Categorieën
creativiteit en waanzin Kathedraalse Leer Lopende zaken Walg & Rot

de haan kraait

een voorpublicatie uit “MOROSE/ DE ANDERE KANT VAN DE AARDE“, een experiment in gedeeld schrijven van Adriána Kóbor en mijzelf.

het is ochtend, ik ben hier en de haan kraait. 

(aan de andere kant van de aarde is het nacht — ik ben hier en niet daar / de haan slaapt –)

de haan maakt er mij opmerkzaam op dat het ochtend is. maakte. 

ik schrijf ’s nachts, de laatste tijd. dan heb je minder stoorsels van het luidruchtige braken van de FB exploitatie-machine.
ik vind de nodige initiële rust dan, een huzarenstuk voor het onophoudelijke verscheurde en verscheurende woelen in mij.

maar van zodra ik aan deze materie begin word ik ingesloten, gevangen, beklemd door de urgentie, de angst die geen angst meer is maar een emotieloze  vaststelling dat er iets zou moeten ondernomen worden en dat er tezelfdertijd hoegenaamd niets kan ondernomen worden dat iets op een decisieve wijze vermag te verhelpen aan de toestand waarin ik mij bevind.

een persoonlijke toestand die analoog is met mijn status van ‘mens’, mijn ‘zijn’ als bedreigde diersoort.

want volgens de op alle denkbare wijzen aanvechtbare prognosis van de NKdeE zitten wij, mensen, met zijn allen gevangen in een programma dat in een rotvaart afstevent op een ‘apocalyps’, een ‘extinction level event’ in hollywood-taal, maar het gegeven van deze ‘apocalyps’ is veel complexer en ook weer veel eenvoudiger dan de eng-humanistische visie die de media er op projecteren. helemaal zeker kan ik niet zijn, maar ik betwijfel sterk dat u aan hetzelfde denkt als ik bij het horen of lezen van dat woord.
de verklaring daarvan volgt elders in dit document.

een kenbaar gemaakt feit is alvast dit: ik slaag er privé niet meer in om van mijn rookverslaving af te raken, dus ook ik steven af op een ondergang met vooruitgeschoven datum. tot in 2020 zou ik nog 92 worden, nu lijkt het eerder op iets in de 60, met wat geluk haal ik 70 nog.

maar hou de André Gaillard in u toch maar even stil nog: spreek mij niet van narcisme. van de talloze mentale stoornissen in mijn geestesleven is het narcisme maar een marginaal straaltje, het loopt er ergens verloren tussendoor en het infantiele gebral ervan wordt door de vele verslavingen gemakkelijk gesust.
dit, om maar te zeggen dat ik verder geen enkel verband wil leggen tussen mijn persoonlijke zielige afgang en het Apocalyptisch gedachtengoed, een materie waar ik overigens echt nog maar een onbeduidend akolietje ben, een wulpse novice. wees gerust: het is dus niet omdat ik eraan moet, dat het met jullie ook maar gedaan moet zijn.


was het dat maar, een paar pilletjes, wat empathie-therapie en het was opgelost. het is veel en veel erger dan dat. elke keer, zo merk ik, als ik aan iemand de uitleg in één van mijn mondelinge betogen aan een argeloos nieuw slachtoffer doe, valt er een mond open. lees ik de ontzetting af in het gelaat van de ongelukkige die mij aanhoort. ik krijg allengs meer en meer de neiging om te zwijgen, maar de drang tot praten wint het helaas altijd.

maar goed, daarover gaat het nu en hier nog niet. ik poog u hier enige modaliteiten van mijn Morose-onderzoek te verduidelijken. omdat ik zo onbescheiden men te menen dat het u allen aanbelangt, en op een vrij directe manier nog wel. dit stukje gaat o.a. over Artaud, euthanasie en, het kon niet uitblijven Covid.

aldus.

ik gebruik en misbruik enkel de rijke schat aan negatieve gevoelens die de gedachte aan dat persoonlijke falen en de nakende dood in mij oproepen om een natuurgetrouw beeld te krijgen van de psychische stoornis die ik ‘morose’ heb gedoopt, de halve titel van deze tekst.
ik ben de bedenker van de diagnose en meteen de eerste levende  modelpatiënt bij wie de ziekte werd vastgesteld. maar we zullen sporen van Morosis (de latijnse naam) terugvinden tot bij de banneling Ovidius of zelfs nog verder terug in de tijd. 

het dv-appje in een zeikstoornis met de verontwaardigde reactie van de geheel ongewild bezekene, 2023

nu, klein locaal probleem nog: in het Neo-Kathedraalse denken is een Stoornis een term uit onze Werktuigkunde (de Anke Veld Wiki met een oberzicht van NKdeE terminologie is helaas nog niet opnieuw beschikbaar, er wordt aan gewerkt).
een NKdeE Stoornis  is iets waar je in kruipt, een nis in de muur waar je je verstopt en wacht tot het Moment van de Storing er is, en dan verstoor je de openbare orde op een van de beschikbare legale maar bijzonder efficiënte Stoorprogramma’s, maar die moet ik nog compileren uit de  beschikbare Fluxus performances en wat ik aan derivaten daarvan op You Tube vind..

maar bon, daar vind ik nog wel wat op. had ik het zelf niet vermeld, er zou geen haan naar gekraaid hebben.

elke afwijking is voor ons, en da’s een basisles, een grondbesef in de educatie van de NKdeE, dan ook een talent. die Greta is de Greta omdat ze getalenteerd is met autisme. maar de morosis is eerder het soort Stoornis van een zelfmoordcommando, want met de morose-aandoening valt niet te leven, het is een matig tot ondraaglijk  lijden waaraan je uiteindelijk sterft.

het spreekt dat we bij de analyze van de morose ons in de eerste plaats zullen richten op een mogelijke genezing ervan, maar voorlopig wijzen al onze indicatoren er op dat de ziekte terminaal is en dat er derhalve enkel palliatieve zorg kan worden verleend. 

vandaar dat er vanaf  onze eerste zorgen voor patiënt 0 1 de voorbeeld patiënt, ik dus, met verslavingen aan schrijven, aan tabak, aan seks (gefantaseerd veelal), koffie, chocolade en nog wat dingen, ik wil daar uit schaamte liever niet over uitweiden. voor het onderzoek hebben die hoedanigheden, die palliatieve methodes totaal geen relevantie. bij Artaud was het laudanum, het had net zo goed (en natuurlijk helemaal niet) wat anders kunnen zijn.en in functie van diens verslavingen het levenscomfort en de beperking van het lijden steeds de prioriteit hebben gekregen. de manier waarop het huidige euthanasiedebat gevoerd wordt zint ons niet bijster: ik zou liever zien dat er eerst in functie van de kwaliteit van het leven gedacht wordt, op het vergroten van het levenscomfort voor de bejaarden en vooral ook voor de mentaal lijdenden,  dan het huidige vertoon, dat voor mij nu heel die debatzone doet mijden met de mij ondertussen vertrouwde walging:  de ronduit perverse manier, namelijk,  waarop nu de roep weerklinkt om de apathie van het leven der talloze ondoden met een karrevracht aan medicijnen te rekken, eerst om het zolang mogelijk productief te houden, en daarna in de Verdiende Rust  tot zo dicht mogelijk bij het overlijden, waarna er dan nauwlettend moet worden op toegezien dat er geen prikje van het immense lijden van het vlees en de ziel onder die constante marteling kan doordringen tot het met vette speklagen van het Zijn omzwachtelde ‘bewustzijn’.

onze Verdiende Rust mag immers vooral niet de Hemel der Loosers worden.

Loosers? oei, excuus en pardon, meneer de geprivilegieerde die het kan betalen om zijn ouders te laten behandelen zoals het ons betaamt – euh, ik zal het maar nog’s extra inwikkelen voor de radicale nihilisten2 wij zijn allemaal gematigd nihilist: we geloven nergens in maar als het wat opbrengt doen we enthousiast alsof onder u en zeggen: zou behoren te betamen – voor velen onder u zijn dat helaas en zeer tegen uw wil in uw ouders of grootouders, want het gaat gewoon niet anders: als je zelf nog productief bent, krijg je daar absoluut de tijd niet voor, dat wordt nergens gefaciliteerd. en als je dat niet meer bent, heb je wel die Rust verdient, toch? en niet die druipende koek aan de billen van mama?)

dus nee, voor ons niet die rijstpap half naast de mond gekwakt door de onderbetaalde verzorger uit Pakistan die een nog strakker werkregime voorgeschoteld krijgt dan zijn landgenoten in het nachtelijke Amazon-werkkamp naast het ziekenhuis. “geef mij maar een spuitje als ik het niet meer kan” zegt de Onversaagde Vlaming heel zijn leven lang.

tot de dag dat het niet meer zo goed gaat en men in de vicieuze cirkels van de medicatie belandt, tot men zich langzaam maar zeker van alle bezieling door het vlees laat ontdoen, en men geheel opstijgt tot het Glorieuze Lichaam zonder al die Drap van de  Organen dat zo lang het nog kan voortsjokt van museum naar colloseum, van cruise naar kruis en van hot naar haar dat uitvalt, want lap, nu heb je daar weer een tumor.

en heel de inhoud, het wiebelen in de breinen rond het woord ‘gezondheid’ wordt bij Algemeen Maatschappelijke Consensus in die zin afgetapt uit een hyper-gecondenseerde versie van dat vage, onuitspreekbare  wiebelen en begint dan, zwaar onder de indruk van de hoeveelheid van het gewonnen vocht, besluiten uit te vaardigen die selectief producten viseert die schadelijk zouden zijn voor die ‘gezondheid’.

aja, want als je rookt haal je het Elysium van de Medicinaal Ondersteunde Verdiende Rust niet. nu, als je nu nog rookt, ben je allicht weer zo’n marginale zwakkeling. eentje die het niet kan laten, en dus ook niet het karakter heeft, benodigd voor de Productie.

“tja: eigen schuld dikke bult è, al die verslaafden”
. zelf is de spreker dan verslaafd aan consumptie, aan macht, aan zichzelf en het Grote Zijn daarvan, maar ook zijn complete afhankelijkheid aan de kist vol medicijnen in zijn aftakeljaren brengen hem niet tot andere inzichten, medicijnen die stuk voor stuk enorme mentale bijwerkingen hebben, om van het constante schroeien van al die hete rasters op en door het vlees maar te zwijgen.

want dat is nu eenmaal de ‘waarheid’ die Antonin Artaud ontdekte, een waarheid die hij aan den lijve ondervond en die ik vermag te beamen omdat ik ze ook voel: de ideologie van het Zijn zoals zij in nagenoeg alle talen verweven zit wil ons doen geloven dat wij over een existerend Hoger Zelf beschikken, een Zelf dat voortdurend naar het Goede streeft, een ik dat het verdient om een ‘menswaardige dood’ te sterven, en dat als er ergens over ‘ziel’ gesproken wordt, men die ziel daarmee dient te identificeren, en hoe het daarmee afloopt, ja dat weten we nu nog niet, maar straks allicht wel en oja we worden toch gewoon allemaal écht onsterfelijk? misschien zijn wij wel de laatsten die nog moeten sterven! wat een opoffering van ons!

want de naïef-kinderlijke illusie van de onsterfelijkheid moet tot op de laatste nanoseconde voorzien zijn van de nodige ‘suspension of disbelieve’. dat werkte ook behoorlijk goed. tot in maart 2020. toen was het plots uit met het fabeltje en was het alle hens aan dek. vooral voor de kraaiende gewoontehanen 3‘de gewoontehaan’ is een bedenksel van collega Kóbor eerder in de tekst dan.

de ‘waarheid’ is in de meeste gevallen iets waar je niet mee kan leven. de waarheid in deze context en geheel binnen de ‘verstaanbaarheid’ van het ontologisch denken is dat de Ziel het vlees is.

“de DOEM van het Vlees in het Handige Lichaam”, NKdeE 2021

de Ziel is het woeden van de zon in uw Vlees. niet in dat bedachte ‘lichaam’ van u dat u met elke denkbeweging, work-out of Pilates-sessie  richting genot poogt te sturen, want zo werkt het ‘bewustzijn’ nu eenmaal, zo gebeurt het denken vanuit dat ‘lichaam’ en dat kan enkel dankzij de voortdurende negatie van de ‘realiteit’ van het vlees, van de woeker van het leven.
de Ziel is het Licht dat zich uitdrukt in de duisternis van uw vlees dat u nooit bezitten zal.
de Ziel is de entropie waarvan de negentropie van uw lijf de expressie is.
de Ziel is de Vreemde, de Alien die bij de vonk van uw conceptie uw vlees initieerde, als een fallische glibberworm in uw nog virtuele mond kroop, er zich nestelde, zich meester maakte van heel de groei ervan, celdeling na celdeling. en die zich dieper en dieper begon te verbergen naarmate de navelstreng de epigenetische data van de moeder downloadde.
want de Ziel bestaat niet. zij maakt geen deel uit van het Zijn. zij schuwt elk ‘bewustzijn’ want elk bewustzijn van de ziel bestaat louter uit foutmeldingen, blauwe schermen. de Ziel is niet berekenbaar en toch bepaalt zij alles en niets.
want de Ziel ‘is’ niet, zij gebeurt.

en zij gebeurt daar waar het voor elk ‘ego’ elk ‘zelf’ daadwerkelijk levensgevaarlijk is om te vertoeven. 
als je, bij wijze van effectieve analogie 4nog ezo’n NKdeE-vinding: een analogie is effectief en dus niet metonymisch of metaforisch zoals de analogie in een ‘gewone’ vergelijking: de beweging is identiek in een verschillend Veld, ze wordt net eender gemaakt door vermeend object x in Veld Y als door vermeend object a in Veld B, de datastromen  van de Ziel rechtstreeks toegang tot het gebeuren  van het bewustzijn zou geven, dat doe je hetzelfde als de output van een machine die zich uitdrukt door middel van het MIDI-protocol voor datatransmissie als input in diezelfde machine in te brengen.

oeps, ‘t is kapot.

en zo gebeuren dus ook alle trauma’s: de Vlezige Ziel brandt door in het ‘hogere’ 5gedegenereerde dus, volgens de Rotleer van mijn kerk, het reultaat van een devolutie vanuit het animale want de NKdeE draait de verdoken ideologische kwalificatie van de ‘evolutie’ in het pseudo-wetenschappelijke evolutionisme helemaal om, als bewuste saneringspropaganda. de wetenschappers zelf die zich echt met de evolutieleer bezig houden weten wel beter dan hun bevindingen te laten inkleuren door sentimenten denken en maakt er alles onklaar, richt er verwoestingen aan. de ‘gebeurtenis’ is voor het slachtoffer niet meer te harden, de pijn schiet door tot in de ziel, zo zeggen we het ook, maar die goedige ziel slaat meteen keihard terug en schakelt alles in het bewustzijn dat de pijn veroorzaakt op bijzonder virulente wijze uit. de bijl erin. het gaat in messen en flitsen door je heen, en het net nog triomferende Zelf wordt ogenblikkelijk herleid tot een meelijwekkende behoeftige.

en zoiets lijkt ons ook te bedreigen als het hele bedachte en in de vorige generaties nog zo vlekkeloos werkende appje van het talige Zijn onder de voortdurend opgevoerden eisen eraan terecht komt in de plaag van de burn-out, en het langzaam maar zeker alom begint te begeven. 

het is langs die lijnen dat ik hier het concept van de Morose wil opbouwen: de Morose als bij uitstek de mentale aandoening van deze tijd, de Morose als teken van de instorting van het Zijn die overal rondom ons en vooral ook in ons plaatsgrijpt. het besef van de waarheid van het vlees. een besef dat meteen elke notie van ‘humaniteit’ onmogelijk maakt, de bruikbaarheid van het concept herleid tot een stinkende vuile pleister op de wonde die het besef veroorzaakt.

maar dat willen we niet geweten hebben. we slagen er zelfs niet in om op bijna twee jaar tijd  een enigszins rationeel beleid te voeren dat de gevolgen van een onnozel virusje tot in het acceptabele kan brengen omdat er op geen moment nog een actief aanvoelen van de sterfelijkheid aanwezig is in het verheerlijkte lichaam, en wij dus niet langer vanuit die zekerheid handelen, maar ook de zwaksten onder ons nog kunnen en moeten ‘redden’ van het virus, en dat ten koste van het immense lijden van 1 op 1500 van ons die erdoor getroffen werden en dienden te overlijden in veelal de meest gruwelijke omstandigheden temidden der tot machteloosheid herleidde zorgverleners waaraan we enkel met witte handdoeken en balkonapplausjes dachten vóór ze eraan moesten beginnen en toen het menens werd op geen enkel moment met daadwerkelijk ondersteuning in de vorm van een degelijke en blijvende versterking van de capaciteit die ons ettelijke miljarden minder aan ‘economische ‘ schade zou gekost hebben en nog steeds kost.

een permanente versterking van de zorg want dit virusje is slechts de voorbode van een hele zwerm van die ondingen, dat is zo zeker als dat de zon morgen opkomt want  zolang we niks doen aan de oorzaak ervan, aan de overbevolking die maakt dat de gastdieren voor de ontwikkeling  van die sappig ogende  kroonstempeltjes in de voedselkringen terechtkomen, aan het hele cataclysme dat wij reduceren tot het woordje ‘klimaatcrisis’. zolang daar niks aan verandert zullen de gevolgen er blijven.

en er verandert niets. hoegenaamd niets.

ik zou het nog enigszins begrijpen, mocht men dergelijke kortzichtigheid nog kunnen bedekken door het  alom heersende geloof in de efficiëntie van de vaccinatiecampagnes. want ik heb enorm veel respect voor dat geloof en voor de hoop die het de mensen geeft.

ik zie jullie dagelijks bidden, en het ontroert mij. al die devotie, en vooral ook die blikken van ongeloof bij weer eens een totale afgang, nog eens een lockdown, nog maar een hele chunk af van de kwaliteit van het leven in functie van een als onsterfelijkheid gedacht overleven. bij  het zich aftekenen van de vierde golf die er net eender uitziet als de eerste, de tweede en de derde. 

ik doe mijn uiterste best, en mijn twee prikbewijzen mogen ervan getuigen dat ik uw recht om erin te blijven geloven ook met het eigen vege lijf onderschreven heb, het middels die acceptatie van een inenting die ik zonder de sociale druk op mij nooit had aanvaard, omdat ik er ondanks al mijn verwoede pogingen niet in geloven kon, toch heb ik dat geloof gaarne met mijn daden publiekelijk tot een nobel streven benoemd, geratificeerd door de enige Overheid die ik hier in het Centrum van het gekende Universum mag en kan aanvaarden, namelijk die van mijn eigen rationele denken.

u betwijfelt het bij momenten als u mij bezig ziet, maar ik vertrouw vooralsnog heel erg op de ratio. want de rede is het enige dat mij uit de hel van de waanzin kan houden die mij voortdurend bedreigt.

tja, de romantiek van het dichterschap è. er is echt niks nieuws onder de zon.

nu, als die overheid  mij met dezelfde insistentie destijds had verzocht om in het belang van de anderen ook maar elk jaar een griepspuitje te laten zetten, hoewel ik het idee toen en ook nu nog totaal ridicuul vindt, maar ik heb er nooit om gelachen omdat ik het comfort van de illusie heel erg echt zag gebeuren, net zoals nu ik de angst heb zien wegebben dankzij de vaccinatie.

en die vaccinatie ‘redt’ ook effectief levens. die cijfers spreken ook voor zich, het dóet echt wel wat. ik zie en in zoverre mijn povere kennis mij dat toelaat begrijp ik volkomen de logica erachter ook. maar je dient hier, denk ik, de rede dan ook volledig haar gang laten gaan. en de boodschap dan ligt, om het met het understatement van deze nieuwe vervloekte eeuw te zeggen, nogal gevoelig.

want al die zwakkeren die zo gelukkig gespaard zijn gebleven, worden daar heus niet sterker van, dus die sterven helaas gewoon later aan wat anders. je ‘redt‘ ze uit een noodsituatie die er al was, en die even urgent blijft als daarvoor. en die dus verder de reeds overbelaste, onderbemande en onderbetaalde  zorg zal belasten.

maar dat is een compleet inhumane stelling, hoor ik u al opwerpen. en gelijk hebt u, want de rede is onmenselijk, wat zij ons dicteert valt niet te rijmen met de ‘humaniteit’ die wij dagelijks belijden.

de rede wil dus van geen wijken weten en gaat ongenadig door. want datzelfde slachtoffer, dat nu immens lijdend een langzame verstikkingsdood stierf in de hel van de quarantaine, had net zo goed perfect omringd door naasten kunnen afscheid nemen van zichzelf in het comfort dat wij ‘normaal’ in onze palliatieve zorg verstrekken, mochten wij van in den beginne de versterking van de zorg een evidente prioriteit gemaakt hebben in plaats van paniekerig in de eerste plaats aan het eigen hachje te denken. u zal mij toestaan verdere polarisering te willen vermijden door in heel sereen Italiaans naar La Vialta di Pier Paolo Pasolini in La Religione del mio Tempo te verwijzen, want anders gaat u deze gedachte tegen mijn wens en mening in als een belediging ervaren.

ik schreeuw het wel uit in mijn muziek en mijn tekeningen.

want de levens die je zogenaamd redt, verergeren de verstoring in de balans die al even zoek was. het evenwicht namelijk, dat er zou moeten zijn, vind ik, tussen kwaliteit en levensduur en, gezien de klimatologische rampen en het algehele gebrek aan toekomst voor onze soort, in de louter financiële haalbaarheid van het alom vooropgestelde  ideaal van maximale levenskwaliteit en maximale levensduur.

wat ik in mei van 2020 dacht maar nergens kon uitspreken omdat ik het ook nergens uitgesproken zag en ik echt wel behoorlijk gek/verslaafd/waanzinnig/ krankjorum ben maar ook alles behalve loemp 6in mijn schrijven tenminste, in het leven zelf ben ik hyper-loemp, kan ik misschien nu wel terloops aansnijden in dit document dat over alles en niks gaat.

omdat ik nu ook voor mijzelf op een dwingende manier gekozen heb voor een vrijwel zekere inkorting van mijn levensduur in functie van mijn huidig levenscomfort en mijn capaciteit om dit werk te blijven volhouden.
omdat ik dat signaal van mijn vlees, die roep van de Ziel in mij, die ook de uwe is, gevoeld en begrepen heb. omdat mijn geloof in de echtheid van mijn vlees, die de echtheid van de Wereldziel is, voor mij voelbaar is.

want iets dat ‘echt’ is voel je in je vlees, dat wordt vertaald door je lichaam en zet zich vast als zekerheid in je denken. met ‘waarheden’, daarentegen, kan je samen met Trump en zijn zielige epigonen in onze contreien alle kanten op. dat leerde ik van Foucault, vanDerrida, van Deleuze, van hun opponenten, van alles wat ik hoorde en las en zag. en van het illusoire karakter  van de dingen en het Zijn ben ik zo overtuigd als een Tibetaanse monnik van de Samsara-sluier in jouw ogen.

mijn mening doet er gelukkig nooit wat toe, en maar goed ook,  want je wil niet in een land wonen met een overheid die denkt zoals ik, met een dictator zoals mijn super-egootje dat rondhost in de enge ruimte van dit goedkope  appartementje dat  het Chaplineske figuurtje spelend met zijn globe zelf in een typerende ironiserend ontkrachtende maar toch nog aardig opschietende megalomanie tot Centrum van het Gekende Universum heeft omgedoopt.

maar nu merk ik dat men in Frankrijk, Oostenrijk en andere landen dit geloof ook tot een staatsgodsdienst wil verheffen, tot een conditio sine qua non voor het recht op burgerschap. dat zulks effectief plaatsvindt in mijn Europa.

in dat geval kan ik enkel besluiten dat deze eensklaps religieuze overheden hun eigen globale  falen willen toedekken door een verplichte inlijving in de eigen zaligmakende waarheid. dan moet ik mij blijkbaar effectief bekeren tot hun meerderheid, tot deze nijdige neo-liberale sekte, die infestatie van kakkende allesvreters die zichzelf verslaven aan het bezeten kapitaal en vooral aan het wansmakelijk platvloerse genot, die eeuwige roes van de consumptie der bezetenen die heel de planeet voor alle soorten onbewoonbaar maakt.

en dan houdt mijn goodwill dus op.
want dan wordt er mij niet gevraagd dat ik een loos gebaar zou stellen om mijn medemens niet nodeloos te verontrusten, dan verplicht men mij om met alle have en goed in het kamp der Voorbeeldige Burgers te gaan staan en al mijn vrienden in het verzet de rug toe te keren.
dan dwingt men mij zoals men de Joden vroeger verplichtten, om mijn geloof op te geven en mij braafjes te bekeren, want anders ben ik strafbaar.

de dag dat men mij dat mededeelt zal ik antwoorden, zo luid als ik enigszins kan en met een overtuiging die u zich bij gebrek aan levende voorbeelden in uw herinnering niet meer kan voorstellen, dat ik nog liever zoals Giordano Bruno  op het plein voor de ogen van die goedige Paus levend en bij volle bewustzijn opgefikt wordt, dan mij aan die eis te onderwerpen.

***


de woeker van het naakte leven in het vlees dat wij zijn, verwekt automatisch de walging, de angst en de woede van het individu voor wie de  werking ervan al was het maar eventjes wordt onthuld. 

de auteurs die getuigenissen afleggen van die confrontatie met het Vlees-als-Ziel, als kracht die ons geheel bepaald, ons overlevert aan het Lot van dit leven zonder de kleinste kans om aan dat Lot te ontkomen, want elke vrijheid daarin is een luxe-illusie die men zich enkel in het welstellende deel van de aardkloot kan permitteren, sommigen van dat soort auteurs zijn in de tweede helft van vorige eeuw uitgegroeid tot ware iconen van het ‘onbehaaglijke’ denken, samen met dat dwepen met alles wat maar enigszins ‘uncanny’ kon genoemd worden, die cultivatie ervan, heel de omstandig beleden Artaud-adoratie ook onder andere, maar die is er enkel op gericht om het werk zelf onschadelijk te maken, om de lont eruit te halen, om het eigen intellectuele prestige op te vijzelen op de kap van het als Schandaal van de Eeuw veroordeelde lijden van de man zelf.

“ja zet daar nog iets over het lichaam (sic) bij Artaud en dan zal je de werkbeurs wel krijgen”. hoe vaak heb ik dat niet zien gebeuren? hoeveel van de twintig delen van het Verzamelde Werk van Artaud had die sollicitant in functie van een of ander carriere-snoepje effectief gelezen toen? gelezen, dwz.: mee gedacht en in de mate van de eigen mogelijkheden mee doorvoeld, want als je Artaud anders leest dan zo, lees je hem niet, dan consumeer je enkel de weelde van zijn taal, waarvan je de oneindige pracht overigens enkel kan volledig aanschouwen, ondergaan als je het neergeschreven verloop in de denkbewegingen ook effectief activeert bij jezelf en de werking ervan VOELT in je eigen vlees.

zo 1 boekje van al die volumes lees je op die wijze niet ‘uit’ op een jaar tijd, hoor, daar kan ik je dag op zeggen. van alles uit het vroege werk dat ik tot op heden vertaald heb, zijn er tot op vandaag nog talloze vulkaantjes en brandhaarden werkzaam in mijn eigen denken, onverwerkte flarden puur git, zwart glanzende geruisloze shuriken die voortdurend vervaarlijk dicht bij de ‘essentie’ (hihi) van mijn denken rondsuizen.


om verder te werken aan mijn Artaud-lezingen (lezing in de Neo-Kathedraalse zin dan, zoals ik eerder Réquichot al las en nog zal lezen) moet ik mij soms dagenlang oppeppen. gewoon omdat ik weet wat er gaat komen. omdat ik daarvan toch wel eventjes moet bekomen ook.

als u daarvoor geen begrip kan opbrengen, als u mij niet gelooft, dan hebt u het niet of onvoldoende ervaren. hou het dan maar beter zo. u heeft daar niets te zoeken. het is slecht voor uw ‘gezondheid’.

als roadmap wil de NKdeE de Morose als erkende Stoornis zien verschijnen in een nieuwe editie van de DSM rond mei 2024. er is dus haast bij, want er is nog veel werk daaraan, ik heb het pas eergisteren serieus doordacht.

dv, 22/11/2021 in en namens het Centrum ven het Gekende Universum te Tienen @ 5:51

Noten[+]

Categorieën
Kathedraalse Leer Requichot Walg & Rot

Barthes over Réquichot (slot)

<Barthes-Réquichot (22)nawoord

// Réquichot Rotbak dag 27 – de broeihaard is pluizig en groen

Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire zouden vormen voor de dode auteur.

Nu we die bak al ’s doorwoeld hebben, blijkt echter niets minder waar te zijn, want Barthes over Réquichot lezen bleek vooral een oefening in Barthes lezen te zijn. De auteur Réquichot die in symbiose leefde met de schilder werd vakkundig het zwijgen opgelegd. Ook in dit laatste deel, waarin de kritische autoriteit Barthes met tegenzin maar uiterst oprecht de naam ‘Réquichot’ teruggeeft aan de onvermijdelijke vergetelheid…

de signatuur

Réquichot

Het is nu enige tijd al dat ik niet over Réquichot maar rond hem schreef; de naam “Réquichot” is het embleem geworden van mijn huidige schrijven; ik hoor er niets in buiten de vertrouwde klank van mijn werk; ik zeg Réquichot zoals ik eerder Michelet zei, Fourier of Brecht. Nochtans is het, ontdaan van dat gebruik (zoals elke naam) een vreemde naam: zo Frans, plat zelfs, maar toch is er door zijn slepende klank, door het diminutief op ’t einde iets gulzigs ( ‘quiche’), iets boers (‘galoshe’ : klomp) en iets kameraadschappelijks (‘petiot’: kleintje) in: het is wat de naam van een goede klaskameraad. Die instabiliteit van de hoofdbetekenaar (de eigennaam) kunnen we overdragen op de signatuur. Om de wet van de handtekening te ondermijnen moeten we die misschien niet opheffen om ons een anonieme kunst voor te stellen; het volstaat om haar object te verplaatsen: wie tekent er wat? Waar eindigt mijn handtekening? Op welke drager? Op het doek (zoals in de klassieke schilderkunst)? Op het object (zoals in de ready made)? Op het evenement (zoals in de happening)? Réquichot heeft duidelijk dat eindeloze van de signatuur gezien waar de toe-eigeningslink wordt gelost, want naarmate de drager vergroot merkt de signatuur zich af van het subject: signeren wordt louter doorsnijden, zichzelf afsnijden, de ander afsnijden. Waarom, zo dacht Réquichot, kan ik niet buiten mijn doek ook, het besmeurde blad signeren of zelfs het voetpad waarop ik het geplakt zag? Waarom mijn naam niet op de bergen zetten, de koeien, op de kranen, de schoorstenen van de fabrieken (Faustus)? De signatuur is niet meer dan het weerlicht, de inscriptie van het verlangen: de utopische en liefdevolle verbeelding van een maatschappij zonder kunstenaars (want de kunstenaar zal altijd vernederd worden) waar eenieder toch de objecten kon signeren met zijn genot? Réquichot was, héél alleen, voor een ogenblik de voorafschaduwing van deze sublieme maatschappij van amateurs. De handtekening van Réquichot (h)erkennen is niet hem toelaten tot het culturele pantheon der schilders, het is zich ontdoen van een bijkomend teken in de rotzooi van de immense Tekst die zich onafgebroken schrijft zonder oorsprong en zonder einddoel.

Franse tekst:

commentaar

het ligt uiteraard in onze bedoeling om de imaginaire utopie aan het einde van de weg van Réquichot die bij Barthes voortdurend als een débacle wordt voorgesteld, het onvoorstelbare van een maatschappij van amateurs van haar imaginaire en utopische karakter te ontdoen, om zodoende duidelijk te maken dat die van kunstenaars bevrijdde wereld van liefhebbers niet alleen een realistische wenselijkheid is, maar ook een onvermijdelijke toekomst, en dat, als we die toekomst ietwat behaaglijk en comfortabel voor de overlevenden willen inrichten we ons best bewust zouden worden van die onvermijdelijkheid en dat niet willen blijven zien als het nihilistische doemscenario dat zelfs Nietzsche nog de geniaal-elitaire moed in de schoenen deed zinken.

aan het slot van deze erg voorlopig becommentarieerde vertaling die nog een heel pad voor zich heeft, en op het einde van de Internationale Dag van de Vrouw is het gepast om hier te onderstrepen dat de onvermijdelijke neergang van de autoritaire ‘Auteur’ en van de als genie vereerde ‘Kunstenaar’ de neergang is van een louter mannelijk ingericht ideaal waar tot in de fijnste vertakkingen van het protocol dat een individu dient te ondertekenen met haar bloed, dat er in dat Faustiaans pact waar gans de artistieke sector nu nog op teert, er absoluut geen plaats was, noch is voor een vrouwelijke aanwezigheid, dat gans de creatieve productieketen een uitgesproken mannelijke signatuur draagt, en dat het een uitgesproken ontologisch-ideologisch vertekend bolwerk blijft, een rottende en alom imploderende Platoonse mancave waarin vrouwen hooguit tijdelijk getolereerd worden.

ook wat dat betreft is er, en bij Hecate: gelukkig maar, absoluut geen redden aan en absoluut geen weg terug.

allez vooruit!

Categorieën
biographics Kathedraalse Leer Requichot Walg & Rot

de rotbak bakt

observatie van de Réquichot Rotbak op de droogstoof:
de Rotbak bakt;
1 bak natuur = 1 bak cultuur = 1 rotbak;

analoog aan de geheel humaan gemanipuleerde en ‘verontreinigde’ Réquichot Rotbak wordt onze ‘vrije natuur’ (de parken, de ‘Ardennen’, de ‘natuurgebieden’) als ‘schoon’ gepercipieerd – de conserveringsdrang die dit nochtans geheel ‘gebeurlijke’ ‘kunstwerk bij mij oproept, is soortgelijk aan de conserveringsdrang voor deze ‘vrije natuur’ : die moet ten allen prijze worden gevrijwaard, terwijl de andere ‘natuurgebieden’ (de steden, de wegen, de gemeentelijke ruimtes: zijn deze dan minder ‘natuurlijk’?) voortdurend onderhevig zijn aan sterk verontreinigende ‘zuiveringsacties’: ploegen van meestal slecht betaalde humanen worden dagelijks op pad gestuurd om straten en pleinen te vrijwaren van ‘vuil’ vegetatief en animaal ‘afval’…wie houdt er wat vrij van wie?

« Je ne sais pas c’qui m’quoi. »

Bernard Réquichot

de Réquichot Rotbak, als gebeurlijk object in de Degradatiekunde, stelt het arbitraire, antropocentrische karakter van deze natuurvisie in vraag en dit in het licht van de Devolutieleer congruent met het Kosmische Rot.

de Réquichot Rotbak gebeurt sinds 10/02/2020 en wordt voornamelijk via Facebook en Instagram getoond
Categorieën
lyriek Proza Requichot Vertalingen - Bewerkingen Walg & Rot

Barthes over Réquichot (14)

<Barthes-Réquichot (13)Barthes-Réquichot (15)>

// de Réquichot Rotbak dag 13 : + gemalen droge witte bonen met behangsellijm

Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.

In de sectie ‘de representatie’ is dit de tweede paragraaf over ‘de loep’.

de loep

Net zoals er bij de palimpsest een schrijven in het schrijven is, zijn er in het ‘schilderij’ (het doet er hier niet toe of het woord juist is) meerdere ‘schilderijen’: niet alleen omdat (bij Réquichot) de doeken herschreven of herplaatst worden als deelobjecten in nieuwe ensembles, maar omdat er zoveel werken zijn als er niveau’s van perceptie zijn: isoleer, bekijk, vergroot en behandel een detail en je creëert een nieuw werk, je doorkruist eeuwen, scholen, stijlen, met iets heel oud maak je iets heel nieuw. Réquichot heeft deze techniek op zichzelf toegepast: “Door een doek van heel nabij te bekijken, zie je soms toekomstige werken: het gebeurt dat ik grote boterhammen in stukjes snij om er zo delen uit proberen te isoleren die mij interessant lijken.” Het virtuele instrument van de schilderkunst (voor dat deel ervan dat het oog betreft en niet de hand) zal zo de loepe worden, of beter de boetseerschijf die toelaat een object te veranderen door het om te draaien (Réquichot heeft op die manier intacte hondensnuiten gebruikt, zonder enige wijziging, enkel door ze om te draaien): dat alles niet om iets beter of vollediger te zien maar om iets anders te zien: de gestalte is een object op zich: volstaat die niet om een volledige hoofdtak in de kunst uit te bouwe, de architectuur? De loupe en de draaischijf produceren dat supplement dat de zintuigen ontregelt, ’t is te zeggen de herkenning (een taal begrijpen, lezen, verwerven dat is haar herkennen; het teken is dat wat herkend is; Réquichot zou dan het soort kunstenaar zijn die niet herkent).

Het niveau van de waarneming veranderen: je hebt dan een aardbeving die de geklasseerde, de benoemde wereld – de(h)erkende [fr: reconnu] wereld – doet wankelen en zo een ware hallucinante energie bevrijdt. Inderdaad, als de kunst (laten we dat handige woord nog gebruiken om elke niet-functionele activiteit aan te duiden) enkel tot doel had beter te kunnen zien, dan zou het louter een analysetechniek zijn, een ersatz-wetenschap (dat wat de realistische kunstenaar betrachte); maar door het ding te willen produceren dat in het ding zit, haalt het de hele epistemologie overhoop: het is dat eindeloze werk dat ons afhelpt van de gebruikelijke hierarchie: eerst de (“ware”) perceptie, vervolgens het benoemen, tenslotte de associatie (het “nobele”, “creatieve” deel van de kunstenaar); voor Réquichot daarentegen is er geen privilege toegekend aan de eerste perceptie: de perceptie is onmiddellijk meervoudig – iets wat eens te meer de idealistische classificatie verwerpt; het mentale is niets dan het lichaam op een ander niveau van perceptie gebracht: dat wat Réquichot het “meta-mentale” noemt.

//de originele Franse tekst, virtueel gestolen uit het imaginaire tekstenrot van ’t internet

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (13)Barthes-Réquichot (15)>
Categorieën
Kathedraalse Leer Proza Requichot Vertalingen - Bewerkingen Walg & Rot

Barthes over Réquichot (10)

<Barthes-Réquichot (9)Barthes-Réquichot (11)>

dag 9 van de Réquichot Rotbak. toegevoegd: uitgedroogde schors, pannekoekenblaadjes waarvan 1 met spinnennest, haarlak

Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.

Vandaag ontdekt Barthes wat de keuken en de schilderkunst gemeen hebben: olie.

de olie

De olie is de substantie dat het voedsel vergroot zonder het te verbrokkelen: die het verdikt zonder het te harden: magisch verkrijgt het eigeel een groter volume met behulp van een scheut olie, en dat eindeloos; op dezelfde wijze groeit een organisme, door opzwelling. Bovendien is de olie die ene substantie die nuttig is in de voeding en in de schilderkunst. Verzaken aan de olie is voor een schilder de schilderkunst zelf opgeven, het culinaire gebaar dat haar inricht en onderhoudt. Réquichot heeft de historiche agonie van de schilderkunst beleefd (hij kon dat want hij was schilder. Dat wil zeggen dat hij langs een kant ver verwijderd was van de olie (in zijn collages, zijn ringsculpturen, zijn tekeningen in balpen) maar dat hij steeds weer bekoord werd om er terug naar te keren, als naar een vitale sunstantie. Zijn collages gehoorzamen zonder olie aan de wet van de gebonden proliferatie (die van de oneindige mayonaise); gedurende jaren laat Réquichot zijn Reliquaires groeien zoals men een lichaam ontwikkelt dat functioneert op basis van langzame opname van een sap.

de originele Franse tekst van Barthes in  R. Barthes, M. Billot, A. Pacquement: Bernard Réquichot, Bruxelles 1973 p. 18

commentaar

bon, hoe magistraal de analyses van Barthes elders ook mogen wezen, hier pakt de mayonaise niet. spreekt Barthes de Fransen aan op hun culinaire volksaard en voorliefde om hen ertoe aan te sporen het letterlijk weerzin opwekkende vertoon van Réquichot te aanvaarden als haute cuisine?

het verband tussen de handelingen en bewegingen in de keuken en die in de schilderkunst is onmiskenbaar, maar is dit nou zo specifiek aan het werk van Réquichot? verklaart het iets? brengt het ons dieper in zijn leefwereld, korter bij zijn (waan)ideeën? hebben we er iets anders aan dan hoe het zich aandient: als een pientere maar toch vrij doorzichtige manier om de provocatie, de insubordinatie van Réquichot als ‘kunstenaar’ uit de weg te gaan, om wat Réquichot echt bezighield te vermijden zodat het peis en vree kan blijven in de gulzig sukkellevens vretende glitterende cul-de-sac van het o zo galante gallerieland, die monsterlijke culturele abonimatie van het naoorlogse Frankrijk waarvan op dit ogenblik in het Centre Pompidou de hoofdrolspelers, de grootste haaien en de dikste croco’s in hun met fraude, misdaad en lijken bezaaide dode binnenzee worden gehonoreerd als ‘grote Fransen’?

het lijkt erop, en de poging wekt bij mij althans een pak meer weerzin op dat het imposante werk van Réquichot dat, als het iets was, door en door doodeerlijk was…

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (9)Barthes-Réquichot (11)>
Categorieën
Kathedraalse Leer Proza Requichot Walg & Rot

Barthes over Réquichot (7)

<Barthes-Réquichot (6)Barthes-Réquichot (8)>
Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.

Vandaag, in deel 3, paragraaf 1 gaat het op sappige wijze over de keuken als mythische oorsprong van de schilderkunst…

de keuken

de voedingstoffen

Hebt u ooit raclette zien bereiden, de Zwitserse schotel? Een halve bol vette kaas wordt verticaal boven de gril gehouden; het bruist, puilt uit, sist in slierten; het mes schraapt deze vloeibare blazen zachtjes op; het valt, als een witte koeienvla; het kleeft ineen, vergeelt op het bord; met het mes vlakt men de geamputeerde sectie uit; en men begint opnieuw.
Aldus verloopt, strikt genomen, een schilderkunstige operatie. Want net als in de keuken moet men in de schilderkunst ergens iets laten vallen : het is in die val dat de materie transformeert (zich vervormt): dat de druppel zich verspreidt en het voedsel mals wordt: er is productie van een nieuwe materie (de beweging creëert de materie). In het werk van Réquichot zijn alle staten van de voedzame substantie (ingevoerd, verteerd, afgevoerd) aanwezig: het gekristalliseerde, het gebarstene, het pezige, de klonterige pap, de verdroogde uitwerpselen, lijkbleek, de olieachtige moire, de sjanker, de spetters, de ingewanden. En als kroon op dit waanbeeld van de schaal van de spijsvertering wordt de materiële origine van de grote collages, de laatste Reliquaires ronduit alimentair, gehaald uit huishoudelijke magazines: ziehier de Frans-Russische nagerechten, de pasta’s, de gesneden aardbeien, de worsten (vermengd met haarwrongen, met hondensnuiten); maar het is de ingreep die culinair is (en picturaal): het strooisel, het kluwen, de stoofpot (op symmetrische wijze is de japanse sukiyaki een schilderen ontwikkeld in de tijd).

Réquichot plaatst ons hier terug bij een van de mythische bronnen van de schilderkunst: de helft daarvan behoort toe aan de orde der nutriënten (ingewanden). Om de alimentaire sensualiteit van het geschilderde ding te doden, moet men de schilderkunst zelf vaarwel zeggen: je kan het artikel Thing van Joseph Kosuth niet opeten of uitbraken; maar er is ook geen schilderen meer (geen enkele toest, geen kras): de hand van de schilder en die van de kok zijn tegelijk geamputeerd. Réquichot daarentegen, hij is nog wel een schilder: hij eet (of eet niet), verteert zich, braakt zich uit; zijn verlangen (te schilderen) is de zeer grote mise en scène van een behoefte.

de originele Franse tekst van Barthes in  R. Barthes, M. Billot, A. Pacquement: Bernard Réquichot, Bruxelles 1973 p. 16

commentaar

ja. het had gekund. Réquichot zou niet in een geïsoleerd kasteel aan de rand van het woud kunnen zijn opgegroeid, geheel niet omringd door beweeglijke spoken, noch door schattige demonen of het ruisen van de zwarte rokken der duistere hermafrodieten*.
Bernard zou zich vervolgens geheel netjes hebben kunnen verlustigen in een verheerlijking van het eetbare en van de vele sensuele handelingen die met de bereiding daarvan gepaard gaan. het had zomaar gekund dat deze narcistische neuroot ons terugbracht naar de mythische origine van de schilderkunst en ons weer laat kennismaken met de vele geneugtes van de picto-culinaire bereiding van het stoffelijke, het ideële en het animale kadaver…

maar één blik op het werk van Réquichot verwijst dergelijke analyse met zware braakneigingen naar de reeds druipende prullenmand: Réquichot is ontegensprekelijk gewoon de schilder van het Rot, de meester van de putrificatie, de illustrator van de ontbinding, de regisseur van het infectueuse slijm, de aanstekelijke walm, het stinkende pus waarin triomfeert het bleek glanzende bot.
wat Réquichot aan culinairs verwerkt in zijn collages is louter reliëf om de walging die de resten van zijn ingrepen opwekken des te effectiever laten toe te slaan. Réquichot schildert het Rot niet, hij laat het gebeuren, richt het in, stelt het aan zichzelf en zichzelf genadeloos eraan bloot en beleeft het tot op het bot.

is het omdat Barthes hier effen niet verder wil denken dan het niveau van de dingen, de woorden en de categorieën daarvan dat hij dit niet kan zien misschien, niet wil zien zelfs, maar vooral niet kan uitspreken? want het uitspreken van deze evidentie kan enkel een ‘amen’ zijn bij de wanhoop die Réquichot uitademt, uitstraalt, beleefde als schilder, als auteur en als mens, een wanhoop die hem tot zelfmoord noopte.

de vader van de dood van de auteur kan de eigen dood, de ondergang zoals Réquichot die voor hem uitbeeldt, uitleeft enkel als onaanvaardbaar omwerken tot een picturaal-culinaire bereidingswijze, een artistieke trukendoos van een Piet Huysentruyt avant-la-lettre! soyons serieux, zegt Roland met de sigaar, daar gaan we het niet over hebben, het moet wel plezant blijven è….

deze blote ontkenning in het nochtans bijzonder geurige licht van de evidente ondergang, het grandioze failliet van de West-Europese Kunst qua Kunst, dit straal negeren van wat het kleinste kind kan zien, deze veronachtzaming van heel het letterlijk, woordelijk neergeschreven denken van een – we zullen het later samen uitroepen – vrij geniale auteur, schaamteloos neergepend in een bijzonder prijzig boek van de pauselijke bourgeoisuitgever Weber zal de volgende zevenenveertig jaar het ‘artistieke discours’ blijven bepalen, en hoogstwaarschijnlijk nog ettelijke jaren nadien. dit intellectuele schertsvertoon is exemplarisch voor 5 decennia ‘kunstkritiek’, het strekt tot voorbeeld. zo los je dit soort gênante dingen op.

aja, het is wel Roland Barthes è, die het zegt! en ochot, de tekst in zo’n Kunstboek, wie leest dat nou, ooit? en wie zou dat dan ooit nog ’s lezen zoals Faustus las en zoals ongetwijfeld ook Réquichot las: ‘au bout’?**


*zie het begin van de Faustus in Bernard Réquichot, Ecrits divers, ISBN 2-84066-070-9, p. 13
**” pendant que je faisais cet inventaire, il [Faustus] se repliait sur lui-même. Revenant à la table, je lui dis: “Vous ne lisez pas beaucoup.” Lui, de répondre: “Non, mais je lis jusqu’au bout.” Ce “jusqu’au bout” semblait le peindre tout entier, mais qu’était-ce que ce bout?”
Faustus, Trois Fragments, in Bernard Réquichot, Ecrits divers, ISBN 2-84066-070-9, p. 18

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (6)Barthes-Réquichot (8)>
Categorieën
Kathedraalse Leer Proza Requichot Walg & Rot

Barthes over Réquichot (6)

<Barthes-Réquichot (5)Barthes-Réquichot (7)>
Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.

Vandaag beginnen we na een deel getiteld ‘het lichaam’ aan het hoofdstuk ‘de twee bronnen van de schilderkunst’

de twee bronnen van de schilderkunst

het schrift en de keuken

Tegen het einde van de 18de eeuw voerden de Neo-Klassieke schilders de geboorte van de schilderkunst zo op: de verliefde dochter van een Corinthische pottenbakker reproduceert met houtskool het silhouet van haar beminde op een muur aan de hand van zijn schaduw. Laten we dit romantische beeld, waar overigens niets fout aan is want het stelt het verlangen voor, vervangen door een andere mythe die tegelijkertijd meer abstract en meer triviaal is; laten we, buiten heel de geschiedenis om, een dubbele origine van de schilderkunst denken.

De eerste bron zou het schrift zijn, het tracé van toekomstige tekens, de oefening met de punt (van het penseel, de stift, de griffel, van al wat schraapt en streept, ook al is het kunstmatig als de lijn afgezet door een kleur). De tweede is de keuken, ’t is te zeggen elke praktijk die tot doel heeft de materie te transformeren over de gehele lijn van haar consistenties, door middel van meervoudige operaties zoals het mals maken, het aandikken, de fluidisatie, de granulatie, de lubrificatie om zo te produceren wat de gastronomie dan noemt: de mousse, het beslag, de velouté, het romige, het krokante, enz.. Freud stelt zo tegenover het sculptuur –via di levare– de schilderkunst – via di porre;* maar de tegenstelling tekent zich binnen de schilderkunst zelf af als die tussen de wijze van de insnijding (de ‘haal’, de ‘trek’) en die van de zalving (met de ‘laag’, de ‘toets’).

Deze dubbele oorsprong is verbonden aan twee gebaren van de hand die nu eens krast en dan polijst, schraapt en gladstrijkt; in één woord de vinger en palmbeweging, het gebaar van de vingernagel en van de Venusheuvel. Die dubbele hand verdeelt onder zich het hele rijk van de schilderkunst, want de hand is het echte van de schilderkunst, niet het oog ( de ‘representatie’ of de figuratie, of de kopie is enkel op te vatten als een afgeleide en ingelijfde bijkomstigheid, een alibi, een folie gelegd op het netwerk van trekken en toetsen, een gedragen schaduw, een niet-essentiële luchtspiegeling. Er is een andere geschiedenis van de schilderkunst mogelijk, die niet de geschiedenis is van de schilders en de werken maar van de werktuigen en de materialen; gedurende lange tijd, heel lange tijd verkreeg de kunstenaar geen individualiteit van zijn werktuig: het was gelijk het penseel; toen de schilderkunst in zijn historische crisis kwam is er een verveelvuldiging van het werktuig, van de materialen ook: er is een eindeloze stoet van tracerende objecten en van dragers; de grenzen van het pictorale werktuig worden onafgebroken verlegd (bij Réquichot zelfs: het scheermes, de kolenschop, ringen in polystyreen). Een gevolg (te onderzoeken) is dat het werktuig, niet langer gecodeerd, voor een deel ontsnapt aan de handel: de winkel met schildersgerief wordt verlaten: die verkoopt enkel zijn waren nog aan de brave amateurs; het is in de ‘Printemps’, in de rekken van huishoudspullen dat Réquichot zijn materialen gaat zoeken: de handel wordt geplunderd (plunderen wil zeggen: roven zonder het gebruik te aanvaarden). De schilderkunst verliest aldus zijn esthetische specificiteit, of beter die – eeuwenoude – specificiteit wordt onthuld als bedrieglijk: achter de schilderkunst, achter haar superbe historische individualiteit (de sublieme kunst van de gekleurde figuratie) gaat iets anders schuil: de bewegingen van de klauw, van de stemspleet, de ingewanden, een projectie van het lichaam en niet enkel een meesterschap van het oog.

Réquichot houdt de wilde teugels van de schilderkunst in de hand. Als oorspronkelijk schilder (we praten hier nog steeds van een mythische oorsprong: geen theologische, geen psychologische, geen historische: pure fictie) valt hij onophoudelijk terug op het schrift en op de voeding.


*geen idee waar Freud dat zegt (Barthes schreef in een tijd toen je status als auteur nog niet afhing van het aantal pseudo-wetenschappelijke, ‘juiste’ verwijzingen naar andere auteurs, maar van wat je zelf beweerde) maar die heeft het onderscheid ongetwijfeld van Michelangelo: die schreef ooit in een brief aan de Florentijnse historicus Benedetto Varchi:
“ (…) Io intendo scultura quella che si fa per forza di levare, (…) l’altra scultura quella che si fa per via di porre, è simile alla pittura”: de beeldhouwer verwijdert iets uit het marmer, terwijl de schilder iets toevoegt aan het doek.
Zie https://it.wikisource.org/wiki/Lettera_a_messer_Benedetto_Varchi

commentaar

we zijn getuige hier van een van de uiterst zeldzame plaatsen waar een vooraanstaand intellectueel van vorige eeuw zich uitlaat over het schrift en dan nog zien we dat er enkel in mythische termen over de schilderkunst als verwant aan het schrift kan worden gesproken. aan het schrift zelf wordt nauwelijks geraakt. het taboe heeft natuurlijk alles te maken met de status van superioriteit die ons schriftstelsel als louter technische code voor het ‘schrijven’ ten alle prijze moet behouden: het intellectuele discours kan zich, zoals zich dat onder geletterde mannen afspeelt, niet bezighouden met die louter technische kwestie, net zoals heden het massale gebruik van informatietechnologie in de schrijverij verzwegen moet worden.

voor de schilderkunst mag er zo wel een alternatieve geschiedenis worden voorgesteld, maar raak aub niet aan de letteren: daar spelen commercie en techniek uiteraard totaal geen enkele rol van betekenis.

geen enkele. nooit. niet.

verder: elke erkenning van de waarheid van de animale oorsprong van het heilige (fallocratische) schrift moet absoluut vermeden worden, en als die al in de schilderkunst (“in de tijden van haar crisis”) moet worden toegelaten dan kan zulks enkel op een mythische basis.

het begint er steeds meer op te lijken dat Barthes’ analyse van Réquichot er een is die zijn werk (onbewust?) wil ontwapenen, dat de ontdekkingen van Réquichot moeten weggemoffeld worden in een aanvaardbaar, ‘betekenisvol’ discours, waar de humane ontologie, het mannelijke Zijn en haar volledige distinctie ten overstaan van het animale moet overeind blijven.
ja, toch wel: ‘haar distinctie’, de ontologie is een ‘zij’. anders kon je het Zijn niet Hebben è.

Réquichot mag best beestig goed zijn, maar niets van hem mag dierlijk gebeuren, is dat de ongeschreven wet? gelukkig zijn er ook nog, naast het beeldend werk dat voor zichzelf spreekt als je het durft bekijken zoals het gebeurt tenminste, de woorden van Bernard Réquichot zelf.

maar bon, laten we niet te fel vooruitlopen op basis van een onbewijsbaar vermoeden, een aanvoelen dat waarschijnlijk enkel in mijn al te begerige vingers trekt en gloeit en wriemelt alsof die vingers de slijmerige resten van een brein doortasten op zoek naar een verharding, de knobbel van een nog te ontwarren kluwen…

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (5)Barthes-Réquichot (7)>
Categorieën
Kathedraalse Leer Proza Requichot Walg & Rot

Barthes over Réquichot (5)

<Barthes-Réquichot (4)Barthes-Réquichot (6)>
Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur. We vissen die wegrottende teksten er hier uit, spoelen ze af met nat Nederlands en beschrijven wat de wassing ons onthult.

Vandaag over een zich oprichtende en verstijvende beweging en wat daar zoal op volgen kan…

de erectie

De walging is een panische erectie: het hele fallus-lijf zwelt, verhardt en zakt weg. En het is dat wat het schilderen doet: het windt op. Misschien raken we hier aan een onherleidbaar verschil tussen het schilderen en het discours: het schilderen is vol; de stem daarentegen maakt in het lichaam een afstand, een holte; elke stem is wit, komt er niet toe zich te kleuren zonder meelijwekkend gekunstel. We moeten dus Réquichot’s verklaring letterlijk nemen als hij zijn werk beschrijft, niet als een erotische daad (wat banaal zou zijn) maar als een erectiele beweging en wat daarop volgt: “Ik heb het over dat eenvoudige ritme dat maakt dat voor mij een doek langzaam begon en dan meer en meer aantrekkelijk werd en mij in een passioneel crescendo bracht tot een bruisen van de orde van een orgasme. Op dat hoogtepunt liet het schilderen mij achter, als het al niet zo was dat ik zelf met de beperkingen van mijn kunnen moest loslaten. Al wist ik dan dat mijn schilderen beëindigd was, mijn nood om te schilderen was dat niet en dat paroxisme werd gevolgd door een grote ontgoocheling.” Het oeuvre van Réquichot is deze erectiestoornis van het lichaam (wat hij soms benoemt met hetzelfde woord waarmee sommigen de aandrang beduiden, als drift [dérive]).

de oorspronkelijke tekst van Barthes in de Catalogue Raisonné van 1973

commentaar

deze korte beschouwing van Barthes laat weinig aan de verbeelding over: Réquichot schaamt zich voor zijn schilderen zoals een man zich schaamt die Het niet (langer) klaarspeelt.
het betekenen is teruggebracht tot de gebaren, wat een opwindend gebeuren blijft, maar het gebeuren is helemaal onvruchtbaar geworden, het brengt niets meer tot stand, het leidt nergens toe, maakt geen betekenis meer aan, produceert geen ‘zijn’ meer. geen enkele verhullende esthetica kan nog verbergen dat wat men doet niet langer doordringt tot wat men klaar wil krijgen: een glorieuze verheerlijking van de fallocratische orde, de inrichtende macht. het volk grolt en schatert en organiseert haar eigen schuif- en schranspartijen in de warm-slijmerige rotresten van het continentaal verspreidde Lijk van God.
in de boekenwinkels gaan een na een de boeken toe, en de schilders worden xerox-deskundigen, designers of installateurs van eigen schertsvertoon.
de fameuze fallische stilus van Derrida laat het afweten, de mancave van Plato is ingestort, er komt enkel nog viezigheid bovendrijven in de restenbak, de Reliquaire van de Schepper
eindigt het verhaal van de West-Europese kunst zo niet als de climaxloze pornografie van het Rot? wordt de ‘Kunst’ niet Kunstmatig rechtgehouden door de commercie? is heel het Kapitale Kunstgedoe niet al een jaar of zestig geheel fake, slappe lulkoek? of anderszins de machinale viagra-fuck van een gevoelloos zwart gat in de markt?

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (4)Barthes-Réquichot (6)>
Categorieën
Kathedraalse Leer Proza Requichot Vertalingen - Bewerkingen Walg & Rot

Barthes over Réquichot (4)

<Barthes-Réquichot (3)Barthes-Réquichot (5)>
Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur. We gaan die rotteksten er hier terug uitvissen, afspoelen met nat Nederlands en zeggen wat we zo te zien krijgen…

Vandaag over Réquichot’s gebruik van de collage en het raadselachtige fenomeen van de Rattenkoning

de Rattenkoning

Het onderzoek van Réquichot brengt hem bij een beweging van het lichaam die ook Sade fascineerde (maar niet de sadistische Sade), namelijk de walging: het lichaam begint te bestaan daar waar het zich afkeert, walgt, maar toch wil verslinden wat het verafschuwt en het exploiteert die smaak voor de afschuw, stelt zich zo bloot aan een duizeling (de duizeling is dat wat niet eindigt: het doet de zintuigen afhaken, stelt het uit naar later).
De fundamentele vorm van de walging is het agglomeraat; het is niet zomaar, door eenvoudig technisch onderzoek, dat Réquichot tot de collage komt; zijn collages zijn niet decoratief, ze juxtaponeren niet, ze conglomereren, omvatten enorme oppervlakten, verdikken zich in volumes; in één woord, hun aard is etymologisch, ze nemen de ‘colle’ van de origine van hun naam letterlijk; wat ze produceren is het glutineuze, de voedzame pek, weelderig en weerzinwekkend, daar waar de opdeling zich opheft, t’is te zeggen het benoemen.

Rattenkoning uit het Museum Mauritianum in het Duitse Altenburg, bestaande uit 32 in elkaar verstrikte ratten. Door Photographed at Naturkundliches Museum Mauritianum Altenburg, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=470245

Een nadrukkelijke omstandigheid daarbij is dat het dieren zijn die de collages van Réquichot samenplakken. Nu het lijkt er sterk op dat elk conglomeraat van dieren bij ons een paroxisme van walging oproept: krioelende wormen, wriemelende slangen, wespennesten. Eén fabelachtig fenomeen (is het al wetenschappelijk verklaard? Ik weet het niet) vat heel die horror van de dierlijke samenklontering samen: de rattenkoning: “in de vrije natuur – zo zegt een oud zoölogisch woordenboek – vallen de ratten soms ten prooi aan een zeer eigenaardige ziekte. Een groot aantal raakt verstrikt met de staart en vormen zo wat in de volksmond heet een rattenkoning… De oorzaak van dit merkwaardige feit is ons nog onbekend. Men neemt aan dat het een bijzonder secretie van de staart is die deze organische verbinding samenhoudt. In Altenburg wordt een rattenkoning van zeventwintig exemplaren bewaard. In Bonn, te Echnepfenthal, in Frankfurt, Erfurt en Lindenau, bij Leipzig, heeft men soortgelijke groepen gevonden”. Requichot blijft deze rattenkoning metaforisch schilderen, blijft deze collage die niet eens een naam heeft plakken; want wat er bestaat voor Réquichot is niet het object, zelfs niet het effect daarvan, maar zijn spoor: laten we dat woord in zijn locomotorische zin begrijpen: uit de verftube geknepen is de worm zijn eigen spoor, veel walgelijker dan zijn lichaam.


commentaar

het lijkt er sterk op dat Roland Barthes, de vader van de dode auteur, nog te zeer vast zit in het ontologische dictaat om te zien dat het Réquichot niet eens om het materiële (verhandelbare) spoor van zijn creatieve handelingen te doen is, maar dat de fascinatie de handeling zèlf betreft. vandaar ook de natuurlijke gène om de resten van zijn intieme creaties te tonen, allicht ook de auto-destructieve walging van de eigen handelingen.

op dit punt moet onze lezing onderzoeken of het creatieve échec van Réquichot niet te wijten zou kunnen zijn aan de ontologische beklemming zelf, en misschien kunnen we de existentiële walg en angst (Sartre) ook gaan lezen als een eindpunt van de ontologische degradatie in het na-oorlogse fallocratische denken die dan leidt tot de befaamde contestatie daarvan eind jaren ’60 die volgt op het koloniale débacle dat het geruineerde Europa afsnijdt van de onmiddellijke bron van haar weelde. walgt gans het oude Europa niet collectief van het Zijn zelf, en van zijn zijn in het bijzonder? het schouwspel wordt er nadien en tot op heden zeker niet smakelijker op…

soit. Barthes is een degelijke structuralist, hij wil ‘begrijpelijke’ structuren dus hij spreekt dan ook heel erg ontologisch reducerend van het agglomeraat als ‘de fundamentele vorm van de walging’* . De walging is natuurlijk geen ding, zelfs geen vorm: de walging is het walgen, het gebeurt, dus als je de walging wil ‘begrijpen’ moet je haar zien gebeuren, desnoods als een geheel van bewegingen, als een tactiele en emotionele verknoping van intensiteitsschommelingen. Réquichot’s onderzoek begrijpt dat en laat het gebeuren in zijn praktijk: zijn creatieve praktijk is een laboratoriumopstelling van de walging zoals ze gebeurt en zijn werk is wat er rest van zijn ervaring van dat gebeuren…

het is dan ook heel toepasselijk dat Barthes het begin van de walging laat samenvallen met het eindpunt van het benoembare, wat ons bij de geheel retorische vraag brengt of het asemische misschien het kind is van deze moeder van het abominabele…


*”La forme fondamentale de la répugnance est l’agglomérat”

Bernard Réquichot – Cat. rais. #359 – Papiers Choisis (1959) – 205×152 cm

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (3)Barthes-Réquichot (5)>
Categorieën
Kathedraalse Leer lyriek Requichot Walg & Rot

Barthes over Réquichot (3)

<Barthes-Réquichot (2)Barthes-Réquichot (4)>
Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.

Vandaag paragraaf 3 van ‘het lichaam’, over de tong…

de tong

In bepaalde collages (omstreeks 1960) komen er in overvloed koppen, kelen en tongen van dieren voor: verstikkingsangst, zegt een criticus. – Neen, de tong, dat is de taal: niet de beschaafde spraak, want die passeert de tanden (een gedentaliseerde uitspraak is een teken van distinctie: de tanden surveilleren de spraak), maar de taal der ingewanden, erectiel; met de tong is de fallus aan het woord. In een verhaal van Poe is het de tong van de gemagnetiseerde dode, niet zijn gebit die de onzegbare uitspraak doet “ik ben dood”; de tanden versnijden de spraak, maken die precies, dun, intellectueel, waarachtig, maar langs de tong, omdat die zich strekt en zich opbolt als een springplank passeert alles, mag de taal ontploffen, opspringen, is ze onbeheersbaar: het is op de tong van het gehypnotiseerde kadaver dat de de schreeuw “Dood! Dood!” exploderen zonder dat de magnetiseur ze kan onderdrukken en de nachtmerrie doen ophouden van deze dode die praat; en het is ook, lichamelijk, op het niveau van de tong dat Réquichot heel de taal in scène zet: in zijn lettristische gedichten en in zijn museumcollages.

commentaar

zoals Barthes het stelt doet het taalbegrip bij Réquichot ons welhaast atavistisch aan, het herinnert ook aan de primitieve schreeuw van de waanzin bij Artaud. we zijn hier medunkt toch ver verwijderd van Isou’s doldraaiende theorievorming in diens lettrisme.

de wijze waarop je het ziet gebeuren bij Réquichot bevestigt dan ook de Neo-Kathedraalse, devolutionaire visie op het ontstaan van de taal als een verwording, een degradatie van de dierlijke schreeuw. de taal is de geinstrumentaliseerde schreeuw van het onmachtige dier dat mens werd. de taal als cognitieve klauw van de mens als het meest wreedaardige roofdier ons bekend.

primair, letterlijk, in de chronologie van de devolutie, is de manipulatie van de luchtstroom van de schreeuw door middel van de tong, de wijze waarop klinkers gevormd worden.
secundair zijn inderdaad de dentale of gutturale stops en de fricatieven die de geproduceerde klankstroom verder verfijnen, verkappen, verdelen, digitaliseren*.
zo wordt de kwaliteit van het gebeuren, hoe het gebeurt, het klinken ervan geleidelijk aan onderscheiden, gekwantificeerd in een voortschrijdende verrotting, een differentiedwang die ‘betekenis’ geeft en eist en van de schreeuw een schrander talig instrument maakt, het begin van de taal als technè, als taaltechniek.

zo bekeken grijpt Réquichot in zijn werk terug naar een mythisch verleden, een onbereikbaar eerder stadium dat hij wel kan zichtbaar maken in de dierlijke kadavers, want in de gang van het Rot is het uiteraard zo dat elke verdere devolutie de eerdere en hogere diersoort wil onderwerpen of doden.
valt ook zo de menselijke soort niet ten prooi aan haar bovenmenselijke verwording, de oorlogsmachine en de geïnformatiseerde, oncontroleerbare ‘vrije markt’?
in ieder geval demaskeert Réquichot zo de beschaving als een wreedaardige en beklemmende degeneratie die enkel de spasmodische walging als verweer toelaat.

*het prioriteren van de dentale medeklinkers in dit verhaal lijkt mij een wat verregaande ingreep die Barthes aanwendt om de tegenstelling tong-tand uit de verf te laten komen. ik denk dat Réquichot eerder op de tong focust omdat die visueel en gevoelsmatig meer visceraal en ‘dierlijk’ is dan het gebit. in de Franse taal zijn dentale medeklinkers misschien te associëren met ‘hogere beschaving’ in andere niet-Westerse talen zal dat minder makkelijk vol te houden zijn

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (2)Barthes-Réquichot (4)>
Categorieën
Kathedraalse Leer Requichot Walg & Rot

Barthes over Réquichot (2)

<Barthes-Réquichot (1)Barthes-Réquichot (3)>
Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.

Vandaag de tweede paragraaf van het deel getiteld ‘het lichaam’, waarna je te weten komt wat een ‘reliquare’ is.

de ‘Reliquaires’

Hoewel het dozen zijn op wier bodem ‘er iets te zien is’, lijken de Reliquaires meer op endoscopiemachines. Is dit niet het interne magma van het lichaam dat daar geplaatst is aan het uiteinde van onze blik, als een diep veld? Is het geen barok begrafenisdenken dat de expositie regelt van het eertijdse lichaam, dat van vóór de spiegel? Zijn deze Reliquaires geen open buiken, geen geschonden graven ( “Wat ons van heel dichtbij raakt kan niet publiek worden zonder profanatie”)?

Neen. Die esthetica van het zicht en die metafysica van het geheim worden problematisch van zodra je weet dat Réquichot het verafschuwde om zijn schilderwerk te tonen, en vooral, dat hij er jaren over deed om een Reliquaire te maken. Dat wil zeggen dat voor hem de doos geen (verstevigd) kader was van een expositie, maar eerder een soort tijdelijke ruimte, de omheining waarbinnen zijn lichaam werkte: zich afscheidde, verzamelde, inwikkelde, verspreidde, ontlaadde: zich verlustigde: de doos is het schrijn, niet van de beenderen van de heilige of de kippen, maar van de orgasmes van Réquichot. Zo vinden we aan de kusten van de Stille Zuidzee aloude Peruviaanse tomben waar de dode omringd is met terracotta standbeelden: die beelden niet zijn ouders, niet zijn goden uit maar enkel de zijn geprefereerde manieren om de liefde te bedrijven: wat de dode meeneemt zijn niet zijn goederen, zoals in zovele andere religies, maar de resten van zijn orgasmes

orig. tekst van Barthes in R. Barthes, M. Billot, A. Pacquement: Bernard Réquichot, Bruxelles 1973 p. 12

commentaar

De Reliquaires (‘relikwiehouders’, ‘schrijnen’) zijn vergaarbakken van behandelde, betastte, beschilderde materie, een langdurig proces van verzamelen en laten inwerken, inrotten van de materialen. Met zijn vriend Dado frequenteerde Réquichot een verlaten slachthuis waar de kadavers en skeletten van de dieren materialen werden voor assemblages. Réquichot nam zijn eerder ontwikkelde bas-relief collagetechniek van de ‘Papiers Choisis mee en kwam zo tot wat hij dan schrijnen noemde, Reliquaires, waar dus ook papier en ander al dan niet geverfd materiaal werd samengebracht

De verwantschap met de Merzbau van Kurt Schwitters is treffend, maar deze werken zijn intiemer, meer lichamelijk en de verrotting is niet het resultaat van maatschappelijke verwerping, het is geen vergaard afval dat onmiddellijk refereert naar een verloren objectstatus, als er wat herkenbaars in rest is het vaak eerder dierlijk, vegetatief of zelfs menselijk…

Bernard RéquichotLa Maison du Manège Endormi, Reliquaire, 1959, 110x77x52 – uit R. Barthes, M. Billot, A. Pacquement: Bernard Réquichot, Bruxelles 1973 

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (1)Barthes-Réquichot (3)>
Categorieën
Kathedraalse Leer Proza Requichot Walg & Rot

Barthes over Réquichot (1)

Barthes-Réquichot (2)>
Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.
Hier, 1581029022327 ms, bij het begin van een Neo-Kathedraalse lezing van dat werk, de eerste ‘unité’ van Barthes al in een subsidievrije vertaling.

het lichaam

van binnenuit

Veel schilders hebben het menselijk lichaam gereproduceerd, maar dat lichaam was steeds dat van de ander; Réquichot schildert enkel het eigen lichaam: niet het uitwendige lichaam zoals de schilder dat kopieert door zich schuins te bekijken, maar zijn lichaam van binnenuit; zijn binnen wordt een buiten, maar het is dan een ander lichaam, waarvan het heftige ectoplasma bruusk verschijnt door de tegenstelling van deze twee kleuren: het wit van het doek en het zwart van de gesloten ogen. Een uitgeslagen afkeer grijpt dan de schilder aan; die brengt geen ingewanden of spieren aan het licht, maar enkel een machinerie van repulsieve en orgastische bewegingen; het is het moment waarop de materie ( het materiaal) zich opslorpt, zich afzondert in de vibratie, taai of schril: de schilderkunst (laten we dat woord nog gebruiken voor alle vormen van verwerking) wordt lawaai (“De meest extreme scherpte van lawaai is een vorm van sadisme”). Dat exces van de materialiteit noemt Réquichot het metamentale [méta-mental]. Het metamentale is dat wat de theologische tegenstelling tussen lichaam en ziel ontkent, en dus om zo te zeggen van zin ontdoet; het is het geslagen ‘binnen’ als een oorveeg aan het intieme.

Van dan af is de representatie verstoord, de grammatica ook: het werkwoord “schilderen “ [peindre] onthult een merkwaardige dubbelzinnigheid: zijn object (wat men schildert) is enerzijds wat bekeken wordt (het model), anderzijds wat bedekt wordt ( het doek): Réquichot maakt geen onderscheid van object: hij ondervraagt zich in dezelfde tijd dat hij zich veranderd, hij portretteert zichzelf op de wijze van Rembrandt, schildert zich zoals een roodhuid. De schilder is tegelijkertijd kunstenaar (die iets representeert) én een wilde (die zijn lichaam beklad en bekerft).

orig. tekst van Barthes in R. Barthes, M. Billot, A. Pacquement: Bernard Réquichot, Bruxelles 1973 p. 11

commentaar

het lichaam binnenstebuiten op doek gekwakt onthult het metamentale, een slag in het gezicht van het intieme, het soort beweging waaraan wij heden allen lijken onderhevig te zijn in de exploitatie als ‘gebruiker’, als (een verzameling van) profiel(en).
want de materialiteit van het lichaam ontlokt bij Réquichot existentiêle walging net zoals de omzetting naar doorzoekbare ‘raw data’ van ons meest intieme gedrag onszelf genadeloos toont als schijnbaar willoze maar uiterst destructieve en geheel voorspelbare en dus ook manipuleerbare ‘human agents’.
elke hoogdravende discussie over lichaam en ziel, materialisme of spiritualiteit wordt met een klap overbodig: vergeet wie of wat wij zijn, kijk hoe wij gebeuren, hoe wij onszelf laten gebeuren (en deins terug van wat je ziet).
de mensheid schildert in data (én in pollutie, in de kak die wij aanrichten) haar zelfportret en het aanzien ervan vervult ons met afgrijzen.

in de omslag van deze binnenstebuiten kering lijkt er nergens ruimte voor daadwerkelijke controle, laat staan iets als ‘vrije wil’…wij kunnen niet anders dan ‘de expressie zijn van wat wij zijn’ want er is geen ‘essentie’ die kan sturen of bestuurd (‘misbruikt’ )worden, het enige wat echt gebeurt is wat er gebeurt…

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

Barthes-Réquichot (2)>
Categorieën
Grafiek kort Proza Walg & Rot

kermis

een verjaardagstractatie

het is kermis.

de pleinen van Stad zijn één woelen van schelle geluiden, schreeuwerige kleuren en vette vreet-en drankwalmen.
hoog in de najaarslucht aarzelt Zon tussen het uitbranden van de viezigheid daar beneden en het zich hullen in dikke natte wolken. maar voor het branden heeft Zon zo laat op het jaar niet meer de kracht en de wolken vluchten weg van zijn afschuw. ‘als je zo doet, helpen we je niet’, zeggen de wolken die zich maar snel verder het land in laten waaien.

tussen de ontzette huizengevels die al hun luiken toeknijpen en de opdringerige kramen en attracties stroomt er een sliertige brij mensen, een weke deining die zich door de engten murwt als een slang. de brij zet een stevige laag af tegen de stoepranden van bevuilde vochtige plastics, voos papier en besmeurd karton.

Brij stroomt in drie snelheden.

één heel trage die zich, hongerig naar sensatie, vertakt heeft tot diep in de lunaparcs, de spiegelpaleizen, de spookkastelen en dat glijdend over de drankterrassen rondom gedrapeerd ligt als een ranzig kleed.

een tweede, iets snellere in tegengestelde zin, waarvan de lijven geil willen schuren tegen de tragere lijven maar die zich daarvan weten te weerhouden. de hoofden wijzen wel voortdurend als vectoren de plekken aan waar zich jongere, naaktere lijven bevinden. Zon vlamt in vlagen hevig op dat naakt zodat ze nog heftiger oplichten in het gewoel.

en daar schieten dan ook de schichtige elementen op af in Brij, haar derde snelheid die zich a-lineair, kriskras doorheen de andere twee deelstromen beweegt, ze kortstondig bespikkelt als schuimkoppen in openluchtriolen.

Brij houdt van deinen en schuren en schuiven, maar ze zou gans ongelukkig zijn zonder haar oplichtende schichtjes.

niet stil blijven staan is de boodschap, denkt Geest, in beweging blijven. zonder beweging word je aangegrepen.

door het half-rotte hout van het opstapje naar de kassa van de tredmolen met schurftige pony’s bijvoorbeeld, waar een zweterig type met een scheve neus en ingevallen wangen hem begluurt als een prooi, een bron van inkomsten. de houtnerven der plankjes verlaten, door hem daartoe bevolen, hun rottende hardheid en trekken zich als geanimeerde arabesken door tot in zijn schoenzolen, in het leder, op zijn enkel, langs de voering van zijn broek op zoek naar een holte, een kans op doorbraak.

of door de glinstering in de diep-blauwe ogen van de slanke blondine die geen tanden blijkt te hebben, en wiens tong in de afschrikwekkende leegte van haar mond een smakkend zuigen laat afwisselen met een heftige klak, een moorddadige trek- en kraakbeweging die je perfect hoorbaar kan volgen, in slowmo ziet gebeuren ook, hoewel ze een tiental meters verderop tussen de loeiende boxen van het lunapark heftig gesticulerend tussen haar vriendjes staat te lonken. nu ze denkt dat ze beet heeft begint het strakke roze rokje donker tussen haar benen te verkleuren en vliegen er al stukjes plastic en papier van de stoep op naar het nieuwe wormgat daar.

Geest wendt vlug de gedachten en knijpt in de hand van Elan en beiden verzuchten eendrachtig de wens op een ogenblikkelijke locatiewissel.
thuis in Grot ligt de kleine Afschuw in eigen drek te snikken omdat het niet mee mag naar Museum de volgende achttienduizend keer.

‘als je zo doet, helpen we je niet’ zegt Geest, en Elan plooit dubbel van het lachen terwijl Geest haar penetreert en ze joelend opgaat in driften.

Categorieën
gedicht van de dag Grafiek lyriek Walg & Rot woordenpers

het gelaat is

het gelaat en het is wat het is

en het vervallen mannenvlees vervalt en vlees kapt vlees van ’t bot
dikke plakken zakken  in de zompe varkensgeulen en kalm maar
drammerig de volgzame dames kokhalzen en luide boeren zij
de in gemompel vervallende bevelen vanop hun wakke hoogte
en de herenessenties zwiepen als wormpjes aan vishaken uit de
vette herenlijven en woordalen persen kolossale alen heer uit
de aalpokken op de barstende lippen van het aangezicht

het aangezicht hangt aan uw handen en aan uw kleren
het aangezicht druipt langs uw benen in uw linkerschoen
het aangezicht herpakt zich een seconde in de spiegel
tot een aangezicht dat ook bekend stond als uw gelaat

en uw gelaat is het gelaat:

  • waarvan de ogen guren uit twee dompe zweerwolken
  • waarin de pus uit gaten druipt waar ooit de neus niesde
  • waarvan de kaak somtijds aan het schouderblad blijft haken
  • waarvan het verstervingsweefsel één wordt met het hersenrot
  • waarvan het tandengruis ritmisch in de tong van leder zeeruist
  • nu ook in handige slurpverpakking

en het is wat het is.

 

gelaat
dv 2018 – “een piek van het consumentengelaat in de tendenzenzee” – 18 x 27m

 

Categorieën
gedicht van de dag Grafiek Kathedraalse Leer lyriek Walg & Rot woordenpers

van nu en straks

nu de daad gebaart
in droge kronkels
van het net niet raken
aan de kiltetegels dood

en als het straks van grijze lippen niet wil nippen,
als het straks van starre tongen niet wil likken,
als het straks op zoek naar het moment de monden
met monden in de haatmonden open spalkt,

doen vloeien te zeer de stem zal gebieden de lichamen
die hun vlees beamen met hun kokhalzende spreken
van de kolkrivier, van de gutsletters en zich verslikken
in het woordstolsel vlokkend in de misselijk makende tijd;

een stenen slang zijt gij
die mij mijn naam ontnam
en mij als woord vervlecht
in uw lege woordenleer

maar mijn gram palt in de klokgaten
en marmer stuift nog eerder weg dan dan dit
verlangen stoppen zal verlangen op te roepen,
door mij in u en dwars door u zó op te leven

zoals uw bekken bij het golven op scharnierde,
zoals uw hoofd en oog de trilling had van donker licht,
zoals uw huid en hand tot spiegelijs verglaasde,
zoals uw tong de kilte gaf en kloeg van uw genot.

 

 

 


gramschroef
dv2018 – digimontage “trisonique”

Categorieën
gedicht van de dag Kathedraalse Leer lyriek Walg & Rot woordenpers

echt waar

“The doctors of medicine have discovered that certain dreams of the night, for I do not grant them all, are the day’s unfulfilled desire, and that our terror of desires condemned by the conscience has distorted and disturbed  our dreams.”

W.B. Yeats, Per Amica Silentia Lunae XII, 1917

-> waar is het woord wie zal het weten
wie is verantwoordelijk wie zal het
zoeken wie zal het zeggen aan welke
betrokkene wie zal geloven wie niet

wil zal niet willen wie niet hoort niet
antwoorden wie zal de hoofdrol wie
een bijrol vertolken waar is het voelen
wie staat er daar in het donker wat

heb jij gedaan voor de zaak wie ben je
ècht hoe durf je mij te verwijten weet
je wel waar je wel weet je wel wat je wel

en hoe wij lijden het verdriet de terreur
de rompslomp van het verlangen ik gun ze
niet alles die dokters want dit is nog echt

 

PASL-scheme
dv 2018 – schema van de werking van het maskerconcept als poort in Per Amica Silentia Lunae

noten hierbij:

  • merk op dat als het masker wegvalt als ‘active image’ heel het systeem alleen maar kan instorten: er moet een Daimon achter het masker zitten, de presentie is nodig anders vallen alle stromen stil, de ‘keuzes’ Dichter-Held-Heilige storten in en er rest enkel nog het fatum van de materiële noodwendigheid die als onleefbaar wordt gedacht
  • er is wel al een sterk aanvoelen van noodwendigheid in de expressie: de Dichter kan enkel spreken uit teleurstelling, de Held enkel ten onder gaan, de Heilige enkel renonceren
  • de anteros van de Heilige wordt neutraal-afstandelijk gedacht, de afkeer is slechts onthechting, heeft qua intensiteit niets van het verlangen, de lust van de Dichter. Het religieuze lijkt hier voor Yeats enkel interessant als het een eenmakingsverlangen is, van Juan de la Cruz citeert hij ook de unie-met-god-extase
  • Yeats denkt echt in ‘beelden’: de Daimon drukt de impressies (van het avondlijke schermen) op de ogen van de dichter voor hij inslaapt, de beweging in bv. sectie VIII is goed te volgen in echte ‘tekstbeelden’ zoals bij Petrarca in de Triumphi de opeenvolging van mythologische tropen de beelden in het brein worden geactiveerd, zo activeert Yeats de tekstbeelden van Goethe – Heraclitus – The Wanderer, komt zo op de Daimon uit die als ‘tegenspeler’ meteen de geliefde (‘sweetheart’) activeert dan astrologie etc: dit is geen ‘logisch’ tekstverloop (je moet niet de ‘ideeën’ volgen achter de woorden, maar de woorden toelaten de beelden te triggeren) maar een Swaanenburgse degressie, een dérive, een fatale gedrevenheid door de Daimon, een lopend programma dat haar beoogde werking op de lezer niet mist, het maakt de overtuiging van Yeats waar, van hardware op hardware.

    Yeats schrijft de gedachtebeweging, het leest ook in leesduur de duur van de gedachte (wat het tekstmasjientje hier ook doet: de schrijfact is weggeschreven, de auteur lost op in de geschriften).
    Op deze manier sterkt Yeats zich natuurlijk ook al schrijvende in zijn overtuiging: hij leest de eigen schriftuur en ervaart keer na keer de ‘waarheid’ ervan: “I know this to be true”

    Het is ook ‘waar’, t.t.z. niet te falsifiëren, als je alle ‘hulpklassen ‘ beschikbaar hebt, alle data inclusief informatieve ‘fermenten’, dan wèrkt het programma ook en al lezende ervaar je de beeldenreeks van Yeats inclusief zijn waarheidsgevoel.

    De ontologische status van die ervaring, van die ‘waarheid’ is N.O.P.. (Niet Ons Probleem), wij onderzoeken slechts of dit schema mits de nodige aanpassingen nog bruikbaar is, hoe dit kan bijdragen tot een beter auteursbegrip en in hoeverre we de Lyriekervaring programmeerbaar kunnen maken.

Categorieën
gedicht van de dag Grafiek Kathedraalse Leer lyriek NKdeE Emblemata Schoonschrift Walg & Rot woordenpers

Sylvia

(bij de gelijknamige film over Sylvia Plath)

Het is warm in het ware leven.
De ogen hangen te puilen.
De bedden zweten, de padden

ploffen onder de zware stappen
van de zich voortslepende kolos,
een wij met in het midden
het donkergroene gat.

Trillen doet rond ons de stilte het vel
van de lucht en zingen en gekscherende
vogels kwinkeleren hoog, maar

als je zag wat ik zie, zie ik je veeleer

  • de trein op/onder
  • met een meshaal, horizontaal
  • de spleten met kranten of natte doeken

Het is immers warm,
buiten.

timotuitie-lamandaii
dv 2018 -“de geboorte van de Timotuïtie uit de beweging van het lamandaii” – met potlood geannoteerde afdruk van een pagina uit een aan de Muze geschonken werk.

 

Categorieën
Anke Veld Grafiek Kathedraalse Leer lyriek Walg & Rot

RAFELMAN

RAFELMAN
dv 12-01-2018 – “RAFELMAN” ink & watercolour on paper – A4 – 2 LYRIEK

RAFELMAN

in vlakke A A R S Z O N

pijlbelaagd  de MAN staat

W I N  D D O O R S C H O T E N

schaarste in de ooggaten

gebrek in de KLEIKLOMP, elk ander
valser beter gemaskerd

in de ECHT

 

dv 12/01/2018

 

RAFELMAN is een UITWoRP
van het woestenijproces op PLATFORMPLEE.nl

Categorieën
archiefdoos gedicht van de dag Grafiek lyriek Walg & Rot woordenpers

de barst diep in de barst in het ik losbarst en prijsgeeft haar woekerende rot

smalvaaske2

barst

Categorieën
gignogram Grafiek Kathedraalse Leer Walg & Rot

zwalkontwerp

zwalk
dv 2017 – ontwerpblad ‘zwalk’

In de gignologische antropologie (de NKdeE Mensleer) is, vanuit de laat-twintigste-eeuwse 3d animatie, de studie van de humane walk cycle in functie van de alfabetisering der bewegingen tot ware bloei gekomen.

Hier de genese van de ‘zwalk’ een letter geprononceerd als iets tussen een gutturale plof, een keel-l en een gutturale a in (let op voor braakneigingen bij de uitspraak).

De zwalk doet zich voor bij bv. shoppende jonge moeders die gehuld in modieuze tenue door de winkelstraten struinen maar daarbij gehinderd door de in zwaarte sterk toegenomen handbagage zich miscalculeren in het zetten van de volgende stap,  evenwichtsverstoring ondervinden en vervolgens door overcompensatie het nog naar voren neigende been kruiselings over het steunbeen zwaaien hetgeen tot een plotse en algehele obstructie in de pas kan leiden (‘mijn benen in de knoop, begot’). De stap wordt dan alsnog hervat, en daarbij zal men zien, is het subject veelal uitstotende een zwalk-klank die indicatief is voor de geleverde krachtsinspanning.

klik op het pijltje om een audio-opname van een ‘zwalk’-klank te beluisteren

De zwalk (en het bijhorende zwalk-waarschuwingsteken ‘let op voor zwalkende moeders’) is in onbruik geraakt door het wegkwijnen van de winkelwandelstraten o.i.v. het VR-shoppen gelanceerd door Amazon vanaf 2019. U kan het ontwerpblad ‘zwalk’ hieronder bestellen als Hoogwaardig Creatief Afval (het unieke blad is inclusief een mechanisch vouwmodel dat u kan uitknippen!)

zwalkschets
voorbereidende schets voor het bladontwerp van het ontwerpblad ‘zwalk’