Categorieën
Vertalingen - Bewerkingen zwartzachte sterren

de tekens der sterren

The Signs in the Stars – David Tibet – 1998
vert. NKdeE 2020

Ik had wat bloemen geplukt
Om op je gezicht te leggen
Zelfs al had je het vlugge
Rijk nog niet verlaten
Ik zag dat de regenwolken
Door paarden voort werden gedreven
Die al lang genummerd waren
En onherkenbaar en vrij
En ik wou je echtgenote noemen
Terwijl ik zijlings de tekens bleef zien

En de vier hoofden der mannen
En al wat zij droegen
En de vier vrouwenschoten
En al wat zij beloofden
En ik wou jou wel schrijven
Verzen gezangen en bijbels
Je gelaat met parels bezet
Met je handen in boeien aan Christus
Maar ik bleef naar de tekens kijken.

Ik had het nieuws gezien
Dat het Trojaanse beest
Niet meer nabij
Noch komende was
Niet aan de deur stond
Maar hier was
Het grote in het kleine

En ik bleef maar kijken naar de tekens der sterren.

David Tibet

oude glasplaatfoto – uit het archief van E.D.

over ZWARTZACHTE STERREN

zwartzachte sterren is een Current 93 – adaptatieprogramma voor Laaglanders en Erger door E.D., T.B. en de voltallige NKdeE

“zoek ons niet op, u hoort wel van ons

inhoud


Categorieën
Vertalingen - Bewerkingen

’t Is Tijd, alleen maar Tijd

It is Time, Only Time – David Tibet – 1998
vert. NKdeE 2020

Toen je me zei
Ik hoor de wind huilen
En toen zei je
Ik voel de zee sterven
En toen toonde je me
De vlucht van de meeuwen
En je fluisterde zacht
’t Feest is uit
Toen
Toen wist ik dat het tijd was

Je zag er zo moe uit toen
Van schoonheid beroofd
Ik wist dat sinds lang al
Jouw hart niet meer sloeg
Maar al deze schoonheid
Maar al deze schaduw
Alsof om te zeggen ja
’t is allemaal zinloos
En toen
Toen wist ik dat het tijd was

In een klein park
Net buiten Soho
Gebaarde je heftig
Zonder bedoeling
En alle fonteinen
Riepen geef je over
En alle bomen bogen
Voor mijn verraad
En toen
Toen wist ik dat het tijd was

Geen woorden zijn zinvol
Geen woorden zijn beter
Dan toen ik je vasthield
Verslagen lappenpop
Zo leeg zonder licht
Zo vol van haat
Met je verbrokkelde ziel
versjacherd voor bloemen
k’ Had het je
Moeten zeggen toen
’t Is alleen maar de tijd

En toen keken we omhoog
Urbi et orbi
Ik zag de sterren versmelten
Boven St. Patrick’s
Je zei ik heb het gehad
Ik ben mist en een mistlamp
En je viel zo zoetjes
In jouw charme
Was het maar
Was het alleen maar de tijd

En nu is’t al acht jaar
Dat ik je nog zag
En alle sterrengloed
Is nu als niets
De brieven verbrand
De kussen voltooid
En al het gepaar
Lang vergeten
En jij lang dood
Vervloekt of vergeven

Het was geen droom

David Tibet





oude glasplaatfoto uit de Archieven van E.D.

over ZWARTZACHTE STERREN

zwartzachte sterren is een Current 93 – adaptatieprogramma voor Laaglanders en Erger door E.D., T.B. en de voltallige NKdeE

“zoek ons niet op, u hoort wel van ons

inhoud
Categorieën
Vertalingen - Bewerkingen zwartzachte sterren

zwartzachte sterren

Soft Black Stars – David Tibet – 1998
vert. NKdeE 2020

Kleine kinderen liggen lekker onder zwartzachte sterren
Kijk in hun ogen en zie zwartzachte sterren
Verlos hen van het boek en de letters en het woord
En laat hen de stilte lezen badend in zwartzachte sterren
Laat hen regendruppels volgen onder zwartzachte sterren
Laat hen ’t gefluister volgen die de nachtschrik verjaagt
Laat hen de vederbreedte kussen van zwartzachte sterren
En laat hen de paarden berijden gelikt door de wind en de sneeuw
En pootje baden in de schemer waar we ooit allemaal heen gaan
Met wenkbrauwen gestreeld en vrij van de angst
Hun gezichten glimmende goudrivieren met zwartzachte sterren
En engelenvleugels zullen hun zorgen verzachten
En alle vogels zullen zingen bij ’t ochtendgloren
Gezegend en nat van vreugde
En jij en ik zullen elkander ooit kennen
Onder een hemel verlicht met zwartzachte sterren

David Tibet

over ZWARTZACHTE STERREN

zwartzachte sterren is een Current 93 – adaptatieprogramma voor Laaglanders en Erger door E.D., T.B. en de voltallige NKdeE

“zoek ons niet op, u hoort wel van ons

inhoud
Categorieën
lyriek Vertalingen - Bewerkingen

Spotvogelhaar

Mockingbird – David Tibet – 1998
vert. NKdeE 2020

Ik zag de achterkant der sterren
Trillen en vallen
Terwijl zeepaardjes speelden
Op je rijzende borst
Ik zag honderd engelen
Naar de grond snellen
Ze gaven jou kransen
ze gaven jou kronen
Overal bloemen
Glorieus bij de Heer
Het tipje van de maan
En zon die er schijnt
En wortels die wroeten
En door de aarde woelen
En vogels die zweven op vleugels
Ik hoorde ze jouw naam fluisteren
En ik zie jou weer daar

De tortels verstopten zich
Terwijl je ogen raasden van licht
En ik zie weer jouw lach
Zo breed en zo rood
Wijl de sneeuwvlokken vielen
Op jouw haar als een zegel
En ik voel weer hoe zalig
We naar de muur staarden
En ik zie jou weer daar
Ik zie jou weer daar
Met jouw spotvogelhaar

Enkele jaren geleden
Zaten we neer en we huilden
Met de zee in onze oren
En zeven katten op schoot
Bij de boeken die stof gaarden
Ongelezen en onwaar
En jij bladerde door de letters
Die ik niet kon verdragen.

David Tibet

over ZWARTZACHTE STERREN

zwartzachte sterren is een Current 93 – adaptatieprogramma voor Laaglanders en Erger door E.D., T.B. en de voltallige NKdeE

“zoek ons niet op, u hoort wel van ons

inhoud
Categorieën
Vertalingen - Bewerkingen

de zenuwschaal (1)

Ik heb u echt de sfeer rond mij voelen breken, leegte voelen scheppen om mij vooruit te laten komen, om plaats te maken voor een onmogelijke ruimte voor wat in mij slechts in potentie aanwezig was, voor een geheel virtuele kiemkracht, die aangezogen door de aangeboden plaats zou moeten ontstaan.

Ik heb mij vaak in deze staat van absurde onmogelijkheid gebracht om te proberen in mij een denken te laten ontstaan. Wij zijn in deze tijd met enkelen die de dingen willen aanpakken, in ons wat ruimtes willen maken voor het leven, ruimtes die er niet waren en geen plaats leken te vinden in de ruimte.

Ik ben altijd getroffen geweest door de halsstarrigheid van de geest om te willen denken in dimensies en ruimtes, en zich te fixeren op de willekeurige toestanden van de dingen om te denken, om te denken in segmenten, in kristallijnen, en dat elke wijze van zijn gebaseerd blijft op een begin, dat het denken niet in een onmiddellijke en ononderbroken communicatie met de dingen is, maar dat deze fixatie en deze bevriezing, dit soort van het inbrengen van monumenten van de ziel, zich als het ware voordoet VÓÓR HET DENKEN. Dit is uiteraard de goede voorwaarde voor de creatie.

Maar ik ben nog meer getroffen door de onvermoeibare, meteoor-gelijke illusie, die ons deze tevoren bepaalde, vastomlijnde, bedachte architecturen, deze uitgekristalliseerde zielsegmenten influistert, alsof het één grote bouwplaat betreft in osmose met de rest van de werkelijkheid. En surrealiteit is een nauwer aanhalen van de osmose, een soort omgekeerde communicatie. Ik zie het niet als een vermindering van de controle, maar net als een grotere controle die, in plaats van te handelen, op zijn hoede is, een controle die ontmoetingen met de gewone werkelijkheid verhindert en meer subtiele en ijle ontmoetingen mogelijk maakt, ontmoetingen die tot op het bot worden uitgedund, die vlam vatten en nooit breken.

Ik stel mij een beproefde ziel voor die van deze ontmoetingen zwavelig en fosforachtig is, als enig aanvaardbare staat van de werkelijkheid.

Maar ik weet niet wat voor onuitsprekelijke, onkenbare luciditeit mij de toon en de roep ervan geeft en ze mij doet voelen aan mijzelf. Ik voel ze tot op een zekere onoplosbare totaliteit, ik bedoel dat er aan het gevoel ervan geen enkel twijfel knaagt. En ik, met betrekking tot deze ontroerende ontmoetingen, ik ben in een staat van onbewogenheid, je zou je een opgehouden niets kunnen voorstellen, een ergens begraven hoeveelheid geest die virtualiteit geworden is.

Antonin Artaud – Le Pèse-Nerfs (1925) [ARTAUD 1956, p.85-86] – vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/

J’ai senti vraiment que vous rompiez autour de moi l’atmosphère, que vous faisiez le vide pour me permettre d’avancer, pour donner la place d’un espace impossible à ce qui en moi n’était encore qu’en puissance, à toute une germination virtuelle, et qui devait naître, aspirée par la place qui s’offrait.

Je me suis mis souvent dans cet état d’absurde impossible, pour essayer de faire naître en moi de la pensée. Nous sommes quelques-uns à cette époque à avoir voulu attenter aux choses, créer en nous des espaces à la vie, des espaces qui n’étaient pas et ne semblaient pas devoir trouver place dans l’espace.

J’ai toujours été frappé de cette obstination de l’esprit à vouloir penser en dimensions et en espaces, et à se fixer sur des états arbitraires des choses pour penser, à penser en segments, en cristalloïdes, et que chaque mode de l’être reste figé sur un commencement, que la pensée ne soit pas en communication instante et ininterrompue avec les choses, mais que cette fixation et ce gel, cette espèce de mise en monuments de l’âme, se produise pour ainsi dire AVANT LA PENSÉE. C’est évidemment la bonne condition pour créer.

Mais je suis encore plus frappé de cette inlassable, de cette météorique illusion, qui nous souffle ces architectures déterminées, circonscrites, pensées, ces segments d’âme cristallisés, comme s’ils étaient une grande page plastique et en osmose avec tout le reste de la réalité. Et la surréalité est comme un rétrécissement de l’osmose, une espèce de communication retournée. Loin que j’y voie un amoindrissement du contrôle, j’y vois au contraire un contrôle plus grand, mais un contrôle qui, au lieu d’agir se méfie, un contrôle qui empêche les rencontres de la réalité ordinaire et permet des rencontres plus subtiles et raréfiées, des rencontres amincies jusqu’à la corde, qui prend feu et ne rompt jamais.

J’imagine une âme travaillée et comme soufrée et phosphoreuse de ces rencontres, comme le seul état acceptable de la réalité.

Mais c’est je ne sais pas quelle lucidité innommable, inconnue, qui m’en donne le ton et le cri et me les fait sentir à moi-même. Je les sens à une certaine totalité insoluble, je veux dire sur le sentiment de laquelle aucun doute ne mord. Et moi, par rapport à ces remuantes rencontres, je suis dans un état de moindre secousse, je voudrais qu’on imagine un néant arrêté, une masse d’esprit enfouie quelque part, devenue virtualité.

NKdeE 2020 – ‘de ingewanden van het Ik, wegrottend onder verwijderde taallagen, die in het virtuele Niets zich lijken te gedragen als algen, en een soort staarinfectie van het zien betekenen’ – pastel -A4
Categorieën
Vertalingen - Bewerkingen zwartzachte sterren

Een gothic liefdeslied

A Gothic Love Song David Tibet – 1998
vert. NKdeE 2020

En dat je vingerknipte voor griezelschemer
Die eigenlijk alleen maar in je hoofd bestond
Met je zwartgelakte vingernagels
Of waren ze bloedrood
Ik ben het vergeten

En met je nep-lederen banden
Kwetterend over de hel
De manifeste decadentie die wou je uitwasemen
Met ogen die zo hard wouden flikkeren

Met sterdovend zwart
Dus deed je jouw boeken open
En deed je jouw benen open
En je hart deed je open
En je liet er het slechte binnen
Dat zogezegd
Jouw vriendje was
Met zwevende on-engelen
Als vliegen rond het rot
Dat je ziel had bedekt
Hun rijk overgroeide
Jouw land dat jij zelf
Verlaten had

De klokken van St. Mary luiden voor ons
Als herinnering dat het leven eindig is
Dat gebaren kunnen doden
En meer nog vernietigen
Dat er maar één oordeel is

Jouw brieven kwamen elke dag
In ’t Frans of in ’t Duits
Maar ze betekenden niets voor mij
Ik begreep de trage koorden
En het droge ijs als mist in je geest
Ik besef maar al te goed nu
Dat je verwaarloosbaar was
En hoewel ik zou kunnen bidden voor je
Ga ik dat waarschijnlijk niet doen
Want ik heb mijn buik vol van je
Met je leugens
En je make-up
Je was niets
Dat dacht dat het iets was

En toch schrijf ik nog dit gothic liefdeslied
Ten teken aan mijzelf
En aan ’t geheugen van mijn verleden
Schrijf ik nog dit gothic liefdeslied
Ten teken aan mijzelf
En aan ’t geheugen van mijn verleden
En om je gezicht buiten te houden

David Tibet

oude glasplaatfoto uit de Archieven van E.D.

over ZWARTZACHTE STERREN

zwartzachte sterren is een Current 93 – adaptatieprogramma voor Laaglanders en Erger door E.D., T.B. en de voltallige NKdeE

“zoek ons niet op, u hoort wel van ons

inhoud
Categorieën
Vertalingen - Bewerkingen

Ranonkel en Lazarus

De lege straten
Het lied van de schemer
De wolken die rusten
De kerkklokken luiden
Een vogelschrik huivert
Wat vogels die rillen
Ik zag je en zag dat het tijd was

De vergane bloemen
De vergane foto’s
Van vergane levens
Jouw lichaam dat wacht
Dat onvoldaan wacht
En zonder spijt
Het lege hart
Het hoofd in de handen
Ik hoorde ’t hen zeggen
Vandaag is het tijd

Zwaar zakt de zon
Op moeder de berg
De koeien die loeien
De koeien die dromen
De regen rijgt eindeloos
Zijn spookmelodieën
Jouw hoop die verdween
Men toonde het ons
Dat ’t maar tijd was, alleen

De geur van de regen
De schemer die leunde
Tegen jouw lippen
De molens die malen
Het bos dat bevroedt
Jij nam toen mijn hand
En wees vol van pijn
Naar vissen die stierven
Je zag het teken dit was de tijd

Op jou heb ik jaren gewacht
Zo leek het mij toch
En ‘k liep door jouw wereld
Biddend voor één kus
Om mijn neerval te staken
Om in jouw palm te schuilen
Jij gaf me alles
Het slot en de sleutel
De oliewolken zien
Dat het tijd is alleen

Als ik één wens kon hebben
Zoals in de sprookjes
Zou ik mijn verleden ontdoen
En opstaan als Lazarus
Om in ’t zonlicht te staan
En ’t zwart te verdrijven
Dat mijn gezicht verborg
En het jou weer zeggen
O dat
Da’s alleen maar de tijd
Da’s de tijd maar alleen.

Dus wilg treur niet voor mij
En eik buig niet voor mij
Al stierven anderen voor ons
En in onze plaats
Al bloedt geheim in ’t hart
De rauwe wonde, bron van alles
Ik hoorde het vandaag
Gefluisterd in het donker
Eindelijk
Eindelijk weten we het

Weet ik dat het de tijd maar is
En geen Kathedraal1afwijkende vertaling van ‘I’ll come in glory’.

Eind van ’t verhaal

David Tibet 1998Soft Black Stars

vert./bew. NkdeE 2020

oude glasplaatfoto uit de archieven van E.D.

over ZWARTZACHTE STERREN

zwartzachte sterren is een Current 93 – adaptatieprogramma voor Laaglanders en Erger door E.D., T.B. en de voltallige NKdeE

“zoek ons niet op, u hoort wel van ons

inhoud







Noten   [ + ]

1. afwijkende vertaling van ‘I’ll come in glory’
Categorieën
Vertalingen - Bewerkingen

Het zeepaardje stevent af op de vergetelheid…

Toen God de werelden schiep waren ze daarvoor, zonder vorm
Een leegte behalve in zijn grote oog dat alles al had gezien dat was, is en zal
Het eerste wat hij schiep was geloof ik hoewel de bijbel ons dat niet vertelt
Huilende kinderen
Zoals dit nog weerspiegeld wordt wanneer kinderen geboren worden
Hoewel alle dieren ongetwijfeld huilen bij geboorte op hun eigen manier
Maar zij moeten iemand menselijk hebben die dat opmerkt opdat het geweten is
Het volgende wat hij schiep waren twee dingen tegelijk om de kinderen bang te maken
Een oud hobbelpaard dat van zichzelf bewoog en een verkleurde pop die af en toe leek te bewegen
Het derde wat hij deed was Lucifer uit de hemel gooien zodat die er op aarde kon op waken dat alles vernietigd werd wat de mensen probeerden te doen en dat het beetje geluk wat mensen konden bij elkaar scharrelen vernietigd werd en hij werd Satan en hij waakt hier nog steeds over ons

Ook dat zijn drie dingen
Lucifer die Satan wordt
het doen vernietigen
en genieten

Het vierde wat hij deed was lachen
Eenmaal, Tweemaal, Drie en Voort

Het vijfde was het scheppen
van één ster, één dier, één vis, één vogel, één mens
Die vijf vermenigvuldigden zich onder elkaar om heelde bewogen, bevlogen, tollende wereld te maken en alles erin

De sterren stuurde hij de ruimte in om daar te liggen
Van het dier maakte hij onze grondaard, onze natuurlijke staat en onze onschuld, en het memento mori voor ons op aarde
de vis ging zwemmen en drinkt de wateren van de zeewereld
de vogel vliegt, sterft, en valt
de mens liegt, sterft, vernietigd, creëert, en zoekt de sterren op die Hij de ruimte injoeg

De sterren proberen proberen proberen weg te geraken van de aarde
Maar god houdt hen gevangen in een grote lus die hen belet te dicht te vallen of te ver weg te vliegen

De Duivel maakt zwarte gaten
en zuigt die uit het zichtbare universum om versieringen te maken:
bellen en bollen vol licht en duisternis in de plafondhemel van de hel
Ondersteboven als je het rechtopstaand kan bekijken

En dan besluit God dat het tijd is om de laatste trompet te blazen en alle kippen naar de ren te roepen om te rusten in elke zin en betekenis
God blaast de laatste trompet en legt de lus af van de hemel
De lus is gemaakt van  wier en hout en weef en in zijn web gewoven

En de rust begint
De sterren worden uit hun hemels verband geheven
En proberen weg te schieten van de stinkende wereld
En tegelijk wil Satan ze allemaal ineens graaien om in zijn infernale rijk te bubbelen
dat buiten zijn weten ook verdoemd is nu

Satan grijpt de ene helft der sterren
en die worden door een steeds zwartere scheur in de hemel weggesleurd
De andere helft rent naar de Pleiaden en Aldebaran

O avondsterren
Hoe gezwind schiet en scheurt gij henen
Zelfs Satan’s grote macht en gramschap en zijn grote nijd kan hen niet houden
Zo naarstig staan zij te dansen in verscheidenheid

Maar God weet en ziet het allemaal
en is op alles voorbereid
Hij schept een groot net gemaakt van spuug
en gooit het verder dan de verste ster
De sterren plakken aan het spuug als vogels aan de stok met lijm
Verdoemd. God leest het de les met een zweep
Het spuug beeft bij de zweep die op de sterren siddert
de stem smeert en smeurt de sterren vol met meer van ’t spuug dat hen gevangen nam
Voor eeuwig en eeuwig en eeuwig.

Het enige doel en het enige kruis van de sterren is hun schepper gehoorzaam te zijn
Diepe striemen krijgen de sterren omdat ze weg wouden vluchten
De striemen zijn bloedstromen voor het vloeibare bewijs van God’s gramschap die over hen stroomt
De hobbelsterren worden teruggebracht aan een snoer van spuug dat doorheen het web van de werelden snijdt
Ook zij worden geranseld en afgetuigd
De sterren worden door God terug in hun baan gezet om zijn genade als regen te zien nederdalen op de aarde
En op allen die het ongeluk hadden daaruit en daarop geboren te zijn

De sterren willen niet weg
Zij marcheren droevig naar huis.

David Tibet (2014)

originele tekstvert. NKdeE 2020

over ZWARTZACHTE STERREN

zwartzachte sterren is een Current 93 – adaptatieprogramma voor Laaglanders en Erger door E.D., T.B. en de voltallige NKdeE

“zoek ons niet op, u hoort wel van ons

inhoud
Categorieën
journal intime Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #167

BLOEDSTRAAL

JONGEMAN
Ik hou van jou en alles is mooi.

MEISJE, met verhevigde tremolo in haar stem.
Je houdt van mij en alles is mooi.

JONGEMAN, een toon lager.
Ik hou van jou en alles is mooi.

MEISJE, nog een toon lager dan hem.
Je houdt van mij en alles is mooi.

JONGEMAN, wendt zich plots van haar af
Ik hou van jou.

Een stilte
Ga voor me staan.

MEISJE, met een zelfde beweging gaat ze voor hem staan
Voilà.

JONGEMAN, geëxalteerd, schelklinkend
Ik hou van jou, ik ben groot, ik ben helder, ik ben vol, ik ben dicht.

MEISJE, op dezelfde schelklinkende toon.
Wij houden van elkaar

JONGEMAN
Wij zijn intens. Ha wat zit de wereld goed in elkaar.

Een stilte. We horen iets als een enorm wiel dat draait en wind maakt. Een orkaan drijft hen uit elkaar.
Op dat moment zien we twee sterren met elkaar in botsing komen, en een hele reeks benen van levend vlees valt met voeten handen, pruiken, maskers, zuilengangen, gaanderijen, tempels, distilleerkolven, alles valt maar steeds langzamer, als viel het in een vacuum en dan dalen een voor een drie schorpioenen neer en tenslotte een kikker en een scarabee die naar beneden komt met een traagheid om wanhopig, om misselijk van te worden.

JONGEMAN, roept zo hard hij kan
De hemel is gek geworden.
Hij kijkt naar de hemel.
Lopen, weg van hier.
Hij duwt het meisje voor zich uit.
Een Ridder uit de Middeleeuwen komt op, in een vervaarlijk harnas, gevolgd door een voedster die haar borsten met beide handen vasthoudt en hijgt vanwege haar te zware borsten.

RIDDER
Blijf van je borsten af. Geef mij mijn papieren.
VOEDSTER, slaakt een kreet.
Ai! Ai! Ai!
RIDDER
Kak seg wat krijg jij?
VOEDSTER
Kijk daar, onze dochter, met hem.
RIDDER
Zwijg, er is geen dochter!
VOEDSTER
Ik zeg je dat ze neuken.
RIDDER
Laat ze neuken, wat kan mij dat schelen.
VOEDSTER
Incest.
RIDDER
Matrone
VOEDSTER, steekt haar handen diep in haar zakken die even groot zijn als haar borsten
Pooier.
Ze gooit hem snel zijn papieren.

RIDDER

Pfuh, laat mij eten.

De voedster maakt zich uit de voeten.
Hij krabbelt overeind en haalt vantussen elk der papieren een grote homp gruyere.
Plots begint hij te hoesten en naar adem te snakken.

RIDDER, de mond vol.
Eumf. Eumf. Laat me je borsten zien. Laat je borsten zien. Waar zit ze nu?
Hij gaat lopend af.
De jongeman komt terug op.

JONGEMAN
Ik zie, ik weet, ik heb begrepen. Hier heb je de publieke ruimte, de priester, de schoenmaker, de vier seizoenen, de drempel van de kerk, de lantaarn van het bordeel, de weegschaal van gerechtigheid. Ik hou het niet meer!

Een priester, een schoenlapper, een koster, een hoerenmadam een rechter, een handelaar in vier-seizoenen komen op als schaduwen.

JONGEMAN
Ik ben haar kwijt, geef haar terug.
IEDEREEN, op een verschillende toon.
Wie, wie, wie, wie.
JONGEMAN
Mijn vrouw.
KOSTER, heel kosterlijk 1‘bedonnant’: dikbuikig – woordspeling nvdv
Uw vrouw, pfu, onnozelaar!
JONGEMAN
Onnozelaar! ’t is misschien uw vrouw wel!
KOSTER, slaat zich op het voorhoofd.
Het zou zomaar kunnen.
Hij gaat lopende af.
De priester komt op zijn beurt uit de groep en legt zijn arm om de hals van de jongeman.
PRIESTER, alsof hij biecht hoort.
Naar welk deel van haar lichaam verwijst u het vaakst?
JONGEMAN
Naar God.
De Priester, verbouwereerd door het antwoord vervalt onmiddellijk in een Zwitsers accent.
PRIESTER, met een Zwitsers accent.
Maar dat kan je niet meer maken. Wij horen niets meer met dat oor. Dat moet je maar aan de vulkanen vragen, aan de aardbevingen. Wij moeten het hebben van de kleine smeerlapperijen in de biecht. En daarmee uit, dat is het leven.
JONGEMAN, heel erg aangedaan.
Ach zo, dat is het leven!
Ah bon, iedereen trap het maar af.
PRIESTER, nog steeds met een Zwitsers accent.
Maar zeker.
Op dat moment valt de nacht plots op de scène. De aarde beeft. De donder raast, met weerlichten die zigzaggen in alle richtingen, en in de zigzaggende weerlichten ziet men de personages het op een lopen zetten, ze lopen tegen elkaar op, vallen, krabbelen recht en lopen als gekken.
Op een gegeven moment grijpt een enorme hand de hoerenmadam bij de haren. Die vat vuur en zwelt zienderogen op.

GIGANTISCHE STEM
Teef, kijk naar je lichaam!
Het lijf van de hoerenmadam komt naakt en afschuwelijk uit het korset en de jurk tevoorschijn als waren die van glas.
HOERENMADAM
Laat mij los, God.
Ze bijt God in de pols. Een immense bloedstraal schiet dwars over de scène en in een weerlicht groter dan die van de anderen ziet men de priester een kruis slaan.
Wanneer het licht terug aangaat, zijn alle personages dood en liggen hun lijken over de vloer verspreid. Alleen de jongeman en de hoerenmadam verslinden elkaar met de ogen.
De hoerenmadam valt in de armen van de jongeman.
HOERENMADAM, zuchtend, als op het uiterste punt van een amoureus spasme.
Vertel mij hoe het met jou gebeurd is.

De jongeman bergt zijn hoofd in zijn handen.
De voedster komt terug op met het meisje onder haar arm als een pakket. Ze laat haar op de grond vallen waar ze neerstort en zo plat wordt als een boterkoek.
De voedster heeft geen borsten meer. Haar borst is helemaal plat.
Dan duikt de Ridder op die zich op de voedster werpt en haar heftig dooreenschudt.

RIDDER, met een vreselijke stem.
Waar heb jet het verstopt? Geef mij mijn gruyere!
VROEDVROUW, dartel.
Hierzie.
Ze heft haar rokken op.
De jongeman wil weglopen maar hij staat perplex als een versteende marionette.

JONGEMAN, als opgehangen in de lucht en met een buiksprekersstem.
Doe mama geen pijn.
RIDDER
Vervloekte.
Hij wendt in afschuw zijn gezicht af.
Een massa schorpioenen komen vanonder de rokken van de vroedvrouw en die beginnen te paren in haar vagina die opzwelt en glazig wordt en schittert als een zon.
De jongeman en de vroedvrouw gaan ervandoor als gelobotomiseerden

MEISJE, komt verblind overeind
De maagd! ha, dat was het wat hij zocht.

DOEK

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.74-81] – vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

LE JET DE SANG

LE JEUNE HOMME

Je t’aime et tout est beau.

LA JEUNE FILLE,
avec un tremolo intensifié dans la voix.

Tu m’aimes et tout est beau.

LE JEUNE HOMME, sur un ton plus bas.

Je t’aime et tout est beau.

LA JEUNE FILLE,
sur un ton encore plus bas que lui.

Tu m’aimes et tout est beau.

LE JEUNE HOMME, la quittant brusquement.

Je t’aime.

Un silence.

Mets-toi en face de moi.

LA JEUNE FILLE, même jeu,
elle se met en face de lui.

Voilà.

LE JEUNE HOMME,
sur un ton exalté, suraigu.

Je t’aime, je suis grand, je suis clair, je suis plein, je suis dense.

LA JEUNE FILLE,
sur le même ton suraigu.

Nous nous aimons.

LE JEUNE HOMME

Nous sommes intenses. Ah que le monde est bien établi.

Un silence. On entend comme le bruit d’une immense roue qui tourne et dégage du vent. Un ouragan les sépare en deux.

À ce moment, on voit deux astres qui s’entrechoquent et une série de jambes de chair vivante qui tombent avec des pieds, des mains, des chevelures, des masques, des colonnades, des portiques, des temples, des alambics, qui tombent, mais de plus en plus lentement, comme s’ils tombaient dans du vide, puis trois scorpions l’un après l’antre, et enfin une grenouille, et un scarabée qui se dépose avec une lenteur désespérante, une lenteur à vomir.

LE JEUNE HOMME,
criant de toutes ses forces.

Le ciel est devenu fou.

Il regarde le ciel.

Sortons en courant.

Il pousse la jeune fille devant lui.

Et entre un Chevalier du Moyen Âge avec une armure énorme, et suivi d’une nourrice qui tient sa poitrine à deux mains, et souffle à cause de ses seins trop enflés.

LE CHEVALIER

Laisse là tes mamelles. Donne-moi mes papiers.

LA NOURRICE, poussant un cri suraigu.

Ah ! Ah ! Ah !

LE CHEVALIER

Merde, qu’est-ce qui te prend ?

LA NOURRICE

Notre fille, là, avec lui.

LE CHEVALIER

Il n’y a pas de fille, chut !

LA NOURRICE

Je te dis qu’ils se baisent.

LE CHEVALIER

Qu’est-ce que tu veux que ça me foute qu’ils se baisent.

LA NOURRICE

Inceste.

LE CHEVALIER

Matrone.

LA NOURRICE,
plongeant les mains au fond de ses poches
qu’elle a aussi grosses que ses seins.

Souteneur.

Elle lui jette rapidement ses papiers.

LE CHEVALIER

Phiote, laisse-moi manger.

La nourrice s’enfuit.

Alors il se relève, et de l’intérieur de chaque papier il tire une énorme tranche de gruyère.

Tout à coup il tousse et s’étrangle.

LE CHEVALIER, la bouche pleine.

Ehp. Ehp. Montre-moi tes seins. Montre-moi tes seins. Où est-elle passée ?

Il sort en courant.

Le jeune homme revient.

LE JEUNE HOMME

J’ai vu, j’ai su, j’ai compris. Ici la place publique, le prêtre, le savetier, les quatre saisons, le seuil de l’église, la lanterne du bordel, les balances de la justice. Je n’en puis plus !

Un prêtre, un cordonnier, un bedeau, une maquerelle, un juge, une marchande des quatre-saisons, arrivent sur la scène comme des ombres.

LE JEUNE HOMME

Je l’ai perdue, rendez-la-moi.

TOUS, sur un ton différent.

Qui, qui, qui, qui.

LE JEUNE HOMME

Ma femme.

LE BEDEAU, très bedonnant.

Votre femme, psuif, farceur !

LE JEUNE HOMME

Farceur ! c’est peut-être la tienne !

LE BEDEAU, se frappant le front.

C’est peut-être vrai.

Il sort en courant.

Le prêtre se détache du groupe à son tour et passe son bras autour du cou du jeune homme.

LE PRÊTRE, comme au confessionnal.

À quelle partie de son corps faisiez-vous le plus souvent allusion ?

LE JEUNE HOMME

À Dieu.

Le prêtre décontenancé par la réponse prend immédiatement l’accent suisse.

LE PRÊTRE, avec l’accent suisse.

Mais ça ne se fait plus. Nous ne l’entendons pas de cette oreille. Il faut demander ça aux volcans, aux tremblements de terre. Nous autres on se repaît des petites saletés des hommes dans le confessionnal. Et voilà, c’est tout, c’est la vie.

LE JEUNE HOMME, très frappé.

Ah voilà, c’est la vie !

Eh bien tout fout le camp.

LE PRÊTRE, toujours avec l’accent suisse.

Mais oui.

À cet instant la nuit se fait tout d’un coup sur la scène. La terre tremble. Le tonnerre fait rage, avec des éclairs qui zigzaguent en tous sens, et dans les zigzags des éclairs on voit tous les personnages qui se mettent à courir, et s’embarrassent les uns dans les autres, tombent à terre, se relèvent encore et courent comme des fous.

À un moment donné une main énorme saisit la chevelure de la maquerelle qui s’enflamme et grossit à vue d’œil.

UNE VOIX GIGANTESQUE

Chienne, regarde ton corps !

Le corps de la maquerelle apparaît absolument nu et hideux sous le corsage et la jupe qui deviennent comme du verre.

LA MAQUERELLE

Laisse-moi, Dieu.

Elle mord Dieu au poignet. Un immense jet de sang lacère la scène, et on voit au milieu d’un éclair plus grand que les autres le prêtre qui fait le signe de la croix.

Quand la lumière se refait, tous les personnages sont morts et leurs cadavres gisent de toutes parts sur le sol. Il n’y a que le jeune homme et la maquerelle qui se mangent des yeux.

La maquerelle tombe dans les bras du jeune homme.

LA MAQUERELLE, dans un soupir et comme
à l’extrême
pointe d’un spasme amoureux.

Racontez-moi comment ça vous est arrivé.

Le jeune homme se cache la tête dans les mains.

La nourrice revient portant la jeune fille sous son bras comme un paquet. La jeune fille est morte. Elle la laisse tomber à terre où elle s’écrase et devient plate comme une galette.

La nourrice n’a plus de seins. Sa poitrine est complètement plate.

À ce moment débouche le Chevalier qui se jette sur la nourrice, et la secoue véhémentement.

LE CHEVALIER, d’une voix terrible.

Où les as-tu mis ? Donne-moi mon gruyère.

LA NOURRICE, gaillardement.

Voilà.

Elle lève ses robes.

Le jeune homme veut courir mais il se fige comme une marionnette pétrifiée.

LE JEUNE HOMME, comme suspendu en l’air
et d’une
voix de ventriloque.

Ne fais pas de mal à maman.

LE CHEVALIER

Maudite.

Il se voile la face d’horreur.

Alors une multitude de scorpions sortent de dessous les robes de la nourrice et se mettent à pulluler dans son sexe qui enfle et se fend, devient vitreux, et miroite comme un soleil.

Le jeune homme et la maquerelle s’enfuient comme des trépanés.

LA JEUNE FILLE, se relevant éblouie.

La vierge ! ah c’était ça qu’il cherchait.

Rideau.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma



Noten   [ + ]

1. ‘bedonnant’: dikbuikig – woordspeling nvdv
Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #165

165 – l’étiage toxicomanique de la nation – FEU

BRIEF
aan de heer Wetgever
van de Wet op de Verdovende Middelen

Mijnheer de Wetgever,

Mijnheer de Wetgever van de wet van 1916, in juli 1917 bij decreet aanvaard als de Wet op de Verdovende Middelen, je bent een debiel.
Jouw wet enerveert enkel de wereldwijde farmacie zonder enige invloed op het niveau van drugsverslaving in dit land en wel hierom:

  1. het aantal drugsverslaafden dat zich bij de apotheek bevoorraadt is gering
  2. de echte drugsverslaafde bevoorraadt zich niet bij de apotheker
  3. de drugsverslaafden die zich bij de apotheker bevoorraden zijn allemaal ziek
  4. het aantal drugsverslaafden dat ziek is is gering t.o.v. de genotzuchtige druggebruikers
  5. de farmaceutische beperkingen van de drugs treffen nooit de druggebruikers uit genotzucht en de georganiseerde druggebruikers
  6. er zullen altijd fraudeurs zijn
  7. er zullen altijd drugsverslaafden zijn door ondeugdzaamheid, door passie
  8. zieke drugsverslaafden hebben een onaantastbaar recht in deze maatschappij en dat is om met rust gelaten te worden.

Het is voor alles een gewetenskwestie.
De Wet op de Verdovende Middelen geeft aan de inspecteur-usurpator van de volksgezondheid het recht om te beslissen over de pijn van anderen; het is een merkwaardige pretentie van de moderne medische wetenschap om de eigen plichten te willen voorschrijven aan ieders geweten. Al dat geblaat van het officiële handvest staat machteloos tegen dit ene gewetensfeit: te weten dat, meer nog dan over mijn dood ik de baas ben over mijn eigen pijn. Ieder mens is rechter – en enige rechter – over de hoeveelheid fysieke pijn, of ook geestelijke leegte die hij in alle oprechtheid kan dragen.

Helderheid van geest of niet, er bestaat een helderheid van geest die mij geen enkele ziekte kan ontnemen en dat is het aanvoelen dat mijn fysieke leven mij geeft1hier voegt Artaud een lange voetnoot in die in het volgende deel zal worden vertaald. En als ik die helderheid dan heb verloren, dan heeft de medische wetenschap maar één ding te doen en dat is mij die substanties te verschaffen die mij in staat stellen die helderheid terug te hebben.

Heren dictators van de farmaceutische school van Frankrijk, jullie zijn pedante geknipten: er is een ding dat jullie beter zou moeten inschatten, en dat is dat opium die ene, niet voor te schrijven en imperiale substantie is die het eigen zielenleven weer toegankelijk maakt aan hen die het ongeluk hadden dat kwijt te raken.

Er bestaat een kwaal waartegen opium onfeilbaar is en die kwaal heet Angst. Angst in zijn mentale, medicinale, psychologische, logische of farmaceutische betekenis, wat je maar wil.

De Angst die gekken maakt.
De Angst die zelfmoordenaars maakt.
De Angst die vervloekten maakt.
De Angst die de medische wetenschap niet kent.
De Angst die uw dokter niet begrijpt.
De Angst die het leven krengt.
De Angst die de navelstreng van het leven afknijpt.

Door uw onbillijke wet geeft u mensen in wie ik geen greintje vertrouwen heb – medische debielen, snertapothekers, rechters in wanpraktijken, doktoren, vroedvrouwen, dokters, dokters-inspecteur, het recht in handen om te beslissen over mijn angst, een angst die in mij zo fijn is als de naalden van alle kompasnaalden van de hel.

Bij bevingen van lichaam of ziel bestaat er geen mensenseismograaf die het iemand mogelijk maakt om naar mij te kijken en tot een meer nauwkeurige evaluatie van mijn pijn te komen dan mijn eigen bliksemende geest dat doet!

Heel de riskante wetenschap van de mens is niet superieur aan de onmiddellijke kennis die ik van mijn wezen kan hebben. Ik ben de enige rechter over wat er in mij zit.

Ga terug naar jullie zolders, medische luizen, en jij ook, meneer de wetgever Schaapmans, jij raaskalt niet uit liefde voor de mens maar volgt een traditie van imbeciliteit. Jouw onwetendheid over wat het is om een mens te zijn wordt alleen geëvenaard door je dwaasheid om hem te willen beperken. Moge jouw wet neerkomen op je vader, je moeder, je vrouw, je kinderen en al je nageslacht. En slik nu maar in die wet van je.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.66-70] – vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com


originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Monsieur le législateur,

Monsieur le législateur de la loi de 1916, agrémentée du décret de juillet 1917 sur les stupéfiants, tu es un con.

Ta loi ne sert qu’à embêter la pharmacie mondiale sans profit pour l’étiage toxicomanique de la nation

parce que

1o Le nombre des toxicomanes qui s’approvisionnent chez le pharmacien est infime ;

2o Les vrais toxicomanes ne s’approvisionnent pas chez le pharmacien ;

3o Les toxicomanes qui s’approvisionnent chez le pharmacien sont tous des malades ;

4o Le nombre des toxicomanes malades est infime par rapport à celui des toxicomanes voluptueux ;

5o Les restrictions pharmaceutiques de la drogue ne gêneront jamais les toxicomanes voluptueux et organisés ;

6o Il y aura toujours des fraudeurs ;

7o Il y aura toujours des toxicomanes par vice de forme, par passion ;

8o Les toxicomanes malades ont sur la société un droit imprescriptible, qui est celui qu’on leur foute la paix. C’est avant tout une question de conscience.

La loi sur les stupéfiants met entre les mains de l’inspecteur-usurpateur de la santé publique le droit de disposer de la douleur des hommes ; c’est une prétention singulière de la médecine moderne que de vouloir dicter ses devoirs à la conscience de chacun. Tous les bêlements de la charte officielle sont sans pouvoir d’action contre ce fait de conscience : à savoir, que, plus encore que de la mort, je suis le maître de ma douleur. Tout homme est juge, et juge exclusif, de la quantité de douleur physique, ou encore de vacuité mentale qu’il peut honnêtement supporter. Lucidité ou non lucidité, il y a une lucidité que nulle maladie ne m’enlèvera jamais, c’est celle qui me dicte le sentiment de ma vie physique. Et si j’ai perdu ma lucidité, la médecine n’a qu’une chose à faire, c’est de me donner les substances qui me permettent de recouvrer l’usage de cette lucidité. Messieurs les dictateurs de l’école pharmaceutique de France, vous êtes des cuistres rognés : il y a une chose que vous devriez mieux mesurer ; c’est que l’opium est cette imprescriptible et impérieuse substance qui permet de rentrer dans la vie de leur âme à ceux qui ont eu le malheur de l’avoir perdue.

Il y a un mal contre lequel l’opium est souverain et ce mal s’appelle l’Angoisse, dans sa forme mentale, médicale, physiologique, logique ou pharmaceutique, comme vous voudrez.

L’Angoisse qui fait les fous.
L’Angoisse qui fait les suicidés.
L’Angoisse qui fait les damnés.
L’Angoisse que la médecine ne connaît pas.
L’Angoisse que votre docteur n’entend pas.
L’Angoisse qui lèse la vie.
L’Angoisse qui pince la corde ombilicale de la vie.

Par votre loi inique vous mettez entre les mains de gens en qui je n’ai aucune espèce de confiance, cons en médecine, pharmaciens en fumier, juges en mal-façon, docteurs, sages-femmes, inspecteurs-doctoraux, le droit de disposer de mon angoisse, d’une angoisse en moi aussi fine que les aiguilles de toutes les boussoles de l’enfer.

Tremblements du corps ou de l’âme, il n’existe pas de sismographe humain qui permette à qui me regarde d’arriver à une évaluation de ma douleur plus précise, que celle, foudroyante, de mon esprit !

Toute la science hasardeuse des hommes n’est pas supérieure à la connaissance immédiate que je puis avoir de mon être. Je suis seul juge de ce qui est en moi.

Rentrez dans vos greniers, médicales punaises, et toi aussi, Monsieur le Législateur Moutonnier, ce n’est pas par amour des hommes que tu délires, c’est par tradition d’imbécillité. Ton ignorance de ce que c’est qu’un homme n’a d’égale que ta sottise à le limiter. Je te souhaite que ta loi retombe sur ton père, ta mère, ta femme, tes enfants, et toute ta postérité. Et maintenant avale ta loi.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Noten   [ + ]

1. hier voegt Artaud een lange voetnoot in die in het volgende deel zal worden vertaald
Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #164

164 – j’y tombe du ciel – BUIK

‘Homme’ van André Masson

(lees eerst het eerste deel van deze tekst)

En nu schikt hij zich in cellen waar een zaadje van onwerkelijkheid groeit. De cellen zitten elk op hun plaats in een waaiervormig patroon,

rond de buik, voor de zon , boven de vogel, enrondom die circulatie van solferwater.

Maar de architectuur is onverschillig aan de cellen, zij ondersteunt en zegt niets.

Elke cel heeft een ei, welke kiem glanst daarin? In elke cel wordt plots een ei geboren. Er is in elk van hen een onmenselijk krioelen dat evenwel helder is met de gelaagdheid van een bevroren universum.

Elke cel heeft wel degelijk zijn ei en biedt het ons aan; maar het maakt weinig uit of het ei wordt verkozen of afgekeurd.

Niet alle cellen dragen een ei. In sommige wordt een spiraal geboren. En in de lucht hangt een grotere spiraal, maar alsof die al solfer is, of nog fosfor en gewikkeld in onwerkelijkheid. En die spiraal heeft het belang van de meest krachtige gedachte.

De buik doet denken aan chirugie en het Lijkenhuis, aan een werf, een publieke plaats, de operatietafel. Het lichaam van de buik lijkt van graniet, of van marmer, of van plaaster, maar dan een verharde plaaster. Er is een vakje voor een berg. Het schuim van de lucht geeft de berg een koele, doorschijnende krans. De lucht rond de berg is sonoor, vroom, legendarisch, verboden. De toegang tot de berg is verboden. De berg heeft zijn plaats in de ziel. Hij is de horizon van iets dat voortdurend wijkt. Hij geeft de indruk van de eeuwige horizon.

En ik beschreef dit schilderij in tranen, want dit schilderij raakt mijn hart. Ik voel mijn denken zich daar ontvouwen als in een ideale, absolute ruimte, maar een ruimte die een vorm heeft die in de werkelijkheid gevoegd zou kunnen worden. Ik val er uit de hemel.

En elke vezel in mij spert zich open en vindt zijn plaats in een welbepaald vakje. Ik ga erin op als in mijn bron, ik vind er de plaats en de aard van mijn geest. Wie dit schilderij heeft geschilderd, is de grootste schilder van de wereld. Aan André Masson wat hem toekomt.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.62-64] – vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Et voici qu’il se dispose en cellules où pousse une graine d’irréalité. Les cellules se casent chacune à sa place, en éventail,

autour du ventre, en avant du soleil, au delà de l’oiseau, et autour de cette circulation d’eau soufrée.

Mais l’architecture est indifférente aux cellules, elle sustente et ne parle pas.

Chaque cellule porte un œuf où reluit quel germe ? Dans chaque cellule un œuf est né tout à coup. Il y a dans chacune un fourmillement inhumain mais limpide, les stratifications d’un univers arrêté.

Chaque cellule porte bien son œuf et nous le propose ; mais il importe peu à l’œuf d’être choisi ou repoussé.

Toutes les cellules ne portent pas d’œuf. Dans quelques-unes naît une spire. Et dans l’air une spire plus grosse pend, mais comme soufrée déjà ou encore de phosphore et enveloppée d’irréalité. Et cette spire a toute l’importance de la plus puissante pensée.

Le ventre évoque la chirurgie et la Morgue, le chantier, la place publique et la table d’opération. Le corps du ventre semble fait de granit, ou de marbre, ou de plâtre, mais d’un plâtre durcifié. Il y a une case pour une montagne. L’écume du ciel fait à la montagne un cerne translucide et frais. L’air autour de la montagne est sonore, pieux, légendaire, interdit. L’accès de la montagne est interdit. La montagne a bien sa place dans l’âme. Elle est l’horizon d’un quelque chose qui recule sans cesse. Elle donne la sensation de l’horizon éternel.

Et moi j’ai décrit cette peinture avec des larmes, car cette peinture me touche au cœur. J’y sens ma pensée se déployer comme dans un espace idéal, absolu, mais un espace qui aurait une forme introductible dans la réalité. J’y tombe du ciel.

Et chacune de mes fibres s’entr’ouvre et trouve sa place dans des cases déterminées. J’y remonte comme à ma source, j’y sens la place et la disposition de mon esprit. Celui qui a peint ce tableau est le plus grand peintre du monde. À André Masson, ce qui lui revient.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
Délie Vertalingen - Bewerkingen

Délie CCLV

Uit klaarte van golven bij Cytharee –
Bemind maar niet tot minnen gekomen
In wellust nog niet met anderen mee,
In denken en daad zuiver volkomen –
Als bij Lente mooi de zwaluwen komen,
Bij de zee door geen wind geïrriteerd,
Ziet Venus in haar schelp één die zij eert
Uit velen kiest zij de Margriet en zegt:
“Deez’ is van prijs en luister ’t meeste weerd
Die komt ooit ter sier op het Lys terecht”.

Maurice Scève, Délie 1544

originele tekst:

De la clere unde yssant hors Cytharée,
Parmy Amours d’aymer non resoulue,
En volupté non encor esgarée,
Mais de pensée, & de faict impolue,
Lors que Prognes le beau Printemps salue,
Et la Mer calme aux ventz plus ne s’irrite,
Entre plusieurs veit une marguerite
Dans sa Coquille, & la prenant j’eslys
Ceste, dit elle, en prys, lustre, & merite,
Pour decorer (un temps viendra) le Lys.

commentaar / noten

het verhaal van dit dizain: Venus, geboren in de maand april, uit het schuim van de golven waarin Kronos het voortplantingsorgaan van zijn vader had gegooid, dame van het eiland Cytharee en later Cyprus, ziet tussen alle lentebloemen de margriet (de lelie van de velden) en kiest die reine bloem om later Frankrijk’s Lelie te sieren 1cfr. mijn LAIS heette aanvankelijk LYLIA, maar die kennis is, euh,  enkel voor ingewijden.
Scève werd geëerd als de dichter die het best – nog beter dan Marot – de lof kon zingen van Margaretha van Navarra.

De metaforische glijvlucht hier doet sterk denken aan een soortgelijke beweging in D4.

noten bij de Franstalige regels:
r.1 Yssir: sortir
Cytharée: Kythira, Grieks eiland, in de mythologie geduid als het eiland van Afrodite (Venus)
r.2-4: Scève schildert hier een Venus die, hoewel ze omgeven is door ‘Amours’ nog niet bezweken is voor de ‘voluptas’, een reine Venus
r.3 esgarer: perdre, détourner du bon chemin
r.5 progne: hirondelle, de zwaluw die de lente aankondigd (Metamorf. IV 412-674)
r.10 Lys: Fleur de lis: https://nl.wikipedia.org/wiki/Fleur_de_lis

over de Délie-vertaling

bekijk de voorlopige Délie-index

de NKdeE hoopt ooit een volledige vertaling van de Délie van Maurice Scève (1544) beschikbaar te maken in het Publieke Domein.
de vertaling wil een geannoteerde en leesbare versie bieden die zich zo trouw mogelijk houdt aan de oorspronkelijke dizainvorm, inclusief het geteld aantal lettergrepen per regel

‘Gertrud’ – NKdeE 2020 – A5 – BROLprijs: €10
geen Venus maar een geïdealiseerd portret van de Duitse dichteres Getrud Kolmar, gebruikt ter illustratie van een gedicht van haar voorgelezen door Eric De Smet op de website van RADIO KLEBNIKOV, nog zo’n uitloper van de Neue Kathedrale des erotischen Elends die u kan ondersteunen door in september BROL te kopen!

SEPTEMBER was BROLMAAND!

gedurende heel de maand september kon je de originele tekeningen en aquarellekens die gebruikt werden/worden als illustratie bij het literaire werk van de NKdeE kopen aan BROLPRIJS!

Dit ter ondersteuning van de
Neue Kathedrale des erotischen Elends!
BROLprijs wordt per formaat berekend, met A6 als basis

A3 = 8 x A6 = €40
A4 = 4 x A6 = €20
A5 = 2 x A6 = €10
A6 = €5

eilaas, september is henen!
Uitzonderlijk is er dit jaar de ROTexpo waarop deze en andert BROL nog te verkrijgen is tegen dit tarief. Tot en met zaterdag 17 oktober!
Haast u naar FLUGZEUG, Diestsestraat 208 te Leuven en KOOP alsnog MEER BROL!!!!

*

Noten   [ + ]

1. cfr. mijn LAIS heette aanvankelijk LYLIA, maar die kennis is, euh,  enkel voor ingewijden
Categorieën
Délie Vertalingen - Bewerkingen

Délie CCLIV

Als ’t pure wit van Geloof de kleur is
En ’t vrolijk groen die van de blijde Hoop
Dan heeft wel ’t vurig rood de betekenis
van Caritas gezien het kleurverloop.
Elk van deze drie diverse dingen is
Elk op zich een zeer speciale deugd,
Een goddelijke, koninklijke deugd
en waar anders, volgens hun merite
vindt men ze samen t’rug tot ieders vreugd 1afwijkingen van de Franse tekst ter wille van het rijm worden schuins afgedrukt
dan in d’ene, gans unieke Marguerite?

Maurice Scève

-> Délie 1544
vert. NKdeE 2020

Si le blanc pur est Foy immaculée,
 Et le vert gay est joyeuse Esperance,
 Le rouge ardent par couleur simulée
 De Charité est la signifiance:
 Et si ces troys de diverse substance
 (Chascune en soy) ont vertu speciale,
 Vertu estant divinement Royalle,
 Ou pourra l'on, selon leur hault merite,
 Les allier en leur puissance esgalle,
 Sinon en une, & seule Marguerite?

commentaar/noten

In dit dizain worden de hoofdthema’s van de Délie wat opzij gezet voor een eerbetoon aan Marguerite de Navarre, zus van koning François I.
Het blazoen van Frankrijk, de ‘Lys de France’ omhelst symbolisch de drieëenheid Foy, Esperance en Charité (Geloof, Hoop en barmhartigheid)

over de Délie-vertaling

bekijk de voorlopige Délie-index

de NKdeE hoopt ooit een volledige vertaling van de Délie van Maurice Scève (1544) beschikbaar te maken in het Publieke Domein.
de vertaling wil een geannoteerde en leesbare versie bieden die zich zo trouw mogelijk houdt aan de oorspronkelijke dizainvorm, inclusief het geteld aantal lettergrepen per regel

niet Marguerite, maar een schone toegeschreven aan Paolo Ucello, maar de werken die ook Artaud kende als zijnde van Ucello waren van in de buurt, maar helaas niet van Paolo die eigenlijk enkel in het perspectief excelleerde.
A5 – Tekening te koop aan BROLprijs in september 2020!

SEPTEMBER was BROLMAAND!

gedurende heel de maand september kon je de originele tekeningen en aquarellekens die gebruikt werden/worden als illustratie bij het literaire werk van de NKdeE kopen aan BROLPRIJS!

Dit ter ondersteuning van de
Neue Kathedrale des erotischen Elends!
BROLprijs wordt per formaat berekend, met A6 als basis

A3 = 8 x A6 = €40
A4 = 4 x A6 = €20
A5 = 2 x A6 = €10
A6 = €5

eilaas, september is henen!
Uitzonderlijk is er dit jaar de ROTexpo waarop deze en andert BROL nog te verkrijgen is tegen dit tarief. Tot en met zaterdag 17 oktober!
Haast u naar FLUGZEUG, Diestsestraat 208 te Leuven en KOOP alsnog MEER BROL!!!!

*

Noten   [ + ]

1. afwijkingen van de Franse tekst ter wille van het rijm worden schuins afgedrukt
Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #163

163- sang mélé de safran et de soufre – VENTRE

‘Homme’ van André Masson

Een slanke buik. Een strakke poederbuik, als op een prentje. Aan de voet van de buik een gespleten granaatappel.

Uit de granaatappel circuleert een vlokkenstroom omhoog als vuurtongen, een koud vuur. De circulatie neemt de buik op en zet hem terug. Maar de buik draait niet.

Het zijn aders met wijnbloed, bloed vermengd met saffraan en zwavel, maar zwavel verzacht met water.
Boven de buik zijn er borsten zichtbaar. En hoger, in de diepte, maar op een ander vlak van de geest brandt er een zon, maar zodanig dat je zou denken dat er een borst brandt. En aan de voet van de granaat een vogel.
De zon lijkt te kijken. Maar de blik kijkt naar de zon. De blik is een kegel die zich bij de zon omdraait. En heel de lucht is als bevroren muziek, maar een weidse diepe muziek, goed gemaçonneerd en geheim en vol ijzige vertakkingen.

En dit alles ommetseld met zuilen als in een soort architectenschets die de buik met de werkelijkheid verbindt.

Het doek is een gelaagde holte. Het schilderij zit goed ingesloten in het doek. Het is als een gesloten cirkel, een soort afgrond die in het midden roteert en splitst. Het is als een geest die zichzelf ziet en graaft, het wordt voortdurend geremixt en bewerkt door de krampachtige handen van de geest. De geest zaait zijn fosfor.

De geest is zelfverzekerd. Hij zet zijn voet stevig in de wereld. De granaatappel, de buik, de borsten zijn als bewijzen getuigend van de werkelijkheid. Er is een dode vogel, er is gebladerte van zuilen. De lucht zit vol met potloodstrepen, potloodstrepen als messteken, als striemen van magische nagels. De lucht is voldoende omgedraaid.

lees verder

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.62-64]
vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com


originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Un ventre fin. Un ventre de poudre ténue et comme en image. Au pied du ventre, une grenade éclatée.

La grenade déploie une circulation floconneuse qui monte comme des langues de feu, un feu froid.

La circulation prend le ventre et le retourne. Mais le ventre ne tourne pas.

Ce sont des veines de sang vineux, de sang mêlé de safran et de soufre, mais d’un soufre édulcoré d’eau.

Au-dessus du ventre sont visibles des seins. Et plus haut, et en profondeur, mais sur un autre plan de l’esprit, un soleil brûle, mais de telle sorte que l’on pense que ce soit le sein qui brûle. Et au pied de la grenade, un oiseau.

Le soleil a comme un regard. Mais un regard qui regarderait le soleil. Le regard est un cône qui se renverse sur le soleil. Et tout l’air est comme une musique figée, mais une vaste, profonde musique, bien maçonnée et secrète, et pleine de ramifications congelées.

Et tout cela, maçonné de colonnes, et d’une espèce de lavis d’architecte qui rejoint le ventre avec la réalité.

La toile est creuse et stratifiée. La peinture est bien enfermée dans la toile. Elle est comme un cercle fermé, une sorte d’abîme qui tourne, et se dédouble par le milieu. Elle est comme un esprit qui se voit et se creuse, elle est remalaxée et travaillée sans cesse par les mains crispées de l’esprit. Or, l’esprit sème son phosphore. L’esprit est sûr. Il a bien un pied dans le monde. La grenade, le ventre, les seins, sont comme des preuves attestatoires de la réalité. Il y a un oiseau mort, il y a des frondaisons de colonnes. L’air est plein de coups de crayon, des coups de crayon comme des coups de couteau, comme des stries d’ongle magique. L’air est suffisamment retourné.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #162

162 – la suppression radicale d’un membre – ÊTRE

Beschrijving van een lichamelijke toestand

een scherp, brandend gevoel in de ledematen,

verkrampte spieren en als opgespannen het gevoel om van glas te zijn en breekbaar, een schrik, een terugdeinzen van beweging, van lawaai. Een onbemerkte hulpeloosheid in de stap, de gebaren, de bewegingen. Een voortdurend gespannen wil voor de eenvoudigste gebaren,

het verzaken aan het eenvoudige gebaar,

een soort centrale, overweldigende moeheid, een hunkerende moeheid. Alle bewegingen dienen herbedacht te worden, een soort doodsmoeheid, geestesmoeheid voor de eenvoudigste musculaire krachtinspanning, het gebaar iets te nemen, van zich gedachteloos ergens aan vast te grijpen,

door de inzet van de wil ondersteund te worden.

Een vermoeidheid van bij het begin van de wereld, de sensatie om het eigen lichaam te moeten dragen, een gevoel van een ongelooflijke kwetsbaarheid, dat uitgroeit tot een slopende pijn,

een toestand van pijnlijke verdoving, een soort verdoving gelokaliseerd op de huid, die geen enkele beweging verhindert maar het inwendige gevoel van een ledemaat verandert, en zo de simpele verticale stand de prijs van een zegevierende inspanning geeft.

Waarschijnlijk beperkt tot de huid, maar aanvoelend als de radicale verwijdering van een ledemaat, het geeft aan de hersenen enkel nog beelden van draadachtige, pluizige ledematen door, beelden van verre ledematen en die niet op hun plaats zitten. Een soort inwendige breukin de samenhang van de zenuwen.

Bewogen zwijmeling, een soort dwarse verblinding die gepaard gaat met elke inspanning, een stolling van warmte die knelt rond heel het schedeloppervlak of die in stukken wordt gesneden, plakken warmte die zich verplaatsen.

Een verhevigde pijn in de schedel, een snijdende druk op de zenuwen, de nek gebogen om te lijden,slapen die verglazen of marmeren, een hoofd dat door paarden wordt vertrapt.

We moeten het nu hebben over de ontlijving van de werkelijkheid, van dat soort breuk, die, zo lijkt het, zich gaat verspreiden tussen de dingen en het gevoel dat ze produceren in onze geest, de plaats die ze dienen in te nemen.

deze ogenblikkelijke ordening der dingen in de cellen van de geest; niet zozeer in hun logische orde maar in hun gevoelsmatige, affectieve orde

(die niet meer tot stand komt):

de dingen hebben geen geur meer, geen geslacht. Maar ook hun logische orde wordt soms doorbroken, juist door hun gebrek aan emotionele geur. Woorden die rotten bij de onbewuste roep van de hersenen, alle woorden voor eender welke mentale operatie, en vooral die woorden die raken aan de meest gewone, meest werkzame delen van de geest.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.60-61]
vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com


originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

DESCRIPTION
D’UN ÉTAT PHYSIQUE

une sensation de brûlure acide dans les membres,

des muscles tordus et comme à vif, le sentiment d’être en verre et brisable, une peur, une rétraction devant le mouvement, et le bruit. Un désarroi inconscient de la marche, des gestes, des mouvements. Une volonté perpétuellement tendue pour les gestes les plus simples,

le renoncement au geste simple,

une fatigue renversante et centrale, une espèce de fatigue aspirante. Les mouvements à recomposer, une espèce de fatigue de mort, de la fatigue d’esprit pour une application de la tension musculaire la plus simple, le geste de prendre, de s’accrocher inconsciemment à quelque chose,

à soutenir par une volonté appliquée.

Une fatigue de commencement du monde, la sensation de son corps à porter, un sentiment de fragilité incroyable, et qui devient une brisante douleur,

un état d’engourdissement douloureux, une espèce d’engourdissement localisé à la peau, qui n’interdit aucun mouvement mais change le sentiment interne d’un membre, et donne à la simple station verticale le prix d’un effort victorieux.

Localisé probablement à la peau, mais senti comme la suppression radicale d’un membre, et ne présentant plus au cerveau que des images de membres filiformes et cotonneux, des images de membres lointains et pas à leur place. Une espèce de rupture intérieure de la correspondance de tous les nerfs.

Un vertige mouvant, une espèce d’éblouissement oblique qui accompagne tout effort, une coagulation de chaleur qui enserre toute l’étendue du crâne ou s’y découpe par morceaux, des plaques de chaleur qui se déplacent.

Une exacerbation douloureuse du crâne, une coupante pression des nerfs, la nuque acharnée à souffrir, des tempes qui se vitrifient ou se marbrent, une tête piétinée de chevaux.

Il faudrait parler maintenant de la décorporisation de la réalité, de cette espèce de rupture appliquée, on dirait, à se multiplier elle-même entre les choses et le sentiment qu’elles produisent sur notre esprit, la place qu’elles doivent prendre.

Ce classement instantané des choses dans les cellules de l’esprit, non pas tellement dans leur ordre logique, mais dans leur ordre sentimental, affectif

(qui ne se fait plus) :

les choses n’ont plus d’odeur, plus de sexe. Mais leur ordre logique aussi quelquefois est rompu à cause justement de leur manque de relent affectif. Les mots pourrissent à l’appel inconscient du cerveau, tous les mots pour n’importe quelle opération mentale, et surtout celles qui touchent aux ressorts les plus habituels, les plus actifs de l’esprit.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #160

Geachte Heer,

Denkt u niet dat het ogenblik gekomen is om te pogen de Cinema te verbinden met de intieme realiteit van de hersenen. Ik deel met u enkele fragmenten uit een scenario dat ik u graag wil aanbevelen. U zal zien dat het geestelijk niveau, de innerlijke conceptie ervan het een plaats geven in de geschreven taal. En om de overgang minder bruut te maken, laat ik er twee essays aan voorafgaan die meer en meer – ik bedoel, naarmate ze zich ontwikkelen – afbuigen, zich in steeds minder vrijblijvende beelden opdelen.

Dit scenario is geïnspireerd, zij het van ver, op een boek dat zeker vergiftigd is, versleten, maar ik ben het toch dankbaar dat het mij de beelden heeft laten vinden. En omdat ik geen verhaal vertel, maar gewoon beelden laat passeren, kan men het me niet kwalijk nemen dat ik er slechts enkele stukjes van aanbied. verder heb ik twee of drie pagina’s ter uwer beschikking waarin ik probeer de surrealiteit aan te pakken, die zijn ziel te te kennen te laten geven, zijn wonderlijke gal te doen opgeven, en die zouden het geheel kunnen voorafgaan, en die kan ik u, zo u dat wenst, binnenkort ook toesturen.

Met de meeste enz.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.59]
vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Cher Monsieur,

Ne croyez-vous pas que ce serait maintenant le moment d’essayer de rejoindre le Cinéma avec la réalité intime du cerveau. Je vous communique quelques extraits d’un scénario auxquels j’aimerais beaucoup que vous fassiez accueil. Vous verrez que son plan mental, sa conception intérieure lui donne place dans le langage écrit. Et pour que la transition soit moins brutale, je le fais précéder de deux essais qui inclinent de plus en plus, – je veux dire qui, à mesure qu’ils se développent, – se répartissent en des images de moins en moins désintéressées.

Ce scénario est inspiré, quoique de loin, d’un livre certainement empoisonné, usé, mais je lui sais tout de même gré de m’avoir fait trouver des images. Et comme je ne raconte pas une histoire mais égrène simplement des images, on ne pourra pas m’en vouloir de n’en proposer que des morceaux. Je tiens d’ailleurs à votre disposition deux ou trois pages où j’essaie d’attenter à la surréalité, de lui faire rendre son âme, expirer son fiel merveilleux, dont on pourrait faire précéder le tout, et que je vous enverrai, si vous le voulez bien, prochainement.

Agréez, etc.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #159

159 – Car nous sommes uniquement dans l’ Esprit – FOU

VOGELEN-PAUL
of
DE PLAATS VAN DE LIEFDE (slot)

lees eerst het eerste stuk van deze tekst

Op het moment dat het doek opgaat; ligt Selvaggia op sterven.
Paolo Uccello komt op en vraagt haar hoe het gaat. De vraag krijgt Brunelleschi zo buiten zichzelf dat hij de louter mentale atmosfeer van het drama doorbreekt met een gebalde, materiële vuist.

BRUNELLESCHI. – Varken, zot.
PAOLO UCCELLO, niets driemaal. – Imbeciel.

Maar laat ons eerst de personages beschrijven. Lataen we ze een fysieke gestalte geven, een stem, een opschik.

Vogelen-Paul heeft een onmerkbare stem, een insectenpas, een gewaad dat te groot voor hem is.

Brunelleschi, die heeft een echte sonore theaterstem die goed in het vlees zit. Hij lijkt op Dante.

Donatello is tussen de twee: St. Franciscus van Assisi vóór de Stigmata.

De scène speelt zich af op drie plateaus.

Onnodig te zeggen dat Brunelleschi verliefd is op de vrouw van Vogelen-Paul. Hij verwijt hem onder andere haar te laten sterven van honger. Kan men sterven van de honger in de Geest?

Want we zijn zuiver en alleen in de Geest.

Het drama speelt op verschillende niveaus en heeft verschillende aspecten, het gaat er net zo goed om de stupiede vraag of Paolo Uccello genoeg medemenselijkheid zal vinden om Selvaggia te eten te geven, als om te zien wie van de drie, vier personages het langst op zijn plateau zal blijven.

Want Paolo Ucello stelt de Geest voor, niet noodzakelijkerwijs zuiver, maar onthecht.

Donatello is de verheven geest. Hij kijkt al niet meer naar de aarde, al raken zijn voeten nog de grond.

Brunelleschi daarentegen is door en door aards, en het is aards en seksueel dat hij Selvaggia begeert. Hij denkt alleen aan neuken.

Paolo Uccello kent de seksualiteit wel, maar hij ziet ze achter glas en van kwikzilver, en koud als ether.

En Donatello, die is voorbij de rouw ervan.

Paolo Uccello heeft niets onder zijn gewaad. Hij heeft enkel een klep op de plaats van het hart.

Aan de voeten van Selvaggia groeit er een kruid dat er niet thuishoort.

Plots voelt Brunelleschi zijn pik verstijven, hij wordt enorm. Hij kan het niet houden en er vliegt een grote witte vogel uit als sperma dat spiraalsgewijs de lucht inschiet.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.55-58]
vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Au moment où le rideau se lève, Selvaggia est en train de mourir.

Paolo Uccello entre et lui demande comment elle va. La question a le don d’exaspérer Brunelleschi qui lacère l’atmosphère uniquement mentale du drame d’un poing matériel et tendu.

BRUNELLESCHI. – Cochon, fou.

PAOLO UCCELLO, éternuant trois fois. – Imbécile.

Mais d’abord décrivons les personnages. Donnons-leur une forme physique, une voix, un accoutrement.

Paul les Oiseaux a une voix imperceptible, une démarche d’insecte, une robe trop grande pour lui.

Brunelleschi, lui, a une vraie voix de théâtre sonore et bien en chair. Il ressemble au Dante.

Donatello est entre les deux : saint François d’Assise avant les Stigmates.

La scène se passe sur trois plans.

Inutile de vous dire que Brunelleschi est amoureux de la femme de Paul les Oiseaux. Il lui reproche entre autres choses de la laisser mourir de faim. Est-ce qu’on meurt de faim dans l’Esprit ?

Car nous sommes uniquement dans l’Esprit.

Le drame est sur plusieurs plans et à plusieurs faces, il consiste aussi bien dans la stupide question de savoir si Paolo Uccello finira par acquérir assez de pitié humaine pour donner à Selvaggia à manger, que de savoir lequel des trois ou quatre personnages se tiendra le plus longtemps à son plan.

Car Paolo Uccello représente l’Esprit, non pas précisément pur, mais détaché.

Donatello est l’Esprit surélevé. Il ne regarde déjà plus la terre, mais il y tient encore par les pieds.

Brunelleschi, lui, est tout à fait enraciné à la terre, et c’est terrestrement et sexuellement qu’il désire Selvaggia. Il ne pense qu’à coïter.

Paolo Uccello n’ignore pas cependant la sexualité, mais il la voit vitrée et mercurielle, et froide comme de l’éther.

Et quant à Donatello, il a fini de la regretter.

Paolo Uccello n’a rien dans sa robe. Il n’a qu’un pont à la place du cœur.

Il y a aux pieds de Selvaggia une herbe qui ne devrait pas être là.

Tout d’un coup Brunelleschi sent sa queue se gonfler, devenir énorme. Il ne peut la retenir et il s’en envole un grand oiseau blanc, comme du sperme qui se visse en tournant dans l’air.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #157

157 – une démarche d’insecte – TEMPS

VOGELEN-PAUL
of
DE PLAATS VAN DE LIEFDE (1)

Paolo Uccello1Artaud heeft het thema van Paolo Ucello overgenomen van ‘Paolo Ucello’ uit de ‘Ingebeelde levens‘ van Marcel Schwob, een boek dat in 1921 werd heruitgebracht door Gallimard (eerste ed. Fasquelle, 1896 ) worstelt met zichzelf te midden een immens mentaal weefsel waarin hij alle wegen naar zijn ziel en naar de vorm en de aanhechting van zijn werkelijkheid is kwijtgeraakt.
Raak van je tong af Paolo Ucello, raak van je tong af, mijn tong, mijn tong, kak, wie spreekt er daar, waar ben jij? Wég, wég, Geest, Geest, vuur, vuurtongen, vuur, vuur, eet je tong op, ouwe hond, eet zijn tong, eet, enz.
Ik ruk mijn taal uit.

JA.

Ondertussen verscheuren Brunelleschi en Donatello elkaar als verdoemden. Weliswaar is Paolo Ucello het zware en gewogen punt van het geschil maar die staat op een ander plateau dan zij.

En er is ook Antonin Artaud. Een Antonin Artaud in barensnood evenwel, aan de andere kant van alle mentale glazen en hij doet er alles aan om zich elders te wanen (bij André Masson bijvoorbeeld die helemaal het uiterlijk van Paolo Ucello heeft,een gelaagd uiterlijke als van een insect of een idioot en als een vlieg gevat in de verf, in zijn verf die van de weeromstuit gelaagd wordt).

En overigens is het in hem (Antonin Artaud) dat Uccello zichzelf denkt, maar als hij zichzelf denkt is hij niet echt meer in hem, etc., etc. Het vuur waarin zijn ijs weekt heeft zich in een mooi weefsel vertaald.

En Paolo Uccello zet de prikkelende operatie verder van deze wanhopige tonguitrukking.

Het gaat hier om een probleem dat in de geest van Antonin Artaud is ontstaan, maar Antonin Artaud heeft geen probleem nodig, hij zit al genoeg opgezadeld met zijn eigen gedachten, met onder andere dat hij zichzelf is tegengekomen, er achter kwam wat een slechte acteur hij is, bijvoorbeeld gisteren, in de bioscoop, in Surcouf, zonder dat die larve van een Kleine Paul hem zijn tong komt opeten.

Het theater is door hem gebouwd en bedacht. Hij heeft zo’n beetje overal arcades en plateau’s uitgezet waarin al zijn personages als honden tekeergaan.

Er is een plateau voor Paolo Uccello, en een plateau voor Brunelleschi en Donatello, en een plateau voor Selvaggia, de vrouw van Paolo.

Twee, drie, tien problemen zijn plotseling verstrengeld met de zigzagbewegingen van hun spirituele tongen, met alle ruimtelijke verplaatsingen op hun plateaus.

Lees verder…

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.55-58]
vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

PAUL LES OISEAUX
OU
LA PLACE DE L’AMOUR

Paolo Uccello est en train de se débattre au milieu d’un vaste tissu mental où il a perdu toutes les routes de son âme et jusqu’à la forme et à la suspension de sa réalité.

Quitte ta langue Paolo Uccello, quitte ta langue, ma langue, ma langue, merde, qui est-ce qui parle, où es-tu ? Outre, outre, Esprit, Esprit, feu, langues de feu, feu, feu, mange ta langue, vieux chien, mange sa langue, mange, etc. J’arrache ma langue.

OUI.

Pendant ce temps Brunelleschi et Donatello se déchirent comme des damnés. Le point pesant et soupesé du litige est toutefois Paolo Uccello, mais qui est sur un autre plan qu’eux.

Il y a aussi Antonin Artaud. Mais un Antonin Artaud en gésine, et de l’autre côté de tous les verres mentaux, et qui fait tous ses efforts pour se penser autre part que là (chez André Masson par exemple qui a tout le physique de Paolo Uccello, un physique stratifié d’insecte ou d’idiot, et pris comme une mouche dans la peinture, dans sa peinture qui en est par contre-coup stratifiée).

Et d’ailleurs c’est en lui (Antonin Artaud) que Uccello se pense, mais quand il se pense il n’est véritablement plus en lui, etc., etc. Le feu où ses glaces macèrent s’est traduit en un beau tissu.

Et Paolo Uccello continue la titillante opération de cet arrachement désespéré.

Il s’agit d’un problème qui s’est posé à l’esprit d’Antonin Artaud, mais Antonin Artaud n’a pas besoin de problème, il est déjà assez emmerdé par sa propre pensée, et entre autres faits de s’être rencontré en lui-même, et découvert mauvais acteur, par exemple, hier, au cinéma, dans Surcouf, sans encore que cette larve de Petit Paul vienne manger sa langue en lui.

Le théâtre est bâti et pensé par lui. Il a fourré un peu partout des arcades et des plans sur lesquels tous ses personnages se démènent comme des chiens.

Il y a un plan pour Paolo Uccello, et un plan pour Brunelleschi et Donatello, et un petit plan pour Selvaggia, la femme de Paolo.

Deux, trois, dix problèmes se sont entrecroisés tout d’un coup avec les zigzags de leurs langues spirituelles et tous les déplacements planétaires de leurs plans.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Noten   [ + ]

1. Artaud heeft het thema van Paolo Ucello overgenomen van ‘Paolo Ucello’ uit de ‘Ingebeelde levens‘ van Marcel Schwob, een boek dat in 1921 werd heruitgebracht door Gallimard (eerste ed. Fasquelle, 1896 )
Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #155

155- – une cristallisation immediate et directe – LANGUE

ARTAUD – Navel van het Voorgeborgte (3 – 4)

God-de-reu sta mij bij en zijn tong
die als een pijl de korst doorboort
van de koepel met de dubbele boord,
van de aarde die jeukt naar zijn woord.

En daar is de driehoek van water
die stapt in de pas van punaises
die zich op hete kolen wil bewijzen
als messteek en niet als punaise.

God-de-teef die is diep in de boezem
van gruwel en grond willen kruipen,
de boezem van aarde en water en ijs
die haar voze tong rottend doet druipen.

En daar is de meid-met-de-hamer,
die de kelders van aarde komt slopen
en de schedel van de hond van de ster
voelt hoger het afgrijzen oplopen.


Dokter,

Er is een punt waarop ik toch zou willen insisteren: het belang namelijk van datgene waarop uw injecties inwerken, de essentiële verslapping van mijn wezen, de verlaging van mijn mentale standaard, die niet, zoals men zou kunnen denken, een vermindering van mijn moraliteit (mijn morele ziel) of zelfs van mijn intelligentie inhoudt, maar wel, zo men wil, van mijn bruikbare intellectualiteit, mijn denkvermogen, wat meer te maken heeft met het gevoel dat ik van mezelf heb, dan met dat wat ik aan anderen laat zien.

De ongehorige, veelvormige kristallisatie van het denken, die op een gegeven moment zijn vorm kiest. Er is een onmiddellijke en directe kristallisatie van het ik te midden van alle mogelijke vormen, alle mogelijke denkwijzen.

Dus nu, mijnheer de Dokter, nu u zich goed bewust bent van wat er in mij kan worden bereikt (en genezen door drugs), van dat omstreden punt in mijn leven, hoop ik dat u mij de hoeveelheid verfijnde vloeistoffen, kostbare middelen, mentale morfine kunt geven, die in staat zijn om mijn vernedering te verhogen, om het dalen in balans te brengen, om wat gescheiden werd te herenigen, om wat vernietigd werd weer op te bouwen.

Mijn denken groet u.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.53-54]
vert. NKdeE 20201) CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Avec moi dieu-le-chien, et sa langue
qui comme un trait perce la croûte
de la double calotte en voûte
de la terre qui le démange.

Et voici le triangle d’eau
qui marche d’un pas de punaise,
mais qui sous la punaise en braise
se retourne en coup de couteau.

Sous les seins de la terre hideuse
dieu-la-chienne s’est retirée,
des seins de terre et d’eau gelée
qui pourrissent sa langue creuse.

Et voici la vierge-au-marteau,
pour broyer les caves de terre
dont le crâne du chien stellaire
sent monter l’horrible niveau.


Docteur,

Il y a un point sur lequel j’aurais voulu insister : c’est celui de l’importance de la chose sur laquelle agissent vos piqûres ; cette espèce de relâchement essentiel de mon être, cet abaissement de mon étiage mental, qui ne signifie pas comme on pourrait le croire une diminution quelconque de ma moralité (de mon âme morale) ou même de mon intelligence, mais si l’on veut, de mon intellectualité utilisable, de mes possibilités pensantes, et qui a plus à voir avec le sentiment que j’ai moi-même de mon moi, qu’avec ce que j’en montre aux autres.

Cette cristallisation sourde et multiforme de la pensée, qui choisit à un moment donné sa forme. Il y a une cristallisation immédiate et directe du moi au milieu de toutes les formes possibles, de tous les modes de la pensée.

Et maintenant, Monsieur le Docteur, que vous voilà bien au fait de ce qui en moi peut être atteint (et guéri par les drogues), du point litigieux de ma vie, j’espère que vous saurez me donner la quantité de liquides subtils, d’agents spécieux, de morphine mentale, capables d’exhausser mon abaissement, d’équilibrer ce qui tombe, de réunir ce qui est séparé, de recomposer ce qui est détruit.

Ma pensée vous salue.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #154

154 – Qu’on lui pile le crâne – AFGROND

ARTAUD – Navel van het Voorgeborgte (2)

Een groot, nadenkend en overbevolkt elan vervoerde mijn ik als een volle afgrond. Er waaide een vlezige wind die resoneerde, en de solfer zat er dik in, ja. Minutieuze wortelhaartjes bevolkten de wind als een netwerk van aderen, en hun vervlechting bliksemde. De ruimte was meetbaar en helder, maar zonder doordringbare vorm. En het centrum was een mozaïek van flitsen, een harde soort kosmische hamer, een van mismaakte zwaarte, een die steeds weer viel als een hoofd in de ruimte, maar met een geluid dat als gedistilleerd klonk. En de watten wikkel van dat geluid had de botte aandrang en het doordringende van een levende blik. Ja, de ruimte gaf zijn volle mentale watten op, waarin geen enkele gedachte nog duidelijk was of de ontlading van voorwerpen ervan kon weergeven. Maar beetje bij beetje keerde de massa zich om als een krachtige walging van slijk, een soort onmetelijke instroom van donderend vegetaal bloed. En de wortelhaartjes die trilden aan de rand van mijn mentale oog, maakten zich met een duizelingwekkende snelheid los van de opgespannen massa van de wind. En heel de ruimte beefde als een geslacht waarmee de vurige hemelbol verwoestend tekeer ging. En iets als de snavel van een echte duif doorboorde die confuse massa der toestanden, en op dat moment trok al het diepe denken in lagen, loste het op, werd transparant en eenvoudig.

En nu hadden we een hand nodig die van het grijpen zelf het orgaan zou worden. En nog een keer of twee, drie draaide de hele vegetale massa zich om, en elke keer nam mijn oog een preciezere positie in. De duisternis zelf werd overvloedig en zonder voorwerp. Geheel het vriezen klaarde uit.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.51-52]
vert. NKdeE 20201) CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Une grande ferveur pensante et surpeuplée portait mon moi comme un abîme plein. Un vent charnel et résonnant soufflait, et le soufre même en était dense. Et des radicelles infimes peuplaient ce vent comme un réseau de veines, et leur entrecroisement fulgurait. L’espace était mesurable et crissant, mais sans forme pénétrable. Et le centre était une mosaïque d’éclats, une espèce de dur marteau cosmique, d’une lourdeur défigurée, et qui retombait sans cesse comme un front dans l’espace, mais avec un bruit comme distillé. Et l’enveloppement cotonneux du bruit avait l’instance obtuse et la pénétration d’un regard vivant. Oui, l’espace rendait son plein coton mental où nulle pensée encore n’était nette et ne restituait sa décharge d’objets. Mais, peu à peu, la masse tourna comme une nausée limoneuse et puissante, une espèce d’immense influx de sang végétal et tonnant. Et les radicelles qui tremblaient à la lisière de mon œil mental, se détachèrent avec une vitesse de vertige de la masse crispée du vent. Et tout l’espace trembla comme un sexe que le globe du ciel ardent saccageait. Et quelque chose du bec d’une colombe réelle troua la masse confuse des états, toute la pensée profonde à ce moment se stratifiait, se résolvait, devenait transparente et réduite.

Et il nous fallait maintenant une main qui devînt l’organe même du saisir. Et deux ou trois fois encore la masse entière et végétale tourna, et chaque fois, mon œil se replaçait sur une position plus précise. L’obscurité elle-même devenait profuse et sans objet. Le gel entier gagnait la clarté.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #152

ARTAUD – Navel van het Voorgeborgte

Daar waar anderen hun werken aanbieden wil ik niets anders dan mijn geest tonen.
Het leven is het verbranden van vragen.
Ik kan mij geen werk voorstellen dat los staat van het leven.
Ik houd niet van losstaande schepping. Ik kan mij ook de geest niet voorstellen al losstaand van zichzelf. Elk werk van mij, elk ontwerp van mijzelf, al die ijzige bloesems van mijn innerlijke ziel bezoedelen mij.
Ik vind mijzelf evenzeer terug in een brief die ik schreef om de intieme vernauwing van mijn zijn te verklaren en de zinloze kastijding van mijn leven, als in een essay dat buiten mij omgaat, en dat mij overkomt als een zwangerschap die zich niets aan mijn geest genegen laat.
Ik lijd er aan dat de Geest niet in het leven is en dat het leven niet de Geest is, ik lijd aan de Geest-als-orgaan, aan de Geest-als-vertaling, of aan de Geest-die-de-dingen-intimideert om ze in de Geest binnen te dwingen.

Dit boek hang ik op in het leven, ik wil dat het gebeten wordt door de dingen erbuiten, te beginnen met alle knipselbuitelingen, alle oogknipperingen van mijn toekomstige zelf.

Al deze bladzijden schuiven als brokken ijs door de geest. Neem mij de absolute vrijpostigheid niet kwalijk. Ik weiger enig onderscheid te maken tussen eender welke minuut van mijzelf, ik kan in de geest geen plan bespeuren.

Weg met de Geest net zo als weg met de literatuur. Ik zeg dat Geest en leven in elk opzicht met elkaar overeenstemmen. Ik wil een Boek maken dat de mensen stoort, dat als een open deur is en dat hen brengt naar een plek waar ze nooit uit zichzelf zouden heen gaan, een deur die gewoonweg uitgeeft op de werkelijkheid.
En dit is net zo min een voorwoord tot een boek, als dat de gedichten het zouden markeren of er de razernijen van het lijden van opsommen.
Dit is niets anders dan zo’n slecht verzwolgen blok ijs.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.49]
vert. NKdeE 2020 1ik heb bij het vertalen gebruik gemaakt van de bestaande vertaling door Hans van Pinxteren [PINXTEREN 1981] en DeepL vertaalsoftware] CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Là où d’autres proposent des œuvres je ne prétends pas autre chose que de montrer mon esprit.
La vie est de brûler des questions.
Je ne conçois pas d’œuvre comme détachée de la vie.
Je n’aime pas la création détachée. Je ne conçois pas non plus l’esprit comme détaché de lui-même. Chacune de mes œuvres, chacun des plans de moi-même, chacune des floraisons glacières de mon âme intérieure bave sur moi.
Je me retrouve autant dans une lettre écrite pour expliquer le rétrécissement intime de mon être et le châtrage insensé de ma vie, que dans un essai extérieur à moi-même, et qui m’apparaît comme une grossesse indifférente de mon esprit.
Je souffre que l’Esprit ne soit pas dans la vie et que la vie ne soit pas l’Esprit, je souffre de l’Esprit-organe, de l’Esprit-traduction, ou de l’Esprit-intimidation-des-choses pour les faire entrer dans l’Esprit.
Ce livre je le mets en suspension dans la vie, je veux qu’il soit mordu par les choses extérieures, et d’abord par tous les soubresauts en cisaille, toutes les cillations de mon moi à venir.
Toutes ces pages traînent comme des glaçons dans l’esprit. Qu’on excuse ma liberté absolue. Je me refuse à faire de différence entre aucune des minutes de moi-même. Je ne reconnais pas dans l’esprit de plan.
Il faut en finir avec l’Esprit comme avec la littérature. Je dis que l’Esprit et la vie communiquent à tous les degrés. Je voudrais faire un Livre qui dérange les hommes, qui soit comme une porte ouverte et qui les mène où ils n’auraient jamais consenti à aller, une porte simplement abouchée avec la réalité.
Et ceci n’est pas plus une préface à un livre, que les poèmes par exemple qui le jalonnent ou le dénombrement de toutes les rages du mal-être.
Ceci n’est qu’un glaçon aussi mal avalé.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Noten   [ + ]

1. ik heb bij het vertalen gebruik gemaakt van de bestaande vertaling door Hans van Pinxteren [PINXTEREN 1981] en DeepL vertaalsoftware]
Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #151

151 – toutes les étoiles de la folie – CHOSE

Het venster van de liefde (slot)

lees eerst het eerste stuk het tweede

Hij was groter dan alle anderen. En er was ook een klein mannetje en dat was ik.

– Maar merk op : u droomt niet, zei Gérard de Nerval tegen mij, en hier is trouwens kanunnik Lewis die er alles van weet: Lewis, zou je het tegendeel durven beweren?
– Neen, bij alle bebaarde geslachten.

Ze zijn dom, dacht ik, het is de moeite niet waard om als een groot auteur bekend te staan.

– Zie je, vertelde mij Gérard de Nerval, dit alles heeft een verband. Je maakt er salade van, je eet het in olie, je schilt het zonder aarzelen, die meid is mijn vrouw.

Hij kent zelfs niet het gewicht van de woorden, dacht ik.

De prijs, sorry, de prijs van de woorden, fluisterde mijn brein, dat het ook kende.
-Zwijg, brein van mij, beval ik het, jij bent nog niet gevensterd genoeg.

Hoffmann zegt me:
– LATEN WE TER ZAKE KOMEN.
En ik :
– Ik weet niet hoe ik met haar tot een gesprek kan komen, ik durf niet.
– Maar je hoeft niet eens te durven, antwoordde Lewis. Je komt er OVERDWARS toe.

– Overdwars, maar dwars waarop?” antwoordde ik. Want op dit moment is zij het die dwars door mij gaat.

Maar omdat ze je vertellen dat de liefde schuin is, dat het leven schuin is, dat de gedachte schuin is, en dat alles schuin is. JE KRIJGT HET ALS JE ER NIET AAN DENKT.
Luister eens., daar boven. Hoor je de samenzwering daar niet van de bruggen der weekheid, de bijeenkomst van een hoop onzegbare plasticiteit?

Ik kon mijn voorhoofd voelen knallen.

Uiteindelijk begreep ik dat het haar borsten waren, en ik begreep dat ze samenkwamen, en ik begreep dat al deze verzuchtingen uit de borst van mijn dienstmeisje werden uitgeademd. Ik begreep ook dat ze op de vloer boven mij lag om dichter bij mij te kunnen zijn.

De regen bleef vallen.
Er klonken liedjes in de straat van een vreselijke stupiditeit:

Wat is het goed bij haar te zijn
en vogelmuur te slikken (bis)
Want wij zijn vogels (m. mv.)
Want wij zijn vogels (v. mv.)
Wat is het goed bij haar te zijn
Van Columbella op 't balkon
Al haar okselwater in een kom
Is het moment niet waard
Dat zij aan het rillen gaat.

Stomme varkens, schreeuwde ik, terwijl ik opstond, jullie bezoedelen de geest van de liefde.

De straat was leeg. Alleen de maan ging door met haar watergefluister.

Wat is de beste snuisterij, wat is het mooiste juweel, wat is de meest pittige amandel?

Bij dat visioen glimlach ik. Zie je wel, het is niet de duivel, zegt ze mij.

Neen, het was de duivel niet, mijn kleine meid was in mijn armen.

– ’t is al zolang, al zolang, zegt ze mij, dat ik naar jou verlang.

En dat was de brug van de grote nacht. De maan kwam op in de lucht, Hoffmann ging naar beneden in zijn kelder, alle klanten gingen terug naar hun restaurant, er was alleen nog maar liefde: Héloise met de mantel, Abélard met de tiara, Cleopatra met haar aspic, alle tongen van de schaduw, alle sterren van de waan.

Het was liefde als de zee, als de zonde, als leven, als dood.

Liefde onder de bogen, liefde aan het zwembad, liefde in bed, liefde als klimop, liefde als springtij.
Liefde zo groot als de sprookjes, liefde als een schilderij, liefde als alles wat er is.
En dit alles in zo’n kleine vrouw, in zo’n mummiehart, in zo’n beperkt denken, maar het mijne dacht voor twee.

In de diepte van een peilloze dronkenschap wordt de duizelende schilder soms gegrepen door een plotse wanhoop. Maar de nacht was mooier dan wat dan ook. Alle studenten keerden terug naar hun kamers, de schilder naar zijn cipressen. Een licht van het einde der tijden viel geleidelijk aan over geheel mijn denken.

Al snel was er niets anders meer dan een enorme berg van ijs waaraan een bos blonde haren bengelden.

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.151 -156]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Il était plus grand que tout. Il y avait aussi un petit homme qui était moi.

— Mais notez bien que vous ne rêvez pas, me disait Gérard de Nerval, voici d’ailleurs le chanoine Lewis qui s’y connaît : Lewis, oseriez-vous soutenir le contraire ?

— Non, par tous les sexes barbus.

Ils sont stupides, pensai-je, ce n’est pas la peine d’être considérés comme de grands auteurs.

— Donc, me disait Gérard de Nerval, tout ceci, vois-tu, a un lien. Tu la mets en salade, tu la manges à l’huile, tu la décortiques sans hésiter, la boniche est ma femme.

Il ne connaît même pas le poids des mots, pensai-je.

— Pardon, le prix, le prix des mots, me souffla ma cervelle, qui, elle aussi, s’y connaissait.

— Tais-toi, ma cervelle, lui dis-je, tu n’es pas encore assez vitrifiée.

Hoffmann me dit :

— VENONS-EN AU FAIT.

Et moi :

— Je ne sais pas comment m’aboucher avec elle, je n’ose pas.

— Mais tu n’as même pas à oser, rétorqua Lewis. Tu l’obtiendras TRANSVERSALEMENT.

— Transversalement, mais à quoi ? répliquai-je. Car pour l’instant c’est elle qui me traverse.

Mais puisqu’on te dit que l’amour est oblique, que la vie est oblique, que la pensée est oblique, et que tout est oblique. TU L’AURAS QUAND TU N’Y PENSERAS PAS.

Écoute là-haut. N’entends-tu pas la collusion de ces ponts de mollesse, la rencontre de cet amas d’ineffable plasticité ?

Je sentais mon front éclater.

À la fin je compris qu’il s’agissait de ses seins, et je compris qu’ils se rejoignaient, et je compris que tous ces soupirs s’exhalaient du sein même de ma boniche. Je compris aussi qu’elle s’était couchée sur le plancher du dessus pour être plus près de moi.

La pluie continua à couler.

Il y eut dans la rue des chants d’une stupidité affreuse :

Chez ma belle qu’il fait bon
Avaler du mouron (bis)
Car nous sommes oiseaux
Car nous sommes oiselles
Chez ma belle qu’il fait bon
Colombelle à son balcon
Toute l’eau de ses aisselles
Ne vaut pas la mirabelle
De ses amoureux frissons.

Cochons stupides, hurlai-je, en me levant, vous salissez l’esprit même de l’amour.

La rue était vide. Il n’y avait que la lune qui continuait ses murmures d’eau.

Quelle est la meilleure breloque, quel est le bijou le plus beau, quelle est l’amande la plus fondante ?

À cette vision je souris. Ce n’est pas le diable, tu vois bien, me dit-elle !

Eh non, ce n’était pas le diable, ma petite boniche était dans mes bras.

— Depuis si longtemps, depuis si longtemps, me dit-elle, je te désirais.

Et ce fut le pont de la grande nuit. La lune remonta dans le ciel, Hoffmann se terra dans sa cave, tous les restaurateurs recouvrèrent leur place, il n’y eut plus que l’amour : Héloïse au manteau, Abélard à la tiare, Cléopâtre à l’aspic, toutes les langues de l’ombre, toutes les étoiles de la folie.

Ce fut l’amour comme une mer, comme le péché, comme la vie, comme la mort.

L’amour sous les arcades, l’amour au bassin, l’amour dans un lit, l’amour comme le lierre, l’amour comme un mascaret.

L’amour aussi grand que les contes, l’amour comme la peinture, l’amour comme tout ce qui est.

Et tout cela dans une aussi petite femme, dans un cœur si momifié, dans une pensée si restreinte, mais la mienne pensait pour deux.

Du fond d’une ivresse insondable, un peintre pris de vertige tout à coup se désespérait. Mais la nuit était plus belle que tout. Tous les étudiants regagnèrent leur chambre, le peintre recouvra ses cyprès. Une lumière de fin du monde remplit peu à peu ma pensée.

Il n’y eut bientôt plus qu’une immense montagne de glace sur laquelle une chevelure blonde pendait.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

Journal intime #150

Het venster van de liefde (2)

lees eerst het begin van deze tekst

Wij, op oudejaarsavond. Het onweer was aan het donderen, de bliksem deed het, de regen kwam op gang, de dromencocons blèrden, de kikkers kwaakten in alle vijvers, kortom, de nacht deed zijn werk.

Nu moest ik een manier vinden om in het reine te komen met de werkelijkheid… In het reine te komen met de duistere resonantie der dingen was onvoldoende, bijvoorbeeld om vulkanen te horen spreken, of om het voorwerp van mijn liefde te kleden met alle charmes van een geanticipeerd overspel, bijvoorbeeld, of met alle rotzooi, alle verschrikkingen, scatologieën, misdaden, misleidingen die verbonden zijn met het idee van de liefde; ik moest eenvoudigweg een manier vinden om haar direct te bereiken, dat wil zeggen om voor alles met haar te praten.

Plots ging het raam open. In een hoek van mijn kamer zag ik een enorm damesspel waarop de weerschijn van een veelheid aan onzichtbare lampen neerviel. Lichaamsloze hoofden maakten rondes, botsten tegen elkaar aan en vielen als pinnen. Er was een immens houten paard, een koningin onder de morfine, een toren van liefde, een eeuw die nog komen moest. De handen van Hoffmann’s duwde de pionnen voort, en elke pion zei: ZOEK HAAR DAAR NIET. En in de lucht zag je gevleugelde engelen met vernikkelde voeten. Dus ik hield op met uit het raam staren en te hopen mijn geliefde dienstmeid te zien…

Toen voelde ik voeten die de kristallen der planeten hadden verbrijzeld, precies in de kamer boven mij. Vurige zuchten doorboorden de vloer, en ik hoorde iets lieflijks verpletterd worden.

Op dat moment begonnen alle borden van de aarde te tuimelen en gingen de klanten van alle restaurants ter wereld op jacht naar Hoffmanns kleine dienstmeid; en we zagen de meid lopen als een verdomde vrouw, en toen passeerde Pierre Mac Orlan, de absurde laarzenventer met een kruiwagen langs de weg. Na hem kwam Hoffmann met een paraplu, toen Achim d’ Arnim, en Lewis overdwars. Ten slotte ging de aarde open en verscheen Gerard de Nerval.

Lees verder…

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.151 -156]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Or nous étions à la nuit de la Saint-Sylvestre. Le tonnerre tonnait, les éclairs marchaient, la pluie faisait son chemin, les cocons des rêves bêlaient, les grenouilles de tous les étangs coassaient, bref, la nuit faisait son métier.

Il me fallait maintenant trouver un moyen de m’aboucher avec la réalité… Ce n’était pas assez que d’être abouché avec la résonance obscure des choses, et d’entendre par exemple les volcans parler, et de revêtir l’objet de mes amours de tous les charmes d’un adultère anticipé par exemple, ou de toutes les horreurs, ordures, scatologies, crimes, tromperies qui s’attachent à l’idée de l’amour ; il me fallait trouver simple-ment le moyen de l’atteindre directement, c’est-à-dire, et avant tout, de lui parler.

Tout d’un coup la fenêtre s’ouvrit. Je vis dans un coin de ma chambre un immense jeu de dames sur lequel tombaient les reflets d’une multitude de lampes invisibles. Des têtes sans corps faisaient des rondes, se heurtaient, tombaient comme des quilles. Il y avait un immense cheval de bois, une reine en morphine, une tour d’amour, un siècle à venir. Les mains d’Hoffmann poussaient les pions, et chaque pion di-sait : NE LA CHERCHE PAS LÀ. Et dans le ciel on voyait des anges avec des ailes en pieds nickelés. Je cessai donc de re-garder à la fenêtre et d’espérer voir ma boniche chérie.

Alors je sentis des pieds qui finissaient d’écraser les cristaux des planètes, juste dans la chambre au-dessus. Des soupirs ardents perçaient le plancher, et j’entendis l’écrasement d’une chose suave.

À ce moment toutes les assiettes de la terre se mirent à dégringoler et les clients de tous les restaurants du monde partirent à la poursuite de la petite bonne d’Hoffmann ; et on vit la bonne qui courait comme une damnée, puis Pierre Mac Orlan, le ressemeleur de bottines absurdes, passa, poussant une brouette sur le chemin. À sa suite venait Hoffmann avec un parapluie, puis Achim d’Arnim, puis Lewis qui marchait transversalement. Enfin la terre s’ouvrit, et Gérard de Nerval apparut.

Categorieën
Kathedraalse Leer lyriek Proza Requichot Vertalingen - Bewerkingen

dagboek zonder dagen (20)

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

De opeenvolgende stadia van gevoeligheid zijn in de eerste plaats de experimentele emotionele schok, de zekere kennis van de schok die wordt

p. 120

gewijzigd door de aandacht, dan het ritme en de drift. Maar je moet ook wel zijn wat je bent op het moment dat je doormaakt. De zekere kennis kan al rijk zijn aan vele driften uit het verleden, en het delirium van driften kan sterk bloeien van een methode die dan sterft of ontluikt. Dit maakt het mogelijk om een cyclus voor te stellen waarin deze factoren elkaar voortdurend opvolgen. Elke behandelde cyclus roept het verloop van zijn gelijke op, terwijl degene die het uitvoert na elke cirkel telkens sterker is, zodat het verloop samen cirkelvormig en toenemend is, zodat de schok, de kennis, het ritme en de drift in elk stadium groeien, om te komen tot het catastrofale delirium waarvan met gelooft dat het finaal is, tot het laatste weten die men alomvattend acht, tot de laatste emotie waarvan men denkt dat het geluk is.

Maar het delirium dat men als definitief beschouwt heeft nog steeds de mogelijkheid van analyse, de laatste kennis een spoor van twijfel en het ultieme geluk een zorg die de eeuwige spiraal alleen maar kan verhogen. Hoe langer men zijn parcours verlengt en vervolgt, hoe sneller het verloop van de cirkels toeneemt in een kracht waarvan men niet kan zeggen of die middelpuntvliedend is of middelpuntzoekend is, maar die cirkelvormig, oneindig, toenemend en vol afwisseling is. Het geheel is het programma van ons lot en de leidmotieven waarvan het pad van de cirkels de constanten van onze werkelijkheid achter zich laat.

Degene die door de beweging wordt gedragen is de “ik” die wordt voorafgegaan door het intuïtieve zelf dat als een radar van het bewustzijn is. Dit paranormale binomiaal waar het onvrijwillige en het onbewuste directe (want de drift heeft zijn tirannie net zoals de wetten van de getallen hun mysterie hebben), voert het verloop van zijn eigen domein uit : de spiraal is zowel zijn weg, zijn aard als zijn leven.

Deze psychische binomiale is ook cirkelvormig, oneindig, groeiend en vol afwisseling, het is het centrum dat beweegt en groeit in zichzelf.
De aldus beschreven spiraal is misschien wel de basis van het universum, de essentie van het spirituele en de essentie van het subjectieve, het beeld van de eeuwigdurende beweging.

originele tekst [RÉQUICHOT 2002, p.120-121]

Les étapes successives de la sensibilité sont d’abord le choc émotif expérimental, la connaissance positive du choc qui se trouve modifié par
l’attention qu’on lui porte, puis le rythme et la dérive. Cependant il faut être ce que l’ on est à l’instant par lequel on passe. La connaissance posi­tive peut se produire déjà riche de bien des dérives passées, et le délire de la dérive s’épanouir fort d’une méthode mourante ou naissante. Ce qui permet d’envisager un cycle où ces facteurs se succèdent perpétuelle­ment. Chaque cycle parcouru appelle le parcours de son semblable, cependant que celui qui l’effectue est une fois plus fort après chaque cercle, que sa démarche est donc ensemble circulaire et croissante, que son choc, sa connaissance, son rythme et sa dérive à chaque étape gran­dissent, pour atteindre vers le catastrophique délire que l’on croit final, vers la dernière connaissance que l’on croit totale, vers la dernière émo­tion que l’on croit bonheur.

Mais le délire que l’on croit final possède encore la possibilité d’une analyse, la dernière connaissance une trace de doute et l’ultime bonheur une inquiétude qui pe11net d’agrandir encore la spirale perpétuelle. Plus on prolonge et poursuit son parcours, plus le parcours de ses cercles s’accroît en rapidité dans une force dont on ne saurait dire si elle est centrifuge ou · centripète mais qui est circulaire, infinie, croissante et mouvementée. Son ensemble est le programme de notre destin et les leitmotive dont le par- . cours des cercles est semé les constantes de notre réalité.

Celui qu’emporte le mouvement est le “Je” précédé du soi intuitif qui est comme un radar de conscience. Ce binôme psychique où l’involontaire et l’inconscient dirigent (car la dérive a sa tyrannie tout comme les lois des nombres ont leur mystère), effectue le parcours de son propre domaine la spirale est ensemble sa voie, sa nature et sa vie.

Ce binôme psychique est aussi circulaire, infini, croissant et mouvementé, il est le centre qui se meut et prend son essor en lui-même.
La spirale ainsi décrite constitue peut-être la base de l’univers, l’essence du spirituel et l’essence du subjectif, l’image du mouvement perpétuel.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #149

149 – un ciel d’amoureux suicide – ZAADPLANT

Het venster van de liefde (1)

Ik wou haar laten glinsteren met bloemen, met kleine vulkanen die aan de oksels haakten, en vooral die bittere amandellava die in het midden van haar gespannen lichaam zat.

Er was ook een wenkbrauwengalerij waar de hele hemel onderdoor ging, een ware lucht van verkrachting, van ontvoering, lava, storm, van woede, kortom, een absoluut theologische hemel. Een hemel als een gespannen boog, als de trompet van de afgrond, als een gifbeker gedronken in een droom, een hemel die in alle flesjes van de dood zit, de hemel van Héloise bovenop Abélard, een hemel van suïcidale geliefden, een hemel die alle razernij van de liefde had.

Het was een hemel van protesterende zonde, een zonde gevangen in de biechtstoel, het soort zonde dat het geweten van de priesters belast, een ware theologale zonde.

En ik hield van haar.

Ze was dienstmeisje in een taverne van Hoffmann, maar een sjofele, slecht gewassen, korzelige meid. Ze gaf de borden aan, maakte de bedden leeg, de kamers schoon, schudde de hemelbedden op en kleedde zich uit voor haar dakraam, zoals alle dienstmeisjes in alle verhalen van Hoffmann.

Ik sliep in een armzalig bed waarvan de matras zich elke nacht opstak, zich opkrulde tegen de opmars der ratten die de afvoer van slechte dromen verslonden, en die zich bij zonsopgang weer uitvlakte. Mijn lakens roken naar tabak en het lijkenhuis, en de heerlijke, misselijkmakende geur die onze lichamen bedekten wanneer we die poogden te ruiken. Kortom, het waren echt de lakens van verliefde studenten.

Ik blokte op een dikke, drammerige thesis over de aborteringen van de humane geest op de verduurde drempels van de ziel die een mensenbrein niet kan bereiken.

Maar het idee van de meid hield mij meer bezig dan alle spookbeelden van het buitenmatige nominalisme der dingen.

Ik kon haar zien aan de hemel, door de gebarsten ramen van mijn kamer, langs haar eigen wenkbrauwen, in de ogen van al mijn vroegere minnaressen en in het gele haar van mijn moeder.

Lees verder…

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.151 -156]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

LA VITRE D’AMOUR

Je la voulais miroitante de fleurs, avec de petits volcans accrochés aux aisselles, et spécialement cette lave en amande amère et qui était au centre de son corps dressé.

Il y avait aussi une arcade de sourcils sous lesquels tout le ciel passait, un vrai ciel de viol, de rapt, de lave, d’orage, de rage, bref, un ciel absolument théologal. Un ciel comme une arche dressée, comme la trompette des abîmes, comme de la ciguë bue en rêve, un ciel contenu dans toutes les fioles de la mort, le ciel d’Héloïse au-dessus d’Abélard, un ciel d’amoureux suicide, un ciel qui possédait toutes les rages de l’amour.

C’était un ciel de péché protestataire, un péché retenu au confessionnal, de ces péchés qui chargent la conscience des prêtres, un vrai péché théologal.

Et je l’aimais.

Elle était bonne, dans une taverne d’Hoffmann, mais une miteuse crapuleuse boniche, une boniche crapuleuse et mal lavée. Elle passait les plats, vidait les lieux, faisait les lits, balayait les chambres, secouait les ciels de lit et se déshabillait devant sa lucarne, comme toutes les bonnes de tous les contes d’Hoffmann.

Je couchais à l’époque dans un lit piteux dont le matelas se dressait toutes les nuits, se recroquevillait devant cette avance de rats que dégorgent les reflux des mauvais rêves, et qui s’aplanissait au soleil levant. Mes draps sentaient le tabac et la morgue, et cette odeur nauséeuse et délicieuse que revêtent nos corps quand nous nous appliquons à les sentir. Bref, c’étaient de vrais draps d’étudiants amoureux.

Je piochais une thèse épaisse, ânonnante, sur les avortements de l’esprit humain à ces seuils épuisés de l’âme jusqu’où l’esprit de l’homme n’atteint pas.

Mais l’idée de la boniche me travaillait beaucoup plus que tous les phantasmes du nominalisme excessif des choses.

Je la voyais à travers le ciel, à travers les vitres fendues de ma chambre, à travers ses propres sourcils, à travers les yeux de toutes mes anciennes maîtresses, et à travers les cheveux jaunes de ma mère.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #148

148 – la zébrure d’un éclair – BOEKJAAR

De Persoonlijke Automaat (slot)

begin bij  het eerste stuk van deze tekst

Dit schilderij is als een ruwe wereld, een naakte wereld, vol vezels en riemen, waar de irriterende kracht van een vuur het innerlijke firmament verscheurt, een verscheuren van de intelligentie, waar de expansie van de oorspronkelijke krachten, waar staten die niet kunnen worden genoemd in hun zuiverste, hun minst verdachte uitdrukking verschijnen van echte legeringen.

Het is het solferachtige leven van het bewustzijn dat aan het licht komt met zijn lichtpunten en sterren, zijn dichtheden, zijn firmament,

met de levendigheid van puur verlangen,
met zijn oproep tot een voortdurende dood nabij het herrijzenismembraan.

Het lichaam van de vrouw is daar, in een obscene vertoning ervan; in een beendergestel van hout. Onbeweeglijk en gesloten hout. Hout van een geïrriteerd verlangen dat zijn ergernis bevriest in een chirurgische en droge naaktheid. Eerst de billen, en dan naar achteren toe het grote en massieve achterwerk dat er is als het achterstel van een beest, waar het hoofd niet meer belang heeft nog dan een vezel. Het hoofd is er als het idee van een hoofd, als de uitdrukking van een verwaarloosbaar en vergeten element.

En rechts en onderaan, op de achtergrond, bij de voorraad, als het uiterste punt van het teken van het kruis.

Moet ik de rest van het schilderij beschrijven?

Het lijkt me dat louter het verschijnen van dit lichaam het situeert. Op dit secce vlak, plat op het oppervlak, is er alle diepte van een ideaal perspectief dat alleen in gedachten bestaat. Er is, als een gelaatstrek, het striemen van een schicht die tot in de aarde zelf is doorgetrokken, en kaarten walsen er omheen.

Boven, onder, de Profetes, de Heks, als een soort engel, een zachtaardige draak, met haar figuur verdraaid. Alle slakken van de geest eten van haar abstracte gezicht op en keren zich om als een gevlochten touw.

Een veelvoud aan harten, een veelvoud aan klaveren, evenveel tekens, evenveel oproepen.

Heb ik een jas, heb ik een jurk?

Op een kerkernacht ontplooit een donkerte vol inkt zijn slecht gecementeerde muren.

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.145 -150]
vert. NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Cette peinture comme un monde à vif, un monde nu, plein de filaments et de lanières, où la force irritante d’un feu lacère le firmament intérieur, le déchirement de l’intelligence, où l’expansion des forces originelles, où les états qu’on ne peut pas nommer apparaissent dans leur expression la plus pure, la moins suspecte d’alliages réels.

C’est la vie soufrée de la conscience qui remonte au jour avec ses lumignons et ses étoiles, ses tanières, son firmament,

avec la vivacité d’un pur désir,

avec son appel à une mort constante avoisinant la membrane de la résurrection.

Le corps de la femme est là, dans son étalage obscène ; dans son ossature de bois. Bois immuable et fermé. Bois d’un désir irrité et que son exaspération même congèle dans sa chirurgicale et sèche nudité. Les fesses d’abord, et vers l’arrière tout le grand et massif fessier qui est là comme l’arrière-train d’une bête, où la tête n’a plus que l’importance d’un fil. La tête est là comme une idée de tête, comme l’expression d’un élément négligeable et oublié.

Et à droite et en bas, dans les arrière-fonds, dans les réserves, comme la pointe extrême du signe de la croix.

Décrirais-je le reste de la toile ?

Il me semble que la simple apparition de ce corps le situe. Sur ce plan sec, à fleur de surface, il y a toute la profondeur d’une perspective idéale et qui n’existe que dans la pensée. On y retrouve, comme un linéament, la zébrure d’un éclair taillé à même la terre, et des cartes valsent autour de là.

En haut, en bas, la Pythonisse, la Sorcière, comme une sorte d’ange, de douce dragonne, avec sa figure contournée. Tous les colimaçons de l’esprit mangent sa face abstraite et se retournent comme une corde tressée.

En haut, en bas. En haut avec sa figure de momie creuse. En bas avec sa masse, sa taille massive et bien tracée. Elle est là comme une muraille de nuit compacte, attirant, déployant la flamme des cartes soufrées.

Une multitude de cœurs, une multitude de trèfles, comme autant de signes, comme autant d’appels.

Ai-je un manteau, ai-je une robe ?

Une nuit de basse-fosse, une obscurité pleine d’encre déploie ses murailles mal cimentées.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #147

De Persoonlijke Automaat (vervolg)

lees eerst het eerste stuk van deze tekst

Een fluisterwind beroert al deze verloren larven die de nacht in zijn glinsterbeelden zamelt. We voelen er een verbrijzeling van sluizen, een soort vreselijke vulkaanschok waaraan het daglicht is ontkoppeld. En uit deze schok, en uit deze verscheuring van twee principes, ontstaan alle krachtige beelden, in een stuwkracht die heviger is dan een vloedgolf.

Zit er zoveel in dit schilderij?

Dit heeft de kracht van een vaste droom, zo hard als de schelp van een insect en vol met poten die alle richtingen van de hemel uit draaien.

En als in reliëf op de stuiptrekking van het ondiepe, op die alliantie van het energetische licht met alle metalen van de nacht, als het ikoon zelve van de erotiek der duisternis, staat daar het volumineuze en obscene silhouet van de Persoonlijke Automaat.

Een hele hoop en een grote scheet.

Hij is opgehangen aan draden waarvan alleen de contacten klaar zijn, en het is de pulsatie van de atmosfeer die de rest van het lichaam bezielt. Hij oogst de nacht om hem heen als een weide, als een plantage van zwarte twijgen.

Hier is de tegenstelling het geheim, die is als de voortgang van een scalpel.
Die is opgehangen aan de draad van het scheermes, in het domein tegengesteld aan de zielen.

Maar laat ons het blad omdraaien.

Een verdieping hoger is er het hoofd. Met een groene explosie van mijngas, als een kolossale lucifer, die de lucht sabelt en scheurt op de plaats waar het hoofd niet is.

Ik vind mijzelf weer precies zoals ik mij zie in de spiegels van de wereld, als gelijkend op een huis of een tafel, omdat de gelijkenis altijd elders is.

Als we achter de muur konden komen, wat een verscheuring zouden we zien, wat een rotzooi van aderen. Een stapel lege kadavers.

En het geheel, verheven als een garnalenschotel.

Ziehier tot welk een lijnvoering al die geest ons heeft gebracht.

De foute bel gaat over, overigens, want met welk oog bekijk ik niet het geslacht, waarvan de appetijt mij niet ontvallen is.

Na zoveel afleidingen en mislukkingen, na al die uitgestalde lijken, na de waarschuwingen van de zwarte klavers, na de peilingen van de heksen, na die kreet uit de mond in de bodemloze val, na het mij bezeren aan de muren, na de wervelwind van sterren, het geklooi van wortels en haren, walg ik er nog niet genoeg van dat heel de ervaring mij afstoot.

De muur doorspekt van ervaring doet niets af aan mijn essentiële voorliefde.

Tegen de schreeuw van revoluties en stormen, bij deze verplettering van mijn brein, in deze afgrond van verlangens en vragen, ondanks al die problemen, die angsten, hou ik in de meest kostbare uithoek van mijn hoofd deze obsessie met het geslacht levend die mij versteent en mij het bloed eruit sleurt.

Mijn bloed mag van ijzer en glibberig zijn, vol van moerassen, ik mag met plagen geslagen worden

Moge mijn bloed ijzer en glibberig zijn, mijn bloed vol moerassen, moge ik geslagen worden met plagen, met ontberingen, gecontamineerd, bestormd door desintegratie en verschrikkingen, zolang het zachte armatuur van het ijzeren geslacht maar blijft bestaan. Ik bouw het op uit ijzer, ik vul het met honing, en het is altijd hetzelfde geslacht pal op de dorre heuveltop. Het is het geslacht waar de stortregens samenkomen, waar de dorst in wegzinkt.

Vol van woede, en zonder sereniteit of vergeving, worden mijn stortvloeden groter en groter en zij verzinken, en ik voeg er bedreigingen aan toe, en de verduringen van de sterren en het firmament.

Lees het slot
van deze tekst

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.145 -150]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Un vent murmurant agite toutes ces larves perdues et que la nuit ramasse en de miroitantes images. On y sent un broiement d’écluses, une sorte d’horrible choc volcanique où s’est dissociée la lumière du jour. Et de ce heurt, et de ce déchirement de deux principes naissent toutes les images en puissance, dans une poussée plus vive qu’une lame de fond.

Y a-t-il tant de choses dans cette toile ?

Il y a la force d’un rêve fixé, aussi dur qu’une carapace d’insecte et plein de pattes dardées dans tous les sens du ciel.

Et en relief sur cette convulsion des bas-fonds, sur cette alliance de la lumière énergique avec tous les métaux de la nuit, comme l’image même de cet érotisme des ténèbres, se dresse la volumineuse et obscène silhouette de l’Automate Personnel.

Un grand tas et un grand pet.

Il est suspendu à des fils dont seules les attaches sont prêtes, et c’est la pulsation de l’atmosphère qui anime le reste du corps. Il ramasse autour de lui la nuit comme un herbage, comme une plantation de rameaux noirs.

Ici l’opposition est secrète, elle est comme la suite d’un scalpel. Elle est suspendue au fil du rasoir, dans le domaine inverse des âmes.

Mais tournons la page.

Un étage plus haut est la tête. Et une verte explosion de grisou, comme d’une allumette colossale, sabre et déchire l’air à cette place où la tête n’est pas.

Je m’y retrouve tel exactement que je me vois dans les miroirs du monde, et d’une ressemblance de maison ou de table, puisque toute la ressemblance est ailleurs.

Si l’on pouvait passer derrière le mur, quel déchirement on verrait, quel massacre de veines. Un amoncellement de cadavres vidés.

Et le tout, haut comme un plat de crevettes.

Voilà à quel linéament a pu aboutir tant d’esprit.

Mauvais son de cloche d’ailleurs, car de quel œil enfin je considère le sexe, dont mon appétit n’est pas mort.

Après tant de déductions et d’échecs, après tous ces cadavres dépiautés, après les avertissements des trèfles noirs, après les étendards des sorcières, après ce cri d’une bouche dans la chute sans fond, après m’être heurté à des murailles, après ce tourbillon d’astres, cet emmêlement de racines et de cheveux, je ne suis pas assez dégoûté que toute cette expérience me sèvre.

La muraille à pic de l’expérience ne me détourne pas de mon essentielle délectation.

Au fond du cri des révolutions et des orages, au fond de ce broiement de ma cervelle, dans cet abîme de désirs et de questions, malgré tant de problèmes, tant de peurs, je conserve dans le coin le plus précieux de ma tête cette préoccupation du sexe qui me pétrifie et m’arrache le sang.

Que j’aie le sang en fer et glissant, le sang plein de marécages, que je sois giflé de pestes, de renoncements, contaminé, assailli de désagrégations et d’horreurs, pourvu que persiste la douce armature d’un sexe de fer. Je le bâtis en fer, je l’emplis de miel, et c’est toujours le même sexe au milieu de l’âcre vallonnement. C’est le sexe où convergent les torrents, où s’enfoncent les soifs.

Pleins de rages, et sans sérénité ni pardon, mes torrents se font de plus en plus volumineux et s’enfoncent, et j’ajoute en plus des menaces, et des duretés d’astres et de firmaments.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
Kathedraalse Leer lyriek Proza Requichot Vertalingen - Bewerkingen

dagboek zonder dagen (19)

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

Als bepaalde vondsten een bepaalde mate van ernst bereiken, is het goed dat ze in de duisternis worden gecultiveerd, dat ze hun pogingen in het occulte doen, dat ze zich verbergen voor de ogen van velen, zodat deze te overvloedige blikken hen niet als lachen bevuilen.

Wat zijn de basisvoorwaarden van het leven?

Stelling: bekijk een schilderij van heel kortbij en je ziet de
toekomstige schilderijen; bekijk het van veraf en je zult de oorsprong ervan zien.

De grens van de tijd is daar waar de snelheid hem opschort en stopt.

p.120

Het gaat er niet om een emotioneel moment te laten duren, maar om het te reproduceren, om het terug te vinden in een andere omstandigheid, in een gelijkaardig moment dat de eerste omstandigheid en het eerste moment samen reproduceert.

Een schilderij is een truc die meta-automatisch geschreven wordt. Hoe meer het schrift wordt gevormd, hoe langzamer het is; als het langzaam is, verliest het zijn automatisme, zijn mogelijkheid om gevoeligheid te manifesteren op het moment dat het wil spreken. Hoe sneller het is, hoe meer de truc verloren gaat en het schrijven onnauwkeurig wordt, vandaar de behoefte aan een beheersing van de “truc” die het snel schrijven en een samengaan van denken en schrijven mogelijk maakt.

De analyse van het schrift en de handelingen die het heeft voortgebracht, maakt het mogelijk om het te herleiden tot elementen die naar believen kunnen worden geïdentificeerd en gereproduceerd. Een synthetische blik maakt het mogelijk om af te leiden welke groepen die uit meerdere handelingen bestaan kunnen worden gereduceerd tot één enkele handeling. Die kennis door middel van analyse zal het mogelijk maken om de middelen voor een handeling meer naar believen in te zetten.

De “Truc” zelf is niets als hij geen kracht put uit de experimentele emotie die hem heeft voortgebracht en ontwikkelt. Het gaat er dus om de truc te doen die de experimentele emotie opwekt die hem heeft doen ontstaan en hem ontwikkelt. Het gaat er dus om de truc te doen die de experimentele emotie uitlokt of, omgekeerd, het experimentele emotionele moment te vinden dat de truc onthult. Deze laatste formule is bijzonder gevaarlijk en aantrekkelijk vanwege de auto-suggestieve effecten en omdat ze berust op een grens van gevoeligheid die neigt naar een algemene nivellering van alle waarden, terwijl ze ons tegelijkertijd in staat stelt de vinger op de hoogste waarden te leggen.

Het laat echter toe om, door middel van verrassingen die stoppen of verplaatsen, de meest acute momenten te fixeren en het zijn deze die we moeten produceren, zowel in onszelf als in anderen. De fout is om ze proberen te laten duren; het is veeleer noodzakelijk om ze opnieuw te vinden of om ze te op te roepen in een andere omstandigheid, in een moment van dezelfde aard die tegelijk de eerste omstandigheid en het eerste moment reproduceert en met de behoefte om de truc opnieuw te vinden.
Men moet ervoor zorgen dat dezelfde emoties in dezelfde trucs worden gereproduceerd: als ze elkaar dicht opeen opvolgen, wordt er een stap gezet in de ontdekking van het ritme.

originele tekst [RÉQUICHOT 2002, p.119-120]

Si certaines trouvailles atteignent un certain degré de gravité il est bon qu’elles se cultivent dans les ténèbres qu’elles fassent leurs tentatives dans l’occulte, qu’elles se cachent aux yeux de beaucoup, pour que ces regards trop abondants ne les souillent pas comme des rires.

Quelles sont les conditions élémentaires de la vie ?

Théorème : regardez un tableau de très près et vous y verrez les tableaux futurs ; regardez-le de très loin et vous y verrez son origine.

La limite du temps est celle où la vitesse l’arrête en suspens.

Il ne s agit pas de faire durer un instant émotif mais de le reproduire, de le retrouver dans une autre circonstance, dans un instant de même nature qui reproduit ensemble la première circonstance et le premier instant.

Un tableau est un truc méta-automatiquement écrit. Plus l’écriture est formée, plus elle est lente ; si elle est lente elle perd son automatisme, sa possibilité de manifester la sensibilité au moment où elle veut parler. Plus elle est rapide, plus le truc se perd et l’écriture devient imprécise, d’où la nécessité d’une maîtrise du “truc” permettant son écriture rapide et une marche de pair de la pensée et de l’écriture.

L’analyse de l’écriture et des actes qui l’ont produite permet de la réduire en éléments identifiables et reproductibles à volonté. Un regard de synthèse permet de déduire quelles sont les sommes faites de plusieurs actes et susceptibles d’être réduites en un seul. Sa connaissance par l’analyse permettra d’utiliser plus à volonté les ressources d’un acte.


Le “Truc” en soi n’est rien s’il ne puise pas un pouvoir dans l’émotion expérimentale qui l’a fait naître et le développe. L’important est donc de faire le truc qui provoque l’émotion expérimentale qui l’a fait naître et le développe. L’important est donc de faire le truc qui provoque l’émotion expérimentale ou, inversement, de trouver l’instant émotif expérimental qui révèle le truc. Cette dernière formule est particulièrement dangereuse et attrayante à cause de ses effets d’auto-suggestion et parce qu’elle s’appuie sur une frontière de la sensibilité qui tend à un nivellement général de toutes les valeurs, en même temps qu’elle permet de mettre le doigt sur les plus graves. Cependant elle permet par des surprises qui arrêtent ou transportent, de fixer les moments les plus aigus et ce sont eux qu’il faut produire, tant en nous que chez les autres. L’erreur est d’essayer de les faire durer ; il faut plutôt les retrouver ou les reprovoquer dans une autre circonstance, dans un instant de même nature qui reproduit ensemble la première circonstance et le premier instant et au besoin retrouver le truc.
Il faut veiller à la reproduction des mêmes émotions dans les mêmes trucs : si elles se succèdent de façon rapprochée un pas est fait dans la découverte du rythme.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #146

De Persoonlijke Automaat (1)

voor Jean de Bosschère

Hij zegt mij te zien met een grote obsessie voor het geslacht. Maar van een geslacht dat gespannen is en geblazen wordt als een object. Een voorwerp van metaal en kokende lava, vol met wortels, twijgen genomen door de lucht.

De opmerkelijke rust van een geslacht gevuld door zoveel roest. Al die ijzers die in elke zin lucht verzamelen.

En, bovenop een vurige opstoot, een dun, knoestig gras dat wortel schiet in deze schrale grond. En het groeit met de zwaartekracht van mieren, een mierenachtig gebladerte dat steeds dieper in de grond graaft. Het groeit en het graaft in dit gebladerte zo ondraaglijk zwart, en terwijl het graaft lijkt het alsof de grond wegtrekt, dat het ideale middelpunt van alles zich verzamelt rond een steeds dunner wordend punt.

Maar al dat beven in een lichaam met al zijn organen, de benen, de armen die spelen met hun automatisch ageren, en daaromheen de rotondes van het kruis dat het goed gefixeerde geslacht omringt. Naar deze organen waarvan de seksualiteit toeneemt, waarin de eeuwige seksualiteit het haalt, wordt een hele reeks pijlen van buitenaf op het schilderij gericht.Net als in de vertakkingen van mijn geest is er die barrière van een lichaam, van een geslacht dat er is, als een gescheurde bladzijde, als een ontwortelde brok vlees, als de opening van een klaarte, van bliksem op de gladde wanden van het firmament.

Maar elders is er dan deze vrouw van achteren gezien, een goede vertegenwoordiging van het conventionele silhouet van de heks.

Maar haar gewicht ligt buiten de conventies en formules. Zij ontplooit zich als een soort wilde vogel in de duisternis die ze om zich heen verzamelt, en waarvan ze een soort dikke vacht maakt.

Het rimpelen van de mantel is zo’n sterk teken dat de eenvoudige beroering ervan genoeg is om de heks en de nacht waarin ze zich ontvouwt, aan te duiden. De nacht toont zich in reliëf en in de diepte, en juist in het perspectief dat uitgaat van het oog, wordt een prachtig kaartspel verspreid dat als het ware boven het water zweeft. Het licht van de diepten klampt zich vast aan de hoek van de kaarten. En een abnormale overvloed aan klavers vlot er op als de vleugels van zwarte insecten.

De oppervlakten zijn niet vast genoeg om elk idee van vallen te beletten. Ze zijn als het eerste trapje van een ideale val, waarvan het schilderij zelf de bodem verborgen houdt.

Er is een draaikolk waarvan de draaiing nauwelijks aan de duisternis kan ontsnappen, een venijnige afdaling die in een soort nacht wordt opgenomen.

En als om deze draaikolk, deze ronddraaiende honger in zijn volle betekenis te laten gelden, is hier een mond die zich uitstrekt en zich opent, die zich lijkt te richten op het bereiken van de vier horizonten. Een mond als een levenszegel om de duisternis en de val aan te bevelen, om een stralend cachet te geven aan het vertigo dat alles naar beneden afvoert.

De opmars van de krioelende nacht met zijn gevolg van riolen. Dat is waar dit schilderij is geplaatst, op het punt van de uitstoot der afvoeren.

lees het vervolg …

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.145 -150]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

L’AUTOMATE PERSONNEL

à Jean de Bosschère.

Il dit me voir dans une grande préoccupation du sexe. Mais d’un sexe tendu et soufflé comme un objet. Un objet de métal et de lave bouillante, plein de radicelles, de rameaux que l’air prend.

L’étonnante tranquillité du sexe que tant de ferrailles remplissent. Tous ces fers qui ramassent l’air en tous sens.

Et au-dessus une ardente poussée, un herbage noueux et mince qui prend racine en cet âcre terreau. Et il pousse avec une gravité de fourmi, une frondaison de fourmilière qui creuse toujours plus avant dans le sol. Il pousse et il creuse ce feuillage si atrocement noir, et à mesure qu’il creuse on dirait que le sol s’éloigne, que le centre idéal de tout se ramasse autour d’un point de plus en plus mince.

Mais tout ce tremblement dans un corps étalé avec tous ses organes, les jambes, les bras jouant avec leur agencement d’automate, et à l’entour les rotondités de la croupe qui cerne le sexe bien fixé. Vers ces organes dont la sexualité s’accroît, sur lesquels la sexualité éternelle gagne, se dirige une volée de flèches lancées d’en dehors du tableau. Comme dans les ramages de mon esprit, il y a cette barrière d’un corps et d’un sexe qui est là, comme une page arrachée, comme un lambeau déraciné de chair, comme l’ouverture d’un éclair et de la foudre sur les parois lisses du firmament.

Mais ailleurs il y a cette femme vue de dos qui représente assez bien la silhouette conventionnelle de la sorcière.

Mais son poids est en dehors des conventions et des formules. Elle se déploie comme une sorte d’oiseau sauvage dans des ténèbres qu’elle ramasse autour d’elle, et dont elle se fait une sorte d’épais manteau.

L’ondoiement même du manteau est un signe si fort que sa simple palpitation suffit à signifier la sorcière et la nuit où elle se déploie. Cette nuit est en relief et en profondeur, et sur la perspective même qui part de l’œil, s’éparpille un merveilleux jeu de cartes qui est comme en suspension sur une eau. La lumière des profondeurs accroche le coin des cartes. Et des trèfles en profusion anormale flottent comme des ailes d’insectes noirs.

Les bas-fonds ne sont pas assez fixes qu’ils interdisent toute idée de chute. Ils sont comme le premier palier d’une chute idéale dont le tableau lui-même dissimule le fond.

Il y a un vertige dont le tournoiement a peine à se dégager des ténèbres, une descente vorace qui s’absorbe dans une sorte de nuit.

Et comme pour donner tout son sens à ce vertige, à cette faim tournante, voici qu’une bouche s’étend, et s’entr’ouvre, qui semble avoir pour but de rejoindre les quatre horizons. Une bouche comme un cachet de vie pour apostiller les ténèbres et la chute, donner une issue rayonnante au vertige qui draine tout vers le bas.

L’avancée de la nuit fourmillante avec son cortège d’égouts. Voilà à quel endroit cette peinture se place, au point d’effusion des égouts.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #145

145 – la Ville aux murailles bardées – JENEVERBESSEN

Het aambeeld der krachten (2)

lees eerst het eerste stuk

Maar achter dit visioen van het absolute, achter dit systeem van planten, sterren, tot op het bot afgesneden terreinen, achter dit vurige vlokken van kiemen, deze onderzoeksgeometrie, dit wentelsysteem van pieken, achter dit ploegijzer dat in de geest is geplant en deze geest die zijn vezels afgeeft, haar sedimenten ontdekt, achter deze hand van de mens die uiteindelijk zijn harde duim afdrukt en zijn betasten tekent, achter deze mengeling van manipulatie en hersens, en deze putten in alle zintuigen van de ziel, deze grotten in de werkelijkheid,

staat de Stad met zijn getraliede muren, de immens hoge Stad, die net niet te veel van de hele hemel heeft om er een plafond van te maken waar planten in tegengestelde richting groeien en met de snelheid van de vergooide sterren.

Een stad van grotten en muren die boven de absolute afgrond haar volle bogen en kelders uitsteekt als bruggen.

In de holte van de bogen, in de boog van de bruggen wil je de holte van een bovenmatig grote schouder invoegen, een schouder waaruit het bloed wijkt. Om je lichaam te laten rusten, om je hoofd te plaatsen waar de dromen krioelen, op de boord van deze reusachtige kroonlijsten waarboven het firmament zich verheft.

Want een Bijbelse hemel is er met witte wolken overheen. Maar de zachte dreiging van die wolken. Maar de stormen. En die Sinaï waarvan ze de vlammen doorlaten. Maar de gedragen schaduw van de aarde, en het gedempte, kalkachtige licht. Maar die schaduw in de vorm van een geit eindelijk, en die bok! En de Sabbat der Constellaties.

Een schreeuw om het allemaal te vatten en een taal1 overal waar Artaud ‘langue’ schrijft dien je zowel ‘taal’ als ‘tong’ te lezen, denk ik, het is één betekenaar die altijd dubbel gebeurt, de splijtzwam van zijn Frans, zijn ‘moelle’ (mots d’elle, moedertaal in zijn mouwa -‘moi’), het vrouwelijke merg in zijn botten dat zwanger is van de haven, de zee en van de taaltijd die historisch voortschrijd doorheen de lichamen om mij aan op te hangen.

Al deze getijden beginnen bij mij.

Toon mij de insteek van de aarde, het scharnier van mijn geest, het vreselijke begin van mijn nagels. Een blok, een groot vals blok scheidt mij van mijn leugens. En dat blok is van eender welke kleur die men wil.

De wereld kwijlt daar als de zee op de rotsen, en ik met de getijden van de liefde.

Honden, zijn jullie klaar met het rollen van die kiezelstenen op mijn ziel? Ik. Ik. Draai de bladzijde om van het gruis. Ook ik hoop op het hemelse grind en het strand dat zonder randen is. Dit vuur moet met mij beginnen. Dat vuur en die tongen, en de grotten van mijn dracht. Moge de blokken ijs terugkomen en stranden onder mijn tanden. Ik heb een dikke schedel, maar mijn ziel is glad, mijn hart van gestrande materie. Ik heb geen meteoren, mij is afwezigheid van vlammende balgen. Ik zoek in mijn slokdarm naar namen, en als van de dingen de trillende wimper. De geur van het niets, een zweem van het absurde, de mest van geheel de dood… Het lichte en verdunde lichaamsvocht. Ik ook wacht gewoon op de wind. Of het nu liefde of ellende heet, het kan bij mij slechts aarden op een strand van botten.

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.141 -144]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Mais derrière cette vision d’absolu, ce système de plantes, d’étoiles, de terrains tranchés jusqu’à l’os, derrière cette ardente floculation de germes, cette géométrie de recherches, ce système giratoire de sommets, derrière ce soc planté dans l’esprit et cet esprit qui dégage ses fibres, découvre ses sédiments, derrière cette main d’homme enfin qui imprime son pouce dur et dessine ses tâtonnements, derrière ce mélange de manipulations et de cervelle, et ces puits dans tous les sens de l’âme, et ces cavernes dans la réalité,

se dresse la Ville aux murailles bardées, la Ville immensément haute, et qui n’a pas trop de tout le ciel pour lui faire un plafond où des plantes poussent en sens inverse et avec une vitesse d’astres jetés.

Cette ville de cavernes et de murs qui projette sur l’abîme absolu des arches pleines et des caves comme des ponts.

Que l’on voudrait dans le creux de ces arches, dans l’arcature de ces ponts insérer le creux d’une épaule démesurément grande, d’une épaule où diverge le sang. Et placer son corps en repos et sa tête où fourmillent les rêves, sur le rebord de ces corniches géantes où s’étage le firmament.

Car un ciel de Bible est dessus où courent des nuages blancs. Mais les menaces douces de ces nuages. Mais les orages. Et ce Sinaï dont ils laissent percer les flammèches. Mais l’ombre portée de la terre, et l’éclairage assourdi et crayeux. Mais cette ombre en forme de chèvre enfin et ce bouc ! Et le Sabbat des Constellations.

Un cri pour ramasser tout cela et une langue pour m’y pendre.

Tous ces reflux commencent à moi.

Montrez-moi l’insertion de la terre, la charnière de mon esprit, le commencement affreux de mes ongles. Un bloc, un immense bloc faux me sépare de mon mensonge. Et ce bloc est de la couleur qu’on voudra.

Le monde y bave comme la mer rocheuse, et moi avec les reflux de l’amour.

Chiens, avez-vous fini de rouler vos galets sur mon âme. Moi. Moi. Tournez la page des gravats. Moi aussi j’espère le gravier céleste et la plage qui n’a plus de bords. Il faut que ce feu commence à moi. Ce feu et ces langues, et les cavernes de ma gestation. Que les blocs de glace reviennent s’échouer sous mes dents. J’ai le crâne épais, mais l’âme lisse, un cœur de matière échouée. J’ai absence de météores, absence de soufflets enflammés. Je cherche dans mon gosier des noms, et comme le cil vibratile des choses. L’odeur du néant, un relent d’absurde, le fumier de la mort entière… L’humour léger et raréfié. Moi aussi je n’attends que le vent. Qu’il s’appelle amour ou misère, il ne pourra guère m’échouer que sur une plage d’ossements.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Noten   [ + ]

1. overal waar Artaud ‘langue’ schrijft dien je zowel ‘taal’ als ‘tong’ te lezen, denk ik, het is één betekenaar die altijd dubbel gebeurt, de splijtzwam van zijn Frans, zijn ‘moelle’ (mots d’elle, moedertaal in zijn mouwa -‘moi’), het vrouwelijke merg in zijn botten dat zwanger is van de haven, de zee en van de taaltijd die historisch voortschrijd doorheen de lichamen
Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #144

144 – le centre blancs des convulsions – STUDIEHOOFD

Het aambeeld der krachten (1)

De vloed, de walging, deze riemen, hier is het dat het Vuur begint. Het vuur der tongen. Het vuur in een weefsel tongdraaiingen, in de weerschijn van de aarde die zich opent als een buik in barensnood, met ingewanden van honing en suiker. Met al zijn obscene wonden gaapt deze zachte buik, maar het vuur giert er overheen met vurige draaitongen die op hun puntje zuchten als van dorst. Dit verwrongen vuur als wolken in helder water, met het licht ernaast dat een regel trekt en wimpers tekent. En de aarde aan alle kanten open gehaald toont dorre geheimen. Geheimen zoals oppervlakken. De aarde en haar zenuwen, en haar prehistorische eenzaamheid, de aarde in haar primitieve geologie, waar delen van de wereld worden blootgelegd in een schaduw zo zwart als steenkool. – De aarde is moeder onder het ijs van het vuur. Zie het vuur in de Drie Stralen, met de bekroning van zijn manen waarin de ogen wemelen. Myriaden van duizendpotige ogen. Het brandend verkrampte centrum van dit vuur is als het splijtpunt van de donder aan de kim van het firmament. Het witte midden van de stuiptrekkingen. De absolute schittering in de schermutseling van de kracht. Het ontstellende punt van de kracht die uitbreekt in geheel blauw tumult.

De Drie Stralen vormen een waaier waarvan de takken steil naar beneden vallen en convergeren naar hetzelfde centrum. Dit centrum is een melkachtige schijf bedekt met een eclipsenspiraal.

De schaduw van de eclips vormt een muur op het zigzaggen van het hemelse hoge metselwerk.

Maar boven de hemel is er het Dubbelpaard 1‘Double-Cheval’ – geen mogelijke bron gevonden, ik dacht ff aan een verkleedkostuum zoals in het cirkus. De evocatie van het Paard baadt in het licht van de kracht, tegen de fond van een versleten muur en tot op de draad gekneld. De draad van zijn dubbele schof. En in hem is de eerste van de twee veel vreemder dan de andere. Hij is het die de schittering verzamelt waarvan de tweede alleen de zware schaduw is.

Lager nog dan de schaduw van de muur maken het hoofd en de borst van het paard een schaduw, alsof al het water in de wereld de opening van een put oplicht.

De open waaier domineert een piramide van toppen, een groots concert van pieken . Het idee van een woestijn zweeft over die toppen, en daarop vlot een in verval geraakte ster, gruwelijk, onbegrijpelijk opgehangen. Opgeschort zoals het goede in de mens, of het kwaad in de handel van mens tot mens, of de dood in het leven. Wentelkracht der sterren.

Wordt vervolgd…

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.141 -144]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

L’ENCLUME DES FORCES

Ce flux, cette nausée, ces lanières, c’est dans ceci que commence le Feu. Le feu de langues. Le feu tissé en torsades de langues, dans le miroitement de la terre qui s’ouvre comme un ventre en gésine, aux entrailles de miel et de sucre. De toute sa blessure obscène il bâille ce ventre mou, mais le feu bâille par-dessus en langues tordues et ardentes qui portent à leur pointe des soupiraux comme de la soif. Ce feu tordu comme des nuages dans l’eau limpide, avec à côté la lumière qui trace une règle et des cils. Et la terre de toutes parts entr’ouverte et montrant d’arides secrets. Des secrets comme des surfaces. La terre et ses nerfs, et ses préhistoriques solitudes, la terre aux géologies primitives, où se découvrent des pans du monde dans une ombre noire comme le charbon. – La terre est mère sous la glace du feu. Voyez le feu dans les Trois Rayons, avec le couronnement de sa crinière où grouillent des yeux. Myriades de myriapodes d’yeux. Le centre ardent et convulsé de ce feu est comme la pointe écartelée du tonnerre à la cime du firmament. Le centre blanc des convulsions. Un absolu d’éclat dans l’échauffourée de la force. La pointe épouvantable de la force qui se brise dans un tintamarre tout bleu.

Les Trois Rayons font un éventail dont les branches tombent à pic et convergent vers le même centre. Ce centre est un disque laiteux recouvert d’une spirale d’éclipses.

L’ombre de l’éclipse fait un mur sur les zigzags de la haute maçonnerie céleste.

Mais au-dessus du ciel est le Double-Cheval. L’évocation du Cheval trempe dans la lumière de la force, sur un fond de mur élimé et pressé jusqu’à la corde. La corde de son double poitrail. Et en lui le premier des deux est beaucoup plus étrange que l’autre. C’est lui qui ramasse l’éclat dont le deuxième n’est que l’ombre lourde.

Plus bas encore que l’ombre du mur, la tête et le poitrail du cheval font une ombre, comme si toute l’eau du monde élevait l’orifice d’un puits.

L’éventail ouvert domine une pyramide de cimes, un immense concert de sommets. Une idée de désert plane sur ces sommets au-dessus desquels un astre échevelé flotte, horriblement, inexplicablement suspendu. Suspendu comme le bien dans l’homme, ou le mal dans le commerce d’homme à homme, ou la mort dans la vie. Force giratoire des astres.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Noten   [ + ]

1. ‘Double-Cheval’ – geen mogelijke bron gevonden, ik dacht ff aan een verkleedkostuum zoals in het cirkus
Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #143

143 – l’étage élevé d’un secret – HOOFDSTUDIE

het haar van Uccello (2)

lees eerst het eerste deeltje

Toen je twee vrienden van je en jezelf op een goed bereid doek schilderde, liet jij een schaduw op het doek vallen als van een vreemd katoen, waarin ik jouw spijt en jouw verdriet, Paolo Uccello, kan onderscheiden, slecht belicht. Rimpels, Paolo Uccello, dat zijn veters, maar de haren zijn tongen. In een van je schilderijen, Paolo Uccello, zag ik het licht van een tong in de fosforische schaduw van de tanden. Het is via de tong dat je aansluiting vindt bij de levende uitdrukking in levenloze doeken. En het is daar doorheen dat ik leef, Uccello helemaal opgezwollen in je baard, die je mij van tevoren begrijpelijk had gemaakt en gedefinieerd. Gezegend ben jij, jij die de rotsige, aardse voorliefde voor het diepzinnige had. Je leefde in dat idee als in een bezield gif. En in de kringen van dat idee draai je eeuwig om en ik achtervolg je op de tast met als leidraad het licht van die tong die me vanuit de diepte van een wonderbaarlijke mond roept. De aardse, rotsige voorliefde voor diepzinnigheid: mij ontbreekt het in elke hoedanigheid aan aarde. Voorzag je echt dat ik met open mond in deze lage wereld zou neerstrijken en met een eeuwig verbaasde geest. Voorzag jij al deze kreten in alle betekenissen van de wereld en van de taal, als een radeloos afgewikkelde draad. Het grote geduld van de rimpels is wat je heeft gered van een vroegtijdige dood. Want ik weet dat je geboren bent met een geest die even hol is als de mijne, maar je kon die op minder dan het spoor en de geboorte van een wimper fixeren. Op de breedte van een haar eraf balanceer je bij een afschrikwekkende afgrond en toch blijf je er voor altijd van verwijderd.

Maar ik zegen ook, Uccello, jongentje, vogeltje, afgescheurd lichtje, ik zegen jouw stilte die zo goed is geaard. Afgezien van die lijnen die je als berichtengebladerte van je hoofd afduwt, blijft er van jou enkel de stilte en het geheim van je gesloten kleed. Twee of drie tekens in de lucht, welke man beweert er meer te leven te hebben dan deze drie tekens, en aan wie zou men tijdens de lange uren dat ze duren meer durven vragen dan de stilte die eraan voorafgaat of die er op volgt. Ik voel hoe elke steen van de wereld en de fosfor van de uitgestrektheid die mijn passage teweegbrengt, een weg doorheen mij vindt. Dat vormt de woorden met een zwarte lettergreep in de weigrond van mijn hersenen. Jij, Uccello, leert om niet meer dan een lijn te zijn, en het hogere verdiep van een geheim.

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.138 -140]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Quand tu peignais tes deux amis et toi-même dans une toile bien appliquée, tu laissas sur la toile comme l’ombre d’un étrange coton, en quoi je discerne tes regrets et ta peine, Paolo Uccello, mal illuminé. Les rides, Paolo Uccello, sont des lacets, mais les cheveux sont des langues. Dans un de tes tableaux, Paolo Uccello, j’ai vu la lumière d’une langue dans l’ombre phosphoreuse des dents. C’est par la langue que tu rejoins l’expression vivante dans les toiles inanimées. Et c’est par là que je vis, Uccello tout emmaillotté dans ta barbe, que tu m’avais à l’avance compris et défini. Bienheureux sois-tu, toi qui as eu la préoccupation rocheuse et terrienne de la profondeur. Tu vécus dans cette idée comme dans un poison animé. Et dans les cercles de cette idée tu tournes éternellement et je te pourchasse à tâtons avec comme fil la lumière de cette langue qui m’appelle du fond d’une bouche miraculée. La préoccupation terrienne et rocheuse de la profondeur, moi qui manque de terre à tous les degrés. Présumas-tu vraiment ma descente dans ce bas monde avec la bouche ouverte et l’esprit perpétuellement étonné. Présumas-tu ces cris dans tous les sens du monde et de la langue, comme d’un fil éperdument dévidé. La longue patience des rides est ce qui te sauva d’une mort prématurée. Car, je le sais, tu étais né avec l’esprit aussi creux que moi-même, mais cet esprit, tu pus le fixer sur moins de chose encore que la trace et la naissance d’un cil. Avec la distance d’un poil, tu te balances sur un abîme redoutable et dont tu es cependant à jamais séparé.

Mais je bénis aussi, Uccello, petit garçon, petit oiseau, petite lumière déchirée, je bénis ton silence si bien planté. À part ces lignes que tu pousses de la tête comme une frondaison de messages, il ne reste de toi que le silence et le secret de ta robe fermée. Deux ou trois signes dans l’air, quel est l’homme qui prétend vivre plus que ces trois signes, et auquel, le long des heures qui le couvrent, songerait-on à demander plus que le silence qui les précède ou qui les suit. Je sens toutes les pierres du monde et le phosphore de l’étendue que mon passage entraîne, faire leur chemin à travers moi. Ils forment les mots d’une syllabe noire dans les pacages de mon cerveau. Toi, Uccello, tu apprends à n’être qu’une ligne et l’étage élevé d’un secret.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
gedicht van de dag liefdeskunst lovecraft lyriek Vertalingen - Bewerkingen

de roep van Cthulhu

Volgens het logbestand connecteert het om 18:04:28 C.E.T.
met het Ding.

1.

November 2020. Zwarte lucht boeit,
het duister rendeert. De stromen lopen,
de bevelen donderen. Het geeft geen krimp.
De tijd vreet de tijd als de staart
door de mond ervan naar binnen glijdt.

Het lichaam trilt. Het fulmineert.
Het strijkt de wolken bij hun voornaam aan en zie:
de wolken storten het hun volle zin. Het regent.
Hoge vogels vallen met hun zingen in
en zetten hun veren te waaien
en verblindend hun kleuren bij.

Het nieuwe denken klinkt al heel voornaam.
In muisstille huizen de buren knikken ‘dag’ en ‘toen’
en ‘aangenaam’. De kamers happen naar lucht
die het dapper met de handgebaren maakt,
maar geuren snel al weer
naar de hun voorgeschreven toekomst
van verdriet, afgunst en haat. Het helpt,
maar niets helpt echt.

Het schrijft haar af, zij roept het weder op,
maar kijk: haar lichaam is te zacht, het breekt
haar stem er beter af. Zij bloedt dan leeg
in schittering, gouden klankenglans die zich uit
de inlegoortjes stort zoals een rol satijn
in een openstaande kist.

Het davert gaarne met de aarde mee: “het licht”,
brult het dan, “het licht valt dadelijk de wereld in!”.

Het grind knarsetandt wanneer het in
het graf binnendringt. De chrysanten
roeien hun geuren naar de overzijde.

2.

Januari 2031. Weelde.

De wind roert het om
en schepen doorklieven het :
het is een deinen op zee.

De maan is de mond. Het
druipt van verre sterren
in de mondhoeken
in de vuurrode kom
en het sist als het zinkt.

Donker klokt het waar
het in de aarde slonk,
klinkt.

invoer (2016) – uitvoer van LIEFDESKUNST 1.0
verwerking 2009-2016 van ‘The Call of Cthulu’ van H.P. Lovecraft

over liefdeskunst 1.0

liefdeskunst 1.0 produceert een verzameling transmutaties van teksten van H.P. Lovecraft.
het algoritme is vrij minimaal, het heeft wat van een cadavre exquis met je eigen geheugen:

- lees, bij voorkeur bij ontwaken, 
een tekst van Lovecraft

- schrijf (begin) zo snel mogelijk na de lezing 
een narratief gedicht of verhalend proza
 op basis van elementen uit de tekst 
(je mag een digitale versie van de tekst
 gebruiken om te 'plunderen' )

- herwerk na minimaal 1 jaar 
de geschreven teksten 
zonder de teksten van Lovecraft 
te herlezen (onder geen beding 
mag je een tekst van Lovecraft 
die je reeds gebruikte als invoer
 ooit nog herlezen (dedju).

- schrijf tijdens het herwerken 
van de oude uitvoer (bv. in het 
Gedicht van de Dag programma)
 enkele nieuwe teksten 

- formaliseer, test en verfijn het algoritme
 tijdens het schrijven (deze regel geldt
in elk NKdeE-programma)

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #142

142 – le ramage d’une mer de cheveux – BOOMSTAM

het haar van Ucello (1)

voor Génica

Uccello, mijn vriend, mijn fantasme, je hebt deze mythe van het haar geleefd. De schaduw van die grote maanhand als je de fantasmen van je brein afdrukt, zal nooit de vegetatie aan je oor bereiken, die draait en naar links krioelt met al je hartswinden. Links de haren, Uccello, links de dromen, links de nagels, links het hart. Het is links dat alle schaduwen zich openen, vanuit de hoofdbeuken, zoals de lichaamsopeningen. Met je hoofd op deze tafel waar de hele mensheid kapseist, wat zie je anders dan de immense schaduw van een haar. Een haar als twee bossen, als drie vingernagels, als een weide van wimpers, als een gritsel in het gras van de hemel. De wereld gewurgd, en opgehangen, en eeuwig wankelend op de vlakte van deze platte tafel waar je je zware hoofd buigt. En bij jou, als je de gezichten ondervraagt, wat zie je anders dan een circulatie van twijgen, een rooster van adertjes, het kleine spoor van een rimpel, de tuil van een zee haren. Alles draait, alles trilt en wat is het oog nog ontdaan van zijn wimpers. Was, was de wimpers, Uccello, was de lijnen, was het trillende spoor van haren en rimpels op de gezichten die aan de doden hangen en die naar je kijken als eieren, en in je monsterlijke handpalm vol maanlicht als een licht van gal, hier is nog steeds het gestrenge spoor van je haren die tevoorschijn komen met hun fijne lijntjes zoals de dromen in je drenkelingenbrein. Van het ene haartje naar het andere, hoeveel geheimen en hoeveel oppervlakken. Maar twee haren het ene naast het andere, Uccello. De ideale lijn van hardnekkige fijne haren, twee keer herhaald. Er zijn rimpels die om de gezichten heen gaan en zich uitstrekken tot in de nek, maar onder het haar zijn er óók rimpels, Uccello. En je kan ook helemaal om dit ei heen gaan dat iets tussen steen en ster in is, en dat als enige de dubbele animatie der ogen heeft.

lees verder: deel 2

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.138 -140]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

UCCELLO LE POIL

pour Génica.

Uccello, mon ami, ma chimère, tu vécus avec ce mythe de poils. L’ombre de cette grande main lunaire où tu imprimes les chimères de ton cerveau, n’arrivera jamais jusqu’à la végétation de ton oreille, qui tourne et fourmille à gauche avec tous les vents de ton cœur. À gauche les poils, Uccello, à gauche les rêves, à gauche les ongles, à gauche le cœur. C’est à gauche que toutes les ombres s’ouvrent, des nefs, comme d’orifices humains. La tête couchée sur cette table où l’humanité tout entière chavire, que vois-tu autre chose que l’ombre immense d’un poil. D’un poil comme deux forêts, comme trois ongles, comme un herbage de cils, comme d’un râteau dans les herbes du ciel. Étranglé le monde, et suspendu, et éternellement vacillant sur les plaines de cette table plate où tu inclines ta tête lourde. Et auprès de toi quand tu interroges des faces, que vois-tu, qu’une circulation de rameaux, un treillage de veines, la trace minuscule d’une ride, le ramage d’une mer de cheveux. Tout est tournant, tout est vibratile, et que vaut l’œil dépouillé de ses cils. Lave, lave les cils, Uccello, lave les lignes, lave la trace tremblante des poils et des rides sur ces visages pendus de morts qui te regardent comme des œufs, et dans ta paume monstrueuse et pleine de lune comme d’un éclairage de fiel, voici encore la trace auguste de tes poils qui émergent avec leurs lignes fines comme les rêves dans ton cerveau de noyé. D’un poil à un autre, combien de secrets et combien de surfaces. Mais deux poils l’un à côté de l’autre, Uccello. La ligne idéale des poils intraduisiblement fine et deux fois répétée. Il y a des rides qui font le tour des faces et se prolongent jusque dans le cou, mais sous les cheveux aussi il y a des rides, Uccello. Aussi tu peux faire tout le tour de cet œuf qui pend entre les pierres et les astres, et qui seul possède l’animation double des yeux.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
liefdeskunst lovecraft Vertalingen - Bewerkingen

het interview met Bill Phakeley (2)

lees eerst deel 1, best …



…je kan het je niet voorstellen, mevrouw Lundy, …”
– “Susan, ik heet Susan”. Ik had genoeg van dat gemevrouw.
– “Nou goed, Susan dan – je bent wel heftig è”. Er flitste een bliksem in een van die zwarte tunnels van ‘m. Ik lachte en sloeg de ogen neer. Hij hàd me, het Warholspook.

“Je kan het je niet voorstellen, Susan Lundy, elke dag kwam Harold aanzetten met een nieuw boek, een foto, een artikel, een nieuw stukje van de puzzel over het Eeuwige Rot, de nakende Ekpurosis, de Finale Oplossing en onze rol in de redding van de Ziel daarin. Het was een speelse ontdekkingsreis doorheen heel de spirituele geschiedenis van de mensheid en geloof mij er was niemand in gans Georgia, misschien niet in gans de States die toen zoveel kennis had van die zaken als Harold P. Blount van Anniston, Alabama, want daar kwam hij vandaan, mijn geleerde duivel.

Het was een heerlijke tijd, de angst om ontdekt te worden was er wel, constant, maar de hele wereld ging voor ons open en we lazen en stoeiden tussen de boeken in ons geheim paradijsje, de bouwvallige Phakeley villa van wijlen mijn ouders waar Harold elke avond binnensloop na zijn werk in de bibliotheek, een vrije liefdesoase te midden de broeierige haat van de witte man in het Zuiden. Ik was een Phakeley, mij zou men nooit raken, maar ze zouden Harold kruisigen, stenigen, de onverdraagzame horde pummels.

Maar op een dag sloeg het gans om. Het was mei 1989, denk ik, in China hielden studenten de tanks tegen op Tienanmen. Harold had van Arjuna, een bevriende Iraanse archeoloog een kopie toegestuurd gekregen van een manuscript in Farsi met frottages van het spijkerschrift op kleitabletten die in 1916 ontdekt waren maar tijdens de Tweede Wereldoorlog spoorloos verdwenen waren. De Farsi tekst beweerde dat er een geheel andere versie te lezen stond op die tabletten van het bekende verhaal van de afdaling van Isjtar in Kur, de onderwereld. Harold stortte zich als een bezetene op het ontcijferen van de 3000 jaar oude Sumerische tekens.

Hij werd uiterst zwijgzaam. Zijn gewone flamboyante vrolijkheid verdween, en ik voelde dat hij dingen verzweeg voor mij. Hij bleef dagen weg ook, ik werd wanhopig, vroeg smekend of ik wat verkeerd gedaan had, hij luisterde nauwelijks naar mijn gejammer. Hij begon meer en meer te drinken ook, alsof hij iets wou vergeten. Het boek met de kopies verborg hij voor mij en als ik wou beginnen over de Ziel en het Rot zei hij bits dat ik maar gewoon moest doen, de wereld was al moeilijk genoeg voor mensen van ons slag. Maar uiteindelijk moet de bom dan toch gebarsten zijn want…

… kijk.. het zit zo… vanaf hier worden mijn herinneringen vaag. De tijd, de gebeurtenissen lopen door elkaar. De dokters noemen het dissociatieve amnesie, maar het is alsof er een zwarte wolk over die laatste maand hangt: van heel juni 1989 tot de ochtend dat ik wakker werd in het hospitaal op 30 juli weet ik nauwelijks nog iets. Het is alsof Iets mij verbiedt om het mij te herinneren. Ik droom ervan, elke nacht, verschrikkelijke nachtmerries, ik overleef het enkel met die verdomde pillen. Flitsen, vage beelden van die ene nacht op het kerkhof overvallen mij op elk moment van de dag. De stank van het open graf, het donkere gat de trap naar beneden waarin Harold was afgedaald, het kraken van zijn stem in de walkietalkie, het is verschrikkelijk…”

Bill hyperventileert. Hij gebaart naar een reep pillen die op de tafel lag en ik druk er twee uit. Ik moet ze hem op de tong leggen, loop dan in paniek naar de keuken voor een glas water, maar als ik terugkom is hij al gekalmeerd. Hij ziet enkel nog wat bleker en het zwart in zijn ogen lijkt nog dieper dan voorheen. Zijn handen trillen als de vleugels van een collibri.

“Het politieverslag maakt duidelijk dat we op het Old Dean Church kerkhof moeten geweest zijn. Het stond in de plaatselijke krant.”

“Ik heb jarenlang geprobeerd om te reconstrueren wat er gebeurd is, maar het is vergeefs. Het verbiedt het. Op een bepaald moment moet Harold mij toch in vertrouwen genomen hebben. Iets in het boek dwong hem om naar een bepaald graf op een kerkhof in Ozark te gaan, da’s 300 km ver van hier in Alabama. Kon hij dat niet alleen? Had hij mij nodig?

Van heel de rit naar daar, ’s avonds, ’s nachts, herinner ik mij niets. Het is zes, zeven uur rijden! We hadden touw mee, dat zie ik nog, massa’s touw, genoeg touw om tot in Washington te gaan. En twee walkietalkies. We waren voorbereid. Hij moet geweten hebben wat er ging gebeuren, wat er kon gebeuren.

Het politieverslag maakt duidelijk dat we op het Old Dean Church kerkhof moeten geweest zijn. Het stond in de plaatselijke krant. Ik was een der ‘vandalen’ daar, de klacht is geseponeerd omdat ik mij niets kon herinneren. Ik ben er later terug naar gegaan, met de politie erbij, maar ik herkende niets, het is een banaal kerkhof, nergens iets speciaals te zien. Maar de beelden, de stank, Harolds wanhopige stem…alles is zo echt voor mij, te echt en gruwelijk!

Ik zie een grote arduinen plavei die we met veel moeite los gewrikt en opzij geschoven kregen. Metaal dat aarde tussen de spleten weghaalde, vingernagels die braken, ik stootte mijn hand, de rug ervan schuurt open , er is kleverig bloed. De steen komt los, uit alle macht heffen, ja het lukt.
God wat een stank, we moesten ons verwijderen. Even later was het ergste weg, het zwart gaapte in de ruimte naar onder, een trap ging schijnbaar eindeloos diep naar beneden. Harold drukt mij de walkie talkie in de hand en laat mij zweren dat ik hierboven moet blijven, onder geen beding mocht ik hem volgen.
Ik beloof het en hij daalt af, beladen met touw dat hij afwikkelt terwijl hij daalt. Het duurt lang. Eindeloos lang. Elke twee minuten de stem in de walkie talkie. ‘Ik ga verder’. ‘Blijf daar è’. En ik gehoorzaam terug “Ja Harold”.

Had ik hem maar terug geroepen, achterna gegaan, meegesleurd!.

“Nee! Niet dit! Dit kan niet”. Zo beginnen de laatste woorden van Harold P. Blount. “Billie ga weg, maak dat je weg komt!” Ik roep terug, vergeet de knop in te drukken, nijp het ding zowat plat. “Billie, hoor je me, maak dat je wegkomt! Laat mij! Spring in de auto en rij zo vermogelijk weg van hier!”
“Liefke, wat is er toch, wat zie je?” “Billie Het is hier, Het is ongelooflijk, een verschrikking, ik ben verloren! Maak dat je weg komt, lieveke, Het heeft me. Billie…”

De meest afschuwelijke schreeuw krijst uit het zwarte ding in mijn hand en dan niks meer. Ik roep, ik tier, ik hamer met mijn vuisten in de muffe aarde, maar er komt niets meer.
De volle maan staat hoog boven mij en ik voel mij reddeloos verloren. Wat moet ik doen? Wat kan ik doen? En dan komt het.
De grootste verschrikking ooit. Er komt weer een klik uit de walkie talkie. Nog één. Ik spring op en roep “Harry, Harry “in het ding, “lieveling! Waar ben je, ben je OK, wat zie je…?”

Maar wat er dan uit de luidspreker komt is een onmogelijke klank, een vreselijk zuigen dat al het trillen uit de lucht weghaalt, een complete ON-klank die alle verbeelding tart, het is een holte in de leegte, een gat in het Niets.

En Het zegt:

Lieveke, uw Harry is DOOD.”

Wordt vervolgd…

invoer : ‘The Statement of Randolph Carter‘ (1919) van H. P. Lovecraft – uitvoer van het LIEFDESKUNST 1.0 programma

over liefdeskunst 1.0

liefdeskunst 1.0 produceert een verzameling transmutaties van teksten van H.P. Lovecraft.
het algoritme is vrij minimaal, het heeft wat van een cadavre exquis met je eigen geheugen:

- lees, bij voorkeur bij ontwaken, 
een tekst van Lovecraft

- schrijf (begin) zo snel mogelijk na de lezing 
een narratief gedicht of verhalend proza
 op basis van elementen uit de tekst 
(je mag een digitale versie van de tekst
 gebruiken om te 'plunderen' )

- herwerk na minimaal 1 jaar 
de geschreven teksten 
zonder de teksten van Lovecraft 
te herlezen (onder geen beding 
mag je een tekst van Lovecraft 
die je reeds gebruikte als invoer
 ooit nog herlezen (dedju).

- schrijf tijdens het herwerken 
van de oude uitvoer (bv. in het 
Gedicht van de Dag programma)
 enkele nieuwe teksten 

- formaliseer, test en verfijn het algoritme
 tijdens het schrijven (deze regel geldt
in elk NKdeE-programma)

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #141

141 – a thin insipid potation to drink – STAMBOOM

L. Andreijev – Het theater van de toekomst

In het theater van de toekomst zal er geen publiek zijn: dat is de eerste en fundamentele vereiste van het nieuwe theater; het is essentieel voor de samenleving om een einde te maken aan de situatie waarin sommigen dineren terwijl anderen toekijken – laat iedereen naar het feest komen! De afschaffing van het publiek zal , zo lijkt het mij, op twee manieren tot stand komen, manieren die zowel logisch als onvermijdelijk zijn.

Het publiek in de schouwburg zal verdwijnen omdat de schouwburg zelf geleidelijk aan vervaagt en opgaat in het leven zelf; het zal niet langer een bijzonder gebouw zijn met politieagenten bij de hoofdingang, maar een vrolijk element worden in het dagelijks leven van elk individu. Mensen zullen voor zichzelf optreden, zonder publiek en zonder acteurs. Al die euritmie, dat dansen, die schijnprocessen, die grappige futuristen in de Tverskayastraat met hun geschilderde gezichten en kleurige kleren – dit alles en nog veel meer dat de lezer ons met plezier in herinnering brengt, zegt ons één ding: het leven is geplunderd, het is afgestoten van het spel zoals van een kan melk de room is afgeroomd, zodat de mensen een slap, smakeloos drankje te drinken krijgen; het leven eist dat het spel terugkeert naar het voorouderlijke huis van het leven als een verloren zoon van zijn tegendraadse omzwervingen.

Hoe dit in de praktijk zal worden gebracht weet ik natuurlijk niet, en ik denk er niet eens al te veel over na – het leven ontwikkelt en groeit zo snel dat allerlei wonderen denkbaar worden.
En is het echt zo’n wonder dat we in zekere mate zelf scheppers en kunstenaars, schrijvers en muzikanten worden; niet alleen om te kijken en te luisteren, maar om met onze eigen handen iets te creëren voor onze eigen vreugde! Het probleem is immers niet dat er een gebrek is aan getalenteerde mensen, maar dat er te weinig grond is voor hen – vitaal zaad gaat rotten in vochtige magazijnen. Wie zou voor het vliegtuig hebben gezegd dat de wereld zoveel mannen had met buitengewone moed en vastberadenheid, met zo’n fysieke en spirituele volmaaktheid?

We klaagden over ontaarding, en dan dit! Denk eens na over dit wonder: gisteren was de mens als een boer op een koets, slaperig, gelei-achtig, volkomen passief, terwijl hij vandaag in een auto rijdt, die snelle furieuze machine met zijn nood aan bovenmenselijke concentratie en aan extreme scherpte van blik en verstand.

Natuurlijk zullen er altijd mensen zijn zonder speeltalent en zullen er altijd mensen zijn met een bijzonder talent en liefde voor het spel – en de eerste zal toekijken, als ze dat willen, terwijl de tweede met een bepaalde vaardigheid zal optreden.
Maar het zal geen theater zijn, met zijn verplichte indeling in acteurs en publiek: het is immers geen theater als oude mannen toekijken, lachen en zuchten, zoals kinderen spelen!

De ontwikkeling van het sociale leven belooft een nieuw terrein voor dit niet-theatrale toneelstuk: er zullen processies zijn waaraan de massa’s zullen deelnemen; misschien zal het mysteriestuk op een ietwat gewijzigde basis opnieuw worden opgevoerd, maar met de onmisbare voorwaarde dat iedereen aan de voorstelling kan deelnemen. Vanuit dit oogpunt belooft de toekomst zoveel dat het een ijdele klus zou zijn om naar het oude en het versletene te kijken voor antwoorden.

Zo zijn we bijvoorbeeld nog steeds niet goed op de hoogte van het sociale drama: het was onmogelijk onder de omstandigheden van het oude leven, het oude theater. We hebben nog geen toneelstukken waarin het volk, de massa de hoofdrolspeler zou zijn, en niet een individuele persoonlijkheid tegen de achtergrond van een paar dozijn figuranten.
De intrede van de massa’s in de arena van de geschiedenis, waarvoor de huidige eeuw in herinnering zal worden gebracht, zal het theater uit zijn donkere steegje leiden naar de open vrijheid van straten en pleinen; en, wie weet, misschien worden er scenario’s geschreven, als dat de juiste naam is, voor producties waaraan de hele miljoenenstad zal deelnemen …

Wat kunnen we hiervan weten, wij die onderworpen zijn aan de samenscholingswet en niet eens in groepjes van vier kunnen samenkomen zonder dat iemand ons onmiddellijk verspreidt?

Leonid Andreijev,
uit “Brieven over het Theater – Tweede brief” – 1914

vertaald uit het Engels van de vertaling van Michael Green in [GREEN 2013]

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #140

de klare Abélard (slot)

Abélard met afgesneden handen. Welke symfonie kan voortaan nog tippen aan die gruwelijke papieren kus. Héloise eet vuur. Open een deur. Ga een trap op. Bel aan. De zachte, geplette borsten rijzen op. Haar huid is veel lichter op de borsten. Het lichaam is wit, maar bezoedeld, want geen enkele vrouwenbuik is zuiver. De huid heeft schimmelkleuren. De buik ruikt goed, maar hoe armtierig toch. En zovele generaties dromen hiervan. Hij is er. De man Abélard heeft het. Illustere buik. Dat is het en dat is het niet. Eet stro, eet vuur. De kus opent de grotten waarin de zee komt sterven. Daar heb je het, dat spasme waarbij de hemel ineenstort, waar een spirituele coalitie op uitloopt, EN HET KOMT VAN MIJ. Ah! hoe ik mij niets meer nog voel dan ingewanden, met niets van geestelijke brug nog boven mij. Zonder al die magische betekenissen, al die geheimen erbij. Zij en ik. We zijn er helemaal. Ik houd haar vast. Ik kus haar. Een laatste kracht weerhoudt mij, bevriest mij. Ik voel tussen mijn dijen dat de kerk mij tegenhoudt, en klaagt, zal ze mij verlammen? Zal ik mij terugtrekken? Nee, nee, ik verbrijzel de laatste muur. St. Franciscus van Assisi, die mijn geslacht bewaarde, verdwijnt. Sint Brigitte opent mijn tanden. Sint Augustinus maakt mijn riem los. De heilige Catharina van Siena legt God te slapen. Het is voorbij, het is voorbij, ik ben geen maagd meer. De hemelmuur is omgedraaid. De universele waanzin heeft mij gewonnen. Ik sla mijn genot uit tot de hoogste top van de ether.

Maar nu hoort de heilige Héloise hem. Later, oneindig veel later, hoort ze hem en spreekt ze met hem. Een soort nacht vult haar tanden. Komt binnen en brult in de grotten van haar schedel. Ze opent het deksel van zijn graf met haar hand van mierenbot. Het klinkt als een geit in een droom. Ze beeft, maar hij beeft veel meer dan zij. Arme man! Arme Antonin Artaud! Hij is het inderdaad, de impotente die de sterren beklimt, die zijn zwakte probeert te confronteren met de kardinale coördinaten der elementen, die uit elk der subtiele of gestolde gezichten van de natuur poogt een gedachte samen te stellen die stand houdt, een beeld dat overeind blijft. Als hij al die elementen zou kunnen creëren, op zijn minst een metafysica van rampen zou kunnen voorzien, het begin zou de ineenstorting zijn!

Héloise betreurt in de plaats van haar buik geen muur te hebben zoals die waarop ze leunde toen Abélard haar obsceen met zijn pik prangde. Voor Artaud is ontbering het begin van de door hem gewenste dood. Maar wat een prachtig beeld biedt ons de gecastreerde!

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.134 -137]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Abélard s’est coupé les mains. À cet atroce baiser de papier, quelle symphonie est désormais égale. Héloïse mange du feu. Ouvre une porte. Monte un escalier. On sonne. Les seins écrasés et doux se soulèvent. Sa peau est beaucoup plus claire sur les seins. Le corps est blanc, mais terni, car aucun ventre de femme n’est pur. Les peaux ont la couleur du moisi. Le ventre sent bon, mais combien pauvre. Et tant de générations rêvent à celui-là. Il est là. Abélard en tant qu’homme le tient. Ventre illustre. C’est cela et ce n’est pas cela. Mange la paille, le feu. Le baiser ouvre ses cavernes où vient mourir la mer. Le voilà ce spasme où concourt le ciel, vers lequel une coalition spirituelle déferle, ET IL VIENT DE MOI. Ah ! comme je ne me sens plus que des viscères, sans au-dessus de moi le pont de l’esprit. Sans tant de sens magiques, tant de secrets surajoutés. Elle et moi. Nous sommes bien là. Je la tiens. Je l’embrasse. Une dernière pression me retient, me congèle. Je sens entre mes cuisses l’Église m’arrêter, se plaindre, me paralysera-t-elle ? Vais-je me retirer ? Non, non, j’écarte la dernière muraille. Saint François d’Assise, qui me gardait le sexe, s’écarte. Sainte Brigitte m’ouvre les dents. Saint Augustin me délie la ceinture. Sainte Catherine de Sienne endort Dieu. C’est fini, c’est bien fini, je ne suis plus vierge. La muraille céleste s’est retournée. L’universelle folie me gagne. J’escalade ma jouissance au sommet le plus haut de l’éther.

Mais voici que sainte Héloïse l’entend. Plus tard, infiniment plus tard, elle l’entend et lui parle. Une sorte de nuit lui remplit les dents. Entre en mugissant dans les cavernes de son crâne. Elle entr’ouvre le couvercle de son sépulcre avec sa main aux osselets de fourmi. On croirait entendre une bique dans un rêve. Elle tremble, mais lui tremble beaucoup plus qu’elle. Pauvre homme ! Pauvre Antonin Artaud ! C’est bien lui cet impuissant qui escalade les astres, qui s’essaie à confronter sa faiblesse avec les points cardinaux des éléments, qui, de chacune des faces subtile ou solidifiée de la nature, s’efforce de composer une pensée qui se tienne, une image qui tienne debout. S’il pouvait créer autant d’éléments, fournir au moins une métaphysique de désastres, le début serait l’écroulement !

Héloïse regrette de n’avoir pas eu à la place de son ventre une muraille comme celle sur laquelle elle s’appuyait quand Abélard la pressait d’un dard obscène. Pour Artaud la privation est le commencement de cette mort qu’il désire. Mais quelle belle image qu’un châtré !

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #139

jt 139 – pauvre Antonin Artaud! – RACEAUTO

De klare Abélard (2)

Het is een vreemde mooie dag. Voortaan enkel nog mooie dagen. Vanaf vandaag is Abélard niet langer kuis. De strakke keten der boeken is verbroken. Hij renonceert de kuise coïtus en Gods permissie.

Hoe zoet is niet de coïtus! Zelfs de menselijke, zelfs terwijl je geniet van het lichaam van de vrouw, welk een serafijne sensualiteit binnen handbereik! De hemel binnen het bereik van de aarde, minder mooi dan de aarde. Een paradijs ingebed in haar nagels.

Maar dat de dij van een vrouw de roep der siderische lichten achter zich laat, zelfs wanneer die bovenin de toren zijn gemonteerd. Is Abélard niet de priester voor wie de liefde zo klaar is?

De coïtus is klaar, de zonde is duidelijk. Zo helder. Wat ’n kiemen, hoe zoet zijn niet deze bloemen voor het bleke geslacht, hoe vraatzuchtig zijn niet de genotskoppen, die aan het uiterste eind van genot de klaprozen spreiden. De klaprozen der klanken, de gevleugelde klaprozen van dag en muziek, als magnetische vogelpluk. Het plezier maakt indringende mystieke muziek op het scherp van een ranke droom. Oh! die droom waarin de liefde toestemt om haar ogen weer te openen! Ja, Héloise, jij bent het waar ik binnenloop met al mijn filosofie, in jou geef ik de ornamenten op, en in plaats daarvan geef ik je mannen wier geest trilt en glinstert in jou.-
Laat de Geest zichzelf bewonderen, want eindelijk bewondert de Vrouw Abélard. Laat dit schuim tegen de diepe en stralende wanden vloeien. De bomen. Attila’s vegetatie.

Hij heeft het. Hij bezit het. Ze verstikt hem. En elke bladzijde spant zijn boog en gaat verder. Dit boek, waarin je het blad der breinen omslaat.

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.134 -137]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Il fait étrangement beau. Car il ne peut plus maintenant que faire beau. À partir d’aujourd’hui, Abélard n’est plus chaste. La chaîne étroite des livres s’est brisée. Il renonce au coït chaste et permis de Dieu.

Quelle douce chose que le coït ! Même humain, même en profitant du corps de la femme, quelle volupté séraphique et proche ! Le ciel à portée de la terre, moins beau que la terre. Un paradis encastré dans ses ongles.

Mais que l’appel des éclairages sidéraux, même monté au plus haut de la tour, ne vaut pas l’espace d’une cuisse de femme. N’est-ce pas Abélard le prêtre pour qui l’amour est si clair ? Que le coït est clair, que le péché est clair. Si clair. Quels germes, comme ces fleurs sont douces au sexe pâmé, comme les têtes du plaisir sont voraces, comme à l’extrême bout de la jouissance le plaisir répand ses pavots. Ses pavots de sons, ses pavots de jour et de musique, à tire-d’aile, comme un arrachement magnétique d’oiseaux. Le plaisir fait une tranchante et mystique musique sur le tranchant d’un rêve effilé. Oh ! ce rêve dans lequel l’amour consent à rouvrir ses yeux ! Oui, Héloïse, c’est en toi que je marche avec toute ma philosophie, en toi j’abandonne les ornements, et je te donne à la place les hommes dont l’esprit tremble et miroite en toi. – Que l’Esprit s’admire, puisque la Femme enfin admire Abélard. Laisse jaillir cette écume aux profondes et radieuses parois. Les arbres. La végétation d’Attila.

Il l’a. Il la possède. Elle l’étouffe. Et chaque page ouvre son archet et s’avance. Ce livre, où l’on retourne la page des cerveaux.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #138

De heldere Abélard (1)

Het fluisterende raamwerk vormt op het glas van zijn geest altijd dezelfde tekenen van liefde, dezelfde hartelijke uitwisselingen die hem misschien zouden kunnen redden van zijn man-zijn, mocht hij ermee instemmen om zichzelf te redden van de liefde.

Hij moet toegeven. Hij zal zich niet meer kunnen houden. Hij geeft toe. Dit melodieuze bruisen dwingt hem. Zijn geslacht klopt: een kwelwind fluistert, het geluid ervan is hoger dan de lucht. De rivier rolt vrouwenlijken om. Is het Ophelia, Beatrice, Laura? Neen, inkt, neen, wind, neen, rietvelden, oevers, schuim, vlokken. Er is geen sluis meer. Abélard heeft van zijn verlangen een sluis gemaakt. Ter samenvloeiing der gruwelijke en melodische stuwkracht. Heloise komt aangerold, meegesleept, naar hem toe, – EN ZE WIL HET GRAAG.

Ziedaar aan de hemel de hand van Erasmus die een mosterdzaadje van waanzin zaait. Ah, de merkwaardige opkomst. De beweging van de Beer fixeert de tijd aan de hemel, fixeert de hemel in de Tijd, aan deze omgekeerde kant van de wereld waar de hemel zijn gezicht aanbiedt. Immense nivellering.

Het is omdat de hemel een gezicht heeft dat Abélard een hart heeft waar al die sterren soeverein ontkiemen en hun staart roeren. Aan ’t eind van de metafysica staat deze liefde, met vlees geplaveid, met brandende stenen, in de hemel geboren na zovele wendingen van een mosterdzaadje waanzin.

Maar Abélard jaagt door de lucht als blauwe vliegen. Vreemde aftocht. Hoe verdwijnen? God! snel, een naaldgat. Het dunste naaldgat waardoor Abélard ons niet meer kan komen halen.

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.134 -137]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

LE CLAIR ABÉLARD

L’armature murmurante du ciel trace sur la vitre de son esprit toujours les mêmes signes amoureux, les mêmes cordiales correspondances qui pourraient peut-être le sauver d’être homme s’il consentait à se sauver de l’amour.

Il faut qu’il cède. Il ne se tiendra plus. Il cède. Ce bouillonnement mélodique le presse. Son sexe bat : un vent tourmentant murmure, dont le bruit est plus haut que le ciel. Le fleuve roule des cadavres de femmes. Sont-ce Ophélie, Béatrice, Laure ? Non, encre, non, vent, non, roseaux, berges, rives, écume, flocons. Il n’y a plus d’écluse. De son désir Abélard s’est fait une écluse. Au confluent de l’atroce et mélodique poussée. C’est Héloïse roulée, emportée, à lui, – ET QUI LE VEUT BIEN.

Voici sur le ciel la main d’Érasme qui sème un sénevé de folie. Ah ! la curieuse levée. Le mouvement de l’Ourse fixe le temps dans le ciel, fixe le ciel dans le Temps, de ce côté inverti du monde où le ciel propose sa face. Immense renivellement.

C’est parce que le ciel a une face qu’Abélard a un cœur où tant d’astres souverainement germent, et poussent sa queue. Au bout de la métaphysique est cet amour tout pavé de chair, tout brûlant de pierres, né dans le ciel après tant et tant de tours d’un sénevé de folie.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #134

jt 134 – Il se glisse entre ses états – HUISMOEDER

Héloise en Abélard (slot)

Zijn gedachten zijn mooie bladeren, platte oppervlakken, opeenvolgingen van knooppunten, agglomeraties van contacten waartussen zijn intelligentie moeiteloos doorglipt: ze gaat. Want dat is wat intelligentie is: zich omzeilen. De kwestie stelt zich niet langer om fijn te zijn of slank, om van ver samen te komen, om te omhelzen, af te wijzen, los te laten.

Hij glipt tussen zijn staten door.

Hij leeft. En de dingen draaien in hem als granen in een korenwan.

De kwestie van de liefde is eenvoudig.

Wat maakt het uit of hij minder of meer is, want hij kan zich opwinden, zich ontglippen, evolueren, zichzelf terugvinden en komen bovendrijven.

Hij heeft het spel der liefde herontdekt.

Maar zoveel boeken tussen zijn gedachten en de droom!

Zoveel verlies. En ondertussen, wat deed hij met zijn hart? Het is een wonder dat er hem nog wat hart rest.

Hij is er. Hij is er als een levende medaille, als een verbeende heester van metaal.

Ziehier de hoofdknoop.

En Héloise, zij heeft een jurk, zij is mooi van voren en van achteren.

Dan voelt hij de vervoering van de wortels, de massale, aardse verheffing, en zijn voet op het blok van de wentelende aarde voelt de massa van het firmament.
En Abélard, die als een dode man is geworden, Abélard voelt zijn skelet kraken, verglazen, en op het vibrerende toppunt, op de kim van zijn inspanning schreeuwt hij het uit:
“Hier wordt God verkocht, aan mij nu de vlakte van de geslachten, de galetten van het vlees. Geen vergeving, ik vraag niet om vergeving. Uw God is niets meer dan een koude kogel, ledematenmest, bordeel van de ogen, buikmaagd, hemelmelkerij! »

Aldus verheft zich de hemelmelkerij. Misselijkheid overvalt hem.

Het vlees in hem maalt het schubbenslib rond, hij voelt het harde haar, zijn afgesneden buik, hij voelt zijn staart die vloeibaar wordt. De nacht rijst op bezaaid met naalden en ziedaar met een klap van de schaar knippen ZIJ hem de mannelijkheid af.

En daar vouwt Héloise haar jurk op en zij kleedt zich gans naakt uit. Haar schedel is wit en melkachtig, haar borsten loens, haar benen spichtig, haar tanden maken een papieren geluid. Ze is dom. En ja, dit is inderdaad de vrouw van Abélard de gecastreerde.

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.129-133]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Ses pensées sont de belles feuilles, de planes surfaces, des successions de noyaux, des agglomérations de contacts entre lesquels son intelligence se glisse sans effort : elle va. Car c’est cela l’intelligence : se contourner. La question ne se pose plus d’être fin ou mince et de se rejoindre de loin, d’embrasser, de rejeter, de disjoindre.

Il se glisse entre ses états.

Il vit. Et les choses en lui tournent comme des grains dans le van.

La question de l’amour se fait simple.

Qu’importe qu’il soit moins ou plus, puisqu’il peut s’agiter, se glisser, évoluer, se retrouver et surnager.

Il a retrouvé le jeu de l’amour.

Mais que de livres entre sa pensée et le rêve !

Que de pertes. Et pendant ce temps, que faisait-il de son cœur ? C’est étonnant qu’il lui en reste, du cœur.

Il est bien là. Il est là comme une médaille vivante, comme un arbuste ossifié de métal.

Le voilà bien, le nœud principal.

Héloïse, elle, a une robe, elle est belle de face et de fond.

Alors, il se sent l’exaltation des racines, l’exaltation massive, terrestre, et son pied sur le bloc de la terre tournante se sent la masse du firmament.

Et il crie, Abélard, devenu comme un mort, et sentant craquer et se vitrifier son squelette, Abélard, à la pointe vibrante et à la cime de son effort :

« C’est ici qu’on vend Dieu, à moi maintenant la plaine des sexes, les galets de chair. Pas de pardon, je ne demande pas de pardon. Votre Dieu n’est plus qu’un plomb froid, fumier des membres, lupanar des yeux, vierge du ventre, laiterie du ciel ! »

Alors la laiterie céleste s’exalte. La nausée lui vient.

Sa chair en lui tourne son limon plein d’écailles, il se sent les poils durs, le ventre barré, il sent sa queue qui devient liquide. La nuit se dresse semée d’aiguilles et voici que d’un coup de cisailles ILS lui extirpent sa virilité.

Et là-bas, Héloïse replie sa robe et se met toute nue. Son crâne est blanc et laiteux, ses seins louches, ses jambes grêles, ses dents font un bruit de papier. Elle est bête. Et voilà bien l’épouse d’Abélard le châtré.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #133

jt 133 – il a des choses – WATERBRON

Héloise en Abelard (2)

Maar Héloise heeft ook benen. Het beste eraan is dat ze benen heeft. Ze heeft ook dat zeevaart sextant-ding, waaromheen alle magie draait en graast, dat ding als een liggend zwaard.

Maar bovenal: Héloise heeft een hart. Een prachtig recht hart en helemaal in in takken, uitgerekt, versteven, rauw, door mij gevlochten, weelderig genot, catalepsie van mijn vreugde!

Ze heeft handen die hun kraakbeenboeken in honing wikkelen. Ze heeft borsten van rauw vlees, zo klein, de druk ervan maakt waanzinnig; ze heeft borsten in doolhof van draad. Ze heeft een gedachte die helemaal de mijne is, een insinuerende, verdraaide gedachte die zich uitspint als uit een cocon. Ze heeft een ziel.

In haar gedachten ben ik de lopende naald en het is haar ziel die de naald accepteert en toelaat, en ik ben beter, ik, in mijn naald-zijn dan alle anderen in hun bed, want in mijn bed rol ik de gedachten en de naald in de welvingen van haar slapende cocon.

En langs de draad van deze grenzeloze liefde, dit universeel uitspansel van liefde, is het altijd naar haar dat ik terugkom. En in mijn handen groeien kraters, groeien doolhofborsten, groeien explosieve liefdes die mijn leven buitmaken op mijn slaap.

Maar door welke trance, door welk verrijzen, door welke opeenvolgende verschuivingen komt hij tot dit idee van het genot van zijn geest. Het is een feit dat hij, Abelard, op dit moment geniet van zijn geest. Hij geniet er met volle teugen van. Hij denkt niet meer aan zichzelf, noch aan rechts, noch aan links. Hij is er. Alles wat in hem gebeurt is van hem. En in hem, op dit moment, gebeuren er dingen. Dingen waardoor hij niet zelf hoeft te zoeken. Dat is het grote punt. Hij hoeft zijn atomen niet meer te stabiliseren. Ze voegen zich vanzelf bij elkaar, ze zetten zichzelf in lijn. Zijn hele geest is gereduceerd tot een reeks van stijgingen en dalingen, maar met in het midden steeds een afdaling. Hij hééft dingen.

Wordt vervolgd…

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.129-133]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

HÉLOÏSE ET ABÉLARD (2)

Mais c’est qu’Héloïse aussi a des jambes. Le plus beau c’est qu’elle ait des jambes. Elle a aussi cette chose en sextant de marine, autour de laquelle toute magie tourne et broute, cette chose comme un glaive couché.

Mais par-dessus tout, Héloïse a un cœur. Un beau cœur droit et tout en branches, tendu, figé, grenu, tressé par moi, jouissance profuse, catalepsie de ma joie !

Elle a des mains qui entourent les livres de leurs cartilages de miel. Elle a des seins en viande crue, si petite, dont la pression donne la folie ; elle a des seins en dédales de fil. Elle a une pensée toute à moi, une pensée insinuante et retorse qui se déroule comme d’un cocon. Elle a une âme.

Dans sa pensée, je suis l’aiguille qui court et c’est son âme qui accepte l’aiguille et l’admet, et je suis mieux, moi, dans mon aiguille que tous les autres dans leur lit, car dans mon lit je roule la pensée et l’aiguille dans les sinuosités de son cocon endormi.

Car c’est à elle toujours que j’en reviens à travers le fil de cet amour sans limites, de cet amour universellement répandu. Et il pousse dans mes mains des cratères, il y pousse des dédales de seins, il y pousse des amours explosives que ma vie gagne sur mon sommeil.

Mais par quelles transes, par quels sursauts, par quels glissements successifs en arrive-t-il à cette idée de la jouissance de son esprit. Le fait est qu’il jouit en ce moment de son esprit, Abélard. Il en jouit à plein. Il ne se pense plus ni à droite ni à gauche. Il est là. Tout ce qui se passe en lui est à lui. Et en lui, en ce moment, il se passe des choses. Des choses qui le dispensent de se rechercher. C’est là le grand point. Il n’a plus à stabiliser ses atomes. Ils se rejoignent d’eux-mêmes, ils se stratifient en un point. Tout son esprit se réduit en une suite de montées et de descentes, mais d’une descente toujours au milieu. Il a des choses.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
lyriek Vertalingen - Bewerkingen

eerste sneeuw

EERSTE SNEEUW

Zie hoe zacht, hoe mooi, hoe bleek
De dag te sterven lag op ’t wit mysteriekleed
En hoe zacht ’t geluid der stilte het vertrek bestreek
in occulte macht, nacht die de dood bestreed.

Wij verheugen ons te weten dat de dingen
Ook die flarden van klaarte willen drinken,
En met ons mee naar ’t roos der wolken dingen
Terwijl de dag op ’t raam in ’t paars gaat zinken;

In ’t avondzacht het klagen klinkt der twijgen
Soms op wegels slaakt een laatste vogelkreet;
En zie de hemel waterkleuren krijgen…
Mijn zus, ’t is onze liefde die het bos met sneeuw bekleedt.

Antonin ARTAUD

(vert. NKdeE 2020)

originele tekst volgens de digitale editie van de BNR:

PREMIÈRE NEIGE

Vois toute douce, toute belle, toute pâle
Le jour qui vient mourir sur les mystères blancs ;
Et le silence bruit doucement dans la salle
Dans l’occulte magie du soir agonisant.

Nous nous sentons heureux de savoir que les choses
Boivent ainsi que nous ce lambeau de clarté
Et s’enfuient avec nous vers les nuages roses…
Et le jour sur la vitre est devenu violet ;

Dans la douceur du soir se lamentent les branches
Parfois dans les chemins agonise un oiseau ;
Et voici que le ciel prend une couleur d’eau…
Ma soeur c’est notre amour qui neige dans les branches.

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

vertaling van Benno Karkabé [KARKABÉ 1976]
die duidelijk ook de tekst van de BNR-editie volgde:

Eerste sneeuw

Jij zo heel zachte vrouw, heel mooi, heel bleek,
Zie de dag die straks op de witte mysteries omkomt;
En de stilte ruist zacht in het vertrek
In de occulte magie van de stervende avond.

Wij voelen ons [ond] gelukkig te weten dat de dingen
Evenals wij dit brokje klaarheid drinken
En met ons vluchten, de roze wolken binnen…
En op de ruit is de dag violet geworden.

In de zachtheid van de avond klagen de takken
Soms ligt op de wegen een vogel in doodsstrijd;
En ’t is hier dat de hemel een waterkleur krijgt…
Mijn zuster het is onze liefde die sneeuwt in de takken.

tekst in de Verzamelde Werken [ARTAUD 1956, p.328]:

PREMIÈRE NEIGE

Vois toute douce, toute belle, toute pâle
Le jour qui vient mourir sur les mystères blancs ;
Il nous parait humain ce jour agonisant
Tristement effeuillant ses baguesdans la salle.

Nous nous sentons heureux de savoir que les choses
Boivent ainsi que nous ce lambeau de clarté
Et s’enfuient avec nous vers les nuages roses…
L’heure sonne son glas sur les vitraux muets.

Dans la douceur du soir se lamentent les branches
Parfois dans les chemins agonise un oiseau ;
Et voici que le ciel prend une couleur d’eau…
Ma soeur c’est notre amour qui neige dans les branches.

Ecrit de ma vraie écriture le 18 janvier 1921

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #131

jt131 – avec de sinistres pirouettes – ROOFKUNST

Brief aan een waarzegster (2)

De emotie van het weten werd gedomineerd door het gevoel van de eindeloze clementie van het bestaan1Ik kan het niet helpen. Ik had dit gevoel voor haar. Het leven was goed omdat deze helderziende er was. De aanwezigheid van deze vrouw was voor mij als opium, zuiverder, lichter, een weinig minder potig dan dat. Maar veel dieper en breder, zij opende andere bogen in de cellen van mijn geest. De actieve staat van spirituele uitwisselingen, de uitslaande brand van directe en minuscule werelden, de nabijheid van oneindige levens die deze vrouw voor mij openstelde, toonde mij eindelijk een uitweg uit het leven, een reden om in de wereld te zijn. Want het leven is enkel acceptabel als men het gevoel heeft groot te zijn, als men zich aan de oorsprong der fenomenen voelt, althans van een bepaald aantal daarvan. Zonder de kracht van de expansie, zonder een zekere dominantie over de dingen, is het leven onverdedigbaar. Er is maar één ding opwindend in de wereld: contact met de krachten van de geest. Bij deze zieneres doet zich echter een nogal paradoxaal fenomeen voor. Ik voel niet langer de behoefte om krachtig te zijn, of groots, de verleiding die het op mij uitoefent is straffer dan mijn trots, een vluchtige nieuwsgierigheid is voor mij genoeg. Ik ben bereid voor haar afstand te doen van alles: trots, wil, intelligentie. Intelligentie, vooral. De intelligentie die al geheel mijn trots uitmaakt. Ik heb het hier uiteraard niet over de logische wendbaarheid van de geest, of over de kracht om snel te denken, om snelle schema’s in de marges van het geheugen te schetsen. Ik heb het over een vaak langdurige penetratie, die zich niet hoeft te concretiseren om voldoening te geven en die duidt op diepe inzichten van de geest. Het is op het vertrouwen in deze penetratie op klompvoeten die meestal zonder grond is (een vertrouwen dat ik zelf niet bezit), dat ik altijd om krediet heb gevraagd, dat men mij honderd jaar krediet geve en tevreden zou zijn met stilzwijgen de hele tijd . Ik weet in welk voorgeborchte ik deze vrouw kan vinden. Ik spit een probleem uit dat mij dichter bij het goud brengt, bij elke subtiliteit, een abstract probleem zoals een pijn die geen vorm heeft en die trilt en verdwijnt bij contact met het bot.. Mij kon er niets slechts te beurt vallen van dat starre blauwe oog waardoor u mijn noodlot inspecteerde.

Het hele leven werd mij als het gezegende landschap waar de dromen zich omdraaien en zich presenteren met het gelaat van ons ‘ik’. Het idee van absolute kennis valt samen met het idee van de absolute gelijkenis van het leven met mijn bewustzijn. En ik putte uit deze dubbele gelijkenis het gevoel van een zeer nabije geboorte, waarbij u de vergevingsgezinde en goede moeder van mijn lot was, hoewel dat daarvan afweek. Niets leek mij nog mysterieus aan deze abnormale helderziendheid, waarbij de gebaren van mijn vroegere en toekomstige bestaan aan u werden afgeschilderd met hun van waarschuwingen en verbanden zwangere betekenissen. Ik voelde mijn geest communiceren met de uwe omtrent de figuur van die waarschuwingen.

Maar gij, mevrouw, wat is toch die vuurworm die plotseling in u kruipt, en door welke kunstgreep uit welke onvoorstelbare sferen? want u ziet, en toch is er dezelfde ruimte uitgespreid om ons heen.

Het verschrikkelijke, mevrouw, zit hem in de onbeweeglijkheid van deze muren, van deze dingen, in de vertrouwdheid van het meubilair dat u omringt, de accessoires van uw waarzeggerij, in de stille onverschilligheid van het leven waar u aan deelneemt net zoals ik.

En uw kleren, mevrouw, die kleren die een persoon raken die ziet. Uw vlees, al uw functies eigenlijk. Ik kan niet wennen aan het idee dat u onderworpen bent aan dezelfde voorwaarden van Ruimte, van Tijd, dat er lichamelijke benodigdheden op u wegen. Je zou te licht moeten zijn voor de ruimte.

En anderzijds leek u mij zo mooi, zo menselijk gracieus, zo alledaags. Mooi als eender welke vrouw waarvan ik het brood en de spasme opwacht en dat ze mij tot naar een lichamelijke drempel tilt.

In mijn ogen bent u grens- en bodemloos , absoluut, diepgaand onbegrijpelijk. Want hoe komt u in het reine met het leven, u die de gave van het zicht bij de hand heeft? En deze lange, geheel verenigde weg waar uw ziel als een pendel rondwaart, en waar ik zo duidelijk de toekomst van mijn dood zou lezen.

Ja, er bestaan nog mannen die de afstand van het ene gevoel tot het andere kennen, die weten hoe ze etages en haltes kunnen creëren voor hun verlangens, die weten hoe ze afstand kunnen nemen van hun verlangens en hun ziel, om er dan valselijk in op gaan als overwinnaars. En er bestaan denkers die hun gedachten pijnlijk omcirkelen, die voorwendselen in hun dromen introduceren, er bestaan nog geleerden die wetten blootleggen met grimmige pirouettes!

Maar gij, verafschuwd, veracht, verbluffend, gij steekt het leven in brand. En zo staat het rad van de Tijd in één klap in vuur en vlam om de hemel te doen kraken.

U neemt mij op even klein, weggevaagd, verworpen, en net zo wanhopig als uzelf, en u tilt mij op, u verwijdert mij van deze plek, van deze valse ruimte waar u niet eens meer gebaart van te leven, aangezien u al het membraan van uw rust hebt bereikt. En dit oog, deze blik op mezelf, deze enkele troosteloze blik die heel mijn bestaan is, u vergroot het en laat het op zich omdraaien, en ziedaar hoe een lumineus ontluiken ontstaat uit geneugten zonder schaduwzijden die mij doen herleven als een mysterieuze wijn.

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.123-128]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

L’émotion de savoir était dominée par le sentiment de la mansuétude infinie de l’existence 2Je n’y peux rien. J’avais ce sentiment devant Elle. La vie était bonne parce que cette voyante était là. La présence de cette femme m’était comme un opium, plus pur, plus léger, quoique moins solide que l’autre. Mais beaucoup plus profond, plus vaste et ouvrant d’autres arches dans les cellules de mon esprit. Cet état actif d’échanges spirituels, cette conflagration de mondes immédiats et minuscules, cette imminence de vies infinies dont cette femme m’ouvrait la perspective, m’indiquaient enfin une issue à la vie, et une raison d’être au monde. Car on ne peut accepter la Vie qu’à condition d’être grand, de se sentir à l’origine des phénomènes, tout au moins d’un certain nombre d’entre eux. Sans puissance d’expansion, sans une certaine domination sur les choses, la vie est indéfendable. Une seule chose est exaltante au monde : le contact avec les puissances de l’esprit. Cependant devant cette voyante un phénomène assez paradoxal se produit. Je n’éprouve plus le besoin d’être puissant, ni vaste, la séduction qu’elle exerce sur moi est plus violente que mon orgueil, une certaine curiosité momentanément me suffit. Je suis prêt à tout abdiquer devant elle : orgueil, volonté, intelligence. Intelligence surtout. Cette intelligence qui est toute ma fierté. Je ne parle pas bien entendu d’une certaine agilité logique de l’esprit, du pouvoir de penser vite et de créer de rapides schémas sur les marges de la mémoire. Je parle d’une pénétration souvent à longue échéance, qui n’a pas besoin de se matérialiser pour se satisfaire et qui indique des vues profondes de l’esprit. C’est sur la foi de cette pénétration au pied-bot et le plus souvent sans matière (et que moi-même je ne possède pas), que j’ai toujours demandé que l’on me fasse crédit, dût-on me faire crédit cent ans et se contenter le reste du temps de silence. Je sais dans quelles limbes retrouver cette femme. Je creuse un problème qui me rapproche de l’or, de toute matière subtile, un problème abstrait comme la douleur qui n’a pas de forme et qui tremble et se volatilise au contact des os.. Rien de mauvais pour moi ne pouvait tomber de cet œil bleu et fixe par lequel vous inspectiez mon destin.

Toute la vie me devenait ce bienheureux paysage où les rêves qui tournent se présentent à nous avec la face de notre moi. L’idée de la connaissance absolue se confondait avec l’idée de la similitude absolue de la vie et de ma conscience. Et je tirais de cette double similitude le sentiment d’une naissance toute proche, où vous étiez la mère indulgente et bonne, quoique divergente de mon destin. Rien ne m’apparaissait plus mystérieux, dans le fait de cette voyance anormale, où les gestes de mon existence passée et future se peignaient à vous avec leurs sens gros d’avertissements et de rapports. Je sentais mon esprit entré en communication avec le vôtre quant à la figure de ces avertissements.

Mais vous, enfin, Madame, qu’est-ce donc que cette vermine de feu qui se glisse tout à coup en vous, et par l’artifice de quelle inimaginable atmosphère ? car enfin vous voyez, et cependant le même espace étalé nous entoure.

L’horrible, Madame, est dans l’immobilité de ces murs, de ces choses, dans la familiarité des meubles qui vous entourent, des accessoires de votre divination, dans l’indifférence tranquille de la vie à laquelle vous participez comme moi.

Et vos vêtements, Madame, ces vêtements qui touchent une personne qui voit. Votre chair, toutes vos fonctions enfin. Je ne puis pas me faire à cette idée que vous soyez soumise aux conditions de l’Espace, du Temps, que les nécessités corporelles vous pèsent. Vous devez être beaucoup trop légère pour l’espace.

Et, d’autre part, vous m’apparaissiez si jolie, et d’une grâce tellement humaine, tellement de tous les jours. Jolie comme n’importe laquelle de ces femmes dont j’attends le pain et le spasme, et qu’elles me haussent vers un seuil corporel.

Aux yeux de mon esprit, vous êtes sans limites et sans bords, absolument, profondément incompréhensible. Car comment vous accommodez-vous de la vie, vous qui avez le don de la vue toute proche ? Et cette longue route toute unie où votre âme comme un balancier se promène, et où moi, je lirais si bien l’avenir de ma mort.

Oui, il y a encore des hommes qui connaissent la distance d’un sentiment à un autre, qui savent créer des étages et des haltes à leurs désirs, qui savent s’éloigner de leurs désirs et de leur âme, pour y rentrer ensuite faussement en vainqueurs. Et il y a ces penseurs qui encerclent péniblement leurs pensées, qui introduisent des faux-semblants dans leurs rêves, ces savants qui déterrent des lois avec de sinistres pirouettes !

Mais vous, honnie, méprisée, planante, vous mettez le feu à la vie. Et voici que la roue du Temps d’un seul coup s’enflamme à force de faire grincer les cieux.

Vous me prenez tout petit, balayé, rejeté, et tout aussi désespéré que vous-même, et vous me haussez, vous me retirez de ce lieu, de cet espace faux où vous ne daignez même plus faire le geste de vivre, puisque déjà vous avez atteint la membrane de votre repos. Et cet œil, ce regard sur moi-même, cet unique regard désolé qui est toute mon existence, vous le magnifiez et le faites se retourner sur lui-même, et voici qu’un bourgeonnement lumineux fait de délices sans ombres, me ravive comme un vin mystérieux.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Noten   [ + ]

1. Ik kan het niet helpen. Ik had dit gevoel voor haar. Het leven was goed omdat deze helderziende er was. De aanwezigheid van deze vrouw was voor mij als opium, zuiverder, lichter, een weinig minder potig dan dat. Maar veel dieper en breder, zij opende andere bogen in de cellen van mijn geest. De actieve staat van spirituele uitwisselingen, de uitslaande brand van directe en minuscule werelden, de nabijheid van oneindige levens die deze vrouw voor mij openstelde, toonde mij eindelijk een uitweg uit het leven, een reden om in de wereld te zijn. Want het leven is enkel acceptabel als men het gevoel heeft groot te zijn, als men zich aan de oorsprong der fenomenen voelt, althans van een bepaald aantal daarvan. Zonder de kracht van de expansie, zonder een zekere dominantie over de dingen, is het leven onverdedigbaar. Er is maar één ding opwindend in de wereld: contact met de krachten van de geest. Bij deze zieneres doet zich echter een nogal paradoxaal fenomeen voor. Ik voel niet langer de behoefte om krachtig te zijn, of groots, de verleiding die het op mij uitoefent is straffer dan mijn trots, een vluchtige nieuwsgierigheid is voor mij genoeg. Ik ben bereid voor haar afstand te doen van alles: trots, wil, intelligentie. Intelligentie, vooral. De intelligentie die al geheel mijn trots uitmaakt. Ik heb het hier uiteraard niet over de logische wendbaarheid van de geest, of over de kracht om snel te denken, om snelle schema’s in de marges van het geheugen te schetsen. Ik heb het over een vaak langdurige penetratie, die zich niet hoeft te concretiseren om voldoening te geven en die duidt op diepe inzichten van de geest. Het is op het vertrouwen in deze penetratie op klompvoeten die meestal zonder grond is (een vertrouwen dat ik zelf niet bezit), dat ik altijd om krediet heb gevraagd, dat men mij honderd jaar krediet geve en tevreden zou zijn met stilzwijgen de hele tijd . Ik weet in welk voorgeborchte ik deze vrouw kan vinden. Ik spit een probleem uit dat mij dichter bij het goud brengt, bij elke subtiliteit, een abstract probleem zoals een pijn die geen vorm heeft en die trilt en verdwijnt bij contact met het bot.
2. Je n’y peux rien. J’avais ce sentiment devant Elle. La vie était bonne parce que cette voyante était là. La présence de cette femme m’était comme un opium, plus pur, plus léger, quoique moins solide que l’autre. Mais beaucoup plus profond, plus vaste et ouvrant d’autres arches dans les cellules de mon esprit. Cet état actif d’échanges spirituels, cette conflagration de mondes immédiats et minuscules, cette imminence de vies infinies dont cette femme m’ouvrait la perspective, m’indiquaient enfin une issue à la vie, et une raison d’être au monde. Car on ne peut accepter la Vie qu’à condition d’être grand, de se sentir à l’origine des phénomènes, tout au moins d’un certain nombre d’entre eux. Sans puissance d’expansion, sans une certaine domination sur les choses, la vie est indéfendable. Une seule chose est exaltante au monde : le contact avec les puissances de l’esprit. Cependant devant cette voyante un phénomène assez paradoxal se produit. Je n’éprouve plus le besoin d’être puissant, ni vaste, la séduction qu’elle exerce sur moi est plus violente que mon orgueil, une certaine curiosité momentanément me suffit. Je suis prêt à tout abdiquer devant elle : orgueil, volonté, intelligence. Intelligence surtout. Cette intelligence qui est toute ma fierté. Je ne parle pas bien entendu d’une certaine agilité logique de l’esprit, du pouvoir de penser vite et de créer de rapides schémas sur les marges de la mémoire. Je parle d’une pénétration souvent à longue échéance, qui n’a pas besoin de se matérialiser pour se satisfaire et qui indique des vues profondes de l’esprit. C’est sur la foi de cette pénétration au pied-bot et le plus souvent sans matière (et que moi-même je ne possède pas), que j’ai toujours demandé que l’on me fasse crédit, dût-on me faire crédit cent ans et se contenter le reste du temps de silence. Je sais dans quelles limbes retrouver cette femme. Je creuse un problème qui me rapproche de l’or, de toute matière subtile, un problème abstrait comme la douleur qui n’a pas de forme et qui tremble et se volatilise au contact des os.
Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #125

jt125 – Tous les rêves sont vrais – ZAKGELD

WIE HEEFT NIET, … (voetnoot)

Ik bevestig – en ik houd vast aan dit idee – dat de dood niet buiten het rijk van de geest is, dat hij binnen bepaalde grenzen kenbaar en benaderbaar is door een bepaalde gevoeligheid.

Alles wat in de orde der schriftuur het principe van ordelijke en heldere waarneming loslaat, alles wat tot doel heeft een omkering van de schijn te creëren, twijfel te introduceren over de positie van de beelden van de geest ten opzichte van elkaar, alles wat verwarring zaait zonder de kracht van de gedachte die opkomt te vernietigen, alles wat de dingen op hun kop zet door het ontredderde denken een nog groter aspect van waarheid en geweld aan te bieden, dat alles biedt een oplossing voor de dood, brengt ons in verbinding met de meer verfijnde gemoedstoestanden te midden waarin de dood zich uitdrukt.

Daarom zijn het zwijnen allemaal, zij die dromen zonder hun voorbije dromen te betreuren, zonder een gevoel van afschuwelijke nostalgie over te houden aan zulk onderduiken in vruchtbaar onbewustzijn. De droom is waar. Alle dromen zijn echt. Ik heb het gevoel van oneffenheden, van landschappen alsof ze gebeeldhouwd zijn, van golvende aardstukken die bedekt zijn met een soort vers zand, waarvan de betekenis is:

“spijt, teleurstelling, verlating, breuk, wanneer zien we elkaar weer?”.

Niets lijkt zozeer op liefde als de roep van bepaalde droomlandschappen, als het omlijnen van bepaalde heuvels, van een soort materiële leem waarvan de vorm als het ware op het denken is gegoten.

Wanneer zien we elkaar weer? Wanneer zal de aardse smaak van je lippen weer in de buurt komen van de angst van mijn geest? De aarde is als een werveling van dodelijke lippen. Het leven graaft voor ons de afgrond uit van alle vermiste strelingen.Wat hebben we te maken met deze engel die zich niet heeft weten te tonen? Zullen al onze gewaarwordingen voor altijd intellectueel blijven, en zullen onze dromen niet in staat zijn om vuur te vatten bij een ziel waarvan de emotie ons zal helpen om te sterven? Wat is deze dood waar we voor altijd alleen zijn, waar de liefde ons niet de weg wijst?

WORDT VERVOLGD

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.117-121]
vert. NKdeE 2020 – CC Free Culture License 4.0

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

J’affirme – et je me raccroche à cette idée que la mort n’est pas hors du domaine de l’esprit, qu’elle est dans de certaines limites connaissable et approchable par une certaine sensibilité.

Tout ce qui dans l’ordre des choses écrites abandonne le domaine de la perception ordonnée et claire, tout ce qui vise à créer un renversement des apparences, à introduire un doute sur la position des images de l’esprit les unes par rapport aux autres, tout ce qui provoque la confusion sans détruire la force de la pensée jaillissante, tout ce qui renverse les rapports des choses en donnant à la pensée bouleversée un aspect encore plus grand de vérité et de violence, tout cela offre une issue à la mort, nous met en rapport avec des états plus affinés de l’esprit au sein desquels la mort s’exprime.

C’est pourquoi tous ceux qui rêvent sans regretter leurs rêves, sans emporter de ces plongées dans une inconscience féconde un sentiment d’atroce nostalgie, sont des porcs. Le rêve est vrai. Tous les rêves sont vrais. J’ai le sentiment d’aspérités, de paysages comme sculptés, de morceaux de terre ondoyants recouverts d’une sorte de sable frais, dont le sens veut dire :

« regret, déception, abandon, rupture, quand nous reverrons-nous ? »

Rien qui ressemble à l’amour comme l’appel de certains paysages vus en rêve, comme l’encerclement de certaines collines, d’une sorte d’argile matérielle dont la forme est comme moulée sur la pensée. Quand nous reverrons-nous ? Quand le goût terreux de tes lèvres viendra-t-il à nouveau frôler l’anxiété de mon esprit ? La terre est comme un tourbillon de lèvres mortelles. La vie creuse devant nous le gouffre de toutes les caresses qui ont manqué. Qu’avons-

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #124

jt 124 – l’image d’un panique déjà éprouvée – GELDZAK

WIE HEEFT NIET, … (2)

Ik beschreef net een sensatie van angst en droom, van angst die in de droom binnen glijdt een beetje zoals ik mij voorstel dat de agonie moet binnenglijden en zich voltrekken in de dood.
In ieder geval, zulke dromen kunnen niet liegen. Ze liegen niet. En die aaneengeregen doodssensaties, die verstikkingen, die wanhoop, dat inslapen, die verlatenheid, die stilte, zie je die niet met de uitvergrote spanning van een droom, met het gevoel dat er een nieuwe zijde van de realiteit voor goed achter jou ligt?
Maar kijk, op de bodem van de dood of de droom herbegint de angst. Deze angst die zich als een elastiek opspant en je plots bij de keel grijpt, ze is noch onbekend, noch nieuw. De dood waar men is ingegleden zonder er zich rekenschap van te geven, de terugkeer als lichaamsklomp, dat hoofd – het moest zo nodig , dat hoofd dat het bewustzijn en het leven bevat en dus ook de ultieme verstikking – het moest zo nodig, ook dat hoofd, de kleinst mogelijke opening door. Maar het huivert tot in het diep der porieën, en het heeft door het heen en weer schudden in ontzetting het idee gekregen, het gevoel dat het opgeblazen is, dat zijn angst vorm heeft gekregen, dat die onder de huid ontsproten is.

En omdat uiteindelijk de dood toch niets nieuws is, maar integendeel maar al te bekend, zien we niet aan het eind van deze inwendige gisting het beeld van een reeds ervaren paniek? De kracht van de wanhoop lijkt bepaalde situaties uit de kindertijd te doen weerkeren, waarin de dood zich zo helder en als een eenduidige stroom van ontzetting aandiende. De kindertijd kent een bruusk ontwaken van de geest, van intense uitbreidingen van het denken dat de latere leeftijd verloren heeft. In sommige paniekangsten uit de kindertijd, bepaalde grootse en onredelijke verschrikkingen waarin het gevoel van een niet humane dreiging loert, is het onbetwistbaar dat de dood verschijnt
als het scheuren van een nabij membraan, als een optillen van de sluier van de wereld die nog vormloos en onzeker is.

Wie heeft niet de herinnering aan ongeziene uitbreidingen, van de orde van een geheel mentale werkelijkheid, en die hem vervolgens nauwelijks verbaasd hebben, die echt aan het woud van zijn kinderlijke zintuigen werden opgeleverd? Uitbreidingen geïmpregneerd met perfecte, alles doordrenkende kennis, uitgekristalliseerd, eeuwig.

Maar welke vreemde gedachten onderstreept die, van welke uiteengereten meteoor reconstrueert het de menselijke atomen?

Het kind ziet herkenbare theorieën van voorouders waarin het de oorsprong van alle van mens tot mens bekende gelijkenissen noteert. De wereld der verschijningen groeit en stroomt over naar het gevoelloze, het onbekende. Maar de verduistering van het leven komt eraan en van dan af zijn dergelijke staten alleen nog maar te bereiken door een absoluut abnormale luciditeit ten gevolge bijvoorbeeld van drugs.

Vandaar het immense nut van toxische stoffen om de geest te bevrijden, te verheffen. Leugens of niet vanuit het oogpunt van een werkelijkheid waar men meestal weinig mee aankan, een werkelijkheid die slechts een van de meest voorbijgaande en minst herkenbare gezichten van de oneindige realiteit is, een werkelijkheid die samenvalt met de materie en daarmee vergaat, vanuit het oogpunt van de geest herwinnen die substanties hun superieure waardigheid, waardoor ze als hulpmiddel het dichtst bij en het nuttigst bij de dood komen te staan*.

WORDT VERVOLGD

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.117-121]
vert. NKdeE 2020 – CC Free Culture License 4.0


*hier staat een lange voetnoot die je morgen vertaald krijgt…

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Je viens de décrire une sensation d’angoisse et de rêve, l’angoisse glissant dans le rêve, à peu près comme j’imagine que l’agonie doit glisser et s’achever finalement dans la mort.

En tout cas, de tels rêves ne peuvent pas mentir. Ils ne mentent pas. Et ces sensations de mort mises bout à bout, cette suffocation, ce désespoir, ces assoupissements, cette désolation, ce silence, les voit-on dans la suspension agrandie d’un rêve, avec ce sentiment qu’une des faces de la réalité nouvelle est perpétuellement derrière soi ?

Mais au fond de la mort ou du rêve, voici que l’angoisse reprend. Cette angoisse comme un élastique qui se retend et vous saute soudain à la gorge, elle n’est ni inconnue, ni nouvelle. La mort dans laquelle on a glissé sans s’en rendre compte, le retournement en boule du corps, cette tête – il a fallu qu’elle passe, elle qui portait la conscience et la vie et par conséquent la suffocation suprême, et par conséquent le déchirement supérieur – qu’elle passe, elle aussi, par la plus petite ouverture possible. Mais elle angoisse à la limite des pores, et cette tête qui à force de se secouer et de se retourner d’épouvante a comme l’idée, comme le sentiment qu’elle s’est boursouflée et que sa terreur a pris forme, qu’elle a bourgeonné sous la peau.

Et comme après tout ce n’est pas neuf la mort, mais au contraire trop connu, car, au bout de cette distillation de viscères, ne perçoit-on pas l’image d’une panique déjà éprouvée ? La force même du désespoir restitue, semble-t-il, certaines situations de l’enfance où la mort apparaissait si claire et comme une déroute à jet continu. L’enfance connaît de brusques réveils de l’esprit, d’intenses prolongements de la pensée qu’un âge plus avancé reperd. Dans certaines peurs paniques de l’enfance, certaines terreurs grandioses et irraisonnées où le sentiment d’une menace extra-humaine couve, il est incontestable que la mort apparaît

comme le déchirement d’une membrane proche, comme le soulèvement d’un voile qui est le monde, encore informe et mal assuré.

Qui n’a le souvenir d’agrandissements inouïs, de l’ordre d’une réalité toute mentale, et qui alors ne l’étonnaient guère, qui étaient donnés, livrés vraiment à la forêt de ses sens d’enfant ? Prolongements imprégnés d’une connaissance parfaite, imprégnant tout, cristallisée, éternelle.

Mais quelles étranges pensées elle souligne, de quel météore effrité elle reconstitue les atomes humains.

L’enfant voit des théories reconnaissables d’ancêtres dans lesquelles il note les origines de toutes les ressemblances connues d’homme à homme. Le monde des apparences gagne et déborde dans l’insensible, dans l’inconnu. Mais l’enténèbrement de la vie arrive et désormais des états pareils ne se retrouvent plus qu’à la faveur d’une lucidité absolument anormale due par exemple aux stupéfiants.

D’où l’immense utilité des toxiques pour libérer, pour surélever l’esprit. Mensonges ou non du point de vue d’un réel dont on a vu le peu de cas qu’on pouvait en faire, le réel n’étant qu’une des faces les plus transitoires et les moins reconnaissables de l’infinie réalité, le réel s’égalant à la matière et pourrissant avec elle, les toxiques regagnent du point de

vue de l’esprit leur dignité supérieure qui en fait les auxiliaires les plus proches et les plus utiles de la mort*.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #122

jt 122 – l’ étalon d’un néant qui s’ignore – NEUSPUNT

Fragmenten uit een Dagboek van de Hel (slot)

De streng die ik priemen laat uit het intellect dat me bezighoudt en het onbewuste dat me voedt,  vertoont steeds fijnere draden in het hart van het vertakkende weefsel. En het is een nieuw leven dat herboren wordt, dieper en dieper, meer welbespraakt, dieper geworteld.

Nooit kan er door deze ziel die zich wurgt enige precisie worden gegeven, want de kwelling die haar doodt ontvleest haar vezel na vezel, beweegt zich onder het denken, dieper dan daar waar de taal kan reiken want het is de verbinding zelf van dat wat haar maakt en spiritueel samenhoudt, die afbreekt in de mate waarin het leven haar noodt tot voortdurende helderheid. Nooit enige helderheid op deze lijdensweg, op deze cyclische en fundamentele martelgang. En desondanks leeft ze, maar in een duren vol eclipsen waarbij het vluchtige zich immer mengt met het onbeweeglijke en het verwart met die doordringende taal van klaarte zonder duur. Deze vervloeking is in hoge mate leerzaam voor de diepten die zij beslaat, maar de wereld zal er de les van niet verstaan.

De emotie gewekt door het ontluiken van een vorm, de aanpassing van mijn stemmingen aan de mogelijkheid van een discours zonder duur, is mij een heel wat dierbaarder toestand dan de bevrediging van mijn activiteit.
Het is de toetssteen voor bepaalde geestelijke leugens.

Het is dit soort stappen achteruit die de geest maakt van onder het bewustzijn dat hem fixeert, om de emotie van het leven op te zoeken. Deze emotie die verder ligt dan het bepaalde punt waar de geest haar zoekt, en die opduikt in haar volle rijkdom van vormen en in een verse stroom, deze emotie die de geest het overweldigende geluid van de materie biedt, de hele ziel stroomt erheen en gaat op in haar brandend vuur. Maar meer nog dan van het vuur raakt de ziel in vervoering van de klaarte, het gemak, de natuurlijkheid en de ijzige oprechtheid van deze materie die te vers is en die koud en warm blaast.
Hij daar weet nu wat de verschijning van deze materie betekent en van welke onderaardse slachting dat ontluiken de prijs is. Deze materie is de maatstaf van een niets dat zich niet kent.

Als ik mij denk, zoekt mijn gedachte zich in de ether van een nieuwe ruimte. Ik sta op de maan zoals anderen op hun balkon. Ik neem in de breuklijnen van mijn geest deel aan de planetaire zwaartekracht.

Het leven zal gebeuren, de gebeurtenissen zich afspelen, de spirituele conflicten zich oplossen, en ik zal er geen deel aan hebben. Ik heb niets te verwachten, niet van de fysieke noch van de morele kant. Aan mij is de voortdurende smart en de schaduw, de nacht van de ziel, en ik heb geen stem om te schreeuwen.
Verkwansel uw rijkdommen ver van dit ongevoelige lichaam waar geen enkel seizoen, geestelijk noch zinnelijk, vat op heeft.

Ik heb het domein van de smart en de schaduw gekozen zoals anderen dat van de uitstraling en de ophoping van de materie.
Ik werk niet in de uitgestrektheid van welk domein dan ook.
Ik werk in de unieke duur.

ANTONIN ARTAUD – 1926
uit: La Pèse-nerfs in [ARTAUD 1956, p. 105-107)
vert. NKdeE 2020 met behulp van DeepL en deze vertaling van Hans Van Pinxteren

originele tekst
(http://archives.skafka.net/alice69/doc/aa_fragdunjournaldenfer.htm):

La corde que je laisse percer de l’intelligence qui m’occupe et de l’inconscient qui m’alimente, découvre des fils de plus en plus subtils au sein de son tissu arborescent. Et c’est une vie nouvelle qui renaît, de plus en plus profonde, éloquente, enracinée.

Jamais aucune précision ne pourra être donnée par cette âme qui s’étrangle, car le tourment qui la tue, la décharne fibre à fibre, se passe au-dessous de la pensée, au-dessous d’où peut atteindre la langue, puisque c’est la liaison même de ce qui la fait et la tient spirituellement agglomérée, qui se rompt au fur et à mesure que la vie l’appelle à la constance de la clarté. Pas de clarté jamais sur cette passion, sur cette sorte de martyre cyclique et fondamental. Et cependant elle vit mais d’une durée à éclipses où le fuyant se mêle perpétuellement à l’immobile, et le confus à cette langue perçante d’une clarté sans durée. Cette malédiction est d’un haut enseignement pour les profondeurs qu’elle occupe, mais le monde n’en entendra pas la leçon.

L’émotion qu’entraîne l’éclosion d’une forme, l’adaptation de mes humeurs à la virtualité d’un discours sans durée m’est un état autrement précieux que l’assouvissement de mon activité. C’est la pierre de touche de certains mensonges spirituels.

Cette sorte de pas en arrière que fait l’esprit en deçà de la conscience qui le fixe, pour aller chercher l’émotion de la vie. Cette émotion sise hors du point particulier où l’esprit la recherche, et qui émerge avec sa densité riche de formes et d’une fraîche coulée, cette émotion qui rend à l’esprit le son bouleversant de la matière, toute l’âme s’y coule et passe dans son feu ardent. Mais plus que le feu, ce qui ravit l’âme c’est la limpidité, la facilité, le naturel et la glaciale candeur de cette matière trop fraîche et qui souffle le chaud et le froid. Celui-là sait ce que l’apparition de cette matière signifie et de quel souterrain massacre son éclosion est le prix. Cette matière est l’étalon d’un néant qui s’ignore.

Quand je me pense, ma pensée se cherche dans l’éther d’un nouvel espace. Je suis dans la lune comme d’autres sont à leur balcon. Je participe à la gravitation planétaire dans les failles de mon esprit.

La vie va se faire, les événement se dérouler, les conflits spirituels se résoudre, et je n’y participerai pas. Je n’ai rien à attendre ni du côté physique ni du côté moral. Pour moi c’est la douleur perpétuelle et l’ombre, la nuit de l’âme, et je n’ai pas une voix pour crier. Dilapidez vos richesses loin de ce corps insensible à qui aucune sais ni spirituelle, ni sensuelle ne fait rien.

J’ai choisi le domaine de la douleur et de l’ombre comme d’autres celui du rayonnement et de l’entassement de la matière.

Je ne travaille pas dans l’étendue d’un domaine quelconque.

Je travaille dans l’unique durée.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #121

jt 121 – il s’agit de la durée de l’esprit – HAARDVUUR

Fragmenten uit een Dagboek van de Hel (3)

Ik voel de afbrokkelende grond onder mijn gedachten, en ik word ertoe gebracht om de termen die ik gebruik te overwegen zonder de steun van hun intieme betekenis, hun persoonlijke ondergrond. En beter nog, het punt waarop dit substraat zich lijkt te verbinden met mijn leven wordt mij ineens vreemd gevoelig, en virtueel. Ik heb het idee van een onvoorziene en vaste ruimte, waar normaal gesproken alles beweging, communicatie, interferentie, pad is.
Maar deze afbrokkeling die mijn denken in zijn grondslagen bereikt, in zijn meest urgente communicatie met de intelligentie en met het instinctmatige van de geest, vindt niet plaats op het gebied van een gevoelloos abstractum waaraan enkel de hogere delen van het intellekt zouden deelhebben. Niet zozeer de geest die intact blijft, bestekeld met punten, maar de zenuwbaan van het denken wordt door dit afbrokkelen bereikt en afgeleid. Het is in de ledematen en het bloed dat deze afwezigheid, deze onderbreking zich bijzonder sterk doet voelen.

Een grote koude,
Een wrede onthouding,
Het voorgeborchte van een nachtmerrie vol botten en spieren, met de gewaarwording van maagfuncties die klapperen als een vlag in het fosforesceren van de storm.

Embryonale beelden die elkaar als met de vinger verduwen en niet met enige materie in verbinding staan. 

Ik ben mens door mijn handen en mijn voeten, mijn buik, mijn vlezen hart, mijn maag waarvan de knooppunten mij verbinden met het bederf van het leven.

Men heeft het over woorden, maar het gaat niet om woorden, het gaat om de duur van de geest.
Deze afvallige woordenschors, men moet zich niet inbeelden dat de ziel er niet bij betrokken is. Naast de geest is er het leven, is er het menselijk leven in wiens cirkel die geest draait, met hem verbonden door een veelvoud van draden…

Nee, al dat lichamelijke ontwortelen, al die beknottingen van de lichamelijke activiteit en het ongemak van het zich afhankelijk voelen in het lichaam, en ook dat lichaam zelf, beladen met marmer en liggend op slecht hout, dat is niet gelijk aan de pijn van het beroofd zijn van de fysieke kennis en het gevoel van innerlijk evenwicht. Dat de ziel in gebreke blijft bij de taal en de tong bij de geest, en dat deze breuk door de velden der zinnen trekt als een grote voor van wanhoop en bloed, dat nu is de grote kwelling die niet de bast of het staketsel ondermijnt, maar de STOF der lichamen. Het is deze dwalende vonk die op het spel staat, waarvan men het gevoel heeft dat ZIJ HET WAS, een afgrond die op zichzelf de hele mogelijke omvang van de wereld wint, en het gevoel is dat van zodanige nutteloosheid dat het lijkt op de knoop van de dood. Deze nutteloosheid is als de morele kleur van deze afgrond en deze intense verbijstering, en de fysieke kleur ervan is de smaak van bloed dat in cascades door de openingen van de hersenen stroomt.

Men kan mij wel vertellen dat deze moordkuil in mijzelf ligt, ik neem deel aan het leven, ik vertegenwoordig de fataliteit die mij verkiest, en het bestaat niet dat al het leven van de wereld mij op een gegeven moment bij zich meetelt, want door haar aard zelf bedreigt zij het principe van het leven. Er is iets verheven boven iedere menselijke bezigheid: het is het voorbeeld van deze monotone kruisiging, van deze kruisiging waarbij de ziel zichzelf verliest en blijft verliezen.

ANTONIN ARTAUD – 1926
uit: La Pèse-nerfs in [ARTAUD 1956,105-107)
vert. NKdeE 2020 met behulp van DeepL en deze vertaling van Hans Van Pinxteren

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(http://archives.skafka.net/alice69/doc/aa_fragdunjournaldenfer.htm):

Je sens sous ma pensée le terrain qui s’effrite, et j’en suis amené à envisager les termes que j’emploie sans l’appui de leur sens intime, de leur substratum personnel. Et même mieux que cela, le point par où ce substratum semble se relier à ma vie me devient tout à coup étrangement sensible, et virtuel. J’ai l’idée d’un espace imprévu et fixé, là où en temps normal tout est mouvements, communication, interférences, trajet. Mais cet effritement qui atteint ma pensée dans ses bases, dans ses communications les plus urgentes avec l’intelligence et avec l’instinctivité de l’esprit, ne se passe pas dans le domaine d’un abstrait insensible où seules les parties hautes de l’intelligence participeraient. Plus que l’esprit qui demeure intact, hérissé de pointes, c’est le trajet nerveux de la pensée que cet effritement atteint et détourne. C’est dans les membres et le sang que cette absence et ce stationnement se font particulièrement sentir.

Un grand froid, une atroce abstinence, les limbes d’un cauchemar d’os et de muscles, avec le sentiment des fonctions stomacales qui claquent comme un drapeau dans les phosphorescences de l’orage. Images larvaires qui se poussent comme avec le doigt et ne sont en relations avec aucune matière.

Je suis homme par mes mains et mes pieds, mon ventre, mon coeur de viande, mon estomac dont les noeuds me rejoignent à la putréfaction de la vie.

On me parle de mots, mais il ne s’agit pas de mots, il s’agit de la durée de l’esprit. Cette écorce de mots qui tombe, il ne faut pas s’imaginer que l’âme n’y soit pas impliquée. A côté de l’esprit il y a la vie, il y a l’être humain dans le cercle duquel cet esprit tourne, relié avec lui par une multitude de fils…

Non, tous les arrachements corporels, toutes les diminutions de l’activité physique et cette gêne qu’il y a à se sentir dépendant dans son corps, et ce corps même chargé de marbre et couché sur un mauvais bois, n’égalent pas la peine qu’il y a à être privé de la science physique et du sens de son équilibre intérieur. Que l’âme fasse défaut à la langue ou la langue à l’esprit, et que cette rupture trace dans les plaines des sens comme un vaste sillon de désespoir et de sang, voilà la grande peine qui mine non l’écorce ou la charpente, mais l’ETOFFE du corps. Il y a à perdre cette étincelle errante et dont on sent qu’ELLE ETAIT un abîme qui gagne en soi toute l’étendue du monde possible, et le sentiment d’une inutilité telle qu’elle est comme le noeud de la mort. Cette inutilité est comme la couleur morale de cet abîme et de cette intense stupéfaction, et la couleur physique en est le goût d’un sang jaillissant par cascades à travers les ouvertures du cerveau.

On a beau me dire que c’est moi ce coupe-gorge, je participe à la vie, je représente la fatalité qui m’élit et il ne se peut pas que toute la vie du monde me compte à un moment donné avec elle puisque par sa nature même elle menace le principe de la vie. Il y a quelque chose qui est au-dessus de toute activité humaine : c’est l’exemple de ce monotone crucifiement, de ce crucifiement où l’âme n’en finit plus de se perdre.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
Vertalingen - Bewerkingen

BIJ EEN DODE DICHTER

Zijn dichtersziel helaas was heengegaan
In gotisch muzikale avondklank
En wonderbaarlijk te midden de zwarte tuien
boog dóór de zon zijn vaalgele kiel.

In mijn melancholie was ik dus gekomen
Om van die godgelijke het lijk te bekijken,
en ‘t Schone waar zich vormde bij het graf
Stralend en bloemrijk de Sublieme Idee;

Zeeorgels maakten een menigte lawaai
Getouwen kreunden onder het golven
Bij de goudvlam der kaarsen die weenden.

En stemmen stegen van goud en velours
Van ’t grote schip dat de processies versierden
Met heel zacht de blaastonen der doodsfluiten.

Antonin Artaud – 1914

SUR UN POÈTE MORT

Son âme de poète hélas était partie
Dans les sons musicaux et gothiques d’un soir
Et merveilleusement parmi les haubans noirs
Le soleil inclinait sa carène jaunie.

Alors j’étais venu dans ma mélancolie
De cet homme divin voir la dépouille et voir
La Beauté où se forme ainsi qu’un reposoir
La Sublime Pensée éclatante et fleurie.

Les orgues de la mer faisaient un bruit de foule,
Les cordages râlaient avec un bruit de houle
Parmi les flammes d’or des cierges qui pleuraient.

Et des voix s’élevaient du velours et de l’or
Du grand vaisseau que des processions décoraient
Aux sons très doux soufflant aux flûtes de la mort.

(1914)
https://ebooks-bnr.com/ebooks/pdf4/artaud_poemes.pdf



A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #120

jt 120 – la séparation à jamais – VUURHAARD

Fragmenten uit een Dagboek van de Hel (2)

Je hebt het goed mis om te zinspelen op deze verlamming die mij bedreigt. Ze bedreigt me wel degelijk, en het wordt elke dag erger. Ze bestaat al en het is een vreselijke realiteit. Natuurlijk doe ik nog steeds (maar hoe lang nog?) wat ik wil met mijn ledematen, maar het is al lang dat ik mijn geest niet meer beveel, en dat mijn onbewuste mij geheel beveelt met impulsen die uit de diepte van mijn nerveuze razernij komen en uit het kolken van mijn bloed. Schielijke en snelle beelden, en die in mijn gedachten alleen maar woorden van woede en blinde haat spreken, maar die als messteken of bliksem door een opgekropte hemel gaan.

Ik draag het stigma van een dood die mij dwingt tot waar de echte dood mij niet bevreest.

Deze angstaanjagende vormen die naar voren komen, ik voel dat de wanhoop die ze mij brengen, leeft. Hij kruipt tot aan die knoop van het leven waarna de wegen naar de eeuwigheid opengaan. Het is werkelijk de scheiding voor altijd. Zij schuiven hun mes in dat midden waar ik mij mens voel, zij snijden de vitale banden door die mij verenigen met de droom van mijn lucide realiteit.

Vormen van een kapitale wanhoop (waarlijk vitaal),
Viersprong der scheidingen
Viersprong van de sensatie van mijn vlees,
Verlaten door mijn lichaam,
Verlaten door elk mogelijk gevoel in de mens.
Ik kan het alleen maar vergelijken met de toestand waarin men zich bij een zware ziekte midden in een delirium bevindt, te wijten aan de koorts.

Uit de antinomie tussen het gemak diep in mij en mijn uiterlijke moeizaamheid ontstaat de foltering waaraan ik sterf.

Laat de tijd voorbijgaan en de sociale stuiptrekkingen in de wereld de gedachten van de mensen teisteren, ik ben vrij van elke gedachte die door de fenomenen is doorweekt. Laat mij maar in mijn uitgerekte nevel, bij mijn onsterfelijke onmacht, bij mijn onzinnige verwachtingen. Maar men dient goed te weten dat ik van geen enkele van mijn fouten afstand doe. Als ik het verkeerd heb ingeschat, is het de schuld van mijn vlees, maar die klaarten die mijn geest van uur tot uur laat uitfilteren, dat is mijn vlees waarvan het bloed zich hult in bliksemflitsen.

Hij spreekt van narcisme, ik antwoord hem dat het om mijn leven gaat. Ik aanbid niet mijzelf maar het vlees, vlees in de sensibele zin van het woord. Alle dingen raken mij slechts voor zover ze op mijn vlees inwerken, ermee samenvallen, en tot op dat punt dat ze het schokken, en verder niet. Niets raakt mij, interesseert mij dat zich niet onmiddellijk tot mijn vlees richt. En daar hij spreekt tot mij over het Zelf. Ik antwoord hem dat het Ik en het Zelf twee verschillende termen zijn en niet te verwarren, en het zijn heel exact die twee termen, die balanceren, die het evenwicht van het vlees uitmaken.

ANTONIN ARTAUD – 1926
uit: La Pèse-nerfs in [ARTAUD 1956,105-107)
vert. NKdeE 2020 met behulp van DeepL en deze vertaling van Hans Van Pinxteren

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:

Tu as bien tort de faire allusion à cette paralysie qui me menace. Elle me menace en effet et elle gagne de jour en jour. Elle existe déjà et comme une horrible réalité. Certes je fais encore (mais pour combien de temps ?) ce que je veux de mes membres, mais voilà longtemps que je ne commande plus à mon esprit, et que mon inconscient tout entier me commande avec des impulsions qui viennent du fond de mes rages nerveuses et du tourbillonnement de mon sang. Images pressées et rapides, et qui ne prononcent à mon esprit que des mots de colère et de haine aveugle, mais qui passent comme des coups de couteau ou des éclairs dans un ciel engorgé.

Je suis stigmatisé par une mort pressante où la mort véritable est pour moi sans terreur.

.Ces formes terrifiantes qui s’avancent, je sens que le désespoir qu’elles m’apportent est vivant. Il se glisse à ce noeud de la vie après lequel les routes de l’éternité s’ouvrent. C’est vraiment la séparation à jamais. Elles glissent leur couteau à ce ventre où je me sens homme, elles coupent les attaches vitales qui me rejoignent au songe de ma lucide réalité.

Formes d’un désespoir capital (vraiment vital), carrefour des séparations, carrefour de la sensation de ma chair, abandonné par mon corps, abandonné de tout sentiment possible dans l’homme. Je ne puis le comparer qu’à cet état dans lequel on se trouve au sein d’un délire dû à la fièvre, au cours d’une profonde maladie.

C’est cette antinomie entre ma facilité profonde et mon extérieure difficulté qui crée le tourment dont je meurs.

Le temps peut passer et les convulsions sociales du monde ravager les pensées des hommes, je suis sauf de toute pensée qui trempe dans les phénomènes. Qu’on me laisse à mes nuages éteints, à mon immortelle impuissance, à mes déraisonnables espoirs. Mais qu’on sache bien que je n’abdique aucune de mes erreurs. Si j’ai mal jugé, c’est la faute de ma chair, mais ces lumières que mon esprit laisse filtrer d’heure en heure, c’est ma chair dont le sang se recouvre d’éclairs.

Il me parle de Narcissisme, je lui rétorque qu’il s’agit de ma vie. J’ai le culte non pas du moi mais de la chair, dans le sens sensible du mot chair. Toutes les choses ne me touchent qu’en tant qu’elles affectent ma chair, qu’elles coïncident avec elle, et à ce point même où elles l’ébranlent, pas au-delà. Rien ne me touche, ne m’intéresse que ce qui s’adresse directement à ma chair. Et à ce moment il me parle du Soi. Je lui rétorque que le Moi et le Soi sont deux termes distincts et à ne pas confondre, et sont très exactement les deux termes qui se balancent de l’équilibre de la chair.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
Vertalingen - Bewerkingen

HET MYSTIEKE ZEESCHIP

’t Archaische zeeschip zal zijn verloren gegaan
Op zeeën waar mijn dromen hopeloos baden
En de immense masten verwrongen geraakt
In de hemelse nevel van bijbel en hymne.

Een liedje klinkt maar niet het bucolisch antieke
Mysterieus tussen de kale bomen;
En ’t heilige schip zal zijn zeldzaamste waren
Nooit verkocht hebben ver in den vreemde

Hij kent de vuren niet der havens op aarde.
Hij kent slechts God en zonder solitair doel
Scheidt hij de gloriegolven der oneindigheid.

Het eind van zijn boegspriet duikt in mysterie.
Aan de top zijner masten trilt elke nacht
Het zuivere, mystieke zilver van de Poolster.

Antonin Artaud – 1913

LE NAVIRE MYSTIQUE

Il se sera perdu le navire archaïque
Aux mers où baigneront mes rêves éperdus ;
Et ses immenses mâts se seront confondus
Dans les brouillards d’un ciel de bible et de cantique.

Un air jouera, mais non d’antique bucolique,
Mystérieusement parmi les arbres nus ;
Et le navire saint n’aura jamais vendu
La très rare denrée aux pays exotiques.

Il ne sait pas les feux des havres de la terre.
Il ne connaît que Dieu et sans fin solitaire
Il sépare les flots glorieux de l’infini.

Le bout de son beaupré plonge dans le mystère.
Aux pointes de ses mâts tremble toutes les nuits
L’argent mystique et pur de l’étoile polaire.

(1913)
https://ebooks-bnr.com/ebooks/pdf4/artaud_poemes.pdf

NKdeE 2020 – LE NAVIRE MYSTIQUE – pastel & wasco -A5

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

Categorieën
lyriek Vertalingen - Bewerkingen

EXTASE

Zilveren sintels, vuurkolenkroes
Met van zijn intieme macht de muziek
Geledigde vuurgloed, verlost, schors
Die doende haar werelden lost

Uitputtend onderzoek van het ik
Penetratie die zich te buiten gaat
Ha! de ijsbrandstapel op, samen
Met het brein dat het heeft bedacht.

De oude onpeilbare queeste
Extravaseert in genot
Voelbare zinnelijkheden, extase
In waarachtig zingend kristal.

O inktenmuziek, muziek
Muziek van bedolven kolen
Zacht, wegend, die ons verlost
Met zijn fosforgeheimen.

Antonin Artaud – vert. NKdeE 2020

EXTASE

Argentin brasier, braise creusée
Avec la musique de son intime force
Braise évidée, délivrée, écorce
Occupée à livrer ses mondes.

Recherche épuisante du moi
Pénétration qui se dépasse
Ah! joindre le bûcher de glace
Avec l’esprit qui le pensa.

La vieille poursuite insondable
En jouissance s’extravase
Sensualités sensibles, extase
Aux cristaux chantants véritables.

Ô musique d’encre, musique
Musique des charbons enterrés
Douce, pesante qui nous délivre
Avec ses phosphores secrets.

Antonin Artaud, uit: BILBOQUET in [ARTAUD 1956, p.191]

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #116

jt116 – les tetes moins que les trous – HUISWERK

DE STRAAT

De seksuele straat leeft op
langs de ongepaste gevels,
de cafés, waar misdaad kwettert,
ontwortelen de lanen.

In de zakken branden sexehanden
en de buiken drinken langs onder;
alle gedachten laten het klinken,
en de koppen minder dan de gaten.

LA RUE

La rue sexuelle s’anime
le long de faces mal venues,
les cafés pepiant de crimes
deracinent les avenues.

Des mains de sexe brûlent les poches
et les ventres bouent par-dessous;
toutes les pensees s’entrechoquent,
et les tetes moins que les trous.

Antonin Artaud, uit BILBOQUET [ARTAUD 1956, p.226]

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

bibliografie

ARTAUD 1947: Artaud, Antonin, Van Gogh le suicidé de la société, Gallimard, Paris, 2018, ISBN 978-2-07-076112-8

ARTAUD 1956: Artaud, Antonin, Oeuvres Complètes Tome I, Gallimard, Paris, 1956

BARTHES 1995: Roland Barthes, Oeuvres complètes vol. III , Paris: Seuil, 1995

BONNEFOIT 2013: Bonnefoit, Régine, Paul Klee. Sa théorie de l’art. Lausanne, PPur (Presses polytechnique et universitaires romandes), 2013 ISBN 978-2-88915-034-2

CHAUVIRÉ 2003: Chauviré Christiane, Phénoménologie et esthétique. Le mythe de l’indescriptible chez Wittgenstein dans Rue Descartes, nr 39, Wittgenstein et L’art (februari 2003), PUF

CHEVRIER 2019: Chevrier, Jean-François, Bernard Réquichot. Zones sensibles, Paris , Flammarion, 2019, ISBN 978-2-0814-4197-2

CV-P 2016 I: Viallat-Patonnier, Claire, Les dimensions de l’écriture dans l’oeuvre de Bernard Réquichot. Etudes d’un processus. Vol. I: Thèse , Paris , ECOLE DES HAUTES ETUDES EN SCIENCES SOCIALES, 2016

CV-P 2016 II: Viallat-Patonnier, Claire, Les dimensions de l’écriture dans l’oeuvre de Bernard Réquichot. Etudes d’un processus. Vol. II: Annexes et illustrations, Paris , ECOLE DES HAUTES ETUDES EN SCIENCES SOCIALES, 2016

CR 1973: Billot, Marcel (ed.), Bernard Réquichot. Bruxelles, La Connaissance, 1973 (Catalogue Raisonné)

FREUD 1989 I: Freud, Sigmund, Colleges inleiding tot de psychoanalyse . Inleiding tot de psychoanalyse 1/2, Boom Meppel Amsterdam, 1989

GREEN 2013: Green, Michael (vert. & red.), The Russian Symbolist Theatre. An Anthology of Plays and Critical Texts, Ardis, New York 2013.

KUSTERS 2014: Kusters, Wouter, Filosofie van de Waanzin, Lemniscaat, Rotterdam 2014

MORALES 2002 : Moralès, Gérald: La Poésie de Bernard Réquichot. De l’être à lettre, EFEdition, Paris 2002, ISBN 2-913786-13-8

MORALES 2010, Moralès, Gérald: L’écriture du réel. Pour une philosophie du sujet, Paris , Cerf, 2010, ISBN 978-2-204-09225-8

MURRAY 2014: Murray, Ros, Antonin Artaud, The Scum of the Soul, London, Palgrave Macmillan, 2014, ISBN 978–1–137–31057–6

OURY 1989, Oury, Création et schizophrénie, Paris, Gallimard 1989, ISBN 978-2-7186-0354-4

REQUICHOT 2002: Réquichot, Bernard: Écrits divers. Journal, lettres, textes épars, Faustus, poèmes, 1951-1961, Les Presses du réel, Dijon, 2002

VALERY I: Valery, Paul, Oeuvres Tome I, Hytier, Jean (ed.), Paris, Gallimard, 1957

VALERY II: Valery, Paul, Oeuvres Tome II, Hytier, Jean (ed.), Paris, Gallimard, 1960

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #115

jt115 – le vrai néant effilé – VELDSLAG

Er bestaat een zure en troebele beklemming, even machtig als een mes, waarvan de opdeling het gewicht heeft van de aarde, een beklemming met klaarten, met de interpunctie van afgronden, gekneld en geperst als punaises, als een soort hard ongedierte en waarvan alle bewegingen verstard zijn, een beklemming waarin de geest zich worgt, zichzelf snijdt, – zich doodt.
Zij verbruikt niets dat haar niet toebehoort, zij komt voort uit haar eigen asfyxie.
Zij is een bevriezing van het merg, een afwezigheid van mentaal vuur, een circulatiegebrek van het leven.
Maar de opiate* beklemming heeft een andere kleur, zij heeft niet dat metafysisch verglijden, dat wonderlijke imperfecte accent. Die stel ik mij voor als vol echo’s, grotten, labyrinten, omkeringen; vol pratende vuurtongen, actieve geestesogen en het klappen van sombere bliksems vervuld van rede.
Dus de ziel stel ik mij wel heel centraal voor en toch tot in het oneindige opdeelbaar, en verplaatsbaar als een ding dat is. Ik stel mij de ziel gevoelend voor, die tegelijk strijdt en toegeeft, en haar tongen in alle zinnen draait, en haar geslacht vermenigvuldigt, – en zich doodt.
Het is nodig het echte uitgerafelde niets te kennen, het niets dat geen orgaan meer heeft. Het niets van de opium heeft in zich de ruimte van een zwart gat als de vorm van een voorhoofd dat denkt, dat gesitueerd heeft.
Maar ik spreek van de afwezigheid van het gat, van een soort lijden dat koud is en zonder beelden, zonder sentiment, en dat is als een onbeschrijfbare aborterende stomp.

Antonin Artaud

de originele tekst uit ‘ L’Ombilic des Limbes’:

        Il y a une angoisse acide et trouble, aussi puissante qu’un couteau, et dont l’écartèlement a le poids de la terre, une angoisse en éclairs, en ponctuation de gouffres, serrés et pressés comme des punaises, comme une sorte de vermine dure et dont tous les mouvements sont figés, une angoisse où l’esprit s’étrangle et se coupe lui-même, — se tue.
       Elle ne consume rien qui ne lui appartienne, elle  naît de sa propre asphyxie.
       Elle est une congélation de la moelle, une absence de feu mental, un manque de circulation de la vie.
       Mais l’angoisse opiumique a une autre couleur, elle n’a pas cette pente métaphysique, cette merveilleuse imperfection d’accent. Je l’imagine pleine d’échos, et de caves, des labyrinthes, de retournements; pleine de langues de feu parlantes, d’yeux mentaux en action et du claquement d’une foudre sombre et remplie de raison.
        Mais j’imagine l’âme alors bien centrée, et toutefois à l’infini divisible, et transportable comme une chose qui est. J’imagine l’âme sentante et qui à la fois lutte et consent, et fait tourner en tous sens ses langues, multiplie son sexe, — et se tue.
         Il faut connaître le vrai néant effilé, le néant qui n’a plus d’organe. Le néant de l’opium a en lui comme la forme d’un front qui pense, qui a situé la place du trou noir.
         Je parle moi de l’absence de trou, d’une sorte de souffrance froide et sans images, sans sentiment, et qui est comme un heurt indescriptible d’avortements.

[ARTAUD 1956, p.72-73]


** de ‘angoisse’ ten gevolge van opiumgebruik. Enkele bladzijden terug, in de tekst ‘Lettre à monsieur le Legislateur de la Loi sur les Stupifiant’, heeft Artaud een fel pleidooi gehouden voor het zelfbeschikkingsrecht van de opiumgebruiker die onderworpen aan zijn vreselijk mentale lijden, zich bij gebrek aan beter gedwongen ziet om zijn toevlucht te nemen tot dergelijke middelen. Niemand heeft het recht hem daarvoor te criminaliseren. Immers “Toute la science hasardeuse des hommes n’est pas supérieure à la connaissance immédiate que je puis avoir de mon être. Je suis seul juge de ce qui est en moi”, een argument dat o.i. nog steeds stand houdt, maar bon, wie zijn wij etc.
Elkwegs: het lijkt er fel op dat Artaud met deze tekst wou aantonen dat hij weet waarover hij praat, om zo de argumentatie daar kracht bij te zetten.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

bibliografie

ARTAUD 1947: Artaud, Antonin, Van Gogh le suicidé de la société, Gallimard, Paris, 2018, ISBN 978-2-07-076112-8

ARTAUD 1956: Artaud, Antonin, Oeuvres Complètes Tome I, Gallimard, Paris, 1956

BARTHES 1995: Roland Barthes, Oeuvres complètes vol. III , Paris: Seuil, 1995

BONNEFOIT 2013: Bonnefoit, Régine, Paul Klee. Sa théorie de l’art. Lausanne, PPur (Presses polytechnique et universitaires romandes), 2013 ISBN 978-2-88915-034-2

CHAUVIRÉ 2003: Chauviré Christiane, Phénoménologie et esthétique. Le mythe de l’indescriptible chez Wittgenstein dans Rue Descartes, nr 39, Wittgenstein et L’art (februari 2003), PUF

CHEVRIER 2019: Chevrier, Jean-François, Bernard Réquichot. Zones sensibles, Paris , Flammarion, 2019, ISBN 978-2-0814-4197-2

CV-P 2016 I: Viallat-Patonnier, Claire, Les dimensions de l’écriture dans l’oeuvre de Bernard Réquichot. Etudes d’un processus. Vol. I: Thèse , Paris , ECOLE DES HAUTES ETUDES EN SCIENCES SOCIALES, 2016

CV-P 2016 II: Viallat-Patonnier, Claire, Les dimensions de l’écriture dans l’oeuvre de Bernard Réquichot. Etudes d’un processus. Vol. II: Annexes et illustrations, Paris , ECOLE DES HAUTES ETUDES EN SCIENCES SOCIALES, 2016

CR 1973: Billot, Marcel (ed.), Bernard Réquichot. Bruxelles, La Connaissance, 1973 (Catalogue Raisonné)

FREUD 1989 I: Freud, Sigmund, Colleges inleiding tot de psychoanalyse . Inleiding tot de psychoanalyse 1/2, Boom Meppel Amsterdam, 1989

GREEN 2013: Green, Michael (vert. & red.), The Russian Symbolist Theatre. An Anthology of Plays and Critical Texts, Ardis, New York 2013.

KUSTERS 2014: Kusters, Wouter, Filosofie van de Waanzin, Lemniscaat, Rotterdam 2014

MORALES 2002 : Moralès, Gérald: La Poésie de Bernard Réquichot. De l’être à lettre, EFEdition, Paris 2002, ISBN 2-913786-13-8

MORALES 2010, Moralès, Gérald: L’écriture du réel. Pour une philosophie du sujet, Paris , Cerf, 2010, ISBN 978-2-204-09225-8

MURRAY 2014: Murray, Ros, Antonin Artaud, The Scum of the Soul, London, Palgrave Macmillan, 2014, ISBN 978–1–137–31057–6

OURY 1989, Oury, Création et schizophrénie, Paris, Gallimard 1989, ISBN 978-2-7186-0354-4

REQUICHOT 2002: Réquichot, Bernard: Écrits divers. Journal, lettres, textes épars, Faustus, poèmes, 1951-1961, Les Presses du réel, Dijon, 2002

VALERY I: Valery, Paul, Oeuvres Tome I, Hytier, Jean (ed.), Paris, Gallimard, 1957

VALERY II: Valery, Paul, Oeuvres Tome II, Hytier, Jean (ed.), Paris, Gallimard, 1960

Categorieën
Requichot Vertalingen - Bewerkingen

dagboek zonder dagen (16)

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

[…p.118…]

Net zoals het mogelijk is om de gedachten in wakende toestand aan een discipline te onderwerpen, is het mogelijk om de gedachten en de gevoelens van dromen te disciplineren: er toe komen om bepaalde zaken bewust niet te dromen, vervolgens er toe komen om bewust bepaalde andere dingen te dromen, die dromen te registreren, er een zeker bewustzijn van te hebben, er de herinnering van verbeteren om zo van de slaap wat nieuwe bagage aan kennis over te houden en zo de slaap om te vormen tot een onderzoeksmiddel. Er voor zorgen dat de vreemde vondsten van de dromen ons tijdens de rest van het leven naar een beter begrip van die zaken leiden, waarvan we ons nog niet bewust zijn: dat die zaken langzaam stijgen van het onbewuste onbekende en onvoelbare naar het gekende, het bewuste en het voelbare. Dat daargelaten zijn er toch bepaalde gedachten uitgesloten uit het mentale in wakende toestand die zelfs geen toevlucht vinden in de droom. Deze uitsluitingen van het bewustzijn, uitsluitingen uit de droom zullen hun toevlucht zoeken (is het nog leven) in de meest obscure afwezigheid van het denkbare, het verlangen en het gevoel. Er zal heel natuurlijk een verhouding ontstaan tussen de slaap en het waken: in de slaap ontwikkelen zich de materialen bestemd om zich af te scheiden van het onbewuste, terwijl die zaken die bestemd zijn om het bewuste te verlaten zich nog voordoen in de droom vooraleer zich meer definitief af te zetten in de meest onwaarneembare gebieden.

Het idee komt zo uit het voorbewuste, uit het onbewuste, uit wat achter het onbewuste ligt, neemt het zijn aanvang in de nacht van het onwaarneembare en het onvoorstelbare. maar door ons te trainen in de kennis die zich ontwikkelt in die achterwereld, door discipline, door ons meer bewust te maken van die ideeën, die gevoelens, die gewaarwordingen die er nog nauwelijks zijn en waarop de dromen een straal daglicht werpen, benaderen wij een beter begrip van dat onwaarneembare en dat onvoorstelbare.

Afbeeldingsresultaat voor Réquichot Ecrit divers

commentaar

ik weet het niet maar ik denk niet dat ze elkaar gekend hebben Réquichot en Artaud. ik denk ook niet dat beide personen erg compatibel waren, ’t is een ander afdeling om het zo oneerbiedig te zeggen…
soit, we houden de kerk in ’t midden met nog ’s een paragraafke vertaling van Bernard vandaag…

mss., zo hoor ik mij denken, ben ik zelf wel een soort meta-zot, een ontsnapsel uit een verder onbekende dimensie van de waanzin, dat ik mij zo begrepen voel bij beiden. tja. ja sè.Deleuze, da’s ook nog ewa thuiskomen, maar da’s niet zo bekend maar dat was ook nie echt ne gewone ze. die kon er in zijne privè ook nie een beetje neffens derailleren.ach ach, ge moogt er niet teveel over doordenken net zoals over Amerika en de Amerikanen dezer dagen. als ge daar op begint door te denken wordt ge zotter dan zot van verdriet en pure horror want allez dat is toch puur een zwart gat van absolute horror nu en zeggen dat daar ontelbare letterlijk ontelbare verschrikkelijk lieve en schattige menskens wonen die net als wij alleen maar vragen om af en toe een beetje gerust te mogen zijn en blij te zijn bij elkaar. ’t is erg en nog erger is dat er niks aan te doen is en dat we hier van geluk mogen spreken toch…

weet ge als ge daar te lang over doordenkt over dat soort zaken geraakt ge helemaal ommuurd door de absolute onleefbaarheid van hoe onze werkelijkheid, dat stukske van ons aller illusies dat we blijkbaar delen kunnen, van hoe die communiceerbare fictie zich verhoudt tot wat het in onze verbeelding zou kunnen zijn, enerzijds en dat van binnen uit, als we zo ommuurd zitten al, ook nog ’s opstijgt het gevoel van hoe het ‘echt’ zit, want we weten dat niet bewust dat we dat weten maar we weten het wel onbewust en dat is dan geen echt weten maar een onontkenbaar besef, een weten van het niet-weten zoals wanneer ge weet dat ge iets vergeten zijt, wel als die nest binnen de onmogelijkheid van enige uitweg uit de realiteit naar het imaginaire ook nog ’s komt opzetten dan begint ge pas de ware toedracht van de woorden van zowel Réquichot als Artaud te begrijpen, te doorgronden, niet omdat ge het ‘snapt’, ge kunt het zelfs niet uitleggen, maar gewoon omdat ge het ervaart omdat het in uw puttekensputteke ook aan het gebeuren is, alleen hebt gij nog de luxe dat ge het naar believen af kunt zetten omdat ge die kracht nog over hebt, terwijl die twee pipo’s er vrijwel constant geheel aan overgeleverd waren, het moesten ondergaan. feesten van angst en pijn.

die fameuze écriture du réel, wat het ook moge worden, wat daaruit voort gaat komen, en je voelt dat er iets heel erg hoognodig Iets wil worden alsof de ganse wereldziel in alle kottekens van de humane expressie aan het pushen is om dat Iets er uit te krijgen, die fameuze Gebeurte die ons overkomen gaat, echt fameus plezant gaat het denkelijk toch nie worden hoor.

achteraf misschien, als we het horen jengelen met een engelenstem.

maar bon, ’t is nu niet alsof we daarin enige keuze hebben, dat is ongeveer het domste wat je daarbij kan denken.

blijven ademen dus, zoals ons moeder moest doen van de bevalmadam.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #114

jt114 – Le sol est tout conchié d’âmes – SLAGVELD

de dichters heffen de handen
daar waar trilt het levend vitriool,
op de tafels idool is het zwerk dat
beentrekt in een boog. het lid

murwt een tong van ijs in elk
gat, elke kier die de hemel zo
voortschrijdend open laat.

de vloer is gans onder gescheten
met zielen en vrouwen met leuke
sexe-deeltjes, heel kleine krengen
die hun mummies afwikkelen.

Les poètes lèvent des mains
où tremblent de vivante vitriols
sur les tables le ciel idole
s’ arc-boute, et le sexe fin

trempe une langue de glace
dans chaque trou, dans chaque place
que le ciel laisse en avançant.

Le sol est tout conchié d’ämes
et de femmes aux sexe joli
dont les cadavres tous petits
dépapillotent leurs momies.

Antonin Artaud – uit ‘L’Ombilic des Limbes’ in [ARTAUD 1956, p71]

NKdeE 2020 – ‘les poètes [se] lèvent des mains – Artaud’ – A5 -potlood-krijt-wasco

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

bibliografie

ARTAUD 1947: Artaud, Antonin, Van Gogh le suicidé de la société, Gallimard, Paris, 2018, ISBN 978-2-07-076112-8

ARTAUD 1956: Artaud, Antonin, Oeuvres Complètes Tome I, Gallimard, Paris, 1956

BARTHES 1995: Roland Barthes, Oeuvres complètes vol. III , Paris: Seuil, 1995

BONNEFOIT 2013: Bonnefoit, Régine, Paul Klee. Sa théorie de l’art. Lausanne, PPur (Presses polytechnique et universitaires romandes), 2013 ISBN 978-2-88915-034-2

CHAUVIRÉ 2003: Chauviré Christiane, Phénoménologie et esthétique. Le mythe de l’indescriptible chez Wittgenstein dans Rue Descartes, nr 39, Wittgenstein et L’art (februari 2003), PUF

CHEVRIER 2019: Chevrier, Jean-François, Bernard Réquichot. Zones sensibles, Paris , Flammarion, 2019, ISBN 978-2-0814-4197-2

CV-P 2016 I: Viallat-Patonnier, Claire, Les dimensions de l’écriture dans l’oeuvre de Bernard Réquichot. Etudes d’un processus. Vol. I: Thèse , Paris , ECOLE DES HAUTES ETUDES EN SCIENCES SOCIALES, 2016

CV-P 2016 II: Viallat-Patonnier, Claire, Les dimensions de l’écriture dans l’oeuvre de Bernard Réquichot. Etudes d’un processus. Vol. II: Annexes et illustrations, Paris , ECOLE DES HAUTES ETUDES EN SCIENCES SOCIALES, 2016

CR 1973: Billot, Marcel (ed.), Bernard Réquichot. Bruxelles, La Connaissance, 1973 (Catalogue Raisonné)

FREUD 1989 I: Freud, Sigmund, Colleges inleiding tot de psychoanalyse . Inleiding tot de psychoanalyse 1/2, Boom Meppel Amsterdam, 1989

GREEN 2013: Green, Michael (vert. & red.), The Russian Symbolist Theatre. An Anthology of Plays and Critical Texts, Ardis, New York 2013.

KUSTERS 2014: Kusters, Wouter, Filosofie van de Waanzin, Lemniscaat, Rotterdam 2014

MORALES 2002 : Moralès, Gérald: La Poésie de Bernard Réquichot. De l’être à lettre, EFEdition, Paris 2002, ISBN 2-913786-13-8

MORALES 2010, Moralès, Gérald: L’écriture du réel. Pour une philosophie du sujet, Paris , Cerf, 2010, ISBN 978-2-204-09225-8

MURRAY 2014: Murray, Ros, Antonin Artaud, The Scum of the Soul, London, Palgrave Macmillan, 2014, ISBN 978–1–137–31057–6

OURY 1989, Oury, Création et schizophrénie, Paris, Gallimard 1989, ISBN 978-2-7186-0354-4

REQUICHOT 2002: Réquichot, Bernard: Écrits divers. Journal, lettres, textes épars, Faustus, poèmes, 1951-1961, Les Presses du réel, Dijon, 2002

VALERY I: Valery, Paul, Oeuvres Tome I, Hytier, Jean (ed.), Paris, Gallimard, 1957

VALERY II: Valery, Paul, Oeuvres Tome II, Hytier, Jean (ed.), Paris, Gallimard, 1960

Categorieën
Vertalingen - Bewerkingen

zwarte dichter

Zwarte dichter, door een maagdenschoot
behekst,
verzuurde dichter, ’t leven stokt
en de stad brandt,
en de hemel kwijt zich in regen,
jouw veer krabt aan het hart van het leven.

Bossen, bossen, ogen zwermen
rond pijnappelwoekering;
met stormharen de dichters
vorken de paarden, de honden.

De ogen razen, de tongen roeren
de hemeltoevloed in de neusgaten om
als melk, voedzaam en blauw;
ik ben opgehangen aan uw lippen,
vrouwen, harde harten vol azijn.

Antonin Artaud – vert. NKdeE 2020

POETE NOIR

Poète noir, un sein de pucelle
te hante,
poète aigri, la vie bout
et la ville brûle,
et le ciel se résorbe en pluie,
ta plume gratte au coeur de la vie.

Forêt, forêt, des yeux fourmillent
sur les pignons multipliés ;
cheveux d’orage, les poètes
enfourchent des chevaux, des chiens.

Les yeux ragent, les langues tournent
le ciel afflue dans les narines
comme un lait nourricier et bleu ;
je suis suspendu à vos bouches
femmes, coeurs de vinaigre durs.

uit: Ombilic des Limbes,
in Artaud, Antonin, Oeuvres Completes Tome I, Gallimard, Paris 1956, p.65

Categorieën
Kathedraalse Leer Proza Requichot Vertalingen - Bewerkingen

dagboek zonder dagen (15)

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

De materie is zonder begin, de geest komt evenals het leven voort uit de evolutie van de materie. Het is daarom dat het kleinste fenomeen van de materie in zich de potentie draagt van de geest en het leven. Omdat de materie zich zonder twijfel op min of meer zeldzame wijze op elke plaats van het universum bevindt, kunnen we zeggen: elk deeltje van het universum bevat in potentie geest en leven. Omdat elk deeltje van het universum sinds oneindige tijden bestaat, heeft elke deeltje sinds oneindige tijden al ontelbare cycli van metamorfoses doorlopen, van leven en dood. De tijd beweegt in het binnen van het universum en beweegt op zichzelf; hij geeft aan elke plaats een geschiedenis even oud als de ganse wereld en gelijkaardig aan eender andere waar materie, leven en denken overlappen.
Vanaf een zekere zwaartegraad wordt het denken universeel: dat is waar voor de dichter, de wijze, de kunstenaar en ieder waarvan de activiteit een

p.118

middel tot kennis is. het is daarom dat wanneer zij die graad bereiken hun verslagen hen onderling verrijken omdat ze een gemeenschappelijke taal spreken. Door verschillende middelen tot kennis komen ze bij die gemeenschappelijke plaats waar ze hun zienswijzen met elkaar kunnen confronteren. Vandaar dat de studie van het fundamentele begint wanneer de gescheiden middelen tot kennis aftreden.

Afbeeldingsresultaat voor Réquichot Ecrit divers
Categorieën
Kathedraalse Leer Proza Requichot Vertalingen - Bewerkingen

dagboek zonder dagen (14)

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

Soms moet je vechten tegen je denken en als het denken ons overstijgt kan het ook een middel worden om ons te overstijgen.

p.117

Voor de dingen van het dagelijkse leven, zij kunnen schilderkunst worden als zij [als?] dingen van buiten resoneren met de wereld van binnen, en de schilderkunst gelijkaardig aan de dingen wordt.

De mens van de toekomst zal begrepen hebben hoe hij gemaakt is en hoe hij functioneert, hoe de mekaniek in elkaar zit van zijn denken en zijn voelen; hij zal dat kunnen maken en laten werken, hij zal denkende en voelende machines maken en die kunnen zich zelfs perfectioneren: ze zullen gemaakt zijn naar zijn beeld. Hij die hen maakte zal hen domineren en hen begrijpen: weinig zal voor hem nog een daad van begrip of gevoel zijn.

Stelling: De beweging ontbindt de materie: hoe meer de beweging toeneemt, hoe meer de materie zich wegvaagt.

God is een eenvoudig idee gebruikt door mensen die zich geen vragen stellen.

Men kan zich de fenomenen van de dood heel goed voorstellen en dus bestuderen zonder al dood te zijn of bezig te sterven.

De auto-analist experimenteert met ongerepte psychische toestanden.

Als de getallen enkel een ingebeelde existentie hebben kunnen de wiskundige bewijzen dan iets anders zijn dan ingebeelde waarheden?

Afbeeldingsresultaat voor Réquichot Ecrit divers

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

Categorieën
Requichot Vertalingen - Bewerkingen

dagboek zonder dagen (13)

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

Reactie impliceert gewaarwording op een variabele graad van bewustzijn. De niet gewilde keuze van de reactie veronderstelt een reden, dus een betekenis.
Voorbeeld van betekenis: klauwen op de grond indiceren de passage van een leeuw.

De toeschouwer van een dergelijke gevoelige plaat heeft de rol haar te lezen; de lezing begint in de omgekeerde richting van het schrift: de toeschouwer ziet eerst dat waarmee de analyst eindigde en, om de zaken redelijk grof te beschouwen, keert langs omgekeerde opeenvolging op de loop der acties terug.

Wij, de introverte anderen, wij hebben onze twijfels over ons, zoals jullie extraverten waarschijnlijk jullie twijfels hebben over de anderen.

De communicatie onderneemt haar pogingen in de experimentele emoties. Wanneer de experimentele emotie verrast, vervoert of stopt, dan komt dat wat verwacht werd aan en fixeert zich in een ogenblik.

Mocht de duivel bestaan, wij zouden onszelf beter kennen.

Het meest extreem doordringende van het lawaai is een vorm van sadisme.

Afbeeldingsresultaat voor Réquichot Ecrit divers

commentaar

eigenlijk is het onvoorstelbaar wat voor een verschrikkelijk slechte lezers de geschriften van Bernard Réquichot hebben moeten doorstaan. ik heb in ieder geval bij al het geschrevene dat ik over Réquichot las nergens de indruk gekregen dat de auteurs daarvan ook maar iets van deze geschriften hebben begrepen.

het zijn nochtans geen obscure geschriften, ze verhullen totaal niks, ze zijn doodeerlijk en zeggen exact wat ze ‘willen’ zeggen. maar je moet het geschreven wel willen activeren als gedachte in je hoofd, je moet ze (durven/willen/ de moeite nemen om ze) open( te )vouwen van tekst tot gebeurende gedachte.

je moet Réquichot dus lezen zoals men vroeger boeken las, en zoals men ze ook schreef, niet als kant en klaar consumptieproduct maar als een hulpmiddel, een werktuig om gedachten te laten gebeuren.

(de Trionfi van Petrarca moet je ook zo lezen, als een programma om alle verhalen achter de korte vermelding in de tekst van de ‘optocht’ te laten gebeuren in je hoofd, de echte tekst van de Trionfi werd geschreven door de lezers van Petrarca die de code nog konden lezen als programma, als code voor de machine van het geheugen – hoe denk je anders de immense populariteit van die tekst te verklaren die door zijn tijdgenoten duizend keer hoger ingeschat werden dan de liedjes voor Laura? omdat al die duizenden lezers zo loemp waren misschien? wie is er hier loemp? de evolutie in de cultuur is een constante devolutie, het wordt alleen maar erger met de loempigheid…)

neem een zinnetje als: ‘Si le diable existait nous nous connaîtrions davantage’ ( ‘Mocht de duivel bestaan, wij zouden onszelf beter kennen’).

wat betekent dat als je het eenmaal, driemaal honderdmaal leest? als je weigert te denken, weigert bij jezelf op zoek te gaan wat het zou kunnen betekenen, blijf je enkel achter met een gratuit bon mot, een aforisme zoals je er wel duizend per dag zou kunnen consumeren.

maar hoe kom je tot de gedachte die deze zin activeert als je het toelaat? wel, de zin zegt dat de duivel niet bestaat en dat we daardoor onszelf niet zo goed kennen dan wanneer dat wel het geval zou zijn.
waarom zouden wij onszelf dan beter kennen?
wat is de duivel? het kwaad in de mens. we kennen dus niet het kwaad in de mens want dat zit in ons denken, en moest het niet in ons denken zijn, dan zou het bestaan als duivel en dan konden we het kennen, want dan viel immers ons denken niet langer samen met het kwade erin, met de duivel ervan die evenwel niet bestaat.
voila, nu is de gedachte vrij en kan ze beginnen wérken, je hebt een pad geopend in de gewoonte van je denken dat er nog niet was, want aja, dat was uw gewoonte niet om daar zo over te denken, maar nu bestaat die duivelse gedachte in jou en ken je jezelf iets beter, maar wat ken je beter? is dat wel jezelf? is het Réquichot? de duivel?

zie je, je kan die geschriften niet zomaar ‘consumeren’ zoals je wel met deze teksten van mij kan doen, dat is daar slappe koffie tegen (geeuw maar, je mag, ik sta het jou toe).

nog een voorbeeld? oké, volgende zin: “L’extrême aigu du bruit est une forme de sadisme”( ‘Het meest extreem doordringende van het lawaai is een vorm van sadisme’).

hoe gaan we van deze uitspraak opnieuw een actieve gedachte maken? wel hop, dezelfde manier van ‘lezen’: wat is lawaai, wanneer is lawaai lawaai en geen geluid?

lawaai is lawaai wanneer het als lawaai wordt waargenomen, wanneer het herkent wordt als lawaai, wanneer het zich herkent als lawaai. wat kan het lawaai anders doen dan genieten van zijn lawaai-zijn, zijn hinderlijk zijn, van de ergernis die het opwekt, het spoor daarvan dat het aanricht, hoe prachtig is het niet om lawaai te zijn, hoe je de teerbewaakte stilte kan openrijten, hoe je het ongerepte met een gilletje kan aansnijden, openrukken, vernielen verwoesten. maar nee hoor lawaai is gewoon bot betekenisloos lawaai, het is alleen het meest extreem scherpe van het lawaai dat een vorm is van sadisme, het soort lawaai dus dat genoegen schept in het lawaai zijn.

beide zinnen staan na een vrij omstandige uitleg dat een schilder die experimenteert met zijn automatisme van de toeschouwer verwacht dat deze de omgekeerde weg zal afleggen om zo te lezen wat de schilder emotioneel heeft doorgemaakt (weerzin, enthousiasme, wantrouwen) door de confrontatie met die automatische expressie.

midden in die uitleg, lees daar ajb niet over in je post-corona haast, gaat het over het gebrek aan vertrouwen dat ook de extravert wel moet kennen (veronderstelt toch de introvert) in de ander, terwijl de introvert natuurlijk nooit verder komt dan twijfel aan zichzelf, omdat zulks tenslotte het enige is waar hij zekerheid over zou kunnen bereiken, maar zie je zelfs dat lukt mij niet, ik ben nou eenmaal introvert dus ik twijfel in de eerste plaats aan mijzelf…

maar kom, besluit hij dan (twee dagen later? een maand later? we weten het niet, geen enkele lezer van Réquichot heeft het zich afgevraagd blijkbaar, hoe kan je dit lezen en het je niet afvragen???)
kom, besluit hoedanook de auteur van deze als 1 doorlopend geheel gepresenteerde tekst, ik zal jullie deze twee zinnetjes prijsgeven, zodat deze geschriften werken zoals mijn schilderijen, zodat jullie als lezer de omgekeerde weg kunnen volgen en mijn gedachten kunnen lezen door ze bij jezelf te activeren, want als dat in schilderijen zo werkt is dat omdat ik geleerd heb dat het in geschriften ook zo werkt, dat weten jullie toch ook, die zo wanstaltig zeker lijken te zijn over jullie zelf, jullie duivel-loze ikjes in de sacrale stilte van jullie zwijgen?

wat Réquichot ons biedt in zijn geschriften is geen onthulling, geen revelatie, geen epifanie, maar wel de ervaring van een autonoom denken, een belevenis van het gebeuren van het denken zelf.

het is een experiment (zoals alles wat hij doet experiment is, onderzoek, Faustiaanse queeste naar het echte) dat niets minder doet dan pogen om momenten van verbinding tot stand te brengen over de dood heen, een dood die voor de voltrekker van de eigen ondergang, voor de duivelskunstenaar, de leerling-Faust Réquichot op elk moment in zijn leven en in zijn handelen aanwezig was. wat is schrijven anders dan een poging om iets achter te laten van je gedachten? wat is schrijven anders dan een passie die je beoefent alsof je leven ervan afhangt, want dat doet het ook echt op elk moment dat je schrijft.

“wanneer de experimentele emotie verrast, vervoert of stopt, dan komt dat wat verwacht werd aan en fixeert zich in een ogenblik. ”

welkom, jij hypocriete lezer, mijns gelijke, in het moment van Bernard Réquichot.

Categorieën
Kathedraalse Leer Proza Requichot Vertalingen - Bewerkingen

Réquichot – dagboek zonder dagen (10)

NKdeE 2020 – ‘The appearance mid-april of the boy Réquichot in the gestures of my thinking’ – pencil & wax crayons, A6

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

De onbewuste daad : dat wat er onbewust is in de daad.
Welke realiteit voelt er? Wat ondergaat die wanneer er een impressie naar boven komt? Wat wordt die wanneer de impressie voorbij is, de functie ervan opgeheven is? Die functie, welke impuls conditioneert die, onderhoud die of stopt die? Welk residu van zichzelf blijft er over door de herinnering?

Wat is dat, bewustzijn hebben? iets waarvan je alleen de controle hebt, een innerlijk fenomeen waar die controle deel van uitmaakt.

Eender welke gedachte wordt voor de diepzinnige geest een onuitputtelijke materie voor meditatie, alleen al omdat het een gedachte is. Er zijn geen hoge, lage, af te wijzen, te verkiezen gedachten meer, er is enkel dat middel tot reflexie dat meteen ook zijn eigen object is. De gedachten ontstaan allemaal op dezelfde manier. Ze hebben achter zich allemaal dezelfde onbekende die hen uit het donker trekt, dezelfde mengeling van wetten en toevalligheden die hen bindt, hetzelfde ogenblik dat hen tot bewust bezit maakt.

Wat bestaat er?

De dingen werden met mij geboren en ik werd elke dag geboren.

Zijn innerlijk bestaan gaat vooraf aan het denken.

p.115

Hoe kleiner het denken zich maakt, hoe meer de wil ervan afwijkt, het is daarom dat zijn macht zo min is in de schaduw ervan.

Op het moment sluit het weten het willen uit.

Onwillekeurig wil niet zeggen totale passiviteit, en evenmin vrijblijvende bewusteloosheid; er zijn actieve onbewuste materialen, ze hebben een neiging. De afwezigheid van de idee wil niet zeggen: afwezigheid van elk psychisch fenomeen.

De rol van het onwillekeurige is groot in de mate waarin de rol van het onbekende groot is.

Alle materialen worden sensueel.

Categorieën
Kathedraalse Leer Proza Requichot Vertalingen - Bewerkingen

Réquichot – dagboek zonder dagen (8)

//Réquichot Rotbak dag 44 – plots vraagt het kippenbotje zich af ‘wat doe ik hier eigenlijk in deze Rotbak?’

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

De tijd van elke wereld. Er zou zelfs een verband vast te stellen zijn tussen de werelden die door het mentale zijn gecreëerd en de innerlijke tijd die hen heeft zien geboren worden zo kort bij de aandacht die hen deed bestaan. Zo’n wereld zou enkel kunnen bekomen worden bij een corresponderende graad van bewustzijn of van tijdsverandering; zulk een denkinspanning verwekt zulk een wereld, verwekt zulk een tijd. Ze verwekt zulk een waarheid of zulk een schoonheid waarvan sommigen slechts voor het verloop van een ogenblik waarneembaar zouden zijn. Hun tijdelijkheid of liever hun afwijking van de tijd zou een aanduiding zijn van hun kwaliteit: het horloge van de innerlijke tijd zou hun waardenschaal aanduiden.

Mijn schilderijen: figuratief? neen; abstract? ook niet. Men kan er kristallen in terugvinden, schorsen, rotsen, algen; nochtans zijn die dingen niet ‘voorgesteld’. Het aanzien van mijn schilderijen heeft gewoonweg een analogie met die vegetale of minerale materie. De analogie is geen figuratie: wanneer twee katten op elkaar lijken impliceert hun gelijkenis niet dat de ene de afbeelding van de andere is. Figuratief zijn de afbeeldingen van een wereld die bestaat of van een wereld die zou kunnen bestaan. Abstract zijn de afbeeldingen van een wereld die niet kan bestaan. Die gelijkenis van mijn schilderkunst met bepaalde elementen van de natuur is niet intentioneel.

p.114

Kan die onvrijwillige analogie figuratie genoemd worden? Hun richting doet er weinig toe: als die verandert, blijft de analogie. Om de abstracte kwaliteiten van een figuratief werk te appreciëren zet men het omgekeerd om zo te vergeten wat het voorstelt; mijn werken gelijken in alle richtingen op hetzelfde.

Afbeeldingsresultaat voor Réquichot Ecrit divers
Categorieën
Kathedraalse Leer lyriek Proza Requichot Vertalingen - Bewerkingen

Réquichot – dagboek zonder dagen (7)

//Réquichot Rotbak dag 43 – klokken van Wuhan?

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

Degene die zijn bestaan geeft aan het universum schikt het volgens zijn wetten; iedereen geeft aan het universum het bestaan dat hem bevalt.

De grootte van de wereld is maar de grootte van het denken die hem beschouwt, wij zien hem door het innerlijke beeld dat we ervan hebben. Als we mysticus zijn, is hij maar een droom; als we dichter zijn, gemoedsuitdrukking, schoonheid. Als we chemicus zijn is hij louter reacties; wiskundige, dan wordt hij gereduceerd tot wet, tot waarheid. Onze overheersende obsessie overheerst de wereld, hij bestaat door ons. Het einde van het voelen en het denken is

p. 113

ook zijn einde, doodgaan herleid hem tot het niets, alsof onze grens ook de zijne is. Daar is de horizon van ons lynksenoog, daar waar niets nog begint.

De innerlijke tijd. Wie heeft niet een vertraging of een versnelling van het verloop van de tijd bemerkt naargelang de levensperioden, de momenten of de ogenblikken?Is het niet vaak de vertrooide die de tijd vergeet? Verstrooid, niet zo erg, diegene die zich concentreert op een zekere grens van de aandacht en zich daar uitsluitend op immobiliseert. Door zich daarop te fixeren verniet hij de tijd: er zich van losmakend herleeft de duur en omdat de geest zich nergens om bekommert kan die aanzienlijke proporties aannemen. Aldus zou de tijd maar een variabele hoeveelheid behouden aan binding, de intensiteit van het ene zou omgekeerd evenredig zijn met het bewustzijn van het andere. Er zou een heel curieuze horlogerie op punt te stellen zijn: die zou bepalen dat terwijl de perfecte lijn van de zonnewende haar constante ontvouwt zou een andere lijn oneindig gevarieerd met de sentimenten en de personen de punten benaderen of ervan afwijken, punten die zich officieel op gelijke afstand zouden bevinden. Het verwerven van die kostbare tijdsmechaniek zou het modificeren inhouden van staten waarvan het mentale de drijfveer is.

Afbeeldingsresultaat voor Réquichot Ecrit divers
Categorieën
Requichot Vertalingen - Bewerkingen

Réquichot – dagboek zonder dagen (6)

//Réquichot Rotbak dag 40 – echt vooruitgaan doet het wel niet

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

Ik minacht de anderen want ik heb mijn eigen universum. Ik zeg wel degelijk universum, dat wil zeggen dat de anderen erin begrepen zijn. Ik weet dat zij het mij weergeven, maar ik negeer dat.

Daar elke vorm en kleur een expressie hebben is de expressie de ontmoetingsplaats van geheel het zichtbare universum.

p. 112

Klaar te zien zelfs in de gedachten die instinctief gemaakt zijn.
Een redenering bestaat niet.

De aandachtsvolle sensibiliteit van het denken voor de producten van de handgebaren die improviseren.

Een ervaring tot het uiterste voeren: als men te snel het uiterste vindt is dat niet de weg; als men het niet vindt is het de goede.

Ik probeerde de wereld in twee nette regionen te verdelen: hier wat er concreet is daar wat er abstract is; hier wat bestaat, daar wat niet bestaat. Voor die twee alternatieven plaatste ik mijn idee; het had alles wat nodig was om niet te bestaan: de gedachte had niets concreets. Maar toch had er iemand gezegd: “Ik denk dus ik ben” Hij had het nodig te begrijpen wat er in hem gebeurde om te begrijpen wat er buiten hem was.

Sommige onderzoeken bestuderen de uiterlijke wereld, andere de innerlijke. De eersten zullen steeds de waarde van hun bevindingen betwijfelen zolang zij niet weten wat het proces en de waarde van het mentale functioneren is; en de kennis van de mechanismen en de waarde van het mentale zou beperkte kennis zijn als zij haar zekerheid niet tot aan de uiterlijke wereld kon doen reiken. De verbinding van die twee werelden zou dus primordiaal zijn. Wat zou de orde van de wereld zijn zonder onze ntelligentie om haar te vatten, haar te creëren. het begrip van de ene kan niet zijn zonder het begrip van de andere; het ene roept het andere op zijn hoogtepunt, ze zijn elkaars verwezenlijking. De uiterlijke wereld werkt zich uit in het denken, de orde van het universum dat is onze intelligentie om het te vatten, te creëren, om te vatten wat die creëert.

Afbeeldingsresultaat voor Réquichot Ecrit divers
Categorieën
Requichot Vertalingen - Bewerkingen

Réquichot – dagboek zonder dagen (4)

//Réquichot Rotbak dag 38 – volstaat de angst der blootgestelde lichamen om ze op de planeet te kunnen repatriëren?

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

Drie maanden geleden toen ik bij L.D. was kwam er een man binnen die door de gemeenschap der sterfelijken van de buurt beschouwd werd als een beetje gestoord. Hij deed Madame D. en mij een lang genoeg verhaal waaruit ik twee frasen weerhield: ” Ik dood niet om te stelen”, een associatie van ideeën niet ontdaan van enige logica, en “Ik heb twee hoofden zoals Napoleon”, een meer afwijkende bewering. Het gehele verhaal had betrekking op hemzelf en op zijn moeder. Hij leek in zijn ogen een zekere strekking in zijn vooropstellingen te hebben, van het soort waarvan ik veronderstelde dat hij ze begreep terwijl Madame D. en ik het niet begrepen. Net zoals de logische textuur van mijn droom mij absurd leek bij het ontwaken, dacht ik dat als ik maar in zijn plaats was, als ik even gestoord zou zijn als hij, dan zou de zin van zijn woorden mij wel verschenen zijn; en vandaar dat iets in hem zijn toehoorders, te lui of niet capabel om hem te volgen, ontging en dat men hem dan maar veelal bij de minus habens onderbracht. Hij leek een zekere richting in zijn gedachten te hebben; zijn ideeën gaven hem er andere aan, ze leken niet zonder reden elkaar op te volgen. Ik kwam er uiteindelijk toe om te denken dat elke waanzin niets anders was dan een logica die verschilde met de onze en dat er deze logica der gekken, hoe ontoegankelijk zij ook was, niets in de weg stond om gedachten af te scheiden die even gezond en even diepzinnig waren dan welke dan ook.

Zich bevrijden van de gewoonte, zich bevrijden van het denken, zich bevrijden van de wil, zich bevrijden zelfs van de hoop, dit alles terwijl men het verschil weet te herkennen tussen de ware en de valse vrijheid. Er is ook de ware en valse hardnekkigheid.

Schilderen niet om een oeuvre te maken, maar om te weten tot waar een

p.111

oeuvre, tot waar het denken en het voelen kunnen gaan , waartoe onze smaak voor bepaalde geneugten leidt.

Afbeeldingsresultaat voor Réquichot Ecrit divers
Categorieën
Requichot Vertalingen - Bewerkingen

Réquichot – dagboek zonder dagen (1)

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

p.107

We geloven dat we voelen, dat we begrijpen, we geloven dat we iets zeggen als we zeggen “Ik denk”; maar wat is dat “ik” en wat is dat “denk”? Wat is het kennen, wat is het weten, wat het zijn en wat is het zien? Wat is het spreken en wat is het luisteren? Algehele instorting van de woordenschat.

Mocht ik weten wat dat wil zeggen “ik denk”, dan zouden alle domeinen van de kennis mij toegankelijk zijn, want geen van hen bestaat zonder dat het denken bestaat. Het is het zien dat maakt dat wat je ziet, bestaat. Het is het voelen dat maakt dat wat je voelt, bestaat. Zoals in de liefde maakt het voelen dat het ding bestaat.
Zeldzaam zijn zij die denken en zij die voelen, zeldzaam zijn zij voor wie de woorden niet reeds een zin hebben.
Wat is er moeilijker dan de aard van de sentimenten te definiëren? Om ze te veel te willen situeren klasseert men ze, men simplificeert ze, men dooft ze. Van belang is dat zij zijn; wat hun waarde of charme bepaalt is hoe zij verschillen; wat hun geheim is, is dat er geen naam is voor ieder van hen, wat maakt dat ze een middel tot verrijking kunnen zijn, want om ze te kennen moet men ze ondergaan en zo verandert men door hen.
Ze wekken de nieuwsgierigheid: met de verandering die zij ons aanreiken, roepen zij het verlangen op om de verandering bij anderen te kennen. Dus wanneer wij de verandering van de ander aanvoelen zeggen wij hen “Waar denk je aan als je voelt?” Is wat hij ziet overdraagbaar, of wat hij gelooft te denken of gelooft te voelen? Misschien antwoordt hij, misschien geloven we zelfs dat zijn antwoord waar is. Wat is de waarheid van het onzichtbare? Is dat niet dat ding dat maakt dat wij geloven begrepen te zijn? Dat wij geloven dat wij het begrijpen, dat wij begrepen hebben wat ‘ik denk’ wil zeggen? Het begrijpen wordt de uiteindelijk gemeenschappelijke plaats van het denken en van het voelen.

Hulde aan de lelijkheid, aan de horror van de hyperbrol, saërdante arnak-cochijnemesine, wanstaltig en vreselelijk grillig gehoornde troep of

p.108

afzichtelijke wanorde! Glorie voor de ziekelijk lanterfantende klierzooiige afweer die verHixHixt de vaatkluwenkladschilders ! Ho! gorgelaartje van Barabas, Baratsahal waardig, de bottenkwakzalvende, ho bisquekladderaar, bihamente makmish met suddermeumeu! die bij Retieke van de Sekketiekenstraat van bij de taramantieke Réschitoke woonde!

Afbeeldingsresultaat voor Réquichot Ecrit divers
Categorieën
Proza Requichot Vertalingen - Bewerkingen

Barthes over Réquichot (16)

<Barthes-Réquichot (15)Barthes-Réquichot (17)>
foto van Dirk Vekemans.

// Réquichot Rotbak dag 15 – + drie gedroogde kamerplantbladeren

Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.

Barthes ontwikkelt hier, in het stuk over de representatie vandaag, weer enkele zeer bruikbare gedachten. Maar.

Réquichot publiceerde niets van zijn geschriften, compleet in overeenstemming met de premissen van zijn werk. Geeft dat auteur Roland Barthes een vrijgeleide om de eigen kijk op het werk te priviligeren boven de intentieverklaringen en de begeleidende commentaar in het nagelaten literaire werk? Blijkbaar wel: er was nog wat meer echte verdienste mee gemoeid, maar je was ook toen geen auteur tot je het zitje gekocht had, op één of andere manier.

Gelukkig was Réquichot zich van dit kleine euvel bewust. Wist hij dat de echte, wérkende titel ‘auteur/autrice’ enkel postuum kan worden verleend aan de auteur van geschriften die weigeren de vergetelheid te omarmen zonder eerst hun geheimen te hebben prijsgegeven aan de lezers die zulks nodig hebben en die haar/hem daarom uit dankbaarheid benoemen.

“Ah! la jouissance d’être l’auteur de sa propre apocalypse”.

de representatie

Hoe weet de schilder dat het werk af is? Dat hij dient op te houden, het object loslaten, aan een ander werk beginnen? Zolang de schilderkunst strikt figuratief was, was het affe denkbaar (het was zelfs een esthetische waarde): dit hier heeft het bereikt (de illusie), dit kan ik loslaten (het doek); maar in de schilderkunst daarna is de perfectie (parfaire wil zeggen beëindigen) geen waarde meer : het werk is eindeloos (zoals het onbekende meesterwerk van Balzac dat al was), en toch hield men op een zeker moment op (om het te tonen of te vernietigen) : de maat van het werk zit ‘m niet meer in zijn finaliteit (het product beëindigt wat het constitueert), maar in het werk dat het exposeert (de productie waarin het de lezer wil meeslepen: naarmate het werk zich maakt (en zich leest) transformeert het zijn einde. Het is een beetje wat er gebeurt bij een analytische behandeling: het is het aanvankelijk zeer eenvoudige idee zelf van ‘genezing’ dat zich beetje bij beetje compliceert, transformeert en verwijdert: het werk is onbeeindigbaar, zoals de behandeling : in beide gevallen gaat het minder om een te bereiken resultaat dan om een probleem aan te passen, dwz. een onderwerp : het te ontdoen van de finaliteit waarmee het zijn begin insluit.

Zoals men ziet stelt de moeilijkheid om te eindigen – waarvan Réquichot vaak melding maakte – de representatie zelf in vraag, tenzij het de afschaffing van de figuratie is, teweeg gebracht door een heel spel van historische determinaties, die het einde (doel en slot) van de kunst onvervuld laat. Heel de discussie zit misschien vervat in de twee betekenissen van het woord “representatie”. In de gebruikelijke betekenis, die van het klassieke werk, betekent de representatie een kopie, een illusie, een analoge figuur, een gelijkend product; maar in de etymologische zin is de re-presentatie niets anders dan de terugkeer van wat zich gepresenteerd heeft; in de representatie onthult het heden [fr: ‘le présent’] zijn paradox, die van reeds plaatsgevonden te hebben (omdat het niet aan de code ontsnapt): aldus komt dat wat het meest onbedwingbaar is in in de kunstenaar (in het geval van Réquichot) te weten de raket van het orgasme, niet tot stand zonder de hulp van het alreeds dat in de taal vervat is, dat de taal is; en het is hier dat in weerwil van de blijkbaar onverzoenlijke oorlog tussen het Oude en het Nieuwe de twee betekenissen zich verbinden: van het ene eind naar het andere van haar geschiedenis is de kunst niets anders dan het wisselende debat van het beeld en de naam: enerzijds (aan de figuratieve pool) regeert de exacte Naam en legt het teken zijn wet op aan de betekenaar; anderzijds (aan de – moeilijk te zeggen – “abstracte” pool) vlucht de Naam, wil de onophoudelijk exploderende betekenaar zich ontdoen van dat koppige betekende dat wil weerkeren om een teken te vormen (de originaliteit van Réquichot bestaat hierin dat hij de abstracte oplossing achter zich liet en begreep dat je om je van de Naam, de Maya te ontdoen je moest aanvaarden om die uit te putten: de asemie passeert langs de exuberante, radeloze polysemie, : de naam blijft niet ter plaatse).
Samengevat, is er een moment, een niveau van de theorie (van de Tekst, van de kunst) waar de twee betekenissen ruzieën: je kan stellen dat het meest figuratieve schilderwerk nooit iets representeert (kopieert) maar enkel een Naam zoekt (de naam van de scène, van het object); maar je kan ook zeggen (wat vandaag meer ongehoord is) dat het minst figuratieve “schilderij” altijd iets voorstelt: ofwel de taal zelf ( wat om zo te zeggen de positie van de canonieke avant-garde is), ofwel het binnen van het lichaam, het lichaam als binnen, of beter: het genieten : dat wat Réquichot doet ( als schilder van het genot is Réquichot vandaag uitzonderlijk, uit de mode – want de avant-garde is niet vaak genotzuchtig).

de Franse tekst

commentaar

Barthes negeert het autonoom ontwikkelde discours van Réquichot zelf totaal en verliest zich maar al te graag in de wriemelige complexiteiten van zijn reïficerende betekenistheorie die hij als een certitude poneert (terwijl er ondertussen niet zo veel meer van overeind blijft).

maar die ene opmerking over het feit dat de asemie pas kan bereikt worden via een exuberante polysemie maakt veel goed want dat is ook wat blijkt uit de talloze oppervlakkige en al te makkelijke ontsnappingspogingen in de huidige Asemic Writing praktijk die op vrij amechtige en – het moet gezegd – zelfs ridicule wijze blijven steken in het feit dat ze allemaal zo betekenisvol willen zijn, ze willen ertoe doen, ze schreeuwen om aandacht, om likes voor hun maak(st)ers. In een vrij monsterlijke pastiche op de artistieke geschiedenis willen sommige van deze krabbels zich onderscheiden van gewone kinderkrabbels louter door hun benaming als ‘asemisch schrift’.

Het kan altijd erger, dat is de wet van de kosmos; maar in de Kunst kan het altijd nog veeeeeel erger…zolang de geldkraan open staat toch.

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (15)Barthes-Réquichot (17)>
Categorieën
lyriek Proza Requichot Vertalingen - Bewerkingen

Barthes over Réquichot (15)

<Barthes-Réquichot (14)Barthes-Réquichot (16)>
foto van Dirk Vekemans.

//Réquichot Rotbak dag 14 + mortel van gemalen mosselschelpen met linzenmeel en behanglijm

Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur. In het boek zijn ook de geschriften van Réquichot opgenomen, maar diens woorden komen niet echt frequent opborrelen in deze gedachten van Barthes

In de afdeling ‘de representatie’ vandaag de langere sectie over ‘de naam’.

de naam

Laat ons twee moderne objectbehandelingen beschouwen. In de ready made is het object reëel (de kunst begint pas aan de rand ervan, zijn inkadering, zijn museografie) – daarom heeft men erover kunnen praten als kleinburgerlijk realisme. In de conceptuele kunst wordt het object genoemd, geënt op het woordenboek – daarom zou men beter van “denotatieve kunst’ spreken dan van “conceptuele kunst”. In de ready made is het object zo reëel dat de kunstenaar zich een excentrieke of onzekere denominatie kan veroorloven: in de conceptuele kunst is het object zo exact benoemd dat het niet meer echt hoeft te zijn: het kan zich herleiden tot een lemma in het woordenboek (Thing, van Joseph Kosuth). Deze twee behandelingen [FR: ‘traite-ments’],die schijnbaar tegengesteld zijn zijn terug te voeren tot eenzelfde activiteit: de classificatie.

In de Hindoe-filosofie heeft de classificatie een illustere naam: dat is Maya: niet de wereld van de ‘ verschijningne’, de sluier die de intieme waarheid verhuld, maar het principe dat maakt dat alle dingen geklasseerd en gemeten zijn door de mens en niet door de natuur; van het ogenblik dat er een tegenstelling (de Oppositie) opduikt, is er Maya: het netwerk der vormen (de objecten) is Maya, het paradigma van de namen (de taal) is Maya (de brahmaan ontkent de Maya niet, hij stelt het Ene niet tegenover het Meervoudige, hij is helemaal geen monist – want herenigen is ook Maya; wat hij zoekt is het einde van de oppositie, het vervallen van de meting; zijn project is niet om zich buiten elke klasse te stellen, maar buiten de klassificatie zelf)

Het werk van Réquichot is geen Maya: hij wil geen object en geen taal. Wat hij viseert is de Naam onttronen; van werk tot werk voert hij een algemene ex-nominatie van het object door. Dat is het uitzonderlijke project dat Réquichot apart zet van de gezindten van zijn tijd. Het is geen eenvoudig project: de ex-nominatie van het object moet noodgedwongen door een faze van exuberante over-benoeming: je moet de Maya opwaarderen vooraleer hem uit te putten: het thematische moment dat heden uit de mode is. Een thematische kritiek van Réquichot is niet alleen mogelijk maar onvermijdelijk: zijn vormen ‘gelijken’ op iets, roepen een optocht van namen op volgens het procédé van de metafoor; hij wist het zelf: “Mijn schilderijen: je kan er kristallen in vinden, takken, grotten, algen, sponzen…”. De analogie is hier onbedwingbaar (zoals een voortijdig orgasme), maar vanuit het oogpunt van de taal is ze al ambigu: het is omdat de getraceerde vorm (geschilderd of samengesteld) geen naam heeft, dat men er hem een zoekt of meerdere opdringt: de metafoor is de enige manier om het onbenoembare te benoemen (en wordt zo heel uitdrukkelijk een catachrese) : de resem namen geldt voor de ontbrekende naam. Wat er overgaat in de analogie (tenminste in de analogie die Réquichot beoefent) is niet de de term, het veronderstelde betekende (“deze vlek betekent een spons”), het is de verleiding van een naam, eender welke naam: de doorgedraaide polysemie is het eerste (initiatie) stadium van een ascese die de woordenschat, de zin te buiten gaat.

De gesuggereerde thematiek van Réquichot is bedrieglijk omdat ze in feite onbeheersbaar is: de metafoor houdt niet op, het benoemingswerk zet zich onverbiddelijk voort, verplicht om door te gaan, zich nooit vast te zetten, de gevonden namen af te wijzen en nergens toe te komen tenzij aan een eeuwigdurende ex-nominatie: omdat het niet lijkt op alles maar achtereenvolgend op iets, lijkt het nergens op. Of nog: het gelijkt, ja , maar waarop? op “iets wat geen naam heeft”. De analogie bereikt zo zijn eigen ontkenning en de kloof van de naam is nu eindeloos: wat is dat?

Deze vraag (die door de Sfinx aan Oedipus werd gesteld) is altijd een schreeuw , de eis van een verlangen : snel een Naam zodat ik gerustgesteld ben! Dat de Maya niet meer verscheurd is, zich herstelt en restaureert in de hervonden taal: dat het schilderij me zijn Naam geeft! Maar – en dat definieert nu net Réquichot – de Naam wordt nooit gegeven: we genieten slechts van ons verlangen, niet van ons plezier.

Misschien is dit de echte abstractie: niet die schilderkunst ontwikkeld door sommige schilders rond de idee van de lijn (de courante opinie is dat de lijn abstract is, apollinisch; het beeld van een abstract magma zoals bij Réquichot lijkt onbetamelijk) maar dit gevaarlijke debat tussen het object en de taal waarvan Réquichot het verhaal heeft voorzien: hij heeft abstracte objecten gecreêerd: objecten omdat ze een naam zoeken en abstract omdat ze onbenoembaar zijn: van het ogenblik dat eer een object is (en niet een lijn) wil dat een naam baren, een afstamming produceren, die van de taal: is de taal niet dat wat ons nagelaten is door een vroegere orde? In zijn werk voer Réquichot een onterving van het object door, hij snijdt de naamsafstamming af. Van, de materie van de betekenaar zelf verwijdert hij elke origine: wat zijn de “accidenten” (waaruit sommige van zijn collage gewoven werden)? Doeken, eerder beschilderd en dan opgerold en opgehangen: onterfden.

Het project van Réquichot is dubbel bepaald (onbeslisbaar): langs een kant op het schaakbord van de avant-garde, verdiept hij de crisis van de taal, hij schudt tot brekens toe de denotatie, de formulering door elkaar; langs de andere kant streeft hij persoonlijk de definitie van zijn eigen lichaam na en ontdekt hij dat die definitie begint daar waar de Naam ophoudt, ’t is te zeggen binnenin (enkel de dokters kunnen ver van alle realiteit het binnen van het lichaam benoemen – dat lichaam dat niets anders is dan zijn binnen). Heel de schilderkunst van Réquichot kan dit opschrift dragen, geschreven door de schilder zelf: ” Je ne sais pas c’qui m’quoi” (“Ik weet niet wie me wat”).

Franse tekst:

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (14)Barthes-Réquichot (16)>
Categorieën
lyriek Proza Requichot Vertalingen - Bewerkingen Walg & Rot

Barthes over Réquichot (14)

<Barthes-Réquichot (13)Barthes-Réquichot (15)>

// de Réquichot Rotbak dag 13 : + gemalen droge witte bonen met behangsellijm

Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.

In de sectie ‘de representatie’ is dit de tweede paragraaf over ‘de loep’.

de loep

Net zoals er bij de palimpsest een schrijven in het schrijven is, zijn er in het ‘schilderij’ (het doet er hier niet toe of het woord juist is) meerdere ‘schilderijen’: niet alleen omdat (bij Réquichot) de doeken herschreven of herplaatst worden als deelobjecten in nieuwe ensembles, maar omdat er zoveel werken zijn als er niveau’s van perceptie zijn: isoleer, bekijk, vergroot en behandel een detail en je creëert een nieuw werk, je doorkruist eeuwen, scholen, stijlen, met iets heel oud maak je iets heel nieuw. Réquichot heeft deze techniek op zichzelf toegepast: “Door een doek van heel nabij te bekijken, zie je soms toekomstige werken: het gebeurt dat ik grote boterhammen in stukjes snij om er zo delen uit proberen te isoleren die mij interessant lijken.” Het virtuele instrument van de schilderkunst (voor dat deel ervan dat het oog betreft en niet de hand) zal zo de loepe worden, of beter de boetseerschijf die toelaat een object te veranderen door het om te draaien (Réquichot heeft op die manier intacte hondensnuiten gebruikt, zonder enige wijziging, enkel door ze om te draaien): dat alles niet om iets beter of vollediger te zien maar om iets anders te zien: de gestalte is een object op zich: volstaat die niet om een volledige hoofdtak in de kunst uit te bouwe, de architectuur? De loupe en de draaischijf produceren dat supplement dat de zintuigen ontregelt, ’t is te zeggen de herkenning (een taal begrijpen, lezen, verwerven dat is haar herkennen; het teken is dat wat herkend is; Réquichot zou dan het soort kunstenaar zijn die niet herkent).

Het niveau van de waarneming veranderen: je hebt dan een aardbeving die de geklasseerde, de benoemde wereld – de(h)erkende [fr: reconnu] wereld – doet wankelen en zo een ware hallucinante energie bevrijdt. Inderdaad, als de kunst (laten we dat handige woord nog gebruiken om elke niet-functionele activiteit aan te duiden) enkel tot doel had beter te kunnen zien, dan zou het louter een analysetechniek zijn, een ersatz-wetenschap (dat wat de realistische kunstenaar betrachte); maar door het ding te willen produceren dat in het ding zit, haalt het de hele epistemologie overhoop: het is dat eindeloze werk dat ons afhelpt van de gebruikelijke hierarchie: eerst de (“ware”) perceptie, vervolgens het benoemen, tenslotte de associatie (het “nobele”, “creatieve” deel van de kunstenaar); voor Réquichot daarentegen is er geen privilege toegekend aan de eerste perceptie: de perceptie is onmiddellijk meervoudig – iets wat eens te meer de idealistische classificatie verwerpt; het mentale is niets dan het lichaam op een ander niveau van perceptie gebracht: dat wat Réquichot het “meta-mentale” noemt.

//de originele Franse tekst, virtueel gestolen uit het imaginaire tekstenrot van ’t internet

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (13)Barthes-Réquichot (15)>
Categorieën
Kathedraalse Leer Proza Requichot Vertalingen - Bewerkingen Walg & Rot

Barthes over Réquichot (10)

<Barthes-Réquichot (9)Barthes-Réquichot (11)>

dag 9 van de Réquichot Rotbak. toegevoegd: uitgedroogde schors, pannekoekenblaadjes waarvan 1 met spinnennest, haarlak

Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.

Vandaag ontdekt Barthes wat de keuken en de schilderkunst gemeen hebben: olie.

de olie

De olie is de substantie dat het voedsel vergroot zonder het te verbrokkelen: die het verdikt zonder het te harden: magisch verkrijgt het eigeel een groter volume met behulp van een scheut olie, en dat eindeloos; op dezelfde wijze groeit een organisme, door opzwelling. Bovendien is de olie die ene substantie die nuttig is in de voeding en in de schilderkunst. Verzaken aan de olie is voor een schilder de schilderkunst zelf opgeven, het culinaire gebaar dat haar inricht en onderhoudt. Réquichot heeft de historiche agonie van de schilderkunst beleefd (hij kon dat want hij was schilder. Dat wil zeggen dat hij langs een kant ver verwijderd was van de olie (in zijn collages, zijn ringsculpturen, zijn tekeningen in balpen) maar dat hij steeds weer bekoord werd om er terug naar te keren, als naar een vitale sunstantie. Zijn collages gehoorzamen zonder olie aan de wet van de gebonden proliferatie (die van de oneindige mayonaise); gedurende jaren laat Réquichot zijn Reliquaires groeien zoals men een lichaam ontwikkelt dat functioneert op basis van langzame opname van een sap.

de originele Franse tekst van Barthes in  R. Barthes, M. Billot, A. Pacquement: Bernard Réquichot, Bruxelles 1973 p. 18

commentaar

bon, hoe magistraal de analyses van Barthes elders ook mogen wezen, hier pakt de mayonaise niet. spreekt Barthes de Fransen aan op hun culinaire volksaard en voorliefde om hen ertoe aan te sporen het letterlijk weerzin opwekkende vertoon van Réquichot te aanvaarden als haute cuisine?

het verband tussen de handelingen en bewegingen in de keuken en die in de schilderkunst is onmiskenbaar, maar is dit nou zo specifiek aan het werk van Réquichot? verklaart het iets? brengt het ons dieper in zijn leefwereld, korter bij zijn (waan)ideeën? hebben we er iets anders aan dan hoe het zich aandient: als een pientere maar toch vrij doorzichtige manier om de provocatie, de insubordinatie van Réquichot als ‘kunstenaar’ uit de weg te gaan, om wat Réquichot echt bezighield te vermijden zodat het peis en vree kan blijven in de gulzig sukkellevens vretende glitterende cul-de-sac van het o zo galante gallerieland, die monsterlijke culturele abonimatie van het naoorlogse Frankrijk waarvan op dit ogenblik in het Centre Pompidou de hoofdrolspelers, de grootste haaien en de dikste croco’s in hun met fraude, misdaad en lijken bezaaide dode binnenzee worden gehonoreerd als ‘grote Fransen’?

het lijkt erop, en de poging wekt bij mij althans een pak meer weerzin op dat het imposante werk van Réquichot dat, als het iets was, door en door doodeerlijk was…

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (9)Barthes-Réquichot (11)>
Categorieën
Kathedraalse Leer Proza Requichot Vertalingen - Bewerkingen Walg & Rot

Barthes over Réquichot (4)

<Barthes-Réquichot (3)Barthes-Réquichot (5)>
Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur. We gaan die rotteksten er hier terug uitvissen, afspoelen met nat Nederlands en zeggen wat we zo te zien krijgen…

Vandaag over Réquichot’s gebruik van de collage en het raadselachtige fenomeen van de Rattenkoning

de Rattenkoning

Het onderzoek van Réquichot brengt hem bij een beweging van het lichaam die ook Sade fascineerde (maar niet de sadistische Sade), namelijk de walging: het lichaam begint te bestaan daar waar het zich afkeert, walgt, maar toch wil verslinden wat het verafschuwt en het exploiteert die smaak voor de afschuw, stelt zich zo bloot aan een duizeling (de duizeling is dat wat niet eindigt: het doet de zintuigen afhaken, stelt het uit naar later).
De fundamentele vorm van de walging is het agglomeraat; het is niet zomaar, door eenvoudig technisch onderzoek, dat Réquichot tot de collage komt; zijn collages zijn niet decoratief, ze juxtaponeren niet, ze conglomereren, omvatten enorme oppervlakten, verdikken zich in volumes; in één woord, hun aard is etymologisch, ze nemen de ‘colle’ van de origine van hun naam letterlijk; wat ze produceren is het glutineuze, de voedzame pek, weelderig en weerzinwekkend, daar waar de opdeling zich opheft, t’is te zeggen het benoemen.

Rattenkoning uit het Museum Mauritianum in het Duitse Altenburg, bestaande uit 32 in elkaar verstrikte ratten. Door Photographed at Naturkundliches Museum Mauritianum Altenburg, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=470245

Een nadrukkelijke omstandigheid daarbij is dat het dieren zijn die de collages van Réquichot samenplakken. Nu het lijkt er sterk op dat elk conglomeraat van dieren bij ons een paroxisme van walging oproept: krioelende wormen, wriemelende slangen, wespennesten. Eén fabelachtig fenomeen (is het al wetenschappelijk verklaard? Ik weet het niet) vat heel die horror van de dierlijke samenklontering samen: de rattenkoning: “in de vrije natuur – zo zegt een oud zoölogisch woordenboek – vallen de ratten soms ten prooi aan een zeer eigenaardige ziekte. Een groot aantal