Categorieën
dagwerk 92-93 gedicht van de dag lyriek

dagwerk 92-93 (6)

(tekening: dv 1994)

28 september 1992 (2)

Telle loin se noie une troupe…

maak jezelf toch niks wijs: dit boek ligt nu voor je open, het beeld klopt helemaal met wat ik denk en jij denkt het ook en het stolt in je gedachten, begint te kankeren, zaait de waanzin uit, dompelt je onder in jezelf die dit schreef. correct?

ja man ik weet best dat je dit weer gaat bewerken met al die dode auteursdromen van je maar mijn lucht beweegt zoals jouw adem en jouw hand is de mijne die haar streelde.

*

Annette, zo mooi en lief en net,
liep stiekem op het strand die nacht
en stouter nog, ze liep in zee en zag
dat aan haar blote voeten zomaar
voor het grijpen lag:

de maan! Ze bukte zich en schepte
in haar hand een stralend stukje zee
met felle schijn en kraters in.
ze hield het hoog en bracht het
dichter, dichter naar

haar rechtste oog. Ze hield haar adem in
en niets aan haar bewoog. zo keek ze
dieper, dieper in haar zee.
o jee, o jee: toen kwam
het water in haar oog

en nam de maan
haar wenend mee.

*

ik slaap naast haar, elke keer als je dit leest.
hoe bevalt het daar, in je eentje?
zo ver weg ben je met je oude lijf dat gehorig gebleven is
aan de roep die ik nu de rug toekeer.

Telle loin se noie une troupe
De sirènes mainte à l’envers

*

het was een bosloop met de gemengde klas van 5L en 5A. nee geen meisjes. L voor latijn, onze flikkerklas, en A voor artistieke vorming, de kunstenaars. er was er zelfs een echte bij, later ten onder gegaan aan de drank, zoals jij bijna. hij zocht nog contact later, een noodkreet aan jou als soortgenoot, die je negeerde omdat je zelf zo vol medelijden zat. wij hadden er drie echte, jongens wier seksuele geaardheid gericht was op de eigen kunne, bedoel ik.

neenee, you wish. ik had een stevige puberale episode, zoals velen, maar de homofobie overwon ik vrij snel. en ja, ik ben een vrouw in het diepst van mijn gedachten, maar dan wel een rabiate lesbienne. wie weet, met de juiste benadering misschien, hahaha.

de kunstenaars namen onmiddellijk afstand. geen van hen wou bij ons achterblijven. ik liep me de ziel uit het lijf, naderde wel maar nee, ik zou er nooit bij horen. ik was te sterk om te liegen en te zwak om te waarderen wat ik was. elke vloek is een zegen, elke afwijking een geschonken talent.

geloof niet in jezelf, geloof in het geschenk.

vele jaren later, nu vier jaar geleden hoor je een rosse collega-vervloekte die nog lastig op je was omdat je hem afgelopen weekend drank weigerde, van aan de overkant van de straat luid roepen “hé gij daar gij zijt niet beter als wij, ze” .

zonder nijd. hij had al het inzicht dat minachting of rancune onnodig waren. ons kent ons, zijn woorden nagelden mij aan de grond. jou.

ben je al bezocht nu? heeft jouw roep haar eindelijk bereikt? heeft ze het je al verteld, het je doen denken, alles wat je al voelde maar nooit durfde zeggen? mijn broer ben je niet, maar je kan lezen en hemeltje man, wat was je toch ontzettend laf en hypocriet. geen wonder dat je eigen kinderen niks meer met je te maken willen hebben.

alles om er toch maar bij te horen. waarbij? en voor wie?
kom, we gaan slapen. vergeten wat we weten.
spelen tot het donker wordt.


Categorieën
dagwerk 92-93 gedicht van de dag lyriek

dagwerk 92-93 (5)

(tekening: dv 1994)

28 september 1992

“Rien cette écume, vierge vers1Stéphane Mallarmé, Salut”.

door haar zijn er nu meningen in mijn spreken opgesteld. meningen zijn zwaktes in de defensie van de ongrijpbaarheid, poorten voor de vandalen met hun viriele ijzerzagen en de nimfen van de nijd met hun bedrieglijke kusmonden. het rapalje arresteert mijn bewegen, vreet mijn vlucht en kakt er de woorden in, hun aanhechtingscode, het bevestigende dat het verschil maakt en bevestigt.
mijn schrijven stelt het af, op punt en klaar voor de vergetelheid. ik vergrendel en serveer. een vers kelkje schuim vol maagdelijk niets. tss, tss, niets nieuws al dat liefs.

haar rijkdom, niet eens de gratie die ze mij weigert tot ik ze steel en daardoor vernietig, enkel de weelde al van haar voelende lichaam vergooi ik in deze halen op papier. ik spuw in de wind, besmeur de stadsstraten, trek strepen grijs door de blauwe spreuken.

deze jakkers overschreeuwen ons zwijgen harder, schat. we laten ze branden als hout, rotten als mest en bloeden als de stam van een els.
involteer de nodeloze taal tot het brultumult van naverbranding.
tientallen millennia geleden: de aarde pletst plat op de vloer van de schepping. gelost door de Stem in de stam. ze kwijnt weg en cirkelt in treurnis rond de zon en zucht met haar maan die zij mint als een hete non.

zoals toen men ons de navel knipte. het licht was de hel en hier is het koud.
“schreeuw zo niet, je zou dood moeten zijn”. huil maar niet schatje, herneem liever het lieve liedje van de schone schijn. de maan lacht zich een bult en zakt in de zee. haar schuimende mond breed over gans de pagina.

ik strek mijn hand met de staf uit boven de stromen, de rivieren en de meren en laat de nekkermannen uit het water komen.

ik duimde voor haar na een eeuw van zwangerschap.

Koop een RADIO KLEBNIKOV CD!


Noten[+]

Categorieën
dagwerk 92-93 lyriek

dagwerk 92-93 (4)

(prentje : dv 1994)

16 september 1992 (2)

je stopt mij in mijn vel
strijkt mij de haren, mijn oren
kus je, zoent mijn mond, dat
is het dan, zeg je mij
goeiemorgen, vrouw voor mij.
niets wordt tussen ons geplet.
er zit geen lezer in ons bed.

*

wat ik toen verzweeg, denk ik

nu huilen mocht niet vloeken wel,
dus ik werd kwaad en vloekte
stampte, snikte en schudde mij uit
tot ik van mijzelf ontdaan wel huilen
moest want was het niet ja was het niet
mijn eigen godverdomse schuld.
nu zie ik tandpijntranen lopen
van de wangen op de fiets
van tandpijn in de vrieskou
van de vreugde van het werk
want werkvreugde werkt.

*

het herfst in de etalages. de poppen
van hout zijn sober gekleed. de gummi-
dummies dragen feller blauw en rood.
blauw is de kleur van de fixatie, de lucht
legt de wereld haar fictie op, zwaait
met haar kleurloze lichtzwaard tot
het zwart van de ledige ruimte
in haar wolken verkleurt voor de zon.

blauwe hemels. zorgeloosheid
van het zich spiegelende niets.

iedereen weet dat het blauw in de schoot
van de diepzee de luchten doet stralen.
rood is het echte, rood is mijn vlammen
op het rood van haar jurk. ik zeg ‘stap’
en ze stapt er uit met een lach en haar
lachen wordt een deinen in het holst
van de nacht in het holst van de nacht
zal ik razen tot het brandt in haar zee.

*

gehecht kan je enkel raken aan dingen waar sleet op zit. het patina van je verlangen emergeert uit de asse van alle vergeefs verbrandde woorden.

*

ik barst van verlangen, het zwart van mijn leegte
vult deze letters, mijn waarheid is vuur, mijn
woorden lava dat stolt in hun duur.

Koop een RADIO KLEBNIKOV CD!

Categorieën
dagwerk 92-93 lyriek

dagwerk 92-93 (2)

14 september 1992

Verder in dat bos bestaat er geen pad.

Brand bevrijdt en bevrucht het land dat het levende leed vergeten kan. Arbeid trekt het land in nieuwe groeven. Mijn geketende hand drukt in halen uit wat het weet van woelgrond, stootwortel, waswater.
“Veel is dat niet”. Hautaine vingers, gevangen in de mal van wat ik las, minachten mij bitter om mijn lafhartige ontrouw.

“Ik wil niet hakken”, zegt het, “ik wil niet rooien, wroeten en graven, al dat heroïsche zoeken naar de asse van gekoesterde kooien” en het wijst veelzeggend naar het wit in de boeken van nu.

“Het?” wil ik het vragen, maar ik zwijg liever.
Niets van uw wereld is echt.

Categorieën
dagwerk 92-93

dagwerk 92-93 (1)

*

Ruggelings verkoold, het huis
een vuurzee voorbij, gestrand
lag ik daar driemaal de klemtoon te zoeken
en wachtte en wachtte en waaide mijn stof

Waarheid was de zon die zwart mijn ogen sloeg
en al het zand tot spiegel brandde.
Waarheid die ik blind verdroeg en ach
episch, stichtend, monumentaal
(zei ik, vrouw, zie mij) voor mieren.
Hoor mijn taalas, kermend kerkorgel
dat de vissersgeesten wekt.

O ochtend dat de regen kwam
en nagelde mijn roet tot ik rillend
ontwaakte, bloedde, weer met vlees en liefde
verzweerde. Keerde weer en wentelde
dagelijks, begroef mijn slagmaat
toen al lang verdronken in het kielzog,
toen ik nog hopend, hopende, hopen
olie op de golven deed. Zang
luidt de lof van waanzin, gekte
van de held voor wie de moord niet zwaarder woog
dan ons vergeten.

*

‘Ontdek, verover’, wierp ze mij toe
alsof zo’n taak mijn maat van schoenen was.
Pijn kroop mij dieper in de kleren dan zij kon wassen.
Haar speeksel siste, siste op mijn wonden
tot lucht waarin mijn woede trilde.
Vallen, wist ik, sneller dan ik lopen kon, ontsluit
het bloed en breekt de band
tot het rafellint dat in de vensterkast het rolluik
open houdt. Knap dan,
wou ik en donker het nest, buiten
was enkel de burenmuur, het blauwe
grint van de oprit, vader’s kar
die daar knarste.

‘Ontdek, verover, leer’ en ik viel. Blauw
gebotst kreeg ik kuisgerief van haar: een borstel
op mijn kindermaat waarop ik vloog -,
en mijn vlucht onder het tapijt keerde
tot verborgen geborgenheid. Onder
het loopvlak huisde ik in klamme keldertaal.
Buiten borstelde ik uren-, dagenlang de aarde
uit de voegen van de tuintegels.

Kleffe winters, zomers die mijn billen rood
kriebelden, verhuisden mij naar het dorp
met de Dame van de Dreef.
Die had daar vijvers waarin ze af en toe verdronk,
de heer van het kasteel draaide haar telkens
die loer als ik eens niet gluurde.
Waken deed ik met mijn zus, die dapper keek
en dikke boeken las.
Wakend en tot slaap verwenst verhoogden wij
de lijdensleer, het kerkgebod
tot revolutie op het rode tafelblad, ons
ruimteschip naar betere oorden,
de postkaart van St-Lunaire
beplaasterd en met vernis en schelpen omzet.

*

Tot op de dag dat de bus een halte verder
stopte en mijn adem stokte bij de mathematisch
berekende zevende lichtpaal die uitviel
net als ik eronder door stapte: geloof
was een complot berekend door een wereld
die verderf voor mij, mijn zus en onze dansende
kater wou, die bloedend, gevild door het rubber
van de banden in de gracht belandde.

De wereld was door lust en macht bekropen
in de nu vervuilde beken. De romantiek voorbij
ging ik post-modern masturberend slapen.
Het meisje met de zwarte haren wou nooit
haar rode kleedje uit. Mijn leed werd prozaïsch
gerekt en dagelijks werd ik met kennis, woorden,
taal verdorven, nauwelijks getroost en nooit
bemind.