplicht.

De open waaier domineert een piramide van toppen, een groots concert van pieken . Het idee van een woestijn zweeft over die toppen, en daarop vlot een in verval geraakte ster, gruwelijk, onbegrijpelijk opgehangen. Opgeschort zoals het goede in de mens, of het kwaad in de handel van mens tot mens, of de dood in het leven. Wentelkracht der sterren.

Wordt vervolgd…

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.141 -144]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

L’ENCLUME DES FORCES

Ce flux, cette nausée, ces lanières, c’est dans ceci que commence le Feu. Le feu de langues. Le feu tissé en torsades de langues, dans le miroitement de la terre qui s’ouvre comme un ventre en gésine, aux entrailles de miel et de sucre. De toute sa blessure obscène il bâille ce ventre mou, mais le feu bâille par-dessus en langues tordues et ardentes qui portent à leur pointe des soupiraux comme de la soif. Ce feu tordu comme des nuages dans l’eau limpide, avec à côté la lumière qui trace une règle et des cils. Et la terre de toutes parts entr’ouverte et montrant d’arides secrets. Des secrets comme des surfaces. La terre et ses nerfs, et ses préhistoriques solitudes, la terre aux géologies primitives, où se découvrent des pans du monde dans une ombre noire comme le charbon. – La terre est mère sous la glace du feu. Voyez le feu dans les Trois Rayons, avec le couronnement de sa crinière où grouillent des yeux. Myriades de myriapodes d’yeux. Le centre ardent et convulsé de ce feu est comme la pointe écartelée du tonnerre à la cime du firmament. Le centre blanc des convulsions. Un absolu d’éclat dans l’échauffourée de la force. La pointe épouvantable de la force qui se brise dans un tintamarre tout bleu.

Les Trois Rayons font un éventail dont les branches tombent à pic et convergent vers le même centre. Ce centre est un disque laiteux recouvert d’une spirale d’éclipses.

L’ombre de l’éclipse fait un mur sur les zigzags de la haute maçonnerie céleste.

Mais au-dessus du ciel est le Double-Cheval. L’évocation du Cheval trempe dans la lumière de la force, sur un fond de mur élimé et pressé jusqu’à la corde. La corde de son double poitrail. Et en lui le premier des deux est beaucoup plus étrange que l’autre. C’est lui qui ramasse l’éclat dont le deuxième n’est que l’ombre lourde.

Plus bas encore que l’ombre du mur, la tête et le poitrail du cheval font une ombre, comme si toute l’eau du monde élevait l’orifice d’un puits.

L’éventail ouvert domine une pyramide de cimes, un immense concert de sommets. Une idée de désert plane sur ces sommets au-dessus desquels un astre échevelé flotte, horriblement, inexplicablement suspendu. Suspendu comme le bien dans l’homme, ou le mal dans le commerce d’homme à homme, ou la mort dans la vie. Force giratoire des astres.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Noten   [ + ]

1. ‘Double-Cheval’ – geen mogelijke bron gevonden, ik dacht ff aan een verkleedkostuum zoals in het cirkus
Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #143

143 – l’étage élevé d’un secret – HOOFDSTUDIE

het haar van Uccello (2)

lees eerst het eerste deeltje

Toen je twee vrienden van je en jezelf op een goed bereid doek schilderde, liet jij een schaduw op het doek vallen als van een vreemd katoen, waarin ik jouw spijt en jouw verdriet, Paolo Uccello, kan onderscheiden, slecht belicht. Rimpels, Paolo Uccello, dat zijn veters, maar de haren zijn tongen. In een van je schilderijen, Paolo Uccello, zag ik het licht van een tong in de fosforische schaduw van de tanden. Het is via de tong dat je aansluiting vindt bij de levende uitdrukking in levenloze doeken. En het is daar doorheen dat ik leef, Uccello helemaal opgezwollen in je baard, die je mij van tevoren begrijpelijk had gemaakt en gedefinieerd. Gezegend ben jij, jij die de rotsige, aardse voorliefde voor het diepzinnige had. Je leefde in dat idee als in een bezield gif. En in de kringen van dat idee draai je eeuwig om en ik achtervolg je op de tast met als leidraad het licht van die tong die me vanuit de diepte van een wonderbaarlijke mond roept. De aardse, rotsige voorliefde voor diepzinnigheid: mij ontbreekt het in elke hoedanigheid aan aarde. Voorzag je echt dat ik met open mond in deze lage wereld zou neerstrijken en met een eeuwig verbaasde geest. Voorzag jij al deze kreten in alle betekenissen van de wereld en van de taal, als een radeloos afgewikkelde draad. Het grote geduld van de rimpels is wat je heeft gered van een vroegtijdige dood. Want ik weet dat je geboren bent met een geest die even hol is als de mijne, maar je kon die op minder dan het spoor en de geboorte van een wimper fixeren. Op de breedte van een haar eraf balanceer je bij een afschrikwekkende afgrond en toch blijf je er voor altijd van verwijderd.

Maar ik zegen ook, Uccello, jongentje, vogeltje, afgescheurd lichtje, ik zegen jouw stilte die zo goed is geaard. Afgezien van die lijnen die je als berichtengebladerte van je hoofd afduwt, blijft er van jou enkel de stilte en het geheim van je gesloten kleed. Twee of drie tekens in de lucht, welke man beweert er meer te leven te hebben dan deze drie tekens, en aan wie zou men tijdens de lange uren dat ze duren meer durven vragen dan de stilte die eraan voorafgaat of die er op volgt. Ik voel hoe elke steen van de wereld en de fosfor van de uitgestrektheid die mijn passage teweegbrengt, een weg doorheen mij vindt. Dat vormt de woorden met een zwarte lettergreep in de weigrond van mijn hersenen. Jij, Uccello, leert om niet meer dan een lijn te zijn, en het hogere verdiep van een geheim.

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.138 -140]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Quand tu peignais tes deux amis et toi-même dans une toile bien appliquée, tu laissas sur la toile comme l’ombre d’un étrange coton, en quoi je discerne tes regrets et ta peine, Paolo Uccello, mal illuminé. Les rides, Paolo Uccello, sont des lacets, mais les cheveux sont des langues. Dans un de tes tableaux, Paolo Uccello, j’ai vu la lumière d’une langue dans l’ombre phosphoreuse des dents. C’est par la langue que tu rejoins l’expression vivante dans les toiles inanimées. Et c’est par là que je vis, Uccello tout emmaillotté dans ta barbe, que tu m’avais à l’avance compris et défini. Bienheureux sois-tu, toi qui as eu la préoccupation rocheuse et terrienne de la profondeur. Tu vécus dans cette idée comme dans un poison animé. Et dans les cercles de cette idée tu tournes éternellement et je te pourchasse à tâtons avec comme fil la lumière de cette langue qui m’appelle du fond d’une bouche miraculée. La préoccupation terrienne et rocheuse de la profondeur, moi qui manque de terre à tous les degrés. Présumas-tu vraiment ma descente dans ce bas monde avec la bouche ouverte et l’esprit perpétuellement étonné. Présumas-tu ces cris dans tous les sens du monde et de la langue, comme d’un fil éperdument dévidé. La longue patience des rides est ce qui te sauva d’une mort prématurée. Car, je le sais, tu étais né avec l’esprit aussi creux que moi-même, mais cet esprit, tu pus le fixer sur moins de chose encore que la trace et la naissance d’un cil. Avec la distance d’un poil, tu te balances sur un abîme redoutable et dont tu es cependant à jamais séparé.

Mais je bénis aussi, Uccello, petit garçon, petit oiseau, petite lumière déchirée, je bénis ton silence si bien planté. À part ces lignes que tu pousses de la tête comme une frondaison de messages, il ne reste de toi que le silence et le secret de ta robe fermée. Deux ou trois signes dans l’air, quel est l’homme qui prétend vivre plus que ces trois signes, et auquel, le long des heures qui le couvrent, songerait-on à demander plus que le silence qui les précède ou qui les suit. Je sens toutes les pierres du monde et le phosphore de l’étendue que mon passage entraîne, faire leur chemin à travers moi. Ils forment les mots d’une syllabe noire dans les pacages de mon cerveau. Toi, Uccello, tu apprends à n’être qu’une ligne et l’étage élevé d’un secret.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
gedicht van de dag liefdeskunst lovecraft lyriek Vertalingen - Bewerkingen

de roep van Cthulhu

Volgens het logbestand connecteert het om 18:04:28 C.E.T.
met het Ding.

1.

November 2020. Zwarte lucht boeit,
het duister rendeert. De stromen lopen,
de bevelen donderen. Het geeft geen krimp.
De tijd vreet de tijd als de staart
door de mond ervan naar binnen glijdt.

Het lichaam trilt. Het fulmineert.
Het strijkt de wolken bij hun voornaam aan en zie:
de wolken storten het hun volle zin. Het regent.
Hoge vogels vallen met hun zingen in
en zetten hun veren te waaien
en verblindend hun kleuren bij.

Het nieuwe denken klinkt al heel voornaam.
In muisstille huizen de buren knikken ‘dag’ en ‘toen’
en ‘aangenaam’. De kamers happen naar lucht
die het dapper met de handgebaren maakt,
maar geuren snel al weer
naar de hun voorgeschreven toekomst
van verdriet, afgunst en haat. Het helpt,
maar niets helpt echt.

Het schrijft haar af, zij roept het weder op,
maar kijk: haar lichaam is te zacht, het breekt
haar stem er beter af. Zij bloedt dan leeg
in schittering, gouden klankenglans die zich uit
de inlegoortjes stort zoals een rol satijn
in een openstaande kist.

Het davert gaarne met de aarde mee: “het licht”,
brult het dan, “het licht valt dadelijk de wereld in!”.

Het grind knarsetandt wanneer het in
het graf binnendringt. De chrysanten
roeien hun geuren naar de overzijde.

2.

Januari 2031. Weelde.

De wind roert het om
en schepen doorklieven het :
het is een deinen op zee.

De maan is de mond. Het
druipt van verre sterren
in de mondhoeken
in de vuurrode kom
en het sist als het zinkt.

Donker klokt het waar
het in de aarde slonk,
klinkt.

invoer (2016) – uitvoer van LIEFDESKUNST 1.0
verwerking 2009-2016 van ‘The Call of Cthulu’ van H.P. Lovecraft

over liefdeskunst 1.0

liefdeskunst 1.0 produceert een verzameling transmutaties van teksten van H.P. Lovecraft.
het algoritme is vrij minimaal, het heeft wat van een cadavre exquis met je eigen geheugen:

- lees, bij voorkeur bij ontwaken, 
een tekst van Lovecraft

- schrijf (begin) zo snel mogelijk na de lezing 
een narratief gedicht of verhalend proza
 op basis van elementen uit de tekst 
(je mag een digitale versie van de tekst
 gebruiken om te 'plunderen' )

- herwerk na minimaal 1 jaar 
de geschreven teksten 
zonder de teksten van Lovecraft 
te herlezen (onder geen beding 
mag je een tekst van Lovecraft 
die je reeds gebruikte als invoer
 ooit nog herlezen (dedju).

- schrijf tijdens het herwerken 
van de oude uitvoer (bv. in het 
Gedicht van de Dag programma)
 enkele nieuwe teksten 

- formaliseer, test en verfijn het algoritme
 tijdens het schrijven (deze regel geldt
in elk NKdeE-programma)

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #142

142 – le ramage d’une mer de cheveux – BOOMSTAM

het haar van Ucello (1)

voor Génica

Uccello, mijn vriend, mijn fantasme, je hebt deze mythe van het haar geleefd. De schaduw van die grote maanhand als je de fantasmen van je brein afdrukt, zal nooit de vegetatie aan je oor bereiken, die draait en naar links krioelt met al je hartswinden. Links de haren, Uccello, links de dromen, links de nagels, links het hart. Het is links dat alle schaduwen zich openen, vanuit de hoofdbeuken, zoals de lichaamsopeningen. Met je hoofd op deze tafel waar de hele mensheid kapseist, wat zie je anders dan de immense schaduw van een haar. Een haar als twee bossen, als drie vingernagels, als een weide van wimpers, als een gritsel in het gras van de hemel. De wereld gewurgd, en opgehangen, en eeuwig wankelend op de vlakte van deze platte tafel waar je je zware hoofd buigt. En bij jou, als je de gezichten ondervraagt, wat zie je anders dan een circulatie van twijgen, een rooster van adertjes, het kleine spoor van een rimpel, de tuil van een zee haren. Alles draait, alles trilt en wat is het oog nog ontdaan van zijn wimpers. Was, was de wimpers, Uccello, was de lijnen, was het trillende spoor van haren en rimpels op de gezichten die aan de doden hangen en die naar je kijken als eieren, en in je monsterlijke handpalm vol maanlicht als een licht van gal, hier is nog steeds het gestrenge spoor van je haren die tevoorschijn komen met hun fijne lijntjes zoals de dromen in je drenkelingenbrein. Van het ene haartje naar het andere, hoeveel geheimen en hoeveel oppervlakken. Maar twee haren het ene naast het andere, Uccello. De ideale lijn van hardnekkige fijne haren, twee keer herhaald. Er zijn rimpels die om de gezichten heen gaan en zich uitstrekken tot in de nek, maar onder het haar zijn er óók rimpels, Uccello. En je kan ook helemaal om dit ei heen gaan dat iets tussen steen en ster in is, en dat als enige de dubbele animatie der ogen heeft.

lees verder: deel 2

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.138 -140]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

UCCELLO LE POIL

pour Génica.

Uccello, mon ami, ma chimère, tu vécus avec ce mythe de poils. L’ombre de cette grande main lunaire où tu imprimes les chimères de ton cerveau, n’arrivera jamais jusqu’à la végétation de ton oreille, qui tourne et fourmille à gauche avec tous les vents de ton cœur. À gauche les poils, Uccello, à gauche les rêves, à gauche les ongles, à gauche le cœur. C’est à gauche que toutes les ombres s’ouvrent, des nefs, comme d’orifices humains. La tête couchée sur cette table où l’humanité tout entière chavire, que vois-tu autre chose que l’ombre immense d’un poil. D’un poil comme deux forêts, comme trois ongles, comme un herbage de cils, comme d’un râteau dans les herbes du ciel. Étranglé le monde, et suspendu, et éternellement vacillant sur les plaines de cette table plate où tu inclines ta tête lourde. Et auprès de toi quand tu interroges des faces, que vois-tu, qu’une circulation de rameaux, un treillage de veines, la trace minuscule d’une ride, le ramage d’une mer de cheveux. Tout est tournant, tout est vibratile, et que vaut l’œil dépouillé de ses cils. Lave, lave les cils, Uccello, lave les lignes, lave la trace tremblante des poils et des rides sur ces visages pendus de morts qui te regardent comme des œufs, et dans ta paume monstrueuse et pleine de lune comme d’un éclairage de fiel, voici encore la trace auguste de tes poils qui émergent avec leurs lignes fines comme les rêves dans ton cerveau de noyé. D’un poil à un autre, combien de secrets et combien de surfaces. Mais deux poils l’un à côté de l’autre, Uccello. La ligne idéale des poils intraduisiblement fine et deux fois répétée. Il y a des rides qui font le tour des faces et se prolongent jusque dans le cou, mais sous les cheveux aussi il y a des rides, Uccello. Aussi tu peux faire tout le tour de cet œuf qui pend entre les pierres et les astres, et qui seul possède l’animation double des yeux.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
gedicht van de dag liefdeskunst lovecraft lyriek

de kleur van het Buiten

transmutatie van ‘The Colour Out of Space‘ van H. P. Lovecraft

1.
ik schrijf dit neer in de hoop
dat niemand het ooit zal lezen.

de dood is geen ding. solfer knettert
waar haar tong zich in de bodem krult.
zij dringt overal door, de wolken, de vogels
het zit in hun vleugelslag. angst weerhoudt
ons, maar haar dodelijke ritme is al snel
de polsslag van de tijd geworden. de
fase dicteert de berekening, de berekening
versterkt de fase. keer op keer zien we
beter wat we niet willen zien, hoe het
vermoeden waarvan we al wisten dat het
geen vermoeden was, klopt. dat het gebeurt.

zij is waarlijk onze god. alle hoop is vergeefs.

ik opende haar weefsel bij volle maan.
haar lijf verettert met de letters van ons lot.
‘dit goddelijke wijf moet bloeden’, riep ik,
met de taal toen nog intact, ‘of het leven
strandt in pijn en stinkend rot.’
dat soort onzin.

de heren hinnikten en propten voldaan
de vleugels van het paard in hun kot.
in het duister daarboven stak zij
ongehinderd door van tra naar tra.

de geluiden daarbij van het slijm dat
zuigt aan het slijm, de walging, het
kolkt in mijn brein als levend venijn.

wachten op iets nieuws elke komende dag
maar heel de toekomst is herinnering.

ach jij. lees dit toch niet, verdoemde.

2.

zij nestelt in de knol, oude watergruwel
groeit er uit heur loden haar. wie haar ziet,
ziet koprot, klauwrot, hartrot en builenpest.
wie haar kent, is nog het best af dood.

wat bij dwazen toeval heet, heeft toch
een strak verband: de grijze barst
in het duister trekt het grijs verder
in het duister en alles wat wij zien
zinkt in een Niets van eendere tint.

wij hebben prijs. de scheur in de huid
van het echte was nooit een fout: het
gebrek verbindt de bloei met terreur.

de wereld is onaf en van haar, het ene,
een weelderig slingerend lint in de leegte.

zij is het mooist waar angst, verderf
en de walg om het ware gevaarte begint.

in de ijzige stilte van mijn doodse
kamers schuurt een laatste engel
zich langs de wanden: het haar is
gouden en krult langs de okerhuid
tot waar het in de schouderkuiltjes
schoonheid in frivole spanning houdt.

het snikt en neuzelt ‘liefde’ voor het
zich de beperkende pennen uitrukt
en een afzichtelijk krioelen van bloed,
slijm en rot mij in sisklanken smeekt
om de gunst van het dodende gas.

ik heb dat niet, lach ik het uit : ik
ben niet langer zij, het kreng dat ik was.

invoer (2016) – uitvoer van LIEFDESKUNST 1.0

over liefdeskunst 1.0

liefdeskunst 1.0 produceert een verzameling transmutaties van teksten van H.P. Lovecraft.
het algoritme is vrij minimaal, het heeft wat van een cadavre exquis met je eigen geheugen:

- lees, bij voorkeur bij ontwaken, 
een tekst van Lovecraft

- schrijf (begin) zo snel mogelijk na de lezing 
een narratief gedicht of verhalend proza
 op basis van elementen uit de tekst 
(je mag een digitale versie van de tekst
 gebruiken om te 'plunderen' )

- herwerk na minimaal 1 jaar 
de geschreven teksten 
zonder de teksten van Lovecraft 
te herlezen (onder geen beding 
mag je een tekst van Lovecraft 
die je reeds gebruikte als invoer
 ooit nog herlezen (dedju).

- schrijf tijdens het herwerken 
van de oude uitvoer (bv. in het 
Gedicht van de Dag programma)
 enkele nieuwe teksten 

- formaliseer, test en verfijn het algoritme
 tijdens het schrijven (deze regel geldt
in elk NKdeE-programma)

Categorieën
liefdeskunst lovecraft Vertalingen - Bewerkingen

het interview met Bill Phakeley (2)

lees eerst deel 1, best …



…je kan het je niet voorstellen, mevrouw Lundy, …”
– “Susan, ik heet Susan”. Ik had genoeg van dat gemevrouw.
– “Nou goed, Susan dan – je bent wel heftig è”. Er flitste een bliksem in een van die zwarte tunnels van ‘m. Ik lachte en sloeg de ogen neer. Hij hàd me, het Warholspook.

“Je kan het je niet voorstellen, Susan Lundy, elke dag kwam Harold aanzetten met een nieuw boek, een foto, een artikel, een nieuw stukje van de puzzel over het Eeuwige Rot, de nakende Ekpurosis, de Finale Oplossing en onze rol in de redding van de Ziel daarin. Het was een speelse ontdekkingsreis doorheen heel de spirituele geschiedenis van de mensheid en geloof mij er was niemand in gans Georgia, misschien niet in gans de States die toen zoveel kennis had van die zaken als Harold P. Blount van Anniston, Alabama, want daar kwam hij vandaan, mijn geleerde duivel.

Het was een heerlijke tijd, de angst om ontdekt te worden was er wel, constant, maar de hele wereld ging voor ons open en we lazen en stoeiden tussen de boeken in ons geheim paradijsje, de bouwvallige Phakeley villa van wijlen mijn ouders waar Harold elke avond binnensloop na zijn werk in de bibliotheek, een vrije liefdesoase te midden de broeierige haat van de witte man in het Zuiden. Ik was een Phakeley, mij zou men nooit raken, maar ze zouden Harold kruisigen, stenigen, de onverdraagzame horde pummels.

Maar op een dag sloeg het gans om. Het was mei 1989, denk ik, in China hielden studenten de tanks tegen op Tienanmen. Harold had van Arjuna, een bevriende Iraanse archeoloog een kopie toegestuurd gekregen van een manuscript in Farsi met frottages van het spijkerschrift op kleitabletten die in 1916 ontdekt waren maar tijdens de Tweede Wereldoorlog spoorloos verdwenen waren. De Farsi tekst beweerde dat er een geheel andere versie te lezen stond op die tabletten van het bekende verhaal van de afdaling van Isjtar in Kur, de onderwereld. Harold stortte zich als een bezetene op het ontcijferen van de 3000 jaar oude Sumerische tekens.

Hij werd uiterst zwijgzaam. Zijn gewone flamboyante vrolijkheid verdween, en ik voelde dat hij dingen verzweeg voor mij. Hij bleef dagen weg ook, ik werd wanhopig, vroeg smekend of ik wat verkeerd gedaan had, hij luisterde nauwelijks naar mijn gejammer. Hij begon meer en meer te drinken ook, alsof hij iets wou vergeten. Het boek met de kopies verborg hij voor mij en als ik wou beginnen over de Ziel en het Rot zei hij bits dat ik maar gewoon moest doen, de wereld was al moeilijk genoeg voor mensen van ons slag. Maar uiteindelijk moet de bom dan toch gebarsten zijn want…

… kijk.. het zit zo… vanaf hier worden mijn herinneringen vaag. De tijd, de gebeurtenissen lopen door elkaar. De dokters noemen het dissociatieve amnesie, maar het is alsof er een zwarte wolk over die laatste maand hangt: van heel juni 1989 tot de ochtend dat ik wakker werd in het hospitaal op 30 juli weet ik nauwelijks nog iets. Het is alsof Iets mij verbiedt om het mij te herinneren. Ik droom ervan, elke nacht, verschrikkelijke nachtmerries, ik overleef het enkel met die verdomde pillen. Flitsen, vage beelden van die ene nacht op het kerkhof overvallen mij op elk moment van de dag. De stank van het open graf, het donkere gat de trap naar beneden waarin Harold was afgedaald, het kraken van zijn stem in de walkietalkie, het is verschrikkelijk…”

Bill hyperventileert. Hij gebaart naar een reep pillen die op de tafel lag en ik druk er twee uit. Ik moet ze hem op de tong leggen, loop dan in paniek naar de keuken voor een glas water, maar als ik terugkom is hij al gekalmeerd. Hij ziet enkel nog wat bleker en het zwart in zijn ogen lijkt nog dieper dan voorheen. Zijn handen trillen als de vleugels van een collibri.

“Het politieverslag maakt duidelijk dat we op het Old Dean Church kerkhof moeten geweest zijn. Het stond in de plaatselijke krant.”

“Ik heb jarenlang geprobeerd om te reconstrueren wat er gebeurd is, maar het is vergeefs. Het verbiedt het. Op een bepaald moment moet Harold mij toch in vertrouwen genomen hebben. Iets in het boek dwong hem om naar een bepaald graf op een kerkhof in Ozark te gaan, da’s 300 km ver van hier in Alabama. Kon hij dat niet alleen? Had hij mij nodig?

Van heel de rit naar daar, ’s avonds, ’s nachts, herinner ik mij niets. Het is zes, zeven uur rijden! We hadden touw mee, dat zie ik nog, massa’s touw, genoeg touw om tot in Washington te gaan. En twee walkietalkies. We waren voorbereid. Hij moet geweten hebben wat er ging gebeuren, wat er kon gebeuren.

Het politieverslag maakt duidelijk dat we op het Old Dean Church kerkhof moeten geweest zijn. Het stond in de plaatselijke krant. Ik was een der ‘vandalen’ daar, de klacht is geseponeerd omdat ik mij niets kon herinneren. Ik ben er later terug naar gegaan, met de politie erbij, maar ik herkende niets, het is een banaal kerkhof, nergens iets speciaals te zien. Maar de beelden, de stank, Harolds wanhopige stem…alles is zo echt voor mij, te echt en gruwelijk!

Ik zie een grote arduinen plavei die we met veel moeite los gewrikt en opzij geschoven kregen. Metaal dat aarde tussen de spleten weghaalde, vingernagels die braken, ik stootte mijn hand, de rug ervan schuurt open , er is kleverig bloed. De steen komt los, uit alle macht heffen, ja het lukt.
God wat een stank, we moesten ons verwijderen. Even later was het ergste weg, het zwart gaapte in de ruimte naar onder, een trap ging schijnbaar eindeloos diep naar beneden. Harold drukt mij de walkie talkie in de hand en laat mij zweren dat ik hierboven moet blijven, onder geen beding mocht ik hem volgen.
Ik beloof het en hij daalt af, beladen met touw dat hij afwikkelt terwijl hij daalt. Het duurt lang. Eindeloos lang. Elke twee minuten de stem in de walkie talkie. ‘Ik ga verder’. ‘Blijf daar è’. En ik gehoorzaam terug “Ja Harold”.

Had ik hem maar terug geroepen, achterna gegaan, meegesleurd!.

“Nee! Niet dit! Dit kan niet”. Zo beginnen de laatste woorden van Harold P. Blount. “Billie ga weg, maak dat je weg komt!” Ik roep terug, vergeet de knop in te drukken, nijp het ding zowat plat. “Billie, hoor je me, maak dat je wegkomt! Laat mij! Spring in de auto en rij zo vermogelijk weg van hier!”
“Liefke, wat is er toch, wat zie je?” “Billie Het is hier, Het is ongelooflijk, een verschrikking, ik ben verloren! Maak dat je weg komt, lieveke, Het heeft me. Billie…”

De meest afschuwelijke schreeuw krijst uit het zwarte ding in mijn hand en dan niks meer. Ik roep, ik tier, ik hamer met mijn vuisten in de muffe aarde, maar er komt niets meer.
De volle maan staat hoog boven mij en ik voel mij reddeloos verloren. Wat moet ik doen? Wat kan ik doen? En dan komt het.
De grootste verschrikking ooit. Er komt weer een klik uit de walkie talkie. Nog één. Ik spring op en roep “Harry, Harry “in het ding, “lieveling! Waar ben je, ben je OK, wat zie je…?”

Maar wat er dan uit de luidspreker komt is een onmogelijke klank, een vreselijk zuigen dat al het trillen uit de lucht weghaalt, een complete ON-klank die alle verbeelding tart, het is een holte in de leegte, een gat in het Niets.

En Het zegt:

Lieveke, uw Harry is DOOD.”

Wordt vervolgd…

invoer : ‘The Statement of Randolph Carter‘ (1919) van H. P. Lovecraft – uitvoer van het LIEFDESKUNST 1.0 programma

over liefdeskunst 1.0

liefdeskunst 1.0 produceert een verzameling transmutaties van teksten van H.P. Lovecraft.
het algoritme is vrij minimaal, het heeft wat van een cadavre exquis met je eigen geheugen:

- lees, bij voorkeur bij ontwaken, 
een tekst van Lovecraft

- schrijf (begin) zo snel mogelijk na de lezing 
een narratief gedicht of verhalend proza
 op basis van elementen uit de tekst 
(je mag een digitale versie van de tekst
 gebruiken om te 'plunderen' )

- herwerk na minimaal 1 jaar 
de geschreven teksten 
zonder de teksten van Lovecraft 
te herlezen (onder geen beding 
mag je een tekst van Lovecraft 
die je reeds gebruikte als invoer
 ooit nog herlezen (dedju).

- schrijf tijdens het herwerken 
van de oude uitvoer (bv. in het 
Gedicht van de Dag programma)
 enkele nieuwe teksten 

- formaliseer, test en verfijn het algoritme
 tijdens het schrijven (deze regel geldt
in elk NKdeE-programma)

Categorieën
liefdeskunst lovecraft lyriek

het interview met Bill Phakeley (1)

transmutatie van ‘The Statement of Randolph Carter‘ (1919) van H. P. Lovecraft

Augustus 2007. Twee gieren glijden van Gainesville Pike de vlakte in. In de zwoele lucht leeft nog de illusie van een keuze, de waan van de vrijheid in Amerika.

Een grote ventilator wiekt boven mij terwijl ik in het goedkope motel probeer het verwarde relaas van Bill Phakeley te transcriberen naar iets dat Hennie een plaatsje op de website van het blad wil gunnen. Om de gedrukte versie te halen dien je als vrouwelijke junior onderzoeksreporter ‘toffe Hennie’ wat anders aan te bieden dan woorden, en daar voel ik mij nog net iets te goed voor.

Ik sprak Bill Phakeley exact een jaar geleden. Hij overleed verleden maand, dat hoorde ik eergisteren toevallig en omdat ik weer maar eens vast zat in mijn rompslomp van L.A. en ik niks beter wist te verzinnen, reisde ik af naar Gainesville om godbetert zijn graf te bezoeken.
En om eindelijk ’s wat te doen met dat merkwaardige verhaal van ‘m. De opnames op mijn laptop zijn dan wel onbruikbaar voor publicatie, maar je kan verstaan wat hij zegt, en ja, het is toch wat, zijn verhaal.

Hij noemde mij ‘mevrouw’, het treft mij ook nu weer. Je diende hem in de waan te laten, en het geaffecteerde, belerende verloop van zijn pseudo-literaire vertelstijl kon je hem maar beter gunnen ook. Hij was toen al meer dood dan levend, een trage kanker teerde hem uit. Ik kreeg er pijn van in mijn haarwortels, toen, net als nu. Het was een oude zielige man en hij had vooral aandacht nodig. Met zijn lange witte haren, het uitgeteerde lichaam en de purperen mond leek hij wel een bejaarde horror-versie van Andy Warhol.

“Uw vragen zijn mij een marteling, mevrouw Lundy. Wat u mij vraagt kan ik niet geven. Hoe kan ik onder woorden brengen wat er gebeurde als de herinnering opnieuw laat gebeuren wat het geheugen zelf vernietigt omdat het niet alleen van Harold maar ook van mij, van ons allen die ene verschrikkelijke toekomst is? Het te denken brengt het naderbij!

Wij. Harold en ik. Wij leefden in de moerassen van ons geheim. Harold, de geniale zwarte kracht en ik de witte branieloze nicht die nergens voor deugde, te laf om te leven naar mijn aard. Vergis je niet, mevrouw, het Gainesville van die tijd was nog niet aan een Pride parade toe!”

Telkens hij dacht iets belangwekkends gezegd te hebben, perste hij de paarse lippen op elkaar tot een dunne streep en bolde hij de ogen tot twee zwarte tunnels naar het niets. Ik was niet de eerste reporter op bezoek, zoveel was duidelijk. Maar ik toonde gewillig fascinatie en begrip, en zo werden we al snel een stel vriendinnen onder elkaar.

“De blikken die wij deelden spraken. Onze gebaren waren zo subtiel dat
niets ervan voor een buitenstaander te lezen stond. Er was een zwarte wolk die ons verbond waar de woorden en het weten ophielden, waar een snelle blik volstond.

Hoe naief wij waren! te gaan geloven dat wij alleen de alles doordringende Ichor van de oude goden zouden kunnen misleiden. En arme Harold! Ik ben de oorzaak van zijn ondergang. dat ik hem toestond mij zo te adoreren. Ik beef tot in mijn weke diepten als ik eraan denk. Ik wist het maar al te goed. ik zag het vuur dat sluimerde in zijn diepe bruine ogen als hij mij aankeek. Hij was een rots van spier en kloppend bloed waarop ik trilde als een riet.

Vergeef me, ik ben een oude man en dat is alles nog wat rest van ons.

Elkwegs, wat Harold wou, was het onmogelijke. Hij wou niet zichzelf, of de wereld maar ons begrijpen. Wat hij in mij zag, god mag het weten, maar hij noemde het een levend Ding. Wij, onze liefde, was een entititeit en hij zag ons overal. En ja, van zodra hij mij wees op tekenen van dat ons buiten ons om, zag ik het ook. Ik wou het maar al te graag geloven.
En zo groeide ook langzaam in mij een vermoeden, waarvan we beiden onmiddellijk wisten dat het geen vermoeden was, maar zekerheid, kennis van een feit. Het kostte ons enkel wat tijd om het als dusdanig te aanvaarden, maar onze liefde nam duidelijk deel aan iets dat ons oversteeg, en het wou ons iets laten zien.”

Ik zie en voel weer hoe hij op dat moment zijn hand op de mijne legde, dat akelig geel berookte slangenvel van zijn knokelige vingers op mijn huid. Er schoot een flits door mijn hele lijf toen, ik weet niet wat het was, afschuw, of eerder een gevoel van herkenning?

In elk geval liep er toen wat mis met de opname, want een heel stuk van wel tien minuten is enkel witte ruis. Hij vertelde mij tijdens die verloren tijd over de bizarre theorie van Harold, over de oude leer van Ichor, de wereldziel waarvan je overal in oude geschriften de sporen kon terugvinden, en hoe Harold telkens met nieuwe revelaties kwam, waaruit bleek dat zij, een raciaal gemengd koppel nichten uit Gainesville, Georgia, voorbestemd waren om nieuwe informatie te ontvangen, een Boodschap die de mensheid zou kunnen leiden in de verschrikkingen die ons te wachten stonden. Dat soort kak dus. Ik googelde na afloop een en ander, maar kwam steevast terecht bij obscure rommelsites van fantasten met een voorkeur voor schreeuwerige lay-out.

Na een minuut of tien zuivere ruis van de vergetelheid floept de stem van dode Bill weer aan….

Lees verder…

invoer : ‘The Statement of Randolph Carter‘ (1919) van H. P. Lovecraft – uitvoer van het LIEFDESKUNST 1.0 programma

over liefdeskunst 1.0

liefdeskunst 1.0 produceert een verzameling transmutaties van teksten van H.P. Lovecraft.
het algoritme is vrij minimaal, het heeft wat van een cadavre exquis met je eigen geheugen:

- lees, bij voorkeur bij ontwaken, 
een tekst van Lovecraft

- schrijf (begin) zo snel mogelijk na de lezing 
een narratief gedicht of verhalend proza
 op basis van elementen uit de tekst 
(je mag een digitale versie van de tekst
 gebruiken om te 'plunderen' )

- herwerk na minimaal 1 jaar 
de geschreven teksten 
zonder de teksten van Lovecraft 
te herlezen (onder geen beding 
mag je een tekst van Lovecraft 
die je reeds gebruikte als invoer
 ooit nog herlezen (dedju).

- schrijf tijdens het herwerken 
van de oude uitvoer (bv. in het 
Gedicht van de Dag programma)
 enkele nieuwe teksten 

- formaliseer, test en verfijn het algoritme
 tijdens het schrijven (deze regel geldt
in elk NKdeE-programma)



Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #141

141 – a thin insipid potation to drink – STAMBOOM

L. Andreijev – Het theater van de toekomst

In het theater van de toekomst zal er geen publiek zijn: dat is de eerste en fundamentele vereiste van het nieuwe theater; het is essentieel voor de samenleving om een einde te maken aan de situatie waarin sommigen dineren terwijl anderen toekijken – laat iedereen naar het feest komen! De afschaffing van het publiek zal , zo lijkt het mij, op twee manieren tot stand komen, manieren die zowel logisch als onvermijdelijk zijn.

Het publiek in de schouwburg zal verdwijnen omdat de schouwburg zelf geleidelijk aan vervaagt en opgaat in het leven zelf; het zal niet langer een bijzonder gebouw zijn met politieagenten bij de hoofdingang, maar een vrolijk element worden in het dagelijks leven van elk individu. Mensen zullen voor zichzelf optreden, zonder publiek en zonder acteurs. Al die euritmie, dat dansen, die schijnprocessen, die grappige futuristen in de Tverskayastraat met hun geschilderde gezichten en kleurige kleren – dit alles en nog veel meer dat de lezer ons met plezier in herinnering brengt, zegt ons één ding: het leven is geplunderd, het is afgestoten van het spel zoals van een kan melk de room is afgeroomd, zodat de mensen een slap, smakeloos drankje te drinken krijgen; het leven eist dat het spel terugkeert naar het voorouderlijke huis van het leven als een verloren zoon van zijn tegendraadse omzwervingen.

Hoe dit in de praktijk zal worden gebracht weet ik natuurlijk niet, en ik denk er niet eens al te veel over na – het leven ontwikkelt en groeit zo snel dat allerlei wonderen denkbaar worden.
En is het echt zo’n wonder dat we in zekere mate zelf scheppers en kunstenaars, schrijvers en muzikanten worden; niet alleen om te kijken en te luisteren, maar om met onze eigen handen iets te creëren voor onze eigen vreugde! Het probleem is immers niet dat er een gebrek is aan getalenteerde mensen, maar dat er te weinig grond is voor hen – vitaal zaad gaat rotten in vochtige magazijnen. Wie zou voor het vliegtuig hebben gezegd dat de wereld zoveel mannen had met buitengewone moed en vastberadenheid, met zo’n fysieke en spirituele volmaaktheid?

We klaagden over ontaarding, en dan dit! Denk eens na over dit wonder: gisteren was de mens als een boer op een koets, slaperig, gelei-achtig, volkomen passief, terwijl hij vandaag in een auto rijdt, die snelle furieuze machine met zijn nood aan bovenmenselijke concentratie en aan extreme scherpte van blik en verstand.

Natuurlijk zullen er altijd mensen zijn zonder speeltalent en zullen er altijd mensen zijn met een bijzonder talent en liefde voor het spel – en de eerste zal toekijken, als ze dat willen, terwijl de tweede met een bepaalde vaardigheid zal optreden.
Maar het zal geen theater zijn, met zijn verplichte indeling in acteurs en publiek: het is immers geen theater als oude mannen toekijken, lachen en zuchten, zoals kinderen spelen!

De ontwikkeling van het sociale leven belooft een nieuw terrein voor dit niet-theatrale toneelstuk: er zullen processies zijn waaraan de massa’s zullen deelnemen; misschien zal het mysteriestuk op een ietwat gewijzigde basis opnieuw worden opgevoerd, maar met de onmisbare voorwaarde dat iedereen aan de voorstelling kan deelnemen. Vanuit dit oogpunt belooft de toekomst zoveel dat het een ijdele klus zou zijn om naar het oude en het versletene te kijken voor antwoorden.

Zo zijn we bijvoorbeeld nog steeds niet goed op de hoogte van het sociale drama: het was onmogelijk onder de omstandigheden van het oude leven, het oude theater. We hebben nog geen toneelstukken waarin het volk, de massa de hoofdrolspeler zou zijn, en niet een individuele persoonlijkheid tegen de achtergrond van een paar dozijn figuranten.
De intrede van de massa’s in de arena van de geschiedenis, waarvoor de huidige eeuw in herinnering zal worden gebracht, zal het theater uit zijn donkere steegje leiden naar de open vrijheid van straten en pleinen; en, wie weet, misschien worden er scenario’s geschreven, als dat de juiste naam is, voor producties waaraan de hele miljoenenstad zal deelnemen …

Wat kunnen we hiervan weten, wij die onderworpen zijn aan de samenscholingswet en niet eens in groepjes van vier kunnen samenkomen zonder dat iemand ons onmiddellijk verspreidt?

Leonid Andreijev,
uit “Brieven over het Theater – Tweede brief” – 1914

vertaald uit het Engels van de vertaling van Michael Green in [GREEN 2013]

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #140

de klare Abélard (slot)

Abélard met afgesneden handen. Welke symfonie kan voortaan nog tippen aan die gruwelijke papieren kus. Héloise eet vuur. Open een deur. Ga een trap op. Bel aan. De zachte, geplette borsten rijzen op. Haar huid is veel lichter op de borsten. Het lichaam is wit, maar bezoedeld, want geen enkele vrouwenbuik is zuiver. De huid heeft schimmelkleuren. De buik ruikt goed, maar hoe armtierig toch. En zovele generaties dromen hiervan. Hij is er. De man Abélard heeft het. Illustere buik. Dat is het en dat is het niet. Eet stro, eet vuur. De kus opent de grotten waarin de zee komt sterven. Daar heb je het, dat spasme waarbij de hemel ineenstort, waar een spirituele coalitie op uitloopt, EN HET KOMT VAN MIJ. Ah! hoe ik mij niets meer nog voel dan ingewanden, met niets van geestelijke brug nog boven mij. Zonder al die magische betekenissen, al die geheimen erbij. Zij en ik. We zijn er helemaal. Ik houd haar vast. Ik kus haar. Een laatste kracht weerhoudt mij, bevriest mij. Ik voel tussen mijn dijen dat de kerk mij tegenhoudt, en klaagt, zal ze mij verlammen? Zal ik mij terugtrekken? Nee, nee, ik verbrijzel de laatste muur. St. Franciscus van Assisi, die mijn geslacht bewaarde, verdwijnt. Sint Brigitte opent mijn tanden. Sint Augustinus maakt mijn riem los. De heilige Catharina van Siena legt God te slapen. Het is voorbij, het is voorbij, ik ben geen maagd meer. De hemelmuur is omgedraaid. De universele waanzin heeft mij gewonnen. Ik sla mijn genot uit tot de hoogste top van de ether.

Maar nu hoort de heilige Héloise hem. Later, oneindig veel later, hoort ze hem en spreekt ze met hem. Een soort nacht vult haar tanden. Komt binnen en brult in de grotten van haar schedel. Ze opent het deksel van zijn graf met haar hand van mierenbot. Het klinkt als een geit in een droom. Ze beeft, maar hij beeft veel meer dan zij. Arme man! Arme Antonin Artaud! Hij is het inderdaad, de impotente die de sterren beklimt, die zijn zwakte probeert te confronteren met de kardinale coördinaten der elementen, die uit elk der subtiele of gestolde gezichten van de natuur poogt een gedachte samen te stellen die stand houdt, een beeld dat overeind blijft. Als hij al die elementen zou kunnen creëren, op zijn minst een metafysica van rampen zou kunnen voorzien, het begin zou de ineenstorting zijn!

Héloise betreurt in de plaats van haar buik geen muur te hebben zoals die waarop ze leunde toen Abélard haar obsceen met zijn pik prangde. Voor Artaud is ontbering het begin van de door hem gewenste dood. Maar wat een prachtig beeld biedt ons de gecastreerde!

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.134 -137]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Abélard s’est coupé les mains. À cet atroce baiser de papier, quelle symphonie est désormais égale. Héloïse mange du feu. Ouvre une porte. Monte un escalier. On sonne. Les seins écrasés et doux se soulèvent. Sa peau est beaucoup plus claire sur les seins. Le corps est blanc, mais terni, car aucun ventre de femme n’est pur. Les peaux ont la couleur du moisi. Le ventre sent bon, mais combien pauvre. Et tant de générations rêvent à celui-là. Il est là. Abélard en tant qu’homme le tient. Ventre illustre. C’est cela et ce n’est pas cela. Mange la paille, le feu. Le baiser ouvre ses cavernes où vient mourir la mer. Le voilà ce spasme où concourt le ciel, vers lequel une coalition spirituelle déferle, ET IL VIENT DE MOI. Ah ! comme je ne me sens plus que des viscères, sans au-dessus de moi le pont de l’esprit. Sans tant de sens magiques, tant de secrets surajoutés. Elle et moi. Nous sommes bien là. Je la tiens. Je l’embrasse. Une dernière pression me retient, me congèle. Je sens entre mes cuisses l’Église m’arrêter, se plaindre, me paralysera-t-elle ? Vais-je me retirer ? Non, non, j’écarte la dernière muraille. Saint François d’Assise, qui me gardait le sexe, s’écarte. Sainte Brigitte m’ouvre les dents. Saint Augustin me délie la ceinture. Sainte Catherine de Sienne endort Dieu. C’est fini, c’est bien fini, je ne suis plus vierge. La muraille céleste s’est retournée. L’universelle folie me gagne. J’escalade ma jouissance au sommet le plus haut de l’éther.

Mais voici que sainte Héloïse l’entend. Plus tard, infiniment plus tard, elle l’entend et lui parle. Une sorte de nuit lui remplit les dents. Entre en mugissant dans les cavernes de son crâne. Elle entr’ouvre le couvercle de son sépulcre avec sa main aux osselets de fourmi. On croirait entendre une bique dans un rêve. Elle tremble, mais lui tremble beaucoup plus qu’elle. Pauvre homme ! Pauvre Antonin Artaud ! C’est bien lui cet impuissant qui escalade les astres, qui s’essaie à confronter sa faiblesse avec les points cardinaux des éléments, qui, de chacune des faces subtile ou solidifiée de la nature, s’efforce de composer une pensée qui se tienne, une image qui tienne debout. S’il pouvait créer autant d’éléments, fournir au moins une métaphysique de désastres, le début serait l’écroulement !

Héloïse regrette de n’avoir pas eu à la place de son ventre une muraille comme celle sur laquelle elle s’appuyait quand Abélard la pressait d’un dard obscène. Pour Artaud la privation est le commencement de cette mort qu’il désire. Mais quelle belle image qu’un châtré !

Categorieën
Anke Veld gedicht van de dag het lyriek

arahhi ramani

2053

ik zaai in mij het lijf in mij zaai ik het
ik zoek mij in wat ik zaai in mij
en wereldwijd ik schrijf
in mij schrijf ik
mij

weg

klik
in mij
klik door
mij stroom is ik
klik en leuk de code
ik zaai in mij het lijf in mij zaai ik het

vuil spat korrels
botte letters zuigen
de straat uit de stad, lijf
schuift, lillen van levend
vlees in lederwaren

daden draden dagen
dragen derden maden
magen bergen vragen
hete lagen lippen

ik zaai in mij het lijf in mij zaai ik het

2020

zeep druipt zeppelin
stem van sadolin
stem tubeert trompettert
tubaat

grijs de grijze lucht
lucht is grijs met grijze
aarde stoffen dof op stof

schepen links en marconidraden
rechts en rode klompen
marinettimarinade

zwalpen pol, ja zwalpt
benen vingerkoten handen
zinkt  de rode zon de zee in
onder witgespoten wolken

’t mensensop is uitgebruist.


06-06-2007


“arahhi ramani arahhi pagri
i inseminate myself I inseminate my body
kima narum irhu kibrisa
like the river inseminates its banks"

oud-babylonische tekstfragment op kleiklomp YOS 1L2, zie  Jerrold S. Cooper. Magic and M(is)Use: Poetic promiscuity in mesopatamian Ritual, p.47 e.v. in Mesopotamian Poetic Language: Sumerian and Akkadian Marianna E. Vogelzang, Herman L. J.,. Vanstiphout ISBN 9072371844

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #139

jt 139 – pauvre Antonin Artaud! – RACEAUTO

De klare Abélard (2)

Het is een vreemde mooie dag. Voortaan enkel nog mooie dagen. Vanaf vandaag is Abélard niet langer kuis. De strakke keten der boeken is verbroken. Hij renonceert de kuise coïtus en Gods permissie.

Hoe zoet is niet de coïtus! Zelfs de menselijke, zelfs terwijl je geniet van het lichaam van de vrouw, welk een serafijne sensualiteit binnen handbereik! De hemel binnen het bereik van de aarde, minder mooi dan de aarde. Een paradijs ingebed in haar nagels.

Maar dat de dij van een vrouw de roep der siderische lichten achter zich laat, zelfs wanneer die bovenin de toren zijn gemonteerd. Is Abélard niet de priester voor wie de liefde zo klaar is?

De coïtus is klaar, de zonde is duidelijk. Zo helder. Wat ’n kiemen, hoe zoet zijn niet deze bloemen voor het bleke geslacht, hoe vraatzuchtig zijn niet de genotskoppen, die aan het uiterste eind van genot de klaprozen spreiden. De klaprozen der klanken, de gevleugelde klaprozen van dag en muziek, als magnetische vogelpluk. Het plezier maakt indringende mystieke muziek op het scherp van een ranke droom. Oh! die droom waarin de liefde toestemt om haar ogen weer te openen! Ja, Héloise, jij bent het waar ik binnenloop met al mijn filosofie, in jou geef ik de ornamenten op, en in plaats daarvan geef ik je mannen wier geest trilt en glinstert in jou.-
Laat de Geest zichzelf bewonderen, want eindelijk bewondert de Vrouw Abélard. Laat dit schuim tegen de diepe en stralende wanden vloeien. De bomen. Attila’s vegetatie.

Hij heeft het. Hij bezit het. Ze verstikt hem. En elke bladzijde spant zijn boog en gaat verder. Dit boek, waarin je het blad der breinen omslaat.

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.134 -137]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Il fait étrangement beau. Car il ne peut plus maintenant que faire beau. À partir d’aujourd’hui, Abélard n’est plus chaste. La chaîne étroite des livres s’est brisée. Il renonce au coït chaste et permis de Dieu.

Quelle douce chose que le coït ! Même humain, même en profitant du corps de la femme, quelle volupté séraphique et proche ! Le ciel à portée de la terre, moins beau que la terre. Un paradis encastré dans ses ongles.

Mais que l’appel des éclairages sidéraux, même monté au plus haut de la tour, ne vaut pas l’espace d’une cuisse de femme. N’est-ce pas Abélard le prêtre pour qui l’amour est si clair ? Que le coït est clair, que le péché est clair. Si clair. Quels germes, comme ces fleurs sont douces au sexe pâmé, comme les têtes du plaisir sont voraces, comme à l’extrême bout de la jouissance le plaisir répand ses pavots. Ses pavots de sons, ses pavots de jour et de musique, à tire-d’aile, comme un arrachement magnétique d’oiseaux. Le plaisir fait une tranchante et mystique musique sur le tranchant d’un rêve effilé. Oh ! ce rêve dans lequel l’amour consent à rouvrir ses yeux ! Oui, Héloïse, c’est en toi que je marche avec toute ma philosophie, en toi j’abandonne les ornements, et je te donne à la place les hommes dont l’esprit tremble et miroite en toi. – Que l’Esprit s’admire, puisque la Femme enfin admire Abélard. Laisse jaillir cette écume aux profondes et radieuses parois. Les arbres. La végétation d’Attila.

Il l’a. Il la possède. Elle l’étouffe. Et chaque page ouvre son archet et s’avance. Ce livre, où l’on retourne la page des cerveaux.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #138

De heldere Abélard (1)

Het fluisterende raamwerk vormt op het glas van zijn geest altijd dezelfde tekenen van liefde, dezelfde hartelijke uitwisselingen die hem misschien zouden kunnen redden van zijn man-zijn, mocht hij ermee instemmen om zichzelf te redden van de liefde.

Hij moet toegeven. Hij zal zich niet meer kunnen houden. Hij geeft toe. Dit melodieuze bruisen dwingt hem. Zijn geslacht klopt: een kwelwind fluistert, het geluid ervan is hoger dan de lucht. De rivier rolt vrouwenlijken om. Is het Ophelia, Beatrice, Laura? Neen, inkt, neen, wind, neen, rietvelden, oevers, schuim, vlokken. Er is geen sluis meer. Abélard heeft van zijn verlangen een sluis gemaakt. Ter samenvloeiing der gruwelijke en melodische stuwkracht. Heloise komt aangerold, meegesleept, naar hem toe, – EN ZE WIL HET GRAAG.

Ziedaar aan de hemel de hand van Erasmus die een mosterdzaadje van waanzin zaait. Ah, de merkwaardige opkomst. De beweging van de Beer fixeert de tijd aan de hemel, fixeert de hemel in de Tijd, aan deze omgekeerde kant van de wereld waar de hemel zijn gezicht aanbiedt. Immense nivellering.

Het is omdat de hemel een gezicht heeft dat Abélard een hart heeft waar al die sterren soeverein ontkiemen en hun staart roeren. Aan ’t eind van de metafysica staat deze liefde, met vlees geplaveid, met brandende stenen, in de hemel geboren na zovele wendingen van een mosterdzaadje waanzin.

Maar Abélard jaagt door de lucht als blauwe vliegen. Vreemde aftocht. Hoe verdwijnen? God! snel, een naaldgat. Het dunste naaldgat waardoor Abélard ons niet meer kan komen halen.

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.134 -137]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

LE CLAIR ABÉLARD

L’armature murmurante du ciel trace sur la vitre de son esprit toujours les mêmes signes amoureux, les mêmes cordiales correspondances qui pourraient peut-être le sauver d’être homme s’il consentait à se sauver de l’amour.

Il faut qu’il cède. Il ne se tiendra plus. Il cède. Ce bouillonnement mélodique le presse. Son sexe bat : un vent tourmentant murmure, dont le bruit est plus haut que le ciel. Le fleuve roule des cadavres de femmes. Sont-ce Ophélie, Béatrice, Laure ? Non, encre, non, vent, non, roseaux, berges, rives, écume, flocons. Il n’y a plus d’écluse. De son désir Abélard s’est fait une écluse. Au confluent de l’atroce et mélodique poussée. C’est Héloïse roulée, emportée, à lui, – ET QUI LE VEUT BIEN.

Voici sur le ciel la main d’Érasme qui sème un sénevé de folie. Ah ! la curieuse levée. Le mouvement de l’Ourse fixe le temps dans le ciel, fixe le ciel dans le Temps, de ce côté inverti du monde où le ciel propose sa face. Immense renivellement.

C’est parce que le ciel a une face qu’Abélard a un cœur où tant d’astres souverainement germent, et poussent sa queue. Au bout de la métaphysique est cet amour tout pavé de chair, tout brûlant de pierres, né dans le ciel après tant et tant de tours d’un sénevé de folie.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza

journal intime #137

137- Saint Augustin me délie la ceinture – VISBAK

ik wou onlangs nog ’s proberen om voor een literair tijdschrift een introducerende tekst te schrijven over mijn praktijk, mijn manier van werken.

maar door dat te willen doen met zo’n ts als eindbestemming zou ik, zo bekroop mij toch het gevoel gaandeweg, alle beginsels van de beschreven praktijk zelf ontkennen. nu, dat is iets wat theoretisch wel kan, vind ik, zo veel belang heeft het überhaubt niet, maar in de praktijk lukt mij dat dus niet. het idee van een tekst die ik als af moet beschouwen terwijl ik nog leef, is mij gewoon te gruwelijk. ik werk dagelijks met levende tekst die ik heb weten geboren worden, zo’n tekst afmaken is mij zoiets als het slachten ter consumptie van een huisgenoot. ik heb dat recht niet. ik wil dat niet.

dus wat ik al had, laat ik dan maar hier verschijnen, in het eeuwige limbo waar mijn geschriften thuis horen. verspreid over enkele dagen wel, want ’t is toch weeral een serieuze boterham geworden.

over de praktijk van het geaugmenteerde schrijven

inhoud

veralgemeend schrijven

tot hier toe zei ik nog niets over de tekst en het talige als expressiemiddel en de interactie met andere uitdrukkingswijzen die op het gemeenschappelijke veld van de code samenkomen.
mijn concept van de geaugmenteerde schrijverij betreft wel degelijk ook een veralgemeend schrijven, het breidt uitdrukkelijk de schrijfpraktijk op het gemeenschappelijke veld van de code uit met alle mogelijke interacties met beeld, geluid, publiekservaring en eender welke vorm van creativiteit die codeerbaar is en waarmee je vanuit een algoritmisch schrijfverloop mee kan interageren.

dat is nu eenmaal ook het grote ‘voordeel’ dat we uit onze huidige situatie kunnen puren: nagenoeg elke creativiteit begint en eindigt in code, en gedurende het hele procesverloop is er altijd wel ergens sprake van actieve code die het proces begeleidt, al was het enkel maar de regisseuse die met haar acteurs overlegt via (video)chat.

heel onze levens zitten van wieg tot graf omwikkeld met een deels simultaan, maar deels ook temporeel divergerend codeverloop. onze profielen gaan ons al een klein stukje vooraf soms, maar lopen een flink eind door na onze dood. en het codeverloop dat onze biologische persoon, ons lijf als ankerpunt heeft, divergeert ook serieus wat, het is een actief ‘bestanddeel’ (sic) dat (hoofdzakelijk anoniem) deelneemt aan datastromen zonder dat wij daar erg in hebben.

we willen hier niet de nieuwe Virilio of Baudrillard gaan uithangen maar kauw toch maar effen hier op: de grenzen tussen wie wij lijfelijk ‘zijn’ en hoe wij simultaan tot data vergaan, als data geassimileerd en ook gecontroleerd worden zijn al lang buiten de greep van een klassieke causaliteitsopvatting, om van de psychologische modellen van identiteit, ik en onderbewuste maar te zwijgen.

het hoeft dan ook niet te verwonderen dat alle creatieve disciplines voluit dat contact met de code gaan exploiteren, al was het maar, om weerom de podiumkunsten tot voorbeeld te nemen, om de tekst van een opera in vertaling te tonen op een scherm boven de bühne. en uit de hedendaagse beeldende kunsten met haar voorliefde voor de installatiekunst, is de informatica al helemaal niet meer weg te denken.

nieuw zijn dergelijke omwentelingen onder invloed van de technische evolutie op de creativiteit helemaal niet, de graad van ingrijpendheid in de verandering die de informatietechniek teweeg brengt is dat wel, in die mate zelfs dat ze ons begrip te boven gaat: we weten niet eens wat er exact met ons aan het gebeuren is, en dat draagt danig bij aan het toenemende klimaat van onzekerheid en angst. het tumult is dusdanig groot dat we van crisis naar crisis hollen.

nu, van alle creatievelingen zijn merkwaardig genoeg onze  ambiërende literatoren de enigen die van al die technische mogelijkheden en het lonkende avontuur totaal niks wouden weten. de muziek heeft ook bij ons altijd het voortouw genomen qua technische innovatie maar ook beeldende kunstenaars hebben zich hier met even grote gretigheid op de nieuwe mogelijkheden gestort.
maar onze dichters bleven obstinaat in bundeltjes denken, onze prozaschrijvers in romans en de weinige theaterauteurs die nog wat voor de bühne pleegden kwamen op de proppen met heuse Griekse tragediebewerkingen. het lijkt wel of voor een Laaglandse literator enkel een koetjesreep snoepgoed is en dat snoepgoed enkel uit koetjesrepen kan bestaan.

als we even over onze schouder terugkijken, zien we dat onze literatuur geëvolueerd is uit een orale literatuur naar een voornamelijk geschreven en stilletjes alleen gelezen literatuur, maar ook daar ondergaat de tekst een hele gedaanteverwisseling.

en tekst die door code is onderbouwd is radicaal andere tekst dan handgeschreven tekst, dan op papier gedrukte tekst. ook al omdat de gecodeerde tekst gelezen wordt op schermen in een voortdurende interactie met gemanipuleerde beelden. de uitdraai op papier is maar een van de functie van gecodeerde tekst, van tekst binnen een lopend programma.

het concept ‘schrijven’ is immers net zo invulbaar als de muzikale creativiteit op de meest diverse manier het concept van ‘muziek’ in alle denkbare richtingen heeft uitgebreid, of zoals  de beeldende kunst  op onvoorstelbare wijze ge-explodeerd is in een enorme diversiteit aan ‘beeldvorming’, Gestaltung als je het liever op z’n Klee’s hoort.

ook wat het schrijven betreft is dat al meer dan 20 jaar zo:  alleen je eigen beperkingen als auteur, dat wat je jezelf wil opleggen,  houdt je daarin tegen om de meest waanzinnige interacties aan te gaan vanuit de schrijfpraktijk zelf.

maar wat zien we: nagenoeg elke schrijvende auteur nijpt de bilspleet krachtdadig toe in een totale verkramping van angst voor de kleinste verandering.
zelfs als je hen een platform aanbiedt, een ganse infrastructuur waar ze gratis met de nieuwe technieken zouden kunnen gaan experimenteren, houden ze nog liever angstvallig hun kak in tot ze weer veilig thuis achter het schrijfbureautje met hun papiertjes kunnen schuiven en tussen de geliefde boekjes naar verwante passages kunnen neuzelen bij de laatste geniale inval die hen ongetwijfeld een zitje naast Dante tussen de Pleijaden zou gaan bezorgen.

ze vertrouwen die hoogst individuele tekstkeuteltjes nog liever toe aan de genadeloze molens van Facebook dan er ook maar de minste poging tot opwekking van een levend tekstlichaam mee te doen op zulk een gratis, gedeeld en zoveel mogelijk ideologisch vrij gehouden platform.

interaktie met andere auteurs? bah, sèg, is dat een niewsoortige sexclub ofzo? tools ter uitbreiding van de schrijfmogelijkheden? beuh, gaat jouw machineding mij leren schrijven of wat? mij, MOI?

‘mooi niet!’ en ‘mijn tekst is mijn kapitaal!’, zo hoor je het knetteren in de kortgesloten geesten, de zombiebreinen der Bartheske auteurs!

eventjes, heel eventjes, in de jaren 2005-2010 was er bijna sprake van een omwenteling toen het leek of de blogcultuur effectief wat zou teweegbrengen, maar de opkomst van de smartphone en de sociale netwerken nekten binnen de kortste keren alle toch al vrij weelderige opbloei daarvan en het was al snel weer ieder voor zich in het eigen kot, met het telefoonnummer van de Laatste Uitgever veilig in de portefeuille.

een stilzwijgend afgekondigde algemene lockdown die nu al zo’n tien jaar stand houdt. nagenoeg alleen de gecertificeerde Zot Vekemans loopt nog rond daarbuiten alsof het niet levensgevaarlijk is om welke tekst dan ook beschikbaar te maken op dat gruwelijke internet! het stikt er van de gewone mensen! wie weet wat loop je op!



“zou ik toch maar niet doen, joh! zo win je nooit wat!”

?


BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza

journal intime #136

136 – Un paradis encastré dans ses ongles – BAKVIS

ik wou onlangs nog ’s proberen om voor een literair tijdschrift een introducerende tekst te schrijven over mijn praktijk, mijn manier van werken.

maar door dat te willen doen met zo’n ts als eindbestemming zou ik, zo bekroop mij toch het gevoel gaandeweg, alle beginsels van de beschreven praktijk zelf ontkennen. nu, dat is iets wat theoretisch wel kan, vind ik, zo veel belang heeft het überhaubt niet, maar in de praktijk lukt mij dat dus niet. het idee van een tekst die ik als af moet beschouwen terwijl ik nog leef, is mij gewoon te gruwelijk. ik werk dagelijks met levende tekst die ik heb weten geboren worden, zo’n tekst afmaken is mij zoiets als het slachten ter consumptie van een huisgenoot. ik heb dat recht niet. ik wil dat niet.

dus wat ik al had, laat ik dan maar hier verschijnen, in het eeuwige limbo waar mijn geschriften thuis horen. verspreid over enkele dagen wel, want ’t is toch weeral een serieuze boterham geworden.

over de praktijk van het geaugmenteerde schrijven

inhoud

beginsel en metaforische uitwerking

schrijven is zeer concreet altijd een handeling. elke handeling kan omschreven worden met een handelingsverloop. wanneer zulk een beschrijving de voortgang van de handeling gaat bepalen wordt de beschrijving een voorschrift, een bepalend algoritme.

nu: ‘schrijf een boek over fietsen op de heide’ kan je beschouwen als een algoritme omdat die zin om een handeling vraagt, maar het gaat de fietsliefhebber erg vrij laten in hoe hij die handeling stelt.

wanneer echter uitgever X aan auteur Y vraagt om een boek over fietsen op de heide te schrijven in samenwerking met fotograaf Z zodat er per hoofdstuk een fietstocht beschreven is van een der 10 vooraf in samenspraak met de toeristische dienst bepaalde trajecten en met aandacht voor die en die handelszaken op het traject, zal de uitgever wel realistisch genoeg zijn om die bijzonderheden vast te willen leggen in een bepalend contract.

zo’n contract lijkt al veel meer op een echt algoritme voor een schrijfhandeling, en de auteur zal er heel zijn handelswijze naar organiseren en elke partij zal het aldus gecreëerde kader als een hulpmiddel beschouwen om tot een bevredigend resultaat te komen.

goed, maar wat heeft dit nu met literatuur uitstaans? wel, enerzijds merken we dat meer en meer als literair bestempelde schrijfhandelingen gebeuren waarbij er contracten worden afgesloten om bepaalde producten te verwezenlijken. zelf vind ik dat nonsens omdat ik dat onwerkbaar acht, maar ik zie geen reden om die praktijk bij anderen af te keuren: als zij hun schrijven op dermate commercieel bepaalde wijze best oké vinden, is dat hun zaak. ik zie ook her en der schrijfopleidingen gevolgd worden waarbij de deelnemers getraind worden om op een bepaalde ‘succesvolle’ manier te leren schrijven. mij best ook, men doet maar, ik vind het maar niks.

maar waarom wil ik dan zelf mijn schrijven op een dwingende manier gaan organiseren? wel het is vanzelf gekomen, maar achteraf bekeken zijn er twee redenen waarom ik het fijn vind: het biedt mij een alternatief voor enkele functies die vroeger de levende literaire cultuur had en het verruimt op een vrij spectaculaire manier mijn mogelijkheden als schrijver.

maar het allerbelangrijkste is wel dat elke algoritmische sturing die ik mijzelf graag opleg, geheel gegroeid is uit het ‘natuurlijke’ verloop van het creatieve schrijven zelf, en op geen enkele wijze ingegeven is door een of andere vreemde of aliënerende ‘productomschrijving’. en die ‘natuurlijke’ literaire algoritmes blijken van goudwaarde omdat ze in alle opzichte enorm stimulerend werken…

maar hoe dan? wel je kan het hier dagelijks zien gebeuren, elk schrijfprogramma is voorzien ook van een ‘uitleg’ een minimum aan documentatie zodat iedereen kan uitmaken hoe het effectief in zijn werk gaat.

maar misschien is er naast het feit dat je het hier kan zien gebeuren ook nog wat explicatie nodig, een theoretische fundering. mij best. hieronder volgt de allegorie van het tekstlichaam, die ik dan maar lustig laat uitwaaieren in het soort theoretisch pleidooi voor eigen winkel dat we nog wel kennen uit de “poetica’s” der auteurs vroeger.

het heeft wel iets, dat geouwehoer van me, en ik kan er mijn gram in kwijt, maar het is ongeveer hetzelfde als proberen uitleggen wat een computerprogramma doet, of wat de ervaring van een computerspel is: als je echt wil weten wat het is, leer en gebruik dan het programma, speel en geniet van het spel…


geaugmenteerd schrijven is door de algoritmische organisatie ervan een recursief schrijven, lussenwerk: het is georganiseerd in programmaloops met conditionele deviaties en vertakkingen. klinkt complex, maar het is doodeenvoudig. het vereist wel enige radicaliteit, enige doortastendheid. eens je begint met dit soort praktijk is er ook geen weg terug meer, niet door enig verbod want  je zal die terugkeer beslist willen weigeren, want niets anders kan je dezelfde voldoening geven.

de praktijk van het geaugmenteerde schrijven begint bij het verwerpen van de finaliteit van de tekst: het doel van de praktijk is niet de productie van een voltooide tekst, maar de praktijk van het schrijven zelf. de tekst die men de lezers presenteert is altijd ‘slechts’ een uitdraai van het lopende programma. eens het programma niet meer loopt of wanneer de activiteit een tijdje is stilgevallen, rest er wel een vorm van eindtekst of een min of meer stabiele versie die men dan desgewenst kan ‘publiceren’ in boekvorm, maar in principe is de publicatie een voortdurend continu gebeuren: het programma interageert met andere programma’s en met lezers/auteurs op basis van de tekst. de tekst is dus eerder een ‘stream’ of een dynamische data-flow dan een autonoom ‘ding’.

een ‘dood’ schrijfproces kan, zelfs na het overlijden van de auteur die het aanvatte, steeds nog gereactiveerd worden, op voorwaarde dat het algoritmische verloop beschreven is of ten minste af te leiden is uit de overgeleverde tekstuitdraai.

je merkt hier al dat de functie van de auteur heel wat van zijn goddelijke onfeilbaarheid verloren heeft. over de wenselijkheid daarvan, weerom, valt m.i. weinig zinnigs te zeggen: we stellen het vast.

nu, het schrijven is altijd ook wel een zich uitschrijven geweest: de tekst neemt vorm aan, wordt zijn eigen doel , verscherpt als het beoogde in de act van het schrijven zelf. zo functioneert ook het schrijven als expressie van de schrijvende , de auteur. het product is pas de laatste decennia naar voren getreden als alles bepalende finaliteit in de praktijk: het geproduceerde boek is het enige wat ‘telt’, letterlijk, in de GeldRuimte 1zie theoretisch addendum, later. vandaar dat de autopoiesis inherent aan het schrijven zelf bepaalde teksten wel voortdurend herkenbaar en leesbaar zal maken als uitdrukking van één en hetzelfde programma waarvan de primaire invoerpoort altijd een of andere vorm van ‘auteur’ zal blijven.

goed, maar wat moeten we hier ons bij voorstellen? 2tja, je kijkt er naar maar goed laten we een eerste conceptuele toegang aanmaken via de metafoor van het tekstlichaam waarna we in een volgende paragraaf 3die er wellicht niet komen zal, want toen ik dit schreef besefte ik pas hoe dwaas het hele opzet was een concreet voorbeeld van zo’n routine bekijken.

het geaugmenteerde schrijven zet een knip in het schrijven als productieproces en neemt later de uitvoer van het schrijven weer op als invoer van het daaropvolgende schrijven: de tekst blijft vervolgens vanuit de innerlijke schrijfdrang verder in de wereld komen, hoopt zich op in de virtuele omgeving, de gecodeerde tekstruimte van het internet. het tekstlichaam leeft en groeit zienderogen onder impuls van de onaflatende energie van de schrijfdwang van de auteur.

de auteur is de bevoorrechte getuige van dit leven en heeft derhalve de plicht om dat tekstuele lichaam te verzorgen, te cultiveren. de auteur is niet langer de goddelijke schepper maar de dienaar, de cultivator en de lezer van het eigen werk. het auteursrecht bestaat enkel in het recht van het individu, van élk individu om de schrijfactiviteit te mogen uitoefenen, om de beste zorgen voor het levende tekstlichaam te mogen organiseren, te mogen afdwingen als een onontvreemdbaar mensenrecht.

voor het uitwerken van de eigen tekst zal de auteur die dus samenvalt met de lezer binnen afzienbare tijd kunnen rekenen op technische hulpmiddelen die haar in staat stellen om zich comfortabel in  het eigen tekstlichaam te omhullen en zo te interageren met de geaugmenteerde werkelijkheid. ook op andere terreinen van de creativiteit zien we deze evolutie van een ‘democratisering’ naar ‘onderen’ toe van wat ooit strikt voorbehouden was voor een intellectuele elite. de reden is eenvoudig: voor alle ‘slimme’ machines zijn wij allemaal min of meer even dom. die nieuwe gelijkwaardigheid  op basis van  omnivalente en omnipresente techniek is natuurlijk vooral voor de opvolgers van de vroegere elite moeilijk te verteren.

maar zij die de elitaire traditie willen conserveren omwille van haar verfijning, haar diepgang, haar rijkdom en meer van dat soort ideologisch bepaalde adjectieven, zouden er beter aan doen om afstand te nemen van het produktiedenken want dat leidt volgens onomstootbaar kapitale natuurwetten onherroepelijk naar grijze eenheidsworst, pulp getooid met het franje van de dag.

na verloop van tijd en dankzij de zorgen van de geaugmenteerde auteur die het hele proces in goede banen leidt krijgt het tekstlichaam vorm: het  zoekt aansluiting bij andere auteurs, de lezers, het wil zich propageren. hier kan het desgewenst aansluiting vinden bij het doorrottende kapitalistische productieproces.

ik durf beweren: mijn schrijven als creatieve  activiteit is  een mentale gezondheidsoefening die middels de praktijk van het geaugmenteerde schrijven iedereen die het wil beoefenen innerlijke rust en uiterlijke bewegingsvrijheid kan bieden, en de voldoening om actief deel te nemen aan een florerende taalgemeenschap. dat kan omdat de basismethodes aanpasbaar ontworpen zijn voor de noden van eenieder. want daar willen we  naartoe (omdat het niet anders kan): iedereen (en alles)  die (dat) taalmachtig is, is auteur, kan de auteursfunctie vervullen 4de aandachtige lezer zal al opgemerkt hebben dat in mijn denken de dood, de sterfelijkheid ook een voorwaarde is om als auteur te kunnen functioneren..

Noten   [ + ]

1. zie theoretisch addendum, later
2. tja, je kijkt er naar maar goed
3. die er wellicht niet komen zal, want toen ik dit schreef besefte ik pas hoe dwaas het hele opzet was
4. de aandachtige lezer zal al opgemerkt hebben dat in mijn denken de dood, de sterfelijkheid ook een voorwaarde is om als auteur te kunnen functioneren..
Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza

journal intime #135

jt 135 – La chaîne étroite des livres s’est brise – MOEDERHUIS

ik wou onlangs nog ’s proberen om voor een literair tijdschrift een introducerende tekst te schrijven over mijn praktijk, mijn manier van werken.

maar door dat te willen doen met zo’n ts als eindbestemming zou ik, zo bekroop mij toch het gevoel gaandeweg, alle beginsels van de beschreven praktijk zelf ontkennen. nu, dat is iets wat theoretisch wel kan, vind ik, zo veel belang heeft het überhaubt niet, maar in de praktijk lukt mij dat dus niet. het idee van een tekst die ik als af moet beschouwen terwijl ik nog leef, is mij gewoon te gruwelijk. ik werk dagelijks met levende tekst die ik heb weten geboren worden, zo’n tekst afmaken is mij zoiets als het slachten ter consumptie van een huisgenoot. ik heb dat recht niet. ik wil dat niet.

dus wat ik al had, laat ik dan maar hier verschijnen, in het eeuwige limbo waar mijn geschriften thuis horen. verspreid over enkele dagen wel, want ’t is toch weeral een serieuze boterham geworden.

over de praktijk van het geaugmenteerde schrijven

inhoud

inleiding

‘geaugmenteerd schrijven’ noem ik dat schrijven dat zich enerzijds uitdrukkelijk wenst te verhouden tot een literaire traditie en daar een voortzetting van wil zijn,  en dat anderzijds  uitgebreid wordt door technieken ontleend aan de informatietechnologie.

mijn experimentele praktijk van het geaugmenteerde schrijven is in wezen een algoritmisch bepaald handelingsverloop. ik schrijf, letterlijk, steevast binnen een programma waarvan je het algoritme kan uitschrijven in pseudo-code en dat je dus ook zou kunnen programmeren in ‘echte’ code, zeg maar Java of C+, en overlaten aan een niet-humane ‘agent’, gesteld dat die dezelfde functies zou kunnen vervullen. iets wat overigens gezien de huidige stand van de techniek helemaal niet ondenkbaar of onmogelijk is.

over het wenselijke van een en ander spreek ik mij liever niet uit, omdat we al deze (d)evoluties hoegenaamd toch niet in de hand hebben: het maakt niet uit of je dit ‘goed’ of ‘slecht’ vindt. wat ik wel geloof is dat als je enige steekhoudende literaire praktijk wil onderhouden, je best rekening houdt met de impact van de techniek op de organisatie ervan en dus ook op de aard, hoe het als ‘literatuur’ gebeurt of gebeuren kan in de echte wereld.
en daar hoort m.i. dus een radicaal herziene invulling van het begrip ‘auteur’ bij, van de functie van het schrijven zelf.

doe je die denkoefening niet, dan ben je in mijn optiek met een louter reactionaire, nostalgische simulatie bezig, en dat kan dan best prettig zijn, ik heb daar hoegenaamd niks op tegen, de maatschappelijke en/of culturele relevantie ervan is voor mij evenwel onbestaande en in geen enkel opzicht te rijmen met de literaire traditie, hoe je die ook wil middels canonieke betitelingen toe-eigenen 1heel het canon-gedoe is m.i. louter media-heisa dat enkel mogelijk is omdat de literatuur zelf dood is, er wordt een chocolade laagje over het lijk van een gebeuren gegoten. ik erger mij daar mateloos aan omdat de ‘beweging’ die dus geheel literatuur-vreemd is, alles wat ik liefheb in de eigen ideologie wil inlijven, wil tot bezit mortificeren. bah! gelukkig is de ‘dood’ van een proces een heel relatief en tijdsgebonden gegeven en kan het hele proces mits de nodige ingrepen sneller dan men denkt weer tot leven komen en dan valt heel die volksbedriegerij wel uit de pels als de beunhazerij en de respectloze bekladding die het is en reduceren tot je eigen ideologie. zo werkt het gewoon niet.

nu, dat ‘denkbare’ programma van het schrijven heeft sinds 2004 voor mijzelf een naam: het is vernoemd naar een werk van Kurt Schwitters: Neue Kathedrale des erotischen Elends.
dat project was aanvankelijk opgezet als een zgn. ‘mock-up’ van een maakbaar programma. de term ‘mock-up’ duidt in de informaticawereld op een demonstratieversie van een mogelijk programma dat aan de klant getoond wordt om de mogelijke functionaliteiten van het order te kunnen evalueren.
als mock-up was mijn Kathedraal van 2004 tot 2011 te bezoeken als een website waarachter een heuse webapplicatie schuilging, een soort van zandbak waarmee ik de mogelijkheden van ‘literatuur en informatica’ wou onderzoeken.
van 2011 tot 2017 heeft mijn schrijven zich wat afzijdig gehouden van al te veel bemoeienissen met de techniek en ben ik langzamerhand meer vanuit de noden van dat schrijven zelf beginnen denken, een wending die veel twijfel maar een zekere verdieping met zich meebracht. meer daarover kan u desgewenst vernemen in het addendum over de theoretische achtergrond van de Neue Kathedrale.

nu, de NKdeE, het hoofdprogramma bestaat uit verschillende deelroutines, afzonderlijke modules in diverse graderingen van rigiditeit in hun al dan niet strikt algoritmisch verloop. op die manier is het spanningsveld tussen automatisering en autonoom ‘humaan‘ handelen dat m. i. onze huidig tijdsgewricht kenmerkt ook actief in mijn creatieve praktijk.

alle functies die ik al schrijvende vervul zijn  functies die ook zouden kunnen worden uitgevoerd door niet-humane ‘agents’, handelende subjecten. het handelingsverloop van mijn schrijven is een aaneenschakeling van invoer/uitvoer acties tussen tekstverwerkingsprocedures die georganiseerd zijn op diverse populaire content management systemen (WordPress en Blogger) met een systematische uitvloei naar de sociale netwerken (voornamelijk Facebook maar ook Twitter, Instagram, You Tube e. a.)

men heeft m.i. te lang, schrijven in functie van een achterhaald patriarchale mythe van de ‘geniale auteur’, de impact van de (technische) manier waarop wij schrijven verwaarloosd: er is een onmiskenbare evolutie van handgeschreven tekst naar zeer uitgesproken  fenomenen als de na-oorlogse  typmachineromans, post-moderne tekstverwerkingspoëzie, experimentele internetlyriek en commerciële literatuurproductie door geschoolde schrijvers op basis van marketingstechnieken.

men noemt dat allemaal ‘schrijven’ en/of ‘literatuur’ zonder het aandeel van de techniek in de processen te willen onderkennen, laat staan dat men de commerciële vereisten die aan de ‘auteurs’ worden opgelegd een bespreking waard acht. het is m.i. dan ook onmogelijk om vanuit al die radicaal verschillende praktijken nog één zinnig woord over ‘hedendaagse literatuur’ te zeggen, het begrip is een lege doos waar iedereen naar eigen goeddunken wat instopt om het vervolgens als ‘literatuur’ verkocht te krijgen.

van daar ook dat mijn vertrekpunt in 2004 was om al schrijvende de vraag te willen onderzoeken wat het heden ten dage nog zou kunnen inhouden om ‘auteur’ te zijn, en of je hoe dan ook nog tot een relevante literatuurpraktijk kan komen.
ik beweer niet dat ik op die vraag enig zinnig antwoord kan geven, de vraag stellen maakt ze al onbeantwoordbaar, want je komt hier m.i. meteen in een vicieuze cirkel van vragen terecht die allen refereren naar iets dat enkel in de hoofden van een kleine elitaire minderheid leeft. vroeger had die minderheid nog een reële lezersbasis, de literaire vijver die er restte van de eens zo roemruchte ‘Republiek der Letteren’ had nog voldoende omvang en maatschappelijke impact om al die claims ernstig te nemen, nu ontbreekt die basis in de realiteit ten ene male.

maar hoe dan ook, ik heb ondertussen wel een voorbeeld weten uit te bouwen van een schrijfpraktijk die werkt voor mij en voor een beperkt aantal lezers die ik ook als mede-auteur beschouw maar daarover verder meer.
meer hoeft dat voor mij op dit ogenblik niet te zijn, want ik moet enkel kunnen schrijven op een manier dat ik er zelf in kan geloven. en dat werkt dus.

dat op zich, dat mijn exemplarisch opgezette praktijk wérkt en in mijn, al zeg ik het zelf, erg kritische beoordeling naar behoren werkt,  geeft mij hoop dat er nu en na ons nog een vorm van ‘literatuur’ mogelijk is, en hoewel het dan m.i. enkel een soort ‘non-literatuur’2op analoge wijze noemt François Laruelle zijn radikaal verschillende denkwijze een non-filosofie kan worden die zich buiten de fallocentrische ontologie 3zie het theoretisch addendum, later zal moeten heruitvinden, zie ik daarin dus toch een bevestiging van een allerminst evidente veronderstelling.

maar een mogelijkheid impliceert nog geen realiteit, dat kan uiteraard enkel de toekomst uitwijzen. hoe dan ook:  een literatuur die je probeert te creëren, kan in mijn optiek enkel echt literatuur worden na de dood van de auteur ervan, wanneer de resterende geschriften of de praktijk als dusdanig geconsacreerd worden door de lezer en de levende auteurs.

je kan nou eenmaal niet aan je tafeltje gaan zitten en tegen jezelf zeggen: nu ga ik ’s literatuur schrijven, dat oordeel, die kwalificatie, heb je zelf nooit in handen, ook niet als je het euh, fortuin hebt om tijdens je leven als ‘literator’ geëerd te worden. niets is meer vergankelijk dan dat soort betiteling van je tijdgenoten.

maar deze individu- en sterfelijkheidsoverschrijdende visie op literatuur is men blijkbaar wat uit het oog verloren, zou je zeggen.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Noten   [ + ]

1. heel het canon-gedoe is m.i. louter media-heisa dat enkel mogelijk is omdat de literatuur zelf dood is, er wordt een chocolade laagje over het lijk van een gebeuren gegoten. ik erger mij daar mateloos aan omdat de ‘beweging’ die dus geheel literatuur-vreemd is, alles wat ik liefheb in de eigen ideologie wil inlijven, wil tot bezit mortificeren. bah! gelukkig is de ‘dood’ van een proces een heel relatief en tijdsgebonden gegeven en kan het hele proces mits de nodige ingrepen sneller dan men denkt weer tot leven komen en dan valt heel die volksbedriegerij wel uit de pels als de beunhazerij en de respectloze bekladding die het is
2. op analoge wijze noemt François Laruelle zijn radikaal verschillende denkwijze een non-filosofie
3. zie het theoretisch addendum, later
Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #134

jt 134 – Il se glisse entre ses états – HUISMOEDER

Héloise en Abélard (slot)

Zijn gedachten zijn mooie bladeren, platte oppervlakken, opeenvolgingen van knooppunten, agglomeraties van contacten waartussen zijn intelligentie moeiteloos doorglipt: ze gaat. Want dat is wat intelligentie is: zich omzeilen. De kwestie stelt zich niet langer om fijn te zijn of slank, om van ver samen te komen, om te omhelzen, af te wijzen, los te laten.

Hij glipt tussen zijn staten door.

Hij leeft. En de dingen draaien in hem als granen in een korenwan.

De kwestie van de liefde is eenvoudig.

Wat maakt het uit of hij minder of meer is, want hij kan zich opwinden, zich ontglippen, evolueren, zichzelf terugvinden en komen bovendrijven.

Hij heeft het spel der liefde herontdekt.

Maar zoveel boeken tussen zijn gedachten en de droom!

Zoveel verlies. En ondertussen, wat deed hij met zijn hart? Het is een wonder dat er hem nog wat hart rest.

Hij is er. Hij is er als een levende medaille, als een verbeende heester van metaal.

Ziehier de hoofdknoop.

En Héloise, zij heeft een jurk, zij is mooi van voren en van achteren.

Dan voelt hij de vervoering van de wortels, de massale, aardse verheffing, en zijn voet op het blok van de wentelende aarde voelt de massa van het firmament.
En Abélard, die als een dode man is geworden, Abélard voelt zijn skelet kraken, verglazen, en op het vibrerende toppunt, op de kim van zijn inspanning schreeuwt hij het uit:
“Hier wordt God verkocht, aan mij nu de vlakte van de geslachten, de galetten van het vlees. Geen vergeving, ik vraag niet om vergeving. Uw God is niets meer dan een koude kogel, ledematenmest, bordeel van de ogen, buikmaagd, hemelmelkerij! »

Aldus verheft zich de hemelmelkerij. Misselijkheid overvalt hem.

Het vlees in hem maalt het schubbenslib rond, hij voelt het harde haar, zijn afgesneden buik, hij voelt zijn staart die vloeibaar wordt. De nacht rijst op bezaaid met naalden en ziedaar met een klap van de schaar knippen ZIJ hem de mannelijkheid af.

En daar vouwt Héloise haar jurk op en zij kleedt zich gans naakt uit. Haar schedel is wit en melkachtig, haar borsten loens, haar benen spichtig, haar tanden maken een papieren geluid. Ze is dom. En ja, dit is inderdaad de vrouw van Abélard de gecastreerde.

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.129-133]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Ses pensées sont de belles feuilles, de planes surfaces, des successions de noyaux, des agglomérations de contacts entre lesquels son intelligence se glisse sans effort : elle va. Car c’est cela l’intelligence : se contourner. La question ne se pose plus d’être fin ou mince et de se rejoindre de loin, d’embrasser, de rejeter, de disjoindre.

Il se glisse entre ses états.

Il vit. Et les choses en lui tournent comme des grains dans le van.

La question de l’amour se fait simple.

Qu’importe qu’il soit moins ou plus, puisqu’il peut s’agiter, se glisser, évoluer, se retrouver et surnager.

Il a retrouvé le jeu de l’amour.

Mais que de livres entre sa pensée et le rêve !

Que de pertes. Et pendant ce temps, que faisait-il de son cœur ? C’est étonnant qu’il lui en reste, du cœur.

Il est bien là. Il est là comme une médaille vivante, comme un arbuste ossifié de métal.

Le voilà bien, le nœud principal.

Héloïse, elle, a une robe, elle est belle de face et de fond.

Alors, il se sent l’exaltation des racines, l’exaltation massive, terrestre, et son pied sur le bloc de la terre tournante se sent la masse du firmament.

Et il crie, Abélard, devenu comme un mort, et sentant craquer et se vitrifier son squelette, Abélard, à la pointe vibrante et à la cime de son effort :

« C’est ici qu’on vend Dieu, à moi maintenant la plaine des sexes, les galets de chair. Pas de pardon, je ne demande pas de pardon. Votre Dieu n’est plus qu’un plomb froid, fumier des membres, lupanar des yeux, vierge du ventre, laiterie du ciel ! »

Alors la laiterie céleste s’exalte. La nausée lui vient.

Sa chair en lui tourne son limon plein d’écailles, il se sent les poils durs, le ventre barré, il sent sa queue qui devient liquide. La nuit se dresse semée d’aiguilles et voici que d’un coup de cisailles ILS lui extirpent sa virilité.

Et là-bas, Héloïse replie sa robe et se met toute nue. Son crâne est blanc et laiteux, ses seins louches, ses jambes grêles, ses dents font un bruit de papier. Elle est bête. Et voilà bien l’épouse d’Abélard le châtré.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #133

jt 133 – il a des choses – WATERBRON

Héloise en Abelard (2)

Maar Héloise heeft ook benen. Het beste eraan is dat ze benen heeft. Ze heeft ook dat zeevaart sextant-ding, waaromheen alle magie draait en graast, dat ding als een liggend zwaard.

Maar bovenal: Héloise heeft een hart. Een prachtig recht hart en helemaal in in takken, uitgerekt, versteven, rauw, door mij gevlochten, weelderig genot, catalepsie van mijn vreugde!

Ze heeft handen die hun kraakbeenboeken in honing wikkelen. Ze heeft borsten van rauw vlees, zo klein, de druk ervan maakt waanzinnig; ze heeft borsten in doolhof van draad. Ze heeft een gedachte die helemaal de mijne is, een insinuerende, verdraaide gedachte die zich uitspint als uit een cocon. Ze heeft een ziel.

In haar gedachten ben ik de lopende naald en het is haar ziel die de naald accepteert en toelaat, en ik ben beter, ik, in mijn naald-zijn dan alle anderen in hun bed, want in mijn bed rol ik de gedachten en de naald in de welvingen van haar slapende cocon.

En langs de draad van deze grenzeloze liefde, dit universeel uitspansel van liefde, is het altijd naar haar dat ik terugkom. En in mijn handen groeien kraters, groeien doolhofborsten, groeien explosieve liefdes die mijn leven buitmaken op mijn slaap.

Maar door welke trance, door welk verrijzen, door welke opeenvolgende verschuivingen komt hij tot dit idee van het genot van zijn geest. Het is een feit dat hij, Abelard, op dit moment geniet van zijn geest. Hij geniet er met volle teugen van. Hij denkt niet meer aan zichzelf, noch aan rechts, noch aan links. Hij is er. Alles wat in hem gebeurt is van hem. En in hem, op dit moment, gebeuren er dingen. Dingen waardoor hij niet zelf hoeft te zoeken. Dat is het grote punt. Hij hoeft zijn atomen niet meer te stabiliseren. Ze voegen zich vanzelf bij elkaar, ze zetten zichzelf in lijn. Zijn hele geest is gereduceerd tot een reeks van stijgingen en dalingen, maar met in het midden steeds een afdaling. Hij hééft dingen.

Wordt vervolgd…

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.129-133]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

HÉLOÏSE ET ABÉLARD (2)

Mais c’est qu’Héloïse aussi a des jambes. Le plus beau c’est qu’elle ait des jambes. Elle a aussi cette chose en sextant de marine, autour de laquelle toute magie tourne et broute, cette chose comme un glaive couché.

Mais par-dessus tout, Héloïse a un cœur. Un beau cœur droit et tout en branches, tendu, figé, grenu, tressé par moi, jouissance profuse, catalepsie de ma joie !

Elle a des mains qui entourent les livres de leurs cartilages de miel. Elle a des seins en viande crue, si petite, dont la pression donne la folie ; elle a des seins en dédales de fil. Elle a une pensée toute à moi, une pensée insinuante et retorse qui se déroule comme d’un cocon. Elle a une âme.

Dans sa pensée, je suis l’aiguille qui court et c’est son âme qui accepte l’aiguille et l’admet, et je suis mieux, moi, dans mon aiguille que tous les autres dans leur lit, car dans mon lit je roule la pensée et l’aiguille dans les sinuosités de son cocon endormi.

Car c’est à elle toujours que j’en reviens à travers le fil de cet amour sans limites, de cet amour universellement répandu. Et il pousse dans mes mains des cratères, il y pousse des dédales de seins, il y pousse des amours explosives que ma vie gagne sur mon sommeil.

Mais par quelles transes, par quels sursauts, par quels glissements successifs en arrive-t-il à cette idée de la jouissance de son esprit. Le fait est qu’il jouit en ce moment de son esprit, Abélard. Il en jouit à plein. Il ne se pense plus ni à droite ni à gauche. Il est là. Tout ce qui se passe en lui est à lui. Et en lui, en ce moment, il se passe des choses. Des choses qui le dispensent de se rechercher. C’est là le grand point. Il n’a plus à stabiliser ses atomes. Ils se rejoignent d’eux-mêmes, ils se stratifient en un point. Tout son esprit se réduit en une suite de montées et de descentes, mais d’une descente toujours au milieu. Il a des choses.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza

journal intime #132

jt132 – j’ai l’esprit ùince comme une main – BRONWATER

De Artaud documentaire met getuigenissen van vele hoofdrolspelers in de na-oorlogse Artaud-vaudeville annex tragedie…

Héloise en Abelard (1)

Het leven dat voor hem lag werd klein. Hele delen van zijn hersenen waren aan het wegrotten. Het fenomeen was bekend, maar ja, het was niet eenvoudig. Abelard gaf zijn toestand niet weer als een ontdekking, maar toch schreef hij:

Beste vriend,

Ik ben een reus. Kan ik het helpen dat ik zo’n topper ben waarvan de hoogste masten borsten voor zeilen nemen, terwijl de vrouwen het gevoel hebben dat hun geslacht zo hard wordt als grint? Kan ik verhinderen dat ik al die eieren onder de jurken voel rollen en schommelen naar gelang het uur en de stemming? Het leven komt en gaat en sleept zich beetje bij beetje over het borstenplaveisel. Van de ene minuut op de andere verandert de wereld van aanzien. Rond de vingers zijn de zielen gewikkeld met hun mica scheurtjes, en tussen de mica door passeert Abelard, want bovenal is er de erosie der geest.

Alle dode mannenmonden lachen hoe ’t gebit hen gebiedt, met een maagdelijke tandenrij of met honger beslagen en bezaaid met viezigheid zoals het harnas van de geest van Abelard.

Maar hier valt Abelard stil. Alleen de oesofagus doet het nog in hem. Niet de eetlust van het verticale kanaal, met zijn passie voor hongersnood, maar de prachtige rechte boom van zilver met zijn vertakkingen van aders voorzien voor de lucht, met vogelbladeren eromheen. Kortom, het louter vegetale frommelleven waarbij de benen vanzelf hun mechanieken stappen doen, en de gedachten varen als hoog gevouwen zeilboten. Doorgang der lichamen.

De mummiegeest wikkelt zich af. Het hoog geblinddoekte leven steekt zijn kop op. Is dit dan de grote dooi? Zal de vogel de tongmondingen doet barsten, zullen borsten zich vertakken en komt het kleine mondje weer op zijn plek? Zal de pittenboom met zijn hand ’t verbeend graniet doorboren? Ja, in mijn hand zit een roos, die mijn tong zomaar draait. Oh, oh, oh! hoe licht is mijn denken. Mijn geest is zo slank als een hand.

Wordt vervolgd…

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.129-133]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

HÉLOÏSE ET ABÉLARD

La vie devant lui se faisait petite. Des places entières de son cerveau pourrissaient. Le phénomène était connu, mais enfin il n’était pas simple. Abélard ne donnait pas son état comme une découverte, mais enfin il écrivait :

Cher ami,

Je suis géant. Je n’y peux rien, si je suis un sommet où les plus hautes mâtures prennent des seins en guise de voiles, pendant que les femmes sentent leurs sexes devenir durs comme des galets. Je ne puis m’empêcher, pour ma part, de sentir tous ces œufs rouler et tanguer sous les robes au hasard de l’heure et de l’esprit. La vie va et vient et pousse petite à travers le pavage des seins. D’une minute à l’autre la face du monde est changée. Autour des doigts s’enroulent les âmes avec leurs craquelures de micas, et entre les micas Abélard passe, car au-dessus de tout est l’érosion de l’esprit.

Toutes les bouches de mâle mort rient au hasard de leurs dents, dans l’arcature de leur dentition vierge ou bardée de faim et lamée d’ordures, comme l’armature de l’esprit d’Abélard.

Mais ici Abélard se tait. Seul l’œsophage maintenant marche en lui. Non pas, certes, l’appétit du canal vertical, avec sa passion de famine, mais le bel arbre d’argent droit avec ses ramifications de veinules faites pour l’air, avec autour des feuillages d’oiseaux. Bref, la vie strictement végétale et froissée où les jambes vont de leur pas mécanique, et les pensées comme de hauts voiliers repliés. Le passage des corps.

L’esprit momifié se déchaîne. La vie haut bandée lève la tête. Sera-ce enfin le grand dégel ? L’oiseau crèvera-t-il l’embouchure des langues, les seins vont-ils se ramifier et la petite bouche reprendre sa place ? L’arbre à graines percera-t-il le granit ossifié de la main ? Oui, dans ma main il y a une rose, voici que ma langue tourne sans rien. Oh, oh, oh ! que ma pensée est légère. J’ai l’esprit mince comme une main.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #131

jt131 – avec de sinistres pirouettes – ROOFKUNST

Brief aan een waarzegster (2)

De emotie van het weten werd gedomineerd door het gevoel van de eindeloze clementie van het bestaan1Ik kan het niet helpen. Ik had dit gevoel voor haar. Het leven was goed omdat deze helderziende er was. De aanwezigheid van deze vrouw was voor mij als opium, zuiverder, lichter, een weinig minder potig dan dat. Maar veel dieper en breder, zij opende andere bogen in de cellen van mijn geest. De actieve staat van spirituele uitwisselingen, de uitslaande brand van directe en minuscule werelden, de nabijheid van oneindige levens die deze vrouw voor mij openstelde, toonde mij eindelijk een uitweg uit het leven, een reden om in de wereld te zijn. Want het leven is enkel acceptabel als men het gevoel heeft groot te zijn, als men zich aan de oorsprong der fenomenen voelt, althans van een bepaald aantal daarvan. Zonder de kracht van de expansie, zonder een zekere dominantie over de dingen, is het leven onverdedigbaar. Er is maar één ding opwindend in de wereld: contact met de krachten van de geest. Bij deze zieneres doet zich echter een nogal paradoxaal fenomeen voor. Ik voel niet langer de behoefte om krachtig te zijn, of groots, de verleiding die het op mij uitoefent is straffer dan mijn trots, een vluchtige nieuwsgierigheid is voor mij genoeg. Ik ben bereid voor haar afstand te doen van alles: trots, wil, intelligentie. Intelligentie, vooral. De intelligentie die al geheel mijn trots uitmaakt. Ik heb het hier uiteraard niet over de logische wendbaarheid van de geest, of over de kracht om snel te denken, om snelle schema’s in de marges van het geheugen te schetsen. Ik heb het over een vaak langdurige penetratie, die zich niet hoeft te concretiseren om voldoening te geven en die duidt op diepe inzichten van de geest. Het is op het vertrouwen in deze penetratie op klompvoeten die meestal zonder grond is (een vertrouwen dat ik zelf niet bezit), dat ik altijd om krediet heb gevraagd, dat men mij honderd jaar krediet geve en tevreden zou zijn met stilzwijgen de hele tijd . Ik weet in welk voorgeborchte ik deze vrouw kan vinden. Ik spit een probleem uit dat mij dichter bij het goud brengt, bij elke subtiliteit, een abstract probleem zoals een pijn die geen vorm heeft en die trilt en verdwijnt bij contact met het bot.. Mij kon er niets slechts te beurt vallen van dat starre blauwe oog waardoor u mijn noodlot inspecteerde.

Het hele leven werd mij als het gezegende landschap waar de dromen zich omdraaien en zich presenteren met het gelaat van ons ‘ik’. Het idee van absolute kennis valt samen met het idee van de absolute gelijkenis van het leven met mijn bewustzijn. En ik putte uit deze dubbele gelijkenis het gevoel van een zeer nabije geboorte, waarbij u de vergevingsgezinde en goede moeder van mijn lot was, hoewel dat daarvan afweek. Niets leek mij nog mysterieus aan deze abnormale helderziendheid, waarbij de gebaren van mijn vroegere en toekomstige bestaan aan u werden afgeschilderd met hun van waarschuwingen en verbanden zwangere betekenissen. Ik voelde mijn geest communiceren met de uwe omtrent de figuur van die waarschuwingen.

Maar gij, mevrouw, wat is toch die vuurworm die plotseling in u kruipt, en door welke kunstgreep uit welke onvoorstelbare sferen? want u ziet, en toch is er dezelfde ruimte uitgespreid om ons heen.

Het verschrikkelijke, mevrouw, zit hem in de onbeweeglijkheid van deze muren, van deze dingen, in de vertrouwdheid van het meubilair dat u omringt, de accessoires van uw waarzeggerij, in de stille onverschilligheid van het leven waar u aan deelneemt net zoals ik.

En uw kleren, mevrouw, die kleren die een persoon raken die ziet. Uw vlees, al uw functies eigenlijk. Ik kan niet wennen aan het idee dat u onderworpen bent aan dezelfde voorwaarden van Ruimte, van Tijd, dat er lichamelijke benodigdheden op u wegen. Je zou te licht moeten zijn voor de ruimte.

En anderzijds leek u mij zo mooi, zo menselijk gracieus, zo alledaags. Mooi als eender welke vrouw waarvan ik het brood en de spasme opwacht en dat ze mij tot naar een lichamelijke drempel tilt.

In mijn ogen bent u grens- en bodemloos , absoluut, diepgaand onbegrijpelijk. Want hoe komt u in het reine met het leven, u die de gave van het zicht bij de hand heeft? En deze lange, geheel verenigde weg waar uw ziel als een pendel rondwaart, en waar ik zo duidelijk de toekomst van mijn dood zou lezen.

Ja, er bestaan nog mannen die de afstand van het ene gevoel tot het andere kennen, die weten hoe ze etages en haltes kunnen creëren voor hun verlangens, die weten hoe ze afstand kunnen nemen van hun verlangens en hun ziel, om er dan valselijk in op gaan als overwinnaars. En er bestaan denkers die hun gedachten pijnlijk omcirkelen, die voorwendselen in hun dromen introduceren, er bestaan nog geleerden die wetten blootleggen met grimmige pirouettes!

Maar gij, verafschuwd, veracht, verbluffend, gij steekt het leven in brand. En zo staat het rad van de Tijd in één klap in vuur en vlam om de hemel te doen kraken.

U neemt mij op even klein, weggevaagd, verworpen, en net zo wanhopig als uzelf, en u tilt mij op, u verwijdert mij van deze plek, van deze valse ruimte waar u niet eens meer gebaart van te leven, aangezien u al het membraan van uw rust hebt bereikt. En dit oog, deze blik op mezelf, deze enkele troosteloze blik die heel mijn bestaan is, u vergroot het en laat het op zich omdraaien, en ziedaar hoe een lumineus ontluiken ontstaat uit geneugten zonder schaduwzijden die mij doen herleven als een mysterieuze wijn.

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.123-128]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

L’émotion de savoir était dominée par le sentiment de la mansuétude infinie de l’existence 2Je n’y peux rien. J’avais ce sentiment devant Elle. La vie était bonne parce que cette voyante était là. La présence de cette femme m’était comme un opium, plus pur, plus léger, quoique moins solide que l’autre. Mais beaucoup plus profond, plus vaste et ouvrant d’autres arches dans les cellules de mon esprit. Cet état actif d’échanges spirituels, cette conflagration de mondes immédiats et minuscules, cette imminence de vies infinies dont cette femme m’ouvrait la perspective, m’indiquaient enfin une issue à la vie, et une raison d’être au monde. Car on ne peut accepter la Vie qu’à condition d’être grand, de se sentir à l’origine des phénomènes, tout au moins d’un certain nombre d’entre eux. Sans puissance d’expansion, sans une certaine domination sur les choses, la vie est indéfendable. Une seule chose est exaltante au monde : le contact avec les puissances de l’esprit. Cependant devant cette voyante un phénomène assez paradoxal se produit. Je n’éprouve plus le besoin d’être puissant, ni vaste, la séduction qu’elle exerce sur moi est plus violente que mon orgueil, une certaine curiosité momentanément me suffit. Je suis prêt à tout abdiquer devant elle : orgueil, volonté, intelligence. Intelligence surtout. Cette intelligence qui est toute ma fierté. Je ne parle pas bien entendu d’une certaine agilité logique de l’esprit, du pouvoir de penser vite et de créer de rapides schémas sur les marges de la mémoire. Je parle d’une pénétration souvent à longue échéance, qui n’a pas besoin de se matérialiser pour se satisfaire et qui indique des vues profondes de l’esprit. C’est sur la foi de cette pénétration au pied-bot et le plus souvent sans matière (et que moi-même je ne possède pas), que j’ai toujours demandé que l’on me fasse crédit, dût-on me faire crédit cent ans et se contenter le reste du temps de silence. Je sais dans quelles limbes retrouver cette femme. Je creuse un problème qui me rapproche de l’or, de toute matière subtile, un problème abstrait comme la douleur qui n’a pas de forme et qui tremble et se volatilise au contact des os.. Rien de mauvais pour moi ne pouvait tomber de cet œil bleu et fixe par lequel vous inspectiez mon destin.

Toute la vie me devenait ce bienheureux paysage où les rêves qui tournent se présentent à nous avec la face de notre moi. L’idée de la connaissance absolue se confondait avec l’idée de la similitude absolue de la vie et de ma conscience. Et je tirais de cette double similitude le sentiment d’une naissance toute proche, où vous étiez la mère indulgente et bonne, quoique divergente de mon destin. Rien ne m’apparaissait plus mystérieux, dans le fait de cette voyance anormale, où les gestes de mon existence passée et future se peignaient à vous avec leurs sens gros d’avertissements et de rapports. Je sentais mon esprit entré en communication avec le vôtre quant à la figure de ces avertissements.

Mais vous, enfin, Madame, qu’est-ce donc que cette vermine de feu qui se glisse tout à coup en vous, et par l’artifice de quelle inimaginable atmosphère ? car enfin vous voyez, et cependant le même espace étalé nous entoure.

L’horrible, Madame, est dans l’immobilité de ces murs, de ces choses, dans la familiarité des meubles qui vous entourent, des accessoires de votre divination, dans l’indifférence tranquille de la vie à laquelle vous participez comme moi.

Et vos vêtements, Madame, ces vêtements qui touchent une personne qui voit. Votre chair, toutes vos fonctions enfin. Je ne puis pas me faire à cette idée que vous soyez soumise aux conditions de l’Espace, du Temps, que les nécessités corporelles vous pèsent. Vous devez être beaucoup trop légère pour l’espace.

Et, d’autre part, vous m’apparaissiez si jolie, et d’une grâce tellement humaine, tellement de tous les jours. Jolie comme n’importe laquelle de ces femmes dont j’attends le pain et le spasme, et qu’elles me haussent vers un seuil corporel.

Aux yeux de mon esprit, vous êtes sans limites et sans bords, absolument, profondément incompréhensible. Car comment vous accommodez-vous de la vie, vous qui avez le don de la vue toute proche ? Et cette longue route toute unie où votre âme comme un balancier se promène, et où moi, je lirais si bien l’avenir de ma mort.

Oui, il y a encore des hommes qui connaissent la distance d’un sentiment à un autre, qui savent créer des étages et des haltes à leurs désirs, qui savent s’éloigner de leurs désirs et de leur âme, pour y rentrer ensuite faussement en vainqueurs. Et il y a ces penseurs qui encerclent péniblement leurs pensées, qui introduisent des faux-semblants dans leurs rêves, ces savants qui déterrent des lois avec de sinistres pirouettes !

Mais vous, honnie, méprisée, planante, vous mettez le feu à la vie. Et voici que la roue du Temps d’un seul coup s’enflamme à force de faire grincer les cieux.

Vous me prenez tout petit, balayé, rejeté, et tout aussi désespéré que vous-même, et vous me haussez, vous me retirez de ce lieu, de cet espace faux où vous ne daignez même plus faire le geste de vivre, puisque déjà vous avez atteint la membrane de votre repos. Et cet œil, ce regard sur moi-même, cet unique regard désolé qui est toute mon existence, vous le magnifiez et le faites se retourner sur lui-même, et voici qu’un bourgeonnement lumineux fait de délices sans ombres, me ravive comme un vin mystérieux.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Noten   [ + ]

1. Ik kan het niet helpen. Ik had dit gevoel voor haar. Het leven was goed omdat deze helderziende er was. De aanwezigheid van deze vrouw was voor mij als opium, zuiverder, lichter, een weinig minder potig dan dat. Maar veel dieper en breder, zij opende andere bogen in de cellen van mijn geest. De actieve staat van spirituele uitwisselingen, de uitslaande brand van directe en minuscule werelden, de nabijheid van oneindige levens die deze vrouw voor mij openstelde, toonde mij eindelijk een uitweg uit het leven, een reden om in de wereld te zijn. Want het leven is enkel acceptabel als men het gevoel heeft groot te zijn, als men zich aan de oorsprong der fenomenen voelt, althans van een bepaald aantal daarvan. Zonder de kracht van de expansie, zonder een zekere dominantie over de dingen, is het leven onverdedigbaar. Er is maar één ding opwindend in de wereld: contact met de krachten van de geest. Bij deze zieneres doet zich echter een nogal paradoxaal fenomeen voor. Ik voel niet langer de behoefte om krachtig te zijn, of groots, de verleiding die het op mij uitoefent is straffer dan mijn trots, een vluchtige nieuwsgierigheid is voor mij genoeg. Ik ben bereid voor haar afstand te doen van alles: trots, wil, intelligentie. Intelligentie, vooral. De intelligentie die al geheel mijn trots uitmaakt. Ik heb het hier uiteraard niet over de logische wendbaarheid van de geest, of over de kracht om snel te denken, om snelle schema’s in de marges van het geheugen te schetsen. Ik heb het over een vaak langdurige penetratie, die zich niet hoeft te concretiseren om voldoening te geven en die duidt op diepe inzichten van de geest. Het is op het vertrouwen in deze penetratie op klompvoeten die meestal zonder grond is (een vertrouwen dat ik zelf niet bezit), dat ik altijd om krediet heb gevraagd, dat men mij honderd jaar krediet geve en tevreden zou zijn met stilzwijgen de hele tijd . Ik weet in welk voorgeborchte ik deze vrouw kan vinden. Ik spit een probleem uit dat mij dichter bij het goud brengt, bij elke subtiliteit, een abstract probleem zoals een pijn die geen vorm heeft en die trilt en verdwijnt bij contact met het bot.
2. Je n’y peux rien. J’avais ce sentiment devant Elle. La vie était bonne parce que cette voyante était là. La présence de cette femme m’était comme un opium, plus pur, plus léger, quoique moins solide que l’autre. Mais beaucoup plus profond, plus vaste et ouvrant d’autres arches dans les cellules de mon esprit. Cet état actif d’échanges spirituels, cette conflagration de mondes immédiats et minuscules, cette imminence de vies infinies dont cette femme m’ouvrait la perspective, m’indiquaient enfin une issue à la vie, et une raison d’être au monde. Car on ne peut accepter la Vie qu’à condition d’être grand, de se sentir à l’origine des phénomènes, tout au moins d’un certain nombre d’entre eux. Sans puissance d’expansion, sans une certaine domination sur les choses, la vie est indéfendable. Une seule chose est exaltante au monde : le contact avec les puissances de l’esprit. Cependant devant cette voyante un phénomène assez paradoxal se produit. Je n’éprouve plus le besoin d’être puissant, ni vaste, la séduction qu’elle exerce sur moi est plus violente que mon orgueil, une certaine curiosité momentanément me suffit. Je suis prêt à tout abdiquer devant elle : orgueil, volonté, intelligence. Intelligence surtout. Cette intelligence qui est toute ma fierté. Je ne parle pas bien entendu d’une certaine agilité logique de l’esprit, du pouvoir de penser vite et de créer de rapides schémas sur les marges de la mémoire. Je parle d’une pénétration souvent à longue échéance, qui n’a pas besoin de se matérialiser pour se satisfaire et qui indique des vues profondes de l’esprit. C’est sur la foi de cette pénétration au pied-bot et le plus souvent sans matière (et que moi-même je ne possède pas), que j’ai toujours demandé que l’on me fasse crédit, dût-on me faire crédit cent ans et se contenter le reste du temps de silence. Je sais dans quelles limbes retrouver cette femme. Je creuse un problème qui me rapproche de l’or, de toute matière subtile, un problème abstrait comme la douleur qui n’a pas de forme et qui tremble et se volatilise au contact des os.
Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Lopende zaken opiniestukken Proza

journal intime #129

jt129 – un optimisme intégral – SCHEPIJS

vanochtend las ik een opiniestuk in het NRC over wat met ‘afrekencultuur’ is gaan noemen, naar de Engelse vrees voor de ‘cancel culture’. ik ergerde mij daarbij nogal aan de wereldvreemdheid van de auteur, een historicus van wie je toch zou verwachten dat hij de actualiteit kan duiden vanuit het perspectief van zijn opleiding, die van alle richtingen in de menswetenschappen toch als minst wereldvreemde bekend staat.

in het volle besef van de futiliteit ervan schreef ik dan toch maar die ergenis van mij af in de hiernavolgende verbale gedachtenlozing, waarvoor mijn oprechte excuses.

over de afrekencultuur

het recht op vrije meningsuiting was en is een afgedwongen recht dat elk burger eender wat en waar mocht en mag beweren in weerwil van de overheid en hoe die het graag wil of zou willen horen.

zo is dat. dat mochten en dat mogen we. alleen is het nu zo dat je je mening net zo goed in je bed voor je zelf kan uit mompelen als je niet ergens toegang hebt tot een ‘platform’, een ‘spreekbuis’, een ‘medium’.

nu hoe je het amalgaam van plaatsen waar je mening kan gehoord worden ook noemen wil, heden ten dage is zo’n ‘locus’ weinig anders nog dan een betaald zitje.
het betaalde zitje is goedkoop zolang je mening onbelangrijk, neutraal en rendabel is: zolang het zichzelf ‘verkoopt’. eender welke opinie over de nieuwe haarkleur van Beyoncé is vaneigens zelfbedruipend en zal uitgebreid aan bod komen…

het betaalde zitje wordt duurder naarmate ze meer afwijkend, belangrijker, en/of onrendabel is.

dat maakt dat elke mening sowieso gekwantificeerd wordt: ze wordt op dat raster gelegd en haar prijs wordt bepaald. dat gebeurt niet door iemand, ook niet door een of ander duister consortium, maar door de zgn. ‘vrije’ markt die uiteraard wel bespeeld wordt door diverse schimmige tot gitzwarte ‘belangengroepen’.

wat men dan de ‘open debatcultuur’ pleegt te noemen stelt niet veel anders meer voor dan wat geschud met het raster ten einde te bepalen in welk vakje het gekweel in kwestie thuishoort zodat het naar behoren geprijsd naar de ‘vrije’ markt kan vloeien.

die onvermijdelijke kwantificatie van elke opinie in het moordende spel van vraag en aanbod wordt verder gekenmerkt door obstinate (koppige) afwezigheid van de overheid in de organisatie ervan.
de overheid wijst elke verantwoordelijkheid van de hand, want zij mag immers niet ingrijpen bij deze ‘vrijheid’ van meningsuiting.

wat volgt is dan, onder de verdeelde zitjes, het huidige zwarte pieten spel waarbij de verantwoordelijkheid wordt doorgeschoven of naar de media die stuk voor stuk op ‘vrije markt’ principes van vraag en aanbod zijn georganiseerd, of naar culturele opiniebepalers zoals universiteiten die eveneens als bedrijf worden gerund, of naar bepaalde satanisch kwaadwillige politici. in feite dus naar de dichtsbijzijnde Speerse spektakelfaçade voor het mombakkes, de eigenface van de kwantificatiecultuur zelf, die wij allen in ons midden toelaten en zelfs toejuichen.

want uiteindelijk is het natuurlijk allemaal onze eigen ‘schuld’: wij staan toe dat bedrijven als Facebook, Google en Twitter bepalen wat er wel en niet mag gezegd worden
wij staan toe dat er nagenoeg geen enkele vrijplaats, geen enkel onbepaald kanaal van informatie meer bestaat
wij dringen er bij onze overheid die wij verkiezen niet op aan dat er voor ons als burger zulk een digitaal platform dat vrij is van commerciële belangen wordt gecreëerd (de kostprijs daarvan is bij een degelijke uitbouw waarbij je de burger gaandeweg laat zien dat wanneer hij er direct zijn geld aan geeft ipv indirect via belastingen, wanneer je laat zien waarvoor zij betaalt, belachelijk klein)
wij beweren al sinds 1990 dat we ‘van computers niks begrijpen’ en het zijn wij, u en ik, die wat dit en vele andere dingen betreft al onze burgerrechten cadeau gedaan hebben aan voornoemde spelers, de uitbaters van het meningenpretpark waarbinnen ik hier, op Facebook en elders mag beweren wat ik wil, want tegen de financiële overmacht die deze macht over mij en jullie wil behouden als een rechtmatig verworven eigendom, kan ondertussen niemand meer op.

ofwel, misschien? ik zie het graag gebeuren…

dus kunnen we het woord ‘afrekencultuur’ misschien beter her-begrijpen, ‘hermunten’ – zo zeggen jullie dat toch niet? – als die cultuur waarin je als individu voortdurend afgerekend wordt op de marktwaarde die je hebt, dwz. hoeveel er van jou nog geëxploiteerd kan worden, wat de data die jij genereert door hier binnen de globale database van het internet voortdurend rond te klikken en jouw mening te fulmineren nog opbrengt aan de kassa.
een kassa die voor ieder van ons netjes afgesloten en buiten zicht en buiten bereik blijft, en zeker dan voor de naarstig speurende overheden, maar ach, da’s maar een zielig hoopje kleine adverteerders, een slecht georganiseerde bende prutsers waarvan de meest effeciënte elementen overigens ter controle een ruime toelage krijgen, rechtstreeks uit de kassa, hier, niet bij jou.

en deze afrekencultuur floreert geheel dankzij jouw al te bereidwillige medewerking, waarvoor niemand jou ooit bedanken zal, laat staan betalen.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma


Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza

journal intime #128

jt128 – l’uniformité de toutes choses – IJSSCHEP

stel je voor dat alle dingen, de dingen die wij zien en betasten en gebruiken, het koffielepeltje, jouw smartenfoon, de potloodscherper, de auto van de buren en het zwaard van ardoewaan, stel je voor dat al die dingen op ons zouden gelijken, niet oppervlakkig maar echt essentieel, in wezen, dus zoals jij en ik echt zijn, werkelijkheid vormen, ze zouden dan enkel verschillen in hun verschijningsvormen, in hun kleuren, hun geuren, hoe ze aanvoelen als je ze aanraakt en wat je ermee doen kan dus aja oké het spreekt dat je met het koffielepeltje geen moslim de arm gaat afhakken of dat je de potloodscherper niet neemt om naar het trouwfeest van je oudste zoon met de dochter van een maffiabaas te rijden en dat jij niet echt helemaal mij bent en ik jou niet als jouw lief je aan het neuken is, maar goed, stel je voor dat we allemaal toch in wezen en in essentie dat een en hetzelfde ding zouden zijn dat alle verschillen uiteindelijk één voor één wegvallen, na veel vijven en zessen, dat alle kleuren zouden samenvloeien tot een vaalgrijs witachtig schijnsel , dat alle geuren samenklitten als een garenkluwen tot een enerverende chloorstank, dat al het tastbare en al het tastende tot éénzelfde laag van uniformiteit zou zijn uit elkaar gevallen en dat er in gans het universum niks anders meer te zien, te ruiken of te voelen, laat staan te horen zou zijn en dat alles dus oef seg uiteindelijk die rust van het niets, nee van het eenvormige, het onderscheidsloze zou hebben gevonden…


op dat moment, wanneer je erin slaagt om je dat voor te stellen, om het te voelen, te ruiken, te zien, dan heb jij misschien ook bereikt wat Antonin Artaud vanochtend met mij klaarspeelde toen hij mij de 4 nee 5 woorden ‘l’uniformité de toutes choses’ te lezen gaf, maar toen belde een vriendin mij op om af te spreken voor vanavond, en jazeker ik ga graag met je mee zei ik en ik vergat alles van wat ik daarnet vertelde weer en een mooie avond was het, ja dat is het zeker geworden, maar toch ook weer een avond die voorbij is, zoals alle avonden daarvoor wel wat anders waren maar toch avond ook en voorbij vooral. 

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza

journal intime #127

jt 127 – l’aplanissement de la vie – WERKDRUK

ochtendtekeningske van een fictief mens. mijzelf weer als een of ander verlopen rockwijf vermoedelijk.

ik heb mijzelf beloofd om te proberen een uitlegje te schrijven voor een tijdschrift, en meteen voel ik mij beklemd, benauwd, gevangen in de dwingende logica van een wereld die niet de mijne is. als een leeuw in een kooi, ha.

ik voel mij helemaal niet onbegrepen, dat is het niet. het probleem is eerder: ik hoor hier gewoon niet thuis. mijn denken, mijn aanvoelen, mijn motivaties en mijn bekommernissen zijn niet compatibel met die van de mensen om mij heen en van mijn inzichten moet niemand wat hebben want niets daarvan kan ooit stroken met hoe zij handelen. ik begrijp hun motivaties wel, ik zie waarom zij wat betrachten en ik zie er vaak de schoonheid van in , ik bemin zovele van hen daarom, van op veilige afstand toch, omdat hun streven altijd zo nobel lijkt en ook wel is en hoe zij dan falen telkens door hun eigen zelfzucht weer maar eens te onderschatten en door zichzelf buiten het vernietigende oordeel te plaatsen dat zij hoe dan ook wel over de ander blijven vellen en ach, wat zou het, ik weet heus wel dat men alles wat ik zeg of schrijf of doe zal blijven ontkennen tot ikzelf dood en vergeten ben en het veilig wordt geacht om eindelijk te gaan toepassen wat ik heel de tijd wou aanreiken. dat het dan veel te laat zal zijn maakt niet uit, het is immers het gebaar dat telt. een gedachte is veel waard.

als ik wil dat het beter gaat met hen, kan ik beter zwijgen, want alles wat ik zeg is sowieso onaanvaardbaar, alleen al omdat het van mij komt.

en ik wil helemaal niks. ik verfoei mijn gelijk als een verschrikkelijke vloek en ik wil niemand of niets ‘hebben’, en ik ben helemaal niet eenzaam of ongelukkig, ik wil enkel zoveel mogelijk van dat verdomde ik vanaf waar niemand wat aan heeft en ik wil enkel weten, zoals Bernard Réquichot, waar het werk mij heen wil voeren. niet waarom. waar, en hoezo, daar.

het werk wil ‘ik’ worden, er gans in oplossen, maar traagjes zoals na het vrijen je er in super slow mo kan op oefenen om het uit elkander glijden zo lang mogelijk te rekken. want ik wil tot op de laatste seconde van 4 mei 2054 ten volle blijven genieten van deze uiterst langzame dood.

dus, dag na dag, uur na uur, jaar na jaar zit ik bij mijn versie van de ‘voyante’ van Artaud [ARTAUD 1956, p.123-128] en samen bekijken wij stilzwijgend wat er nou weer uit mijn bewegen hier op aarde opwelt, wat er zich uitgebraakt wil zien, en hoe die ophoestingen verder uitvlakken in het leven, op de vaalt om mij heen. maar zoiets stuur je dus beter niet naar een tijdschrift, in this dying day and age.

‘I can see it all before me’ neurieën wij samen, en dan lachen we wel eens, maar meestal bekwamen we ons in stilte verder in het verabsoluteren van de onverschilligheid bij het trage maar ononderbroken gestage naderen van onze onvermijdelijke ondergang.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #125

jt125 – Tous les rêves sont vrais – ZAKGELD

WIE HEEFT NIET, … (voetnoot)

Ik bevestig – en ik houd vast aan dit idee – dat de dood niet buiten het rijk van de geest is, dat hij binnen bepaalde grenzen kenbaar en benaderbaar is door een bepaalde gevoeligheid.

Alles wat in de orde der schriftuur het principe van ordelijke en heldere waarneming loslaat, alles wat tot doel heeft een omkering van de schijn te creëren, twijfel te introduceren over de positie van de beelden van de geest ten opzichte van elkaar, alles wat verwarring zaait zonder de kracht van de gedachte die opkomt te vernietigen, alles wat de dingen op hun kop zet door het ontredderde denken een nog groter aspect van waarheid en geweld aan te bieden, dat alles biedt een oplossing voor de dood, brengt ons in verbinding met de meer verfijnde gemoedstoestanden te midden waarin de dood zich uitdrukt.

Daarom zijn het zwijnen allemaal, zij die dromen zonder hun voorbije dromen te betreuren, zonder een gevoel van afschuwelijke nostalgie over te houden aan zulk onderduiken in vruchtbaar onbewustzijn. De droom is waar. Alle dromen zijn echt. Ik heb het gevoel van oneffenheden, van landschappen alsof ze gebeeldhouwd zijn, van golvende aardstukken die bedekt zijn met een soort vers zand, waarvan de betekenis is:

“spijt, teleurstelling, verlating, breuk, wanneer zien we elkaar weer?”.

Niets lijkt zozeer op liefde als de roep van bepaalde droomlandschappen, als het omlijnen van bepaalde heuvels, van een soort materiële leem waarvan de vorm als het ware op het denken is gegoten.

Wanneer zien we elkaar weer? Wanneer zal de aardse smaak van je lippen weer in de buurt komen van de angst van mijn geest? De aarde is als een werveling van dodelijke lippen. Het leven graaft voor ons de afgrond uit van alle vermiste strelingen.Wat hebben we te maken met deze engel die zich niet heeft weten te tonen? Zullen al onze gewaarwordingen voor altijd intellectueel blijven, en zullen onze dromen niet in staat zijn om vuur te vatten bij een ziel waarvan de emotie ons zal helpen om te sterven? Wat is deze dood waar we voor altijd alleen zijn, waar de liefde ons niet de weg wijst?

WORDT VERVOLGD

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.117-121]
vert. NKdeE 2020 – CC Free Culture License 4.0

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

J’affirme – et je me raccroche à cette idée que la mort n’est pas hors du domaine de l’esprit, qu’elle est dans de certaines limites connaissable et approchable par une certaine sensibilité.

Tout ce qui dans l’ordre des choses écrites abandonne le domaine de la perception ordonnée et claire, tout ce qui vise à créer un renversement des apparences, à introduire un doute sur la position des images de l’esprit les unes par rapport aux autres, tout ce qui provoque la confusion sans détruire la force de la pensée jaillissante, tout ce qui renverse les rapports des choses en donnant à la pensée bouleversée un aspect encore plus grand de vérité et de violence, tout cela offre une issue à la mort, nous met en rapport avec des états plus affinés de l’esprit au sein desquels la mort s’exprime.

C’est pourquoi tous ceux qui rêvent sans regretter leurs rêves, sans emporter de ces plongées dans une inconscience féconde un sentiment d’atroce nostalgie, sont des porcs. Le rêve est vrai. Tous les rêves sont vrais. J’ai le sentiment d’aspérités, de paysages comme sculptés, de morceaux de terre ondoyants recouverts d’une sorte de sable frais, dont le sens veut dire :

« regret, déception, abandon, rupture, quand nous reverrons-nous ? »

Rien qui ressemble à l’amour comme l’appel de certains paysages vus en rêve, comme l’encerclement de certaines collines, d’une sorte d’argile matérielle dont la forme est comme moulée sur la pensée. Quand nous reverrons-nous ? Quand le goût terreux de tes lèvres viendra-t-il à nouveau frôler l’anxiété de mon esprit ? La terre est comme un tourbillon de lèvres mortelles. La vie creuse devant nous le gouffre de toutes les caresses qui ont manqué. Qu’avons-

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
Kathedraalse Leer Proza

kosmotheia

je kan bij (her)lezing van de theaterteksten van Artaud beginnen dromen over updates van het Theater van de Wreedheid, en dan kom je allicht nogal snel uit bij internationaal geproducete kut- en lulsnoeverijen vol opspattend geil en klassiek-grieks opgesnoven, bloederige, lichamelijke heldhaftigheden met een onuitputtelijke voorraad aan ‘poeier van het huis’ waarmee je dan ondanks alle schandalen Vlaanderen’s eer en glorie kan gaan vertegenwoordigen op de elitaire podia van de Verenigde Verwende Fortkindjes van Europa en Daarbuiten.

kijk: ik was vanochtend al mobiele agent-cabines aan het bouwen die als avatar-behuizingen zouden kunnen dienen op een materiële setting waar je kan op inloggen om dan virtueel en volledig coronaproof zou kunnen deelnemen aan het ‘spel’ en het ‘schouwen’ daarvan, waarbij de burg natuurlijk brug werd, de seks volledig taktiel ‘echt’ en de prijskaartjes voor een snuff-sessie onbetaalbaar voor iedereen buiten voor hen die nog net niet het eeuwige leven konden betalen. sterven op de scène als finaal spektakelaanbod na het toch maar saaie tripje naar Mars.

misschien missen we dan toch iets van het opzet van Artaud’s theaterhervormingen want die zochten wel degelijk een maatschappelijke relevantie. dus bedacht ik maar snel volgende hypothese, die zo je ze als werkbaar wenst te aanvaarden en verder bij te stellen, het voordeel heeft dat je niks meer moet bouwen, laat staan betaalbaar maken.

ter opfrissing kan je vooraf nog ff meekijken in het Ijzerboekje met de vertaling van Simon Vinkenoog die op het voorwoord na uiteindelijk nog best te pruimen is, zij het dan wel – ik citeer een mij dierbare in de chat daarstraks – ‘toch wat houterig en stroef in de lezing’


hypothese: de ‘wreedheid’ van Artaud is misschien wel de inhumane gestrengheid, de onverzettelijke onverschilligheid van de algoritmische bepaling die ons allen nu en hier (op FB bv.) tot mondige zwijgers en dilettant-nukkige slaven knecht.
het theater van de wreedheid is dan doorheen het zwarte gat van de spektakelmaatschappij (Debord) binnenstebuiten gefloept en wij zijn de alle controle of individuele interpretatie van onze rollen ontzegde spelers, de machteloze profielen rond een voor ons onzichtbare publiekskring in het midden.

wij vermoeden dan in onze megalomane paranoia een bende complotterende machthebbers in het publiekscentrum, maar wat er schouwt kunnen wij als verblinde spelers niet zien, het is een intelligentie die wij niet als dusdanig kunnen ‘begrijpen’.
en ach, de uitbaters van de netwerkvoorzieningen hebben heus wel wat beters te doen dan naar ons oeverloos geëmmer en gekrakeel te kijken, en zij garanderen maar al te graag onze privacy om onze data te kunnen verhandelen. who gives a shit.

toch: wij worden aanschouwd, wij worden afgespeeld in een kosmotheia* dat geheel buiten ons om georchestreerd wordt volgens de ‘demonische’ natuurwetten van het Rot en het Kapitaal.
al onze kwaliteiten worden op hun nominale waarde gekwantificeerd en van daaruit aangewend voor verdere verspreiding in het heelal of vernietigd. want elke klik is een stap verder in de afgesloten en alsmaar meer toegenepen corridor van de ons toegestane handelingen: onze mogelijkheden zijn immers beperkt tot wat betaalbaar is.

de apocalyps is geen oogwenk maar een voortdurend tijdperk, een geduldig sloopwerk van millennia. of iets minder lang, wat u en ik betreft.


*Het Franse woord is een geleerde ontlening aan Latijn theātrum ‘plaats waar schouwspelen gezien worden, theater‘, dat zelf ontleend is aan Grieks théātron ‘id. ‘ . Dat woord is een afleiding van theâsthai ‘aanschouwen, waarnemen’, afgeleid van théā ‘aanblik, schouwspel’, van onbekende verdere herkomst. (> WIKIPEDIA) – Cosmos (= Gr. κόσμος (kosmos)). De oorspronkelijke betekenis is: orde.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #124

jt 124 – l’image d’un panique déjà éprouvée – GELDZAK

WIE HEEFT NIET, … (2)

Ik beschreef net een sensatie van angst en droom, van angst die in de droom binnen glijdt een beetje zoals ik mij voorstel dat de agonie moet binnenglijden en zich voltrekken in de dood.
In ieder geval, zulke dromen kunnen niet liegen. Ze liegen niet. En die aaneengeregen doodssensaties, die verstikkingen, die wanhoop, dat inslapen, die verlatenheid, die stilte, zie je die niet met de uitvergrote spanning van een droom, met het gevoel dat er een nieuwe zijde van de realiteit voor goed achter jou ligt?
Maar kijk, op de bodem van de dood of de droom herbegint de angst. Deze angst die zich als een elastiek opspant en je plots bij de keel grijpt, ze is noch onbekend, noch nieuw. De dood waar men is ingegleden zonder er zich rekenschap van te geven, de terugkeer als lichaamsklomp, dat hoofd – het moest zo nodig , dat hoofd dat het bewustzijn en het leven bevat en dus ook de ultieme verstikking – het moest zo nodig, ook dat hoofd, de kleinst mogelijke opening door. Maar het huivert tot in het diep der porieën, en het heeft door het heen en weer schudden in ontzetting het idee gekregen, het gevoel dat het opgeblazen is, dat zijn angst vorm heeft gekregen, dat die onder de huid ontsproten is.

En omdat uiteindelijk de dood toch niets nieuws is, maar integendeel maar al te bekend, zien we niet aan het eind van deze inwendige gisting het beeld van een reeds ervaren paniek? De kracht van de wanhoop lijkt bepaalde situaties uit de kindertijd te doen weerkeren, waarin de dood zich zo helder en als een eenduidige stroom van ontzetting aandiende. De kindertijd kent een bruusk ontwaken van de geest, van intense uitbreidingen van het denken dat de latere leeftijd verloren heeft. In sommige paniekangsten uit de kindertijd, bepaalde grootse en onredelijke verschrikkingen waarin het gevoel van een niet humane dreiging loert, is het onbetwistbaar dat de dood verschijnt
als het scheuren van een nabij membraan, als een optillen van de sluier van de wereld die nog vormloos en onzeker is.

Wie heeft niet de herinnering aan ongeziene uitbreidingen, van de orde van een geheel mentale werkelijkheid, en die hem vervolgens nauwelijks verbaasd hebben, die echt aan het woud van zijn kinderlijke zintuigen werden opgeleverd? Uitbreidingen geïmpregneerd met perfecte, alles doordrenkende kennis, uitgekristalliseerd, eeuwig.

Maar welke vreemde gedachten onderstreept die, van welke uiteengereten meteoor reconstrueert het de menselijke atomen?

Het kind ziet herkenbare theorieën van voorouders waarin het de oorsprong van alle van mens tot mens bekende gelijkenissen noteert. De wereld der verschijningen groeit en stroomt over naar het gevoelloze, het onbekende. Maar de verduistering van het leven komt eraan en van dan af zijn dergelijke staten alleen nog maar te bereiken door een absoluut abnormale luciditeit ten gevolge bijvoorbeeld van drugs.

Vandaar het immense nut van toxische stoffen om de geest te bevrijden, te verheffen. Leugens of niet vanuit het oogpunt van een werkelijkheid waar men meestal weinig mee aankan, een werkelijkheid die slechts een van de meest voorbijgaande en minst herkenbare gezichten van de oneindige realiteit is, een werkelijkheid die samenvalt met de materie en daarmee vergaat, vanuit het oogpunt van de geest herwinnen die substanties hun superieure waardigheid, waardoor ze als hulpmiddel het dichtst bij en het nuttigst bij de dood komen te staan*.

WORDT VERVOLGD

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.117-121]
vert. NKdeE 2020 – CC Free Culture License 4.0


*hier staat een lange voetnoot die je morgen vertaald krijgt…

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Je viens de décrire une sensation d’angoisse et de rêve, l’angoisse glissant dans le rêve, à peu près comme j’imagine que l’agonie doit glisser et s’achever finalement dans la mort.

En tout cas, de tels rêves ne peuvent pas mentir. Ils ne mentent pas. Et ces sensations de mort mises bout à bout, cette suffocation, ce désespoir, ces assoupissements, cette désolation, ce silence, les voit-on dans la suspension agrandie d’un rêve, avec ce sentiment qu’une des faces de la réalité nouvelle est perpétuellement derrière soi ?

Mais au fond de la mort ou du rêve, voici que l’angoisse reprend. Cette angoisse comme un élastique qui se retend et vous saute soudain à la gorge, elle n’est ni inconnue, ni nouvelle. La mort dans laquelle on a glissé sans s’en rendre compte, le retournement en boule du corps, cette tête – il a fallu qu’elle passe, elle qui portait la conscience et la vie et par conséquent la suffocation suprême, et par conséquent le déchirement supérieur – qu’elle passe, elle aussi, par la plus petite ouverture possible. Mais elle angoisse à la limite des pores, et cette tête qui à force de se secouer et de se retourner d’épouvante a comme l’idée, comme le sentiment qu’elle s’est boursouflée et que sa terreur a pris forme, qu’elle a bourgeonné sous la peau.

Et comme après tout ce n’est pas neuf la mort, mais au contraire trop connu, car, au bout de cette distillation de viscères, ne perçoit-on pas l’image d’une panique déjà éprouvée ? La force même du désespoir restitue, semble-t-il, certaines situations de l’enfance où la mort apparaissait si claire et comme une déroute à jet continu. L’enfance connaît de brusques réveils de l’esprit, d’intenses prolongements de la pensée qu’un âge plus avancé reperd. Dans certaines peurs paniques de l’enfance, certaines terreurs grandioses et irraisonnées où le sentiment d’une menace extra-humaine couve, il est incontestable que la mort apparaît

comme le déchirement d’une membrane proche, comme le soulèvement d’un voile qui est le monde, encore informe et mal assuré.

Qui n’a le souvenir d’agrandissements inouïs, de l’ordre d’une réalité toute mentale, et qui alors ne l’étonnaient guère, qui étaient donnés, livrés vraiment à la forêt de ses sens d’enfant ? Prolongements imprégnés d’une connaissance parfaite, imprégnant tout, cristallisée, éternelle.

Mais quelles étranges pensées elle souligne, de quel météore effrité elle reconstitue les atomes humains.

L’enfant voit des théories reconnaissables d’ancêtres dans lesquelles il note les origines de toutes les ressemblances connues d’homme à homme. Le monde des apparences gagne et déborde dans l’insensible, dans l’inconnu. Mais l’enténèbrement de la vie arrive et désormais des états pareils ne se retrouvent plus qu’à la faveur d’une lucidité absolument anormale due par exemple aux stupéfiants.

D’où l’immense utilité des toxiques pour libérer, pour surélever l’esprit. Mensonges ou non du point de vue d’un réel dont on a vu le peu de cas qu’on pouvait en faire, le réel n’étant qu’une des faces les plus transitoires et les moins reconnaissables de l’infinie réalité, le réel s’égalant à la matière et pourrissant avec elle, les toxiques regagnent du point de

vue de l’esprit leur dignité supérieure qui en fait les auxiliaires les plus proches et les plus utiles de la mort*.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhal