Categorieën
Kathedraalse Leer Requichot Walg & Rot

Barthes over Réquichot (slot)

<Barthes-Réquichot (22)nawoord

// Réquichot Rotbak dag 27 – de broeihaard is pluizig en groen

Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire zouden vormen voor de dode auteur.

Nu we die bak al ’s doorwoeld hebben, blijkt echter niets minder waar te zijn, want Barthes over Réquichot lezen bleek vooral een oefening in Barthes lezen te zijn. De auteur Réquichot die in symbiose leefde met de schilder werd vakkundig het zwijgen opgelegd. Ook in dit laatste deel, waarin de kritische autoriteit Barthes met tegenzin maar uiterst oprecht de naam ‘Réquichot’ teruggeeft aan de onvermijdelijke vergetelheid…

de signatuur

Réquichot

Het is nu enige tijd al dat ik niet over Réquichot maar rond hem schreef; de naam “Réquichot” is het embleem geworden van mijn huidige schrijven; ik hoor er niets in buiten de vertrouwde klank van mijn werk; ik zeg Réquichot zoals ik eerder Michelet zei, Fourier of Brecht. Nochtans is het, ontdaan van dat gebruik (zoals elke naam) een vreemde naam: zo Frans, plat zelfs, maar toch is er door zijn slepende klank, door het diminutief op ’t einde iets gulzigs ( ‘quiche’), iets boers (‘galoshe’ : klomp) en iets kameraadschappelijks (‘petiot’: kleintje) in: het is wat de naam van een goede klaskameraad. Die instabiliteit van de hoofdbetekenaar (de eigennaam) kunnen we overdragen op de signatuur. Om de wet van de handtekening te ondermijnen moeten we die misschien niet opheffen om ons een anonieme kunst voor te stellen; het volstaat om haar object te verplaatsen: wie tekent er wat? Waar eindigt mijn handtekening? Op welke drager? Op het doek (zoals in de klassieke schilderkunst)? Op het object (zoals in de ready made)? Op het evenement (zoals in de happening)? Réquichot heeft duidelijk dat eindeloze van de signatuur gezien waar de toe-eigeningslink wordt gelost, want naarmate de drager vergroot merkt de signatuur zich af van het subject: signeren wordt louter doorsnijden, zichzelf afsnijden, de ander afsnijden. Waarom, zo dacht Réquichot, kan ik niet buiten mijn doek ook, het besmeurde blad signeren of zelfs het voetpad waarop ik het geplakt zag? Waarom mijn naam niet op de bergen zetten, de koeien, op de kranen, de schoorstenen van de fabrieken (Faustus)? De signatuur is niet meer dan het weerlicht, de inscriptie van het verlangen: de utopische en liefdevolle verbeelding van een maatschappij zonder kunstenaars (want de kunstenaar zal altijd vernederd worden) waar eenieder toch de objecten kon signeren met zijn genot? Réquichot was, héél alleen, voor een ogenblik de voorafschaduwing van deze sublieme maatschappij van amateurs. De handtekening van Réquichot (h)erkennen is niet hem toelaten tot het culturele pantheon der schilders, het is zich ontdoen van een bijkomend teken in de rotzooi van de immense Tekst die zich onafgebroken schrijft zonder oorsprong en zonder einddoel.

Franse tekst:

commentaar

het ligt uiteraard in onze bedoeling om de imaginaire utopie aan het einde van de weg van Réquichot die bij Barthes voortdurend als een débacle wordt voorgesteld, het onvoorstelbare van een maatschappij van amateurs van haar imaginaire en utopische karakter te ontdoen, om zodoende duidelijk te maken dat die van kunstenaars bevrijdde wereld van liefhebbers niet alleen een realistische wenselijkheid is, maar ook een onvermijdelijke toekomst, en dat, als we die toekomst ietwat behaaglijk en comfortabel voor de overlevenden willen inrichten we ons best bewust zouden worden van die onvermijdelijkheid en dat niet willen blijven zien als het nihilistische doemscenario dat zelfs Nietzsche nog de geniaal-elitaire moed in de schoenen deed zinken.

aan het slot van deze erg voorlopig becommentarieerde vertaling die nog een heel pad voor zich heeft, en op het einde van de Internationale Dag van de Vrouw is het gepast om hier te onderstrepen dat de onvermijdelijke neergang van de autoritaire ‘Auteur’ en van de als genie vereerde ‘Kunstenaar’ de neergang is van een louter mannelijk ingericht ideaal waar tot in de fijnste vertakkingen van het protocol dat een individu dient te ondertekenen met haar bloed, dat er in dat Faustiaans pact waar gans de artistieke sector nu nog op teert, er absoluut geen plaats was, noch is voor een vrouwelijke aanwezigheid, dat gans de creatieve productieketen een uitgesproken mannelijke signatuur draagt, en dat het een uitgesproken ontologisch-ideologisch vertekend bolwerk blijft, een rottende en alom imploderende Platoonse mancave waarin vrouwen hooguit tijdelijk getolereerd worden.

ook wat dat betreft is er, en bij Hecate: gelukkig maar, absoluut geen redden aan en absoluut geen weg terug.

allez vooruit!

Categorieën
biographics Kathedraalse Leer Requichot Walg & Rot

de rotbak bakt

observatie van de Réquichot Rotbak op de droogstoof:
de Rotbak bakt;
1 bak natuur = 1 bak cultuur = 1 rotbak;

analoog aan de geheel humaan gemanipuleerde en ‘verontreinigde’ Réquichot Rotbak wordt onze ‘vrije natuur’ (de parken, de ‘Ardennen’, de ‘natuurgebieden’) als ‘schoon’ gepercipieerd – de conserveringsdrang die dit nochtans geheel ‘gebeurlijke’ ‘kunstwerk bij mij oproept, is soortgelijk aan de conserveringsdrang voor deze ‘vrije natuur’ : die moet ten allen prijze worden gevrijwaard, terwijl de andere ‘natuurgebieden’ (de steden, de wegen, de gemeentelijke ruimtes: zijn deze dan minder ‘natuurlijk’?) voortdurend onderhevig zijn aan sterk verontreinigende ‘zuiveringsacties’: ploegen van meestal slecht betaalde humanen worden dagelijks op pad gestuurd om straten en pleinen te vrijwaren van ‘vuil’ vegetatief en animaal ‘afval’…wie houdt er wat vrij van wie?

« Je ne sais pas c’qui m’quoi. »

Bernard Réquichot

de Réquichot Rotbak, als gebeurlijk object in de Degradatiekunde, stelt het arbitraire, antropocentrische karakter van deze natuurvisie in vraag en dit in het licht van de Devolutieleer congruent met het Kosmische Rot.

de Réquichot Rotbak gebeurt sinds 10/02/2020 en wordt voornamelijk via Facebook en Instagram getoond
Categorieën
lyriek Proza Requichot Vertalingen - Bewerkingen Walg & Rot

Barthes over Réquichot (14)

<Barthes-Réquichot (13)Barthes-Réquichot (15)>

// de Réquichot Rotbak dag 13 : + gemalen droge witte bonen met behangsellijm

Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.

In de sectie ‘de representatie’ is dit de tweede paragraaf over ‘de loep’.

de loep

Net zoals er bij de palimpsest een schrijven in het schrijven is, zijn er in het ‘schilderij’ (het doet er hier niet toe of het woord juist is) meerdere ‘schilderijen’: niet alleen omdat (bij Réquichot) de doeken herschreven of herplaatst worden als deelobjecten in nieuwe ensembles, maar omdat er zoveel werken zijn als er niveau’s van perceptie zijn: isoleer, bekijk, vergroot en behandel een detail en je creëert een nieuw werk, je doorkruist eeuwen, scholen, stijlen, met iets heel oud maak je iets heel nieuw. Réquichot heeft deze techniek op zichzelf toegepast: “Door een doek van heel nabij te bekijken, zie je soms toekomstige werken: het gebeurt dat ik grote boterhammen in stukjes snij om er zo delen uit proberen te isoleren die mij interessant lijken.” Het virtuele instrument van de schilderkunst (voor dat deel ervan dat het oog betreft en niet de hand) zal zo de loepe worden, of beter de boetseerschijf die toelaat een object te veranderen door het om te draaien (Réquichot heeft op die manier intacte hondensnuiten gebruikt, zonder enige wijziging, enkel door ze om te draaien): dat alles niet om iets beter of vollediger te zien maar om iets anders te zien: de gestalte is een object op zich: volstaat die niet om een volledige hoofdtak in de kunst uit te bouwe, de architectuur? De loupe en de draaischijf produceren dat supplement dat de zintuigen ontregelt, ’t is te zeggen de herkenning (een taal begrijpen, lezen, verwerven dat is haar herkennen; het teken is dat wat herkend is; Réquichot zou dan het soort kunstenaar zijn die niet herkent).

Het niveau van de waarneming veranderen: je hebt dan een aardbeving die de geklasseerde, de benoemde wereld – de(h)erkende [fr: reconnu] wereld – doet wankelen en zo een ware hallucinante energie bevrijdt. Inderdaad, als de kunst (laten we dat handige woord nog gebruiken om elke niet-functionele activiteit aan te duiden) enkel tot doel had beter te kunnen zien, dan zou het louter een analysetechniek zijn, een ersatz-wetenschap (dat wat de realistische kunstenaar betrachte); maar door het ding te willen produceren dat in het ding zit, haalt het de hele epistemologie overhoop: het is dat eindeloze werk dat ons afhelpt van de gebruikelijke hierarchie: eerst de (“ware”) perceptie, vervolgens het benoemen, tenslotte de associatie (het “nobele”, “creatieve” deel van de kunstenaar); voor Réquichot daarentegen is er geen privilege toegekend aan de eerste perceptie: de perceptie is onmiddellijk meervoudig – iets wat eens te meer de idealistische classificatie verwerpt; het mentale is niets dan het lichaam op een ander niveau van perceptie gebracht: dat wat Réquichot het “meta-mentale” noemt.

//de originele Franse tekst, virtueel gestolen uit het imaginaire tekstenrot van ’t internet

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (13)Barthes-Réquichot (15)>
Categorieën
Kathedraalse Leer Proza Requichot Vertalingen - Bewerkingen Walg & Rot

Barthes over Réquichot (10)

<Barthes-Réquichot (9)Barthes-Réquichot (11)>

dag 9 van de Réquichot Rotbak. toegevoegd: uitgedroogde schors, pannekoekenblaadjes waarvan 1 met spinnennest, haarlak

Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.

Vandaag ontdekt Barthes wat de keuken en de schilderkunst gemeen hebben: olie.

de olie

De olie is de substantie dat het voedsel vergroot zonder het te verbrokkelen: die het verdikt zonder het te harden: magisch verkrijgt het eigeel een groter volume met behulp van een scheut olie, en dat eindeloos; op dezelfde wijze groeit een organisme, door opzwelling. Bovendien is de olie die ene substantie die nuttig is in de voeding en in de schilderkunst. Verzaken aan de olie is voor een schilder de schilderkunst zelf opgeven, het culinaire gebaar dat haar inricht en onderhoudt. Réquichot heeft de historiche agonie van de schilderkunst beleefd (hij kon dat want hij was schilder. Dat wil zeggen dat hij langs een kant ver verwijderd was van de olie (in zijn collages, zijn ringsculpturen, zijn tekeningen in balpen) maar dat hij steeds weer bekoord werd om er terug naar te keren, als naar een vitale sunstantie. Zijn collages gehoorzamen zonder olie aan de wet van de gebonden proliferatie (die van de oneindige mayonaise); gedurende jaren laat Réquichot zijn Reliquaires groeien zoals men een lichaam ontwikkelt dat functioneert op basis van langzame opname van een sap.

de originele Franse tekst van Barthes in  R. Barthes, M. Billot, A. Pacquement: Bernard Réquichot, Bruxelles 1973 p. 18

commentaar

bon, hoe magistraal de analyses van Barthes elders ook mogen wezen, hier pakt de mayonaise niet. spreekt Barthes de Fransen aan op hun culinaire volksaard en voorliefde om hen ertoe aan te sporen het letterlijk weerzin opwekkende vertoon van Réquichot te aanvaarden als haute cuisine?

het verband tussen de handelingen en bewegingen in de keuken en die in de schilderkunst is onmiskenbaar, maar is dit nou zo specifiek aan het werk van Réquichot? verklaart het iets? brengt het ons dieper in zijn leefwereld, korter bij zijn (waan)ideeën? hebben we er iets anders aan dan hoe het zich aandient: als een pientere maar toch vrij doorzichtige manier om de provocatie, de insubordinatie van Réquichot als ‘kunstenaar’ uit de weg te gaan, om wat Réquichot echt bezighield te vermijden zodat het peis en vree kan blijven in de gulzig sukkellevens vretende glitterende cul-de-sac van het o zo galante gallerieland, die monsterlijke culturele abonimatie van het naoorlogse Frankrijk waarvan op dit ogenblik in het Centre Pompidou de hoofdrolspelers, de grootste haaien en de dikste croco’s in hun met fraude, misdaad en lijken bezaaide dode binnenzee worden gehonoreerd als ‘grote Fransen’?

het lijkt erop, en de poging wekt bij mij althans een pak meer weerzin op dat het imposante werk van Réquichot dat, als het iets was, door en door doodeerlijk was…

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (9)Barthes-Réquichot (11)>
Categorieën
Kathedraalse Leer Proza Requichot Walg & Rot

Barthes over Réquichot (7)

<Barthes-Réquichot (6)Barthes-Réquichot (8)>
Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.

Vandaag, in deel 3, paragraaf 1 gaat het op sappige wijze over de keuken als mythische oorsprong van de schilderkunst…

de keuken

de voedingstoffen

Hebt u ooit raclette zien bereiden, de Zwitserse schotel? Een halve bol vette kaas wordt verticaal boven de gril gehouden; het bruist, puilt uit, sist in slierten; het mes schraapt deze vloeibare blazen zachtjes op; het valt, als een witte koeienvla; het kleeft ineen, vergeelt op het bord; met het mes vlakt men de geamputeerde sectie uit; en men begint opnieuw.
Aldus verloopt, strikt genomen, een schilderkunstige operatie. Want net als in de keuken moet men in de schilderkunst ergens iets laten vallen : het is in die val dat de materie transformeert (zich vervormt): dat de druppel zich verspreidt en het voedsel mals wordt: er is productie van een nieuwe materie (de beweging creëert de materie). In het werk van Réquichot zijn alle staten van de voedzame substantie (ingevoerd, verteerd, afgevoerd) aanwezig: het gekristalliseerde, het gebarstene, het pezige, de klonterige pap, de verdroogde uitwerpselen, lijkbleek, de olieachtige moire, de sjanker, de spetters, de ingewanden. En als kroon op dit waanbeeld van de schaal van de spijsvertering wordt de materiële origine van de grote collages, de laatste Reliquaires ronduit alimentair, gehaald uit huishoudelijke magazines: ziehier de Frans-Russische nagerechten, de pasta’s, de gesneden aardbeien, de worsten (vermengd met haarwrongen, met hondensnuiten); maar het is de ingreep die culinair is (en picturaal): het strooisel, het kluwen, de stoofpot (op symmetrische wijze is de japanse sukiyaki een schilderen ontwikkeld in de tijd).

Réquichot plaatst ons hier terug bij een van de mythische bronnen van de schilderkunst: de helft daarvan behoort toe aan de orde der nutriënten (ingewanden). Om de alimentaire sensualiteit van het geschilderde ding te doden, moet men de schilderkunst zelf vaarwel zeggen: je kan het artikel Thing van Joseph Kosuth niet opeten of uitbraken; maar er is ook geen schilderen meer (geen enkele toest, geen kras): de hand van de schilder en die van de kok zijn tegelijk geamputeerd. Réquichot daarentegen, hij is nog wel een schilder: hij eet (of eet niet), verteert zich, braakt zich uit; zijn verlangen (te schilderen) is de zeer grote mise en scène van een behoefte.

de originele Franse tekst van Barthes in  R. Barthes, M. Billot, A. Pacquement: Bernard Réquichot, Bruxelles 1973 p. 16

commentaar

ja. het had gekund. Réquichot zou niet in een geïsoleerd kasteel aan de rand van het woud kunnen zijn opgegroeid, geheel niet omringd door beweeglijke spoken, noch door schattige demonen of het ruisen van de zwarte rokken der duistere hermafrodieten*.
Bernard zou zich vervolgens geheel netjes hebben kunnen verlustigen in een verheerlijking van het eetbare en van de vele sensuele handelingen die met de bereiding daarvan gepaard gaan. het had zomaar gekund dat deze narcistische neuroot ons terugbracht naar de mythische origine van de schilderkunst en ons weer laat kennismaken met de vele geneugtes van de picto-culinaire bereiding van het stoffelijke, het ideële en het animale kadaver…

maar één blik op het werk van Réquichot verwijst dergelijke analyse met zware braakneigingen naar de reeds druipende prullenmand: Réquichot is ontegensprekelijk gewoon de schilder van het Rot, de meester van de putrificatie, de illustrator van de ontbinding, de regisseur van het infectueuse slijm, de aanstekelijke walm, het stinkende pus waarin triomfeert het bleek glanzende bot.
wat Réquichot aan culinairs verwerkt in zijn collages is louter reliëf om de walging die de resten van zijn ingrepen opwekken des te effectiever laten toe te slaan. Réquichot schildert het Rot niet, hij laat het gebeuren, richt het in, stelt het aan zichzelf en zichzelf genadeloos eraan bloot en beleeft het tot op het bot.

is het omdat Barthes hier effen niet verder wil denken dan het niveau van de dingen, de woorden en de categorieën daarvan dat hij dit niet kan zien misschien, niet wil zien zelfs, maar vooral niet kan uitspreken? want het uitspreken van deze evidentie kan enkel een ‘amen’ zijn bij de wanhoop die Réquichot uitademt, uitstraalt, beleefde als schilder, als auteur en als mens, een wanhoop die hem tot zelfmoord noopte.

de vader van de dood van de auteur kan de eigen dood, de ondergang zoals Réquichot die voor hem uitbeeldt, uitleeft enkel als onaanvaardbaar omwerken tot een picturaal-culinaire bereidingswijze, een artistieke trukendoos van een Piet Huysentruyt avant-la-lettre! soyons serieux, zegt Roland met de sigaar, daar gaan we het niet over hebben, het moet wel plezant blijven è….

deze blote ontkenning in het nochtans bijzonder geurige licht van de evidente ondergang, het grandioze failliet van de West-Europese Kunst qua Kunst, dit straal negeren van wat het kleinste kind kan zien, deze veronachtzaming van heel het letterlijk, woordelijk neergeschreven denken van een – we zullen het later samen uitroepen – vrij geniale auteur, schaamteloos neergepend in een bijzonder prijzig boek van de pauselijke bourgeoisuitgever Weber zal de volgende zevenenveertig jaar het ‘artistieke discours’ blijven bepalen, en hoogstwaarschijnlijk nog ettelijke jaren nadien. dit intellectuele schertsvertoon is exemplarisch voor 5 decennia ‘kunstkritiek’, het strekt tot voorbeeld. zo los je dit soort gênante dingen op.

aja, het is wel Roland Barthes è, die het zegt! en ochot, de tekst in zo’n Kunstboek, wie leest dat nou, ooit? en wie zou dat dan ooit nog ’s lezen zoals Faustus las en zoals ongetwijfeld ook Réquichot las: ‘au bout’?**


*zie het begin van de Faustus in Bernard Réquichot, Ecrits divers, ISBN 2-84066-070-9, p. 13
**” pendant que je faisais cet inventaire, il [Faustus] se repliait sur lui-même. Revenant à la table, je lui dis: “Vous ne lisez pas beaucoup.” Lui, de répondre: “Non, mais je lis jusqu’au bout.” Ce “jusqu’au bout” semblait le peindre tout entier, mais qu’était-ce que ce bout?”
Faustus, Trois Fragments, in Bernard Réquichot, Ecrits divers, ISBN 2-84066-070-9, p. 18

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (6)Barthes-Réquichot (8)>
Categorieën
Kathedraalse Leer Proza Requichot Walg & Rot

Barthes over Réquichot (6)

<Barthes-Réquichot (5)Barthes-Réquichot (7)>
Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.

Vandaag beginnen we na een deel getiteld ‘het lichaam’ aan het hoofdstuk ‘de twee bronnen van de schilderkunst’

de twee bronnen van de schilderkunst

het schrift en de keuken

Tegen het einde van de 18de eeuw voerden de Neo-Klassieke schilders de geboorte van de schilderkunst zo op: de verliefde dochter van een Corinthische pottenbakker reproduceert met houtskool het silhouet van haar beminde op een muur aan de hand van zijn schaduw. Laten we dit romantische beeld, waar overigens niets fout aan is want het stelt het verlangen voor, vervangen door een andere mythe die tegelijkertijd meer abstract en meer triviaal is; laten we, buiten heel de geschiedenis om, een dubbele origine van de schilderkunst denken.

De eerste bron zou het schrift zijn, het tracé van toekomstige tekens, de oefening met de punt (van het penseel, de stift, de griffel, van al wat schraapt en streept, ook al is het kunstmatig als de lijn afgezet door een kleur). De tweede is de keuken, ’t is te zeggen elke praktijk die tot doel heeft de materie te transformeren over de gehele lijn van haar consistenties, door middel van meervoudige operaties zoals het mals maken, het aandikken, de fluidisatie, de granulatie, de lubrificatie om zo te produceren wat de gastronomie dan noemt: de mousse, het beslag, de velouté, het romige, het krokante, enz.. Freud stelt zo tegenover het sculptuur –via di levare– de schilderkunst – via di porre;* maar de tegenstelling tekent zich binnen de schilderkunst zelf af als die tussen de wijze van de insnijding (de ‘haal’, de ‘trek’) en die van de zalving (met de ‘laag’, de ‘toets’).

Deze dubbele oorsprong is verbonden aan twee gebaren van de hand die nu eens krast en dan polijst, schraapt en gladstrijkt; in één woord de vinger en palmbeweging, het gebaar van de vingernagel en van de Venusheuvel. Die dubbele hand verdeelt onder zich het hele rijk van de schilderkunst, want de hand is het echte van de schilderkunst, niet het oog ( de ‘representatie’ of de figuratie, of de kopie is enkel op te vatten als een afgeleide en ingelijfde bijkomstigheid, een alibi, een folie gelegd op het netwerk van trekken en toetsen, een gedragen schaduw, een niet-essentiële luchtspiegeling. Er is een andere geschiedenis van de schilderkunst mogelijk, die niet de geschiedenis is van de schilders en de werken maar van de werktuigen en de materialen; gedurende lange tijd, heel lange tijd verkreeg de kunstenaar geen individualiteit van zijn werktuig: het was gelijk het penseel; toen de schilderkunst in zijn historische crisis kwam is er een verveelvuldiging van het werktuig, van de materialen ook: er is een eindeloze stoet van tracerende objecten en van dragers; de grenzen van het pictorale werktuig worden onafgebroken verlegd (bij Réquichot zelfs: het scheermes, de kolenschop, ringen in polystyreen). Een gevolg (te onderzoeken) is dat het werktuig, niet langer gecodeerd, voor een deel ontsnapt aan de handel: de winkel met schildersgerief wordt verlaten: die verkoopt enkel zijn waren nog aan de brave amateurs; het is in de ‘Printemps’, in de rekken van huishoudspullen dat Réquichot zijn materialen gaat zoeken: de handel wordt geplunderd (plunderen wil zeggen: roven zonder het gebruik te aanvaarden). De schilderkunst verliest aldus zijn esthetische specificiteit, of beter die – eeuwenoude – specificiteit wordt onthuld als bedrieglijk: achter de schilderkunst, achter haar superbe historische individualiteit (de sublieme kunst van de gekleurde figuratie) gaat iets anders schuil: de bewegingen van de klauw, van de stemspleet, de ingewanden, een projectie van het lichaam en niet enkel een meesterschap van het oog.

Réquichot houdt de wilde teugels van de schilderkunst in de hand. Als oorspronkelijk schilder (we praten hier nog steeds van een mythische oorsprong: geen theologische, geen psychologische, geen historische: pure fictie) valt hij onophoudelijk terug op het schrift en op de voeding.


*geen idee waar Freud dat zegt (Barthes schreef in een tijd toen je status als auteur nog niet afhing van het aantal pseudo-wetenschappelijke, ‘juiste’ verwijzingen naar andere auteurs, maar van wat je zelf beweerde) maar die heeft het onderscheid ongetwijfeld van Michelangelo: die schreef ooit in een brief aan de Florentijnse historicus Benedetto Varchi:
“ (…) Io intendo scultura quella che si fa per forza di levare, (…) l’altra scultura quella che si fa per via di porre, è simile alla pittura”: de beeldhouwer verwijdert iets uit het marmer, terwijl de schilder iets toevoegt aan het doek.
Zie https://it.wikisource.org/wiki/Lettera_a_messer_Benedetto_Varchi

commentaar

we zijn getuige hier van een van de uiterst zeldzame plaatsen waar een vooraanstaand intellectueel van vorige eeuw zich uitlaat over het schrift en dan nog zien we dat er enkel in mythische termen over de schilderkunst als verwant aan het schrift kan worden gesproken. aan het schrift zelf wordt nauwelijks geraakt. het taboe heeft natuurlijk alles te maken met de status van superioriteit die ons schriftstelsel als louter technische code voor het ‘schrijven’ ten alle prijze moet behouden: het intellectuele discours kan zich, zoals zich dat onder geletterde mannen afspeelt, niet bezighouden met die louter technische kwestie, net zoals heden het massale gebruik van informatietechnologie in de schrijverij verzwegen moet worden.

voor de schilderkunst mag er zo wel een alternatieve geschiedenis worden voorgesteld, maar raak aub niet aan de letteren: daar spelen commercie en techniek uiteraard totaal geen enkele rol van betekenis.

geen enkele. nooit. niet.

verder: elke erkenning van de waarheid van de animale oorsprong van het heilige (fallocratische) schrift moet absoluut vermeden worden, en als die al in de schilderkunst (“in de tijden van haar crisis”) moet worden toegelaten dan kan zulks enkel op een mythische basis.

het begint er steeds meer op te lijken dat Barthes’ analyse van Réquichot er een is die zijn werk (onbewust?) wil ontwapenen, dat de ontdekkingen van Réquichot moeten weggemoffeld worden in een aanvaardbaar, ‘betekenisvol’ discours, waar de humane ontologie, het mannelijke Zijn en haar volledige distinctie ten overstaan van het animale moet overeind blijven.
ja, toch wel: ‘haar distinctie’, de ontologie is een ‘zij’. anders kon je het Zijn niet Hebben è.

Réquichot mag best beestig goed zijn, maar niets van hem mag dierlijk gebeuren, is dat de ongeschreven wet? gelukkig zijn er ook nog, naast het beeldend werk dat voor zichzelf spreekt als je het durft bekijken zoals het gebeurt tenminste, de woorden van Bernard Réquichot zelf.

maar bon, laten we niet te fel vooruitlopen op basis van een onbewijsbaar vermoeden, een aanvoelen dat waarschijnlijk enkel in mijn al te begerige vingers trekt en gloeit en wriemelt alsof die vingers de slijmerige resten van een brein doortasten op zoek naar een verharding, de knobbel van een nog te ontwarren kluwen…

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (5)Barthes-Réquichot (7)>
Categorieën
Kathedraalse Leer Proza Requichot Walg & Rot

Barthes over Réquichot (5)

<Barthes-Réquichot (4)Barthes-Réquichot (6)>
Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur. We vissen die wegrottende teksten er hier uit, spoelen ze af met nat Nederlands en beschrijven wat de wassing ons onthult.

Vandaag over een zich oprichtende en verstijvende beweging en wat daar zoal op volgen kan…

de erectie

De walging is een panische erectie: het hele fallus-lijf zwelt, verhardt en zakt weg. En het is dat wat het schilderen doet: het windt op. Misschien raken we hier aan een onherleidbaar verschil tussen het schilderen en het discours: het schilderen is vol; de stem daarentegen maakt in het lichaam een afstand, een holte; elke stem is wit, komt er niet toe zich te kleuren zonder meelijwekkend gekunstel. We moeten dus Réquichot’s verklaring letterlijk nemen als hij zijn werk beschrijft, niet als een erotische daad (wat banaal zou zijn) maar als een erectiele beweging en wat daarop volgt: “Ik heb het over dat eenvoudige ritme dat maakt dat voor mij een doek langzaam begon en dan meer en meer aantrekkelijk werd en mij in een passioneel crescendo bracht tot een bruisen van de orde van een orgasme. Op dat hoogtepunt liet het schilderen mij achter, als het al niet zo was dat ik zelf met de beperkingen van mijn kunnen moest loslaten. Al wist ik dan dat mijn schilderen beëindigd was, mijn nood om te schilderen was dat niet en dat paroxisme werd gevolgd door een grote ontgoocheling.” Het oeuvre van Réquichot is deze erectiestoornis van het lichaam (wat hij soms benoemt met hetzelfde woord waarmee sommigen de aandrang beduiden, als drift [dérive]).

de oorspronkelijke tekst van Barthes in de Catalogue Raisonné van 1973

commentaar

deze korte beschouwing van Barthes laat weinig aan de verbeelding over: Réquichot schaamt zich voor zijn schilderen zoals een man zich schaamt die Het niet (langer) klaarspeelt.
het betekenen is teruggebracht tot de gebaren, wat een opwindend gebeuren blijft, maar het gebeuren is helemaal onvruchtbaar geworden, het brengt niets meer tot stand, het leidt nergens toe, maakt geen betekenis meer aan, produceert geen ‘zijn’ meer. geen enkele verhullende esthetica kan nog verbergen dat wat men doet niet langer doordringt tot wat men klaar wil krijgen: een glorieuze verheerlijking van de fallocratische orde, de inrichtende macht. het volk grolt en schatert en organiseert haar eigen schuif- en schranspartijen in de warm-slijmerige rotresten van het continentaal verspreidde Lijk van God.
in de boekenwinkels gaan een na een de boeken toe, en de schilders worden xerox-deskundigen, designers of installateurs van eigen schertsvertoon.
de fameuze fallische stilus van Derrida laat het afweten, de mancave van Plato is ingestort, er komt enkel nog viezigheid bovendrijven in de restenbak, de Reliquaire van de Schepper
eindigt het verhaal van de West-Europese kunst zo niet als de climaxloze pornografie van het Rot? wordt de ‘Kunst’ niet Kunstmatig rechtgehouden door de commercie? is heel het Kapitale Kunstgedoe niet al een jaar of zestig geheel fake, slappe lulkoek? of anderszins de machinale viagra-fuck van een gevoelloos zwart gat in de markt?

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (4)Barthes-Réquichot (6)>
Categorieën
Kathedraalse Leer Proza Requichot Vertalingen - Bewerkingen Walg & Rot

Barthes over Réquichot (4)

<Barthes-Réquichot (3)Barthes-Réquichot (5)>
Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur. We gaan die rotteksten er hier terug uitvissen, afspoelen met nat Nederlands en zeggen wat we zo te zien krijgen…

Vandaag over Réquichot’s gebruik van de collage en het raadselachtige fenomeen van de Rattenkoning

de Rattenkoning

Het onderzoek van Réquichot brengt hem bij een beweging van het lichaam die ook Sade fascineerde (maar niet de sadistische Sade), namelijk de walging: het lichaam begint te bestaan daar waar het zich afkeert, walgt, maar toch wil verslinden wat het verafschuwt en het exploiteert die smaak voor de afschuw, stelt zich zo bloot aan een duizeling (de duizeling is dat wat niet eindigt: het doet de zintuigen afhaken, stelt het uit naar later).
De fundamentele vorm van de walging is het agglomeraat; het is niet zomaar, door eenvoudig technisch onderzoek, dat Réquichot tot de collage komt; zijn collages zijn niet decoratief, ze juxtaponeren niet, ze conglomereren, omvatten enorme oppervlakten, verdikken zich in volumes; in één woord, hun aard is etymologisch, ze nemen de ‘colle’ van de origine van hun naam letterlijk; wat ze produceren is het glutineuze, de voedzame pek, weelderig en weerzinwekkend, daar waar de opdeling zich opheft, t’is te zeggen het benoemen.

Rattenkoning uit het Museum Mauritianum in het Duitse Altenburg, bestaande uit 32 in elkaar verstrikte ratten. Door Photographed at Naturkundliches Museum Mauritianum Altenburg, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=470245

Een nadrukkelijke omstandigheid daarbij is dat het dieren zijn die de collages van Réquichot samenplakken. Nu het lijkt er sterk op dat elk conglomeraat van dieren bij ons een paroxisme van walging oproept: krioelende wormen, wriemelende slangen, wespennesten. Eén fabelachtig fenomeen (is het al wetenschappelijk verklaard? Ik weet het niet) vat heel die horror van de dierlijke samenklontering samen: de rattenkoning: “in de vrije natuur – zo zegt een oud zoölogisch woordenboek – vallen de ratten soms ten prooi aan een zeer eigenaardige ziekte. Een groot aantal raakt verstrikt met de staart en vormen zo wat in de volksmond heet een rattenkoning… De oorzaak van dit merkwaardige feit is ons nog onbekend. Men neemt aan dat het een bijzonder secretie van de staart is die deze organische verbinding samenhoudt. In Altenburg wordt een rattenkoning van zeventwintig exemplaren bewaard. In Bonn, te Echnepfenthal, in Frankfurt, Erfurt en Lindenau, bij Leipzig, heeft men soortgelijke groepen gevonden”. Requichot blijft deze rattenkoning metaforisch schilderen, blijft deze collage die niet eens een naam heeft plakken; want wat er bestaat voor Réquichot is niet het object, zelfs niet het effect daarvan, maar zijn spoor: laten we dat woord in zijn locomotorische zin begrijpen: uit de verftube geknepen is de worm zijn eigen spoor, veel walgelijker dan zijn lichaam.


commentaar

het lijkt er sterk op dat Roland Barthes, de vader van de dode auteur, nog te zeer vast zit in het ontologische dictaat om te zien dat het Réquichot niet eens om het materiële (verhandelbare) spoor van zijn creatieve handelingen te doen is, maar dat de fascinatie de handeling zèlf betreft. vandaar ook de natuurlijke gène om de resten van zijn intieme creaties te tonen, allicht ook de auto-destructieve walging van de eigen handelingen.

op dit punt moet onze lezing onderzoeken of het creatieve échec van Réquichot niet te wijten zou kunnen zijn aan de ontologische beklemming zelf, en misschien kunnen we de existentiële walg en angst (Sartre) ook gaan lezen als een eindpunt van de ontologische degradatie in het na-oorlogse fallocratische denken die dan leidt tot de befaamde contestatie daarvan eind jaren ’60 die volgt op het koloniale débacle dat het geruineerde Europa afsnijdt van de onmiddellijke bron van haar weelde. walgt gans het oude Europa niet collectief van het Zijn zelf, en van zijn zijn in het bijzonder? het schouwspel wordt er nadien en tot op heden zeker niet smakelijker op…

soit. Barthes is een degelijke structuralist, hij wil ‘begrijpelijke’ structuren dus hij spreekt dan ook heel erg ontologisch reducerend van het agglomeraat als ‘de fundamentele vorm van de walging’* . De walging is natuurlijk geen ding, zelfs geen vorm: de walging is het walgen, het gebeurt, dus als je de walging wil ‘begrijpen’ moet je haar zien gebeuren, desnoods als een geheel van bewegingen, als een tactiele en emotionele verknoping van intensiteitsschommelingen. Réquichot’s onderzoek begrijpt dat en laat het gebeuren in zijn praktijk: zijn creatieve praktijk is een laboratoriumopstelling van de walging zoals ze gebeurt en zijn werk is wat er rest van zijn ervaring van dat gebeuren…

het is dan ook heel toepasselijk dat Barthes het begin van de walging laat samenvallen met het eindpunt van het benoembare, wat ons bij de geheel retorische vraag brengt of het asemische misschien het kind is van deze moeder van het abominabele…


*”La forme fondamentale de la répugnance est l’agglomérat”

Bernard Réquichot – Cat. rais. #359 – Papiers Choisis (1959) – 205×152 cm

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (3)Barthes-Réquichot (5)>
Categorieën
Kathedraalse Leer lyriek Requichot Walg & Rot

Barthes over Réquichot (3)

<Barthes-Réquichot (2)Barthes-Réquichot (4)>
Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.

Vandaag paragraaf 3 van ‘het lichaam’, over de tong…

de tong

In bepaalde collages (omstreeks 1960) komen er in overvloed koppen, kelen en tongen van dieren voor: verstikkingsangst, zegt een criticus. – Neen, de tong, dat is de taal: niet de beschaafde spraak, want die passeert de tanden (een gedentaliseerde uitspraak is een teken van distinctie: de tanden surveilleren de spraak), maar de taal der ingewanden, erectiel; met de tong is de fallus aan het woord. In een verhaal van Poe is het de tong van de gemagnetiseerde dode, niet zijn gebit die de onzegbare uitspraak doet “ik ben dood”; de tanden versnijden de spraak, maken die precies, dun, intellectueel, waarachtig, maar langs de tong, omdat die zich strekt en zich opbolt als een springplank passeert alles, mag de taal ontploffen, opspringen, is ze onbeheersbaar: het is op de tong van het gehypnotiseerde kadaver dat de de schreeuw “Dood! Dood!” exploderen zonder dat de magnetiseur ze kan onderdrukken en de nachtmerrie doen ophouden van deze dode die praat; en het is ook, lichamelijk, op het niveau van de tong dat Réquichot heel de taal in scène zet: in zijn lettristische gedichten en in zijn museumcollages.

commentaar

zoals Barthes het stelt doet het taalbegrip bij Réquichot ons welhaast atavistisch aan, het herinnert ook aan de primitieve schreeuw van de waanzin bij Artaud. we zijn hier medunkt toch ver verwijderd van Isou’s doldraaiende theorievorming in diens lettrisme.

de wijze waarop je het ziet gebeuren bij Réquichot bevestigt dan ook de Neo-Kathedraalse, devolutionaire visie op het ontstaan van de taal als een verwording, een degradatie van de dierlijke schreeuw. de taal is de geinstrumentaliseerde schreeuw van het onmachtige dier dat mens werd. de taal als cognitieve klauw van de mens als het meest wreedaardige roofdier ons bekend.

primair, letterlijk, in de chronologie van de devolutie, is de manipulatie van de luchtstroom van de schreeuw door middel van de tong, de wijze waarop klinkers gevormd worden.
secundair zijn inderdaad de dentale of gutturale stops en de fricatieven die de geproduceerde klankstroom verder verfijnen, verkappen, verdelen, digitaliseren*.
zo wordt de kwaliteit van het gebeuren, hoe het gebeurt, het klinken ervan geleidelijk aan onderscheiden, gekwantificeerd in een voortschrijdende verrotting, een differentiedwang die ‘betekenis’ geeft en eist en van de schreeuw een schrander talig instrument maakt, het begin van de taal als technè, als taaltechniek.

zo bekeken grijpt Réquichot in zijn werk terug naar een mythisch verleden, een onbereikbaar eerder stadium dat hij wel kan zichtbaar maken in de dierlijke kadavers, want in de gang van het Rot is het uiteraard zo dat elke verdere devolutie de eerdere en hogere diersoort wil onderwerpen of doden.
valt ook zo de menselijke soort niet ten prooi aan haar bovenmenselijke verwording, de oorlogsmachine en de geïnformatiseerde, oncontroleerbare ‘vrije markt’?
in ieder geval demaskeert Réquichot zo de beschaving als een wreedaardige en beklemmende degeneratie die enkel de spasmodische walging als verweer toelaat.

*het prioriteren van de dentale medeklinkers in dit verhaal lijkt mij een wat verregaande ingreep die Barthes aanwendt om de tegenstelling tong-tand uit de verf te laten komen. ik denk dat Réquichot eerder op de tong focust omdat die visueel en gevoelsmatig meer visceraal en ‘dierlijk’ is dan het gebit. in de Franse taal zijn dentale medeklinkers misschien te associëren met ‘hogere beschaving’ in andere niet-Westerse talen zal dat minder makkelijk vol te houden zijn

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (2)Barthes-Réquichot (4)>
Categorieën
Kathedraalse Leer Requichot Walg & Rot

Barthes over Réquichot (2)

<Barthes-Réquichot (1)Barthes-Réquichot (3)>
Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.

Vandaag de tweede paragraaf van het deel getiteld ‘het lichaam’, waarna je te weten komt wat een ‘reliquare’ is.

de ‘Reliquaires’

Hoewel het dozen zijn op wier bodem ‘er iets te zien is’, lijken de Reliquaires meer op endoscopiemachines. Is dit niet het interne magma van het lichaam dat daar geplaatst is aan het uiteinde van onze blik, als een diep veld? Is het geen barok begrafenisdenken dat de expositie regelt van het eertijdse lichaam, dat van vóór de spiegel? Zijn deze Reliquaires geen open buiken, geen geschonden graven ( “Wat ons van heel dichtbij raakt kan niet publiek worden zonder profanatie”)?

Neen. Die esthetica van het zicht en die metafysica van het geheim worden problematisch van zodra je weet dat Réquichot het verafschuwde om zijn schilderwerk te tonen, en vooral, dat hij er jaren over deed om een Reliquaire te maken. Dat wil zeggen dat voor hem de doos geen (verstevigd) kader was van een expositie, maar eerder een soort tijdelijke ruimte, de omheining waarbinnen zijn lichaam werkte: zich afscheidde, verzamelde, inwikkelde, verspreidde, ontlaadde: zich verlustigde: de doos is het schrijn, niet van de beenderen van de heilige of de kippen, maar van de orgasmes van Réquichot. Zo vinden we aan de kusten van de Stille Zuidzee aloude Peruviaanse tomben waar de dode omringd is met terracotta standbeelden: die beelden niet zijn ouders, niet zijn goden uit maar enkel de zijn geprefereerde manieren om de liefde te bedrijven: wat de dode meeneemt zijn niet zijn goederen, zoals in zovele andere religies, maar de resten van zijn orgasmes

orig. tekst van Barthes in R. Barthes, M. Billot, A. Pacquement: Bernard Réquichot, Bruxelles 1973 p. 12

commentaar

De Reliquaires (‘relikwiehouders’, ‘schrijnen’) zijn vergaarbakken van behandelde, betastte, beschilderde materie, een langdurig proces van verzamelen en laten inwerken, inrotten van de materialen. Met zijn vriend Dado frequenteerde Réquichot een verlaten slachthuis waar de kadavers en skeletten van de dieren materialen werden voor assemblages. Réquichot nam zijn eerder ontwikkelde bas-relief collagetechniek van de ‘Papiers Choisis mee en kwam zo tot wat hij dan schrijnen noemde, Reliquaires, waar dus ook papier en ander al dan niet geverfd materiaal werd samengebracht

De verwantschap met de Merzbau van Kurt Schwitters is treffend, maar deze werken zijn intiemer, meer lichamelijk en de verrotting is niet het resultaat van maatschappelijke verwerping, het is geen vergaard afval dat onmiddellijk refereert naar een verloren objectstatus, als er wat herkenbaars in rest is het vaak eerder dierlijk, vegetatief of zelfs menselijk…

Bernard RéquichotLa Maison du Manège Endormi, Reliquaire, 1959, 110x77x52 – uit R. Barthes, M. Billot, A. Pacquement: Bernard Réquichot, Bruxelles 1973 

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (1)Barthes-Réquichot (3)>
Categorieën
Kathedraalse Leer Proza Requichot Walg & Rot

Barthes over Réquichot (1)

Barthes-Réquichot (2)>
Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.
Hier, 1581029022327 ms, bij het begin van een Neo-Kathedraalse lezing van dat werk, de eerste ‘unité’ van Barthes al in een subsidievrije vertaling.

het lichaam

van binnenuit

Veel schilders hebben het menselijk lichaam gereproduceerd, maar dat lichaam was steeds dat van de ander; Réquichot schildert enkel het eigen lichaam: niet het uitwendige lichaam zoals de schilder dat kopieert door zich schuins te bekijken, maar zijn lichaam van binnenuit; zijn binnen wordt een buiten, maar het is dan een ander lichaam, waarvan het heftige ectoplasma bruusk verschijnt door de tegenstelling van deze twee kleuren: het wit van het doek en het zwart van de gesloten ogen. Een uitgeslagen afkeer grijpt dan de schilder aan; die brengt geen ingewanden of spieren aan het licht, maar enkel een machinerie van repulsieve en orgastische bewegingen; het is het moment waarop de materie ( het materiaal) zich opslorpt, zich afzondert in de vibratie, taai of schril: de schilderkunst (laten we dat woord nog gebruiken voor alle vormen van verwerking) wordt lawaai (“De meest extreme scherpte van lawaai is een vorm van sadisme”). Dat exces van de materialiteit noemt Réquichot het metamentale [méta-mental]. Het metamentale is dat wat de theologische tegenstelling tussen lichaam en ziel ontkent, en dus om zo te zeggen van zin ontdoet; het is het geslagen ‘binnen’ als een oorveeg aan het intieme.

Van dan af is de representatie verstoord, de grammatica ook: het werkwoord “schilderen “ [peindre] onthult een merkwaardige dubbelzinnigheid: zijn object (wat men schildert) is enerzijds wat bekeken wordt (het model), anderzijds wat bedekt wordt ( het doek): Réquichot maakt geen onderscheid van object: hij ondervraagt zich in dezelfde tijd dat hij zich veranderd, hij portretteert zichzelf op de wijze van Rembrandt, schildert zich zoals een roodhuid. De schilder is tegelijkertijd kunstenaar (die iets representeert) én een wilde (die zijn lichaam beklad en bekerft).

orig. tekst van Barthes in R. Barthes, M. Billot, A. Pacquement: Bernard Réquichot, Bruxelles 1973 p. 11

commentaar

het lichaam binnenstebuiten op doek gekwakt onthult het metamentale, een slag in het gezicht van het intieme, het soort beweging waaraan wij heden allen lijken onderhevig te zijn in de exploitatie als ‘gebruiker’, als (een verzameling van) profiel(en).
want de materialiteit van het lichaam ontlokt bij Réquichot existentiêle walging net zoals de omzetting naar doorzoekbare ‘raw data’ van ons meest intieme gedrag onszelf genadeloos toont als schijnbaar willoze maar uiterst destructieve en geheel voorspelbare en dus ook manipuleerbare ‘human agents’.
elke hoogdravende discussie over lichaam en ziel, materialisme of spiritualiteit wordt met een klap overbodig: vergeet wie of wat wij zijn, kijk hoe wij gebeuren, hoe wij onszelf laten gebeuren (en deins terug van wat je ziet).
de mensheid schildert in data (én in pollutie, in de kak die wij aanrichten) haar zelfportret en het aanzien ervan vervult ons met afgrijzen.

in de omslag van deze binnenstebuiten kering lijkt er nergens ruimte voor daadwerkelijke controle, laat staan iets als ‘vrije wil’…wij kunnen niet anders dan ‘de expressie zijn van wat wij zijn’ want er is geen ‘essentie’ die kan sturen of bestuurd (‘misbruikt’ )worden, het enige wat echt gebeurt is wat er gebeurt…

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

Barthes-Réquichot (2)>
Categorieën
Grafiek kort Proza Walg & Rot

kermis

een verjaardagstractatie

het is kermis.

de pleinen van Stad zijn één woelen van schelle geluiden, schreeuwerige kleuren en vette vreet-en drankwalmen.
hoog in de najaarslucht aarzelt Zon tussen het uitbranden van de viezigheid daar beneden en het zich hullen in dikke natte wolken. maar voor het branden heeft Zon zo laat op het jaar niet meer de kracht en de wolken vluchten weg van zijn afschuw. ‘als je zo doet, helpen we je niet’, zeggen de wolken die zich maar snel verder het land in laten waaien.

tussen de ontzette huizengevels die al hun luiken toeknijpen en de opdringerige kramen en attracties stroomt er een sliertige brij mensen, een weke deining die zich door de engten murwt als een slang. de brij zet een stevige laag af tegen de stoepranden van bevuilde vochtige plastics, voos papier en besmeurd karton.

Brij stroomt in drie snelheden.

één heel trage die zich, hongerig naar sensatie, vertakt heeft tot diep in de lunaparcs, de spiegelpaleizen, de spookkastelen en dat glijdend over de drankterrassen rondom gedrapeerd ligt als een ranzig kleed.

een tweede, iets snellere in tegengestelde zin, waarvan de lijven geil willen schuren tegen de tragere lijven maar die zich daarvan weten te weerhouden. de hoofden wijzen wel voortdurend als vectoren de plekken aan waar zich jongere, naaktere lijven bevinden. Zon vlamt in vlagen hevig op dat naakt zodat ze nog heftiger oplichten in het gewoel.

en daar schieten dan ook de schichtige elementen op af in Brij, haar derde snelheid die zich a-lineair, kriskras doorheen de andere twee deelstromen beweegt, ze kortstondig bespikkelt als schuimkoppen in openluchtriolen.

Brij houdt van deinen en schuren en schuiven, maar ze zou gans ongelukkig zijn zonder haar oplichtende schichtjes.

niet stil blijven staan is de boodschap, denkt Geest, in beweging blijven. zonder beweging word je aangegrepen.

door het half-rotte hout van het opstapje naar de kassa van de tredmolen met schurftige pony’s bijvoorbeeld, waar een zweterig type met een scheve neus en ingevallen wangen hem begluurt als een prooi, een bron van inkomsten. de houtnerven der plankjes verlaten, door hem daartoe bevolen, hun rottende hardheid en trekken zich als geanimeerde arabesken door tot in zijn schoenzolen, in het leder, op zijn enkel, langs de voering van zijn broek op zoek naar een holte, een kans op doorbraak.

of door de glinstering in de diep-blauwe ogen van de slanke blondine die geen tanden blijkt te hebben, en wiens tong in de afschrikwekkende leegte van haar mond een smakkend zuigen laat afwisselen met een heftige klak, een moorddadige trek- en kraakbeweging die je perfect hoorbaar kan volgen, in slowmo ziet gebeuren ook, hoewel ze een tiental meters verderop tussen de loeiende boxen van het lunapark heftig gesticulerend tussen haar vriendjes staat te lonken. nu ze denkt dat ze beet heeft begint het strakke roze rokje donker tussen haar benen te verkleuren en vliegen er al stukjes plastic en papier van de stoep op naar het nieuwe wormgat daar.

Geest wendt vlug de gedachten en knijpt in de hand van Elan en beiden verzuchten eendrachtig de wens op een ogenblikkelijke locatiewissel.
thuis in Grot ligt de kleine Afschuw in eigen drek te snikken omdat het niet mee mag naar Museum de volgende achttienduizend keer.

‘als je zo doet, helpen we je niet’ zegt Geest, en Elan plooit dubbel van het lachen terwijl Geest haar penetreert en ze joelend opgaat in driften.

Categorieën
gedicht van de dag Grafiek lyriek Walg & Rot woordenpers

het gelaat is

het gelaat en het is wat het is

en het vervallen mannenvlees vervalt en vlees kapt vlees van ’t bot
dikke plakken zakken  in de zompe varkensgeulen en kalm maar
drammerig de volgzame dames kokhalzen en luide boeren zij
de in gemompel vervallende bevelen vanop hun wakke hoogte
en de herenessenties zwiepen als wormpjes aan vishaken uit de
vette herenlijven en woordalen persen kolossale alen heer uit
de aalpokken op de barstende lippen van het aangezicht

het aangezicht hangt aan uw handen en aan uw kleren
het aangezicht druipt langs uw benen in uw linkerschoen
het aangezicht herpakt zich een seconde in de spiegel
tot een aangezicht dat ook bekend stond als uw gelaat

en uw gelaat is het gelaat:

  • waarvan de ogen guren uit twee dompe zweerwolken
  • waarin de pus uit gaten druipt waar ooit de neus niesde
  • waarvan de kaak somtijds aan het schouderblad blijft haken
  • waarvan het verstervingsweefsel één wordt met het hersenrot
  • waarvan het tandengruis ritmisch in de tong van leder zeeruist
  • nu ook in handige slurpverpakking

en het is wat het is.

 

gelaat
dv 2018 – “een piek van het consumentengelaat in de tendenzenzee” – 18 x 27m

 

Categorieën
gedicht van de dag Grafiek Kathedraalse Leer lyriek Walg & Rot woordenpers

van nu en straks

nu de daad gebaart
in droge kronkels
van het net niet raken
aan de kiltetegels dood

en als het straks van grijze lippen niet wil nippen,
als het straks van starre tongen niet wil likken,
als het straks op zoek naar het moment de monden
met monden in de haatmonden open spalkt,

doen vloeien te zeer de stem zal gebieden de lichamen
die hun vlees beamen met hun kokhalzende spreken
van de kolkrivier, van de gutsletters en zich verslikken
in het woordstolsel vlokkend in de misselijk makende tijd;

een stenen slang zijt gij
die mij mijn naam ontnam
en mij als woord vervlecht
in uw lege woordenleer

maar mijn gram palt in de klokgaten
en marmer stuift nog eerder weg dan dan dit
verlangen stoppen zal verlangen op te roepen,
door mij in u en dwars door u zó op te leven

zoals uw bekken bij het golven op scharnierde,
zoals uw hoofd en oog de trilling had van donker licht,
zoals uw huid en hand tot spiegelijs verglaasde,
zoals uw tong de kilte gaf en kloeg van uw genot.

 

 

 


gramschroef
dv2018 – digimontage “trisonique”

Categorieën
gedicht van de dag Kathedraalse Leer lyriek Walg & Rot woordenpers

echt waar

“The doctors of medicine have discovered that certain dreams of the night, for I do not grant them all, are the day’s unfulfilled desire, and that our terror of desires condemned by the conscience has distorted and disturbed  our dreams.”

W.B. Yeats, Per Amica Silentia Lunae XII, 1917

-> waar is het woord wie zal het weten
wie is verantwoordelijk wie zal het
zoeken wie zal het zeggen aan welke
betrokkene wie zal geloven wie niet

wil zal niet willen wie niet hoort niet
antwoorden wie zal de hoofdrol wie
een bijrol vertolken waar is het voelen
wie staat er daar in het donker wat

heb jij gedaan voor de zaak wie ben je
ècht hoe durf je mij te verwijten weet
je wel waar je wel weet je wel wat je wel

en hoe wij lijden het verdriet de terreur
de rompslomp van het verlangen ik gun ze
niet alles die dokters want dit is nog echt

 

PASL-scheme
dv 2018 – schema van de werking van het maskerconcept als poort in Per Amica Silentia Lunae

noten hierbij:

  • merk op dat als het masker wegvalt als ‘active image’ heel het systeem alleen maar kan instorten: er moet een Daimon achter het masker zitten, de presentie is nodig anders vallen alle stromen stil, de ‘keuzes’ Dichter-Held-Heilige storten in en er rest enkel nog het fatum van de materiële noodwendigheid die als onleefbaar wordt gedacht
  • er is wel al een sterk aanvoelen van noodwendigheid in de expressie: de Dichter kan enkel spreken uit teleurstelling, de Held enkel ten onder gaan, de Heilige enkel renonceren
  • de anteros van de Heilige wordt neutraal-afstandelijk gedacht, de afkeer is slechts onthechting, heeft qua intensiteit niets van het verlangen, de lust van de Dichter. Het religieuze lijkt hier voor Yeats enkel interessant als het een eenmakingsverlangen is, van Juan de la Cruz citeert hij ook de unie-met-god-extase
  • Yeats denkt echt in ‘beelden’: de Daimon drukt de impressies (van het avondlijke schermen) op de ogen van de dichter voor hij inslaapt, de beweging in bv. sectie VIII is goed te volgen in echte ‘tekstbeelden’ zoals bij Petrarca in de Triumphi de opeenvolging van mythologische tropen de beelden in het brein worden geactiveerd, zo activeert Yeats de tekstbeelden van Goethe – Heraclitus – The Wanderer, komt zo op de Daimon uit die als ‘tegenspeler’ meteen de geliefde (‘sweetheart’) activeert dan astrologie etc: dit is geen ‘logisch’ tekstverloop (je moet niet de ‘ideeën’ volgen achter de woorden, maar de woorden toelaten de beelden te triggeren) maar een Swaanenburgse degressie, een dérive, een fatale gedrevenheid door de Daimon, een lopend programma dat haar beoogde werking op de lezer niet mist, het maakt de overtuiging van Yeats waar, van hardware op hardware.

    Yeats schrijft de gedachtebeweging, het leest ook in leesduur de duur van de gedachte (wat het tekstmasjientje hier ook doet: de schrijfact is weggeschreven, de auteur lost op in de geschriften).
    Op deze manier sterkt Yeats zich natuurlijk ook al schrijvende in zijn overtuiging: hij leest de eigen schriftuur en ervaart keer na keer de ‘waarheid’ ervan: “I know this to be true”

    Het is ook ‘waar’, t.t.z. niet te falsifiëren, als je alle ‘hulpklassen ‘ beschikbaar hebt, alle data inclusief informatieve ‘fermenten’, dan wèrkt het programma ook en al lezende ervaar je de beeldenreeks van Yeats inclusief zijn waarheidsgevoel.

    De ontologische status van die ervaring, van die ‘waarheid’ is N.O.P.. (Niet Ons Probleem), wij onderzoeken slechts of dit schema mits de nodige aanpassingen nog bruikbaar is, hoe dit kan bijdragen tot een beter auteursbegrip en in hoeverre we de Lyriekervaring programmeerbaar kunnen maken.

Categorieën
gedicht van de dag Grafiek Kathedraalse Leer lyriek NKdeE Emblemata Schoonschrift Walg & Rot woordenpers

Sylvia

(bij de gelijknamige film over Sylvia Plath)

Het is warm in het ware leven.
De ogen hangen te puilen.
De bedden zweten, de padden

ploffen onder de zware stappen
van de zich voortslepende kolos,
een wij met in het midden
het donkergroene gat.

Trillen doet rond ons de stilte het vel
van de lucht en zingen en gekscherende
vogels kwinkeleren hoog, maar

als je zag wat ik zie, zie ik je veeleer

  • de trein op/onder
  • met een meshaal, horizontaal
  • de spleten met kranten of natte doeken

Het is immers warm,
buiten.

timotuitie-lamandaii
dv 2018 -“de geboorte van de Timotuïtie uit de beweging van het lamandaii” – met potlood geannoteerde afdruk van een pagina uit een aan de Muze geschonken werk.

 

Categorieën
Anke Veld Grafiek Kathedraalse Leer lyriek Walg & Rot

RAFELMAN

RAFELMAN
dv 12-01-2018 – “RAFELMAN” ink & watercolour on paper – A4 – 2 LYRIEK

RAFELMAN

in vlakke A A R S Z O N

pijlbelaagd  de MAN staat

W I N  D D O O R S C H O T E N

schaarste in de ooggaten

gebrek in de KLEIKLOMP, elk ander
valser beter gemaskerd

in de ECHT

 

dv 12/01/2018

 

RAFELMAN is een UITWoRP
van het woestenijproces op PLATFORMPLEE.nl

Categorieën
archiefdoos gedicht van de dag Grafiek lyriek Walg & Rot woordenpers

de barst diep in de barst in het ik losbarst en prijsgeeft haar woekerende rot

smalvaaske2

barst

Categorieën
gignogram Grafiek Kathedraalse Leer Walg & Rot

zwalkontwerp

zwalk
dv 2017 – ontwerpblad ‘zwalk’

In de gignologische antropologie (de NKdeE Mensleer) is, vanuit de laat-twintigste-eeuwse 3d animatie, de studie van de humane walk cycle in functie van de alfabetisering der bewegingen tot ware bloei gekomen.

Hier de genese van de ‘zwalk’ een letter geprononceerd als iets tussen een gutturale plof, een keel-l en een gutturale a in (let op voor braakneigingen bij de uitspraak).

De zwalk doet zich voor bij bv. shoppende jonge moeders die gehuld in modieuze tenue door de winkelstraten struinen maar daarbij gehinderd door de in zwaarte sterk toegenomen handbagage zich miscalculeren in het zetten van de volgende stap,  evenwichtsverstoring ondervinden en vervolgens door overcompensatie het nog naar voren neigende been kruiselings over het steunbeen zwaaien hetgeen tot een plotse en algehele obstructie in de pas kan leiden (‘mijn benen in de knoop, begot’). De stap wordt dan alsnog hervat, en daarbij zal men zien, is het subject veelal uitstotende een zwalk-klank die indicatief is voor de geleverde krachtsinspanning.

klik op het pijltje om een audio-opname van een ‘zwalk’-klank te beluisteren

De zwalk (en het bijhorende zwalk-waarschuwingsteken ‘let op voor zwalkende moeders’) is in onbruik geraakt door het wegkwijnen van de winkelwandelstraten o.i.v. het VR-shoppen gelanceerd door Amazon vanaf 2019. U kan het ontwerpblad ‘zwalk’ hieronder bestellen als Hoogwaardig Creatief Afval (het unieke blad is inclusief een mechanisch vouwmodel dat u kan uitknippen!)

zwalkschets
voorbereidende schets voor het bladontwerp van het ontwerpblad ‘zwalk’