Categorieën
Grafiek Kathedraalse Leer Proza

over kennis en schoonheid

je hebt niets van kennis. kennis die je gebruikt, verander je. kennis die je niet of nauwelijks gebruikt, vergeet je.

‘schrijvers’ en ‘kunstenaars’ pronken ijdel met gebruiksvoorwerpen die niet van hen zijn en verkopen hun extreme luiheid als ‘kunst’ of als tekstkapitaal. het zijn producenten van negatieve waarden, want hun producten corrumperen en belemmeren de toegang tot de collectieve kennis.

een auteur verandert voor zichzelf wat zij vergeten is en schrijft nauwgezet neer (of drukt anderszins meesterlijk uit) voor de anderen wat zij veranderd heeft. auteurs produceren niet, auteurs werken en dragen door de uitvoer van hun werking bij aan de collectieve kennis.

het schone is de ervaring van onmiddellijk bruikbare kennis. wie het schone ziet of leest zegt onmiddellijk: “ja, dit is het”. het schone is een openbaring, de Apocalyps van het humane.

“Kladwerk” – Hilde Vandenhout 2021
Categorieën
Kathedraalse Leer Proza

kosmotheia

je kan bij (her)lezing van de theaterteksten van Artaud beginnen dromen over updates van het Theater van de Wreedheid, en dan kom je allicht nogal snel uit bij internationaal geproducete kut- en lulsnoeverijen vol opspattend geil en klassiek-grieks opgesnoven, bloederige, lichamelijke heldhaftigheden met een onuitputtelijke voorraad aan ‘poeier van het huis’ waarmee je dan ondanks alle schandalen Vlaanderen’s eer en glorie kan gaan vertegenwoordigen op de elitaire podia van de Verenigde Verwende Fortkindjes van Europa en Daarbuiten.

en voor wie

In this house, at night, it is best to hide.
You must. To find refuge in the pain,
to bury yourself in the asylum of visions, to exist.

Gabriele Tinti / Roger Ballen
motto to Part I of ‘The Earth Will Come To Laugh and Feast‘, Powerhouse Books, NY, 2020, ISBN 978-1-57687-948-1, p.9

kijk: ik was vanochtend al mobiele agent-cabines aan het bouwen die als avatar-behuizingen zouden kunnen dienen op een materiële setting waar je kan op inloggen om dan virtueel en volledig coronaproof deel te nemen aan het ‘spel’ en het ‘schouwen’ daarvan, waarbij de burg natuurlijk klankbrug wordt, de seks volledig taktiel ‘echt’ en de prijskaartjes voor een snuff-sessie onbetaalbaar voor iedereen buiten voor de middenklasse die nog net niet het eeuwige leven kan betalen. sterven op de scène als finaal spektakelaanbod na het toch maar saaie tripje naar Mars.

‘De lust van de dood valt over mij,
verwoestende stromen overspoelen mij,
de lust van de onderwereld ligt om mij heen,
de valstrik van de dood ligt vóór mij’

naar Psalmen 18, 3-4

misschien missen we dan toch iets van het opzet van Artaud’s theaterhervormingen want die zochten wel degelijk een maatschappelijke relevantie. dus bedacht ik maar snel volgende hypothese, die zo je ze als werkbaar wenst te aanvaarden en verder bij te stellen, het voordeel heeft dat je niks meer moet bouwen, laat staan betaalbaar maken.

ter opfrissing kan je vooraf nog ff meekijken in het Ijzerboekje met de vertaling van Simon Vinkenoog die op het voorwoord na uiteindelijk nog best te pruimen is, zij het dan wel – ik citeer een mij dierbare in de chat van daarstraks – ‘toch wat houterig en stroef in de lezing’


hypothese: de ‘wreedheid’ van Artaud is misschien wel de inhumane gestrengheid, de onverzettelijke onverschilligheid van de algoritmische bepaling die ons allen nu en hier (op FB bv.) tot mondige zwijgers en dilettant-nukkige slaven knecht.
het theater van de wreedheid is dan doorheen het zwarte gat van de spektakelmaatschappij (Debord) binnenstebuiten gefloept en wij zijn de alle controle of individuele interpretatie van onze rollen ontzegde spelers, de machteloze profielen rond een voor ons onzichtbare publiekskring in het midden. G*ds onhoudbare rechtvaardige Rede?

en voor wie

wij vermoeden bij de uitrol van weer een nieuw manipulatiealgoritme in onze megalomane paranoia een bende complotterende machthebbers in het publiekscentrum, maar wat er schouwt kunnen wij als verblinde spelers niet zien, het is een intelligentie die wij niet als dusdanig kunnen ‘begrijpen’. G*ds ondoorgrondelijke waterwegen?

maar ach, de uitbaters van de netwerkvoorzieningen hebben heus wel wat beters te doen dan naar ons oeverloos geëmmer en gekrakeel te kijken, en zij garanderen maar al te graag onze privacy om onze data te kunnen verhandelen. who gives a shit.

toch, het feit gebeurt: wij worden aanschouwd, wij worden afgespeeld in een kosmotheia1 de volstrekt algoritmische en dus onverschillige tzimtzumuitvouw van het ein sof op de planken van het echte, het woord is een NKdeE-maaksel van het Latijnse theātrum ‘plaats waar schouwspelen gezien worden, theater‘, dat zelf ontleend is aan Grieks ‘théātron’. Dat woord is dan weer een afleiding van theâsthai ‘aanschouwen, waarnemen’, afgeleid van théā ‘aanblik, schouwspel’, van onbekende verdere herkomst. – Cosmos (= Gr. κόσμος (kosmos). De oorspronkelijke betekenis is: orde. dat geheel buiten ons om georkestreerd wordt volgens de ‘demonische’ natuurwetten van het Rot en het Kapitaal.

al onze ‘kwaliteiten’ worden op hun nominale waarde gekwantificeerd en van daaruit aangewend voor verdere verspreiding in het heelal of vernietigd. want elke klik is een stap verder in de afgesloten en alsmaar meer toegenepen corridor van de ons toegestane handelingen: onze mogelijkheden zijn immers beperkt tot wat betaalbaar is.

onze fameuze ‘privacy’ is een volledig uitgehold controlemechanisme dat de zwijgplicht over de negatieve emoties ontgint om het klikgedrag te manipuleren tot telkens weer hogere levels van exploitatie-efficiëntie.
het laatste bastion van onze private beleving, die van de intieme seksuele handelingen, is al geheel omsingeld, het houten paard staat al binnen de stadsmuren, nog even en de groepschats zijn voorzien van HD VR-helmen en nauwsluitende hoog-sensitieve bluetoothpakjes voor de ‘vrije’ transmissie in een mondiaal orgasmatron.

‘treurnis is een wrede god die alles in zijn willekeur beslist. hij verandert lachend licht in droeve duisternis, hij geeft het ’s ochtends heel de blijdschap van haar wonderlijk bestaan om het dan met het gemis weer stuk te slaan.’

NKdeE , het moment (59), 2021-02-14

de apocalyps verwordt in de kosmisch-theatrale configuratie van deze wereldorde tot een steriel, eterneel uitgevlakt ‘nu’, een tijdloos moment dat geen moment meer is maar een voortdurende drainage van de individuele beleving van wieg tot graf, geen oogwenk maar een voortdurend tijdperk, een onaflatend sloopwerk van millennia.

of iets minder lang, wat u en mij betreft. op 14 februari 2029 komt iedereen klaar bij de dan 13-jarige Sophia en daarna zijn de restanten van onze soort enkel nog wat amusante spelroutines in de mensenzoo

misschien dacht Antonin daar zelf toch wel lichtjes anders over.

14-07-2020, verwerkt op 21-02-2021 – voor TVA. over de praktijk van het Théatre Veritablement Algorithmique

TVA

over de praktijk van het Théatre Veritablement Algorithmique

  • kosmotheia

Koop een RADIO KLEBNIKOV CD!

Steun de Vrije Lyriek! KOOP meer BROL!

De Neue Kathedrale des erotischen Elends verspreidt sinds 2004 het virus van de Vrije Lyriek. Koop ‘BROL’ ( = stoffelijke restanten van creativiteit) en steun o.m. deze blog, Platform PLEE en RADIO KLEBNIKOV.!

BROLSHOP

Noten[+]

Categorieën
journal intime Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #167

BLOEDSTRAAL

JONGEMAN
Ik hou van jou en alles is mooi.

MEISJE, met verhevigde tremolo in haar stem.
Je houdt van mij en alles is mooi.

JONGEMAN, een toon lager.
Ik hou van jou en alles is mooi.

MEISJE, nog een toon lager dan hem.
Je houdt van mij en alles is mooi.

JONGEMAN, wendt zich plots van haar af
Ik hou van jou.

Een stilte
Ga voor me staan.

MEISJE, met een zelfde beweging gaat ze voor hem staan
Voilà.

JONGEMAN, geëxalteerd, schelklinkend
Ik hou van jou, ik ben groot, ik ben helder, ik ben vol, ik ben dicht.

MEISJE, op dezelfde schelklinkende toon.
Wij houden van elkaar

JONGEMAN
Wij zijn intens. Ha wat zit de wereld goed in elkaar.

Een stilte. We horen iets als een enorm wiel dat draait en wind maakt. Een orkaan drijft hen uit elkaar.
Op dat moment zien we twee sterren met elkaar in botsing komen, en een hele reeks benen van levend vlees valt met voeten handen, pruiken, maskers, zuilengangen, gaanderijen, tempels, distilleerkolven, alles valt maar steeds langzamer, als viel het in een vacuum en dan dalen een voor een drie schorpioenen neer en tenslotte een kikker en een scarabee die naar beneden komt met een traagheid om wanhopig, om misselijk van te worden.

JONGEMAN, roept zo hard hij kan
De hemel is gek geworden.
Hij kijkt naar de hemel.
Lopen, weg van hier.
Hij duwt het meisje voor zich uit.
Een Ridder uit de Middeleeuwen komt op, in een vervaarlijk harnas, gevolgd door een voedster die haar borsten met beide handen vasthoudt en hijgt vanwege haar te zware borsten.

RIDDER
Blijf van je borsten af. Geef mij mijn papieren.
VOEDSTER, slaakt een kreet.
Ai! Ai! Ai!
RIDDER
Kak seg wat krijg jij?
VOEDSTER
Kijk daar, onze dochter, met hem.
RIDDER
Zwijg, er is geen dochter!
VOEDSTER
Ik zeg je dat ze neuken.
RIDDER
Laat ze neuken, wat kan mij dat schelen.
VOEDSTER
Incest.
RIDDER
Matrone
VOEDSTER, steekt haar handen diep in haar zakken die even groot zijn als haar borsten
Pooier.
Ze gooit hem snel zijn papieren.

RIDDER

Pfuh, laat mij eten.

De voedster maakt zich uit de voeten.
Hij krabbelt overeind en haalt vantussen elk der papieren een grote homp gruyere.
Plots begint hij te hoesten en naar adem te snakken.

RIDDER, de mond vol.
Eumf. Eumf. Laat me je borsten zien. Laat je borsten zien. Waar zit ze nu?
Hij gaat lopend af.
De jongeman komt terug op.

JONGEMAN
Ik zie, ik weet, ik heb begrepen. Hier heb je de publieke ruimte, de priester, de schoenmaker, de vier seizoenen, de drempel van de kerk, de lantaarn van het bordeel, de weegschaal van gerechtigheid. Ik hou het niet meer!

Een priester, een schoenlapper, een koster, een hoerenmadam een rechter, een handelaar in vier-seizoenen komen op als schaduwen.

JONGEMAN
Ik ben haar kwijt, geef haar terug.
IEDEREEN, op een verschillende toon.
Wie, wie, wie, wie.
JONGEMAN
Mijn vrouw.
KOSTER, heel kosterlijk 1‘bedonnant’: dikbuikig – woordspeling nvdv
Uw vrouw, pfu, onnozelaar!
JONGEMAN
Onnozelaar! ’t is misschien uw vrouw wel!
KOSTER, slaat zich op het voorhoofd.
Het zou zomaar kunnen.
Hij gaat lopende af.
De priester komt op zijn beurt uit de groep en legt zijn arm om de hals van de jongeman.
PRIESTER, alsof hij biecht hoort.
Naar welk deel van haar lichaam verwijst u het vaakst?
JONGEMAN
Naar God.
De Priester, verbouwereerd door het antwoord vervalt onmiddellijk in een Zwitsers accent.
PRIESTER, met een Zwitsers accent.
Maar dat kan je niet meer maken. Wij horen niets meer met dat oor. Dat moet je maar aan de vulkanen vragen, aan de aardbevingen. Wij moeten het hebben van de kleine smeerlapperijen in de biecht. En daarmee uit, dat is het leven.
JONGEMAN, heel erg aangedaan.
Ach zo, dat is het leven!
Ah bon, iedereen trap het maar af.
PRIESTER, nog steeds met een Zwitsers accent.
Maar zeker.
Op dat moment valt de nacht plots op de scène. De aarde beeft. De donder raast, met weerlichten die zigzaggen in alle richtingen, en in de zigzaggende weerlichten ziet men de personages het op een lopen zetten, ze lopen tegen elkaar op, vallen, krabbelen recht en lopen als gekken.
Op een gegeven moment grijpt een enorme hand de hoerenmadam bij de haren. Die vat vuur en zwelt zienderogen op.

GIGANTISCHE STEM
Teef, kijk naar je lichaam!
Het lijf van de hoerenmadam komt naakt en afschuwelijk uit het korset en de jurk tevoorschijn als waren die van glas.
HOERENMADAM
Laat mij los, God.
Ze bijt God in de pols. Een immense bloedstraal schiet dwars over de scène en in een weerlicht groter dan die van de anderen ziet men de priester een kruis slaan.
Wanneer het licht terug aangaat, zijn alle personages dood en liggen hun lijken over de vloer verspreid. Alleen de jongeman en de hoerenmadam verslinden elkaar met de ogen.
De hoerenmadam valt in de armen van de jongeman.
HOERENMADAM, zuchtend, als op het uiterste punt van een amoureus spasme.
Vertel mij hoe het met jou gebeurd is.

De jongeman bergt zijn hoofd in zijn handen.
De voedster komt terug op met het meisje onder haar arm als een pakket. Ze laat haar op de grond vallen waar ze neerstort en zo plat wordt als een boterkoek.
De voedster heeft geen borsten meer. Haar borst is helemaal plat.
Dan duikt de Ridder op die zich op de voedster werpt en haar heftig dooreenschudt.

RIDDER, met een vreselijke stem.
Waar heb jet het verstopt? Geef mij mijn gruyere!
VROEDVROUW, dartel.
Hierzie.
Ze heft haar rokken op.
De jongeman wil weglopen maar hij staat perplex als een versteende marionette.

JONGEMAN, als opgehangen in de lucht en met een buiksprekersstem.
Doe mama geen pijn.
RIDDER
Vervloekte.
Hij wendt in afschuw zijn gezicht af.
Een massa schorpioenen komen vanonder de rokken van de vroedvrouw en die beginnen te paren in haar vagina die opzwelt en glazig wordt en schittert als een zon.
De jongeman en de vroedvrouw gaan ervandoor als gelobotomiseerden

MEISJE, komt verblind overeind
De maagd! ha, dat was het wat hij zocht.

DOEK

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.74-81] – vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

LE JET DE SANG

LE JEUNE HOMME

Je t’aime et tout est beau.

LA JEUNE FILLE,
avec un tremolo intensifié dans la voix.

Tu m’aimes et tout est beau.

LE JEUNE HOMME, sur un ton plus bas.

Je t’aime et tout est beau.

LA JEUNE FILLE,
sur un ton encore plus bas que lui.

Tu m’aimes et tout est beau.

LE JEUNE HOMME, la quittant brusquement.

Je t’aime.

Un silence.

Mets-toi en face de moi.

LA JEUNE FILLE, même jeu,
elle se met en face de lui.

Voilà.

LE JEUNE HOMME,
sur un ton exalté, suraigu.

Je t’aime, je suis grand, je suis clair, je suis plein, je suis dense.

LA JEUNE FILLE,
sur le même ton suraigu.

Nous nous aimons.

LE JEUNE HOMME

Nous sommes intenses. Ah que le monde est bien établi.

Un silence. On entend comme le bruit d’une immense roue qui tourne et dégage du vent. Un ouragan les sépare en deux.

À ce moment, on voit deux astres qui s’entrechoquent et une série de jambes de chair vivante qui tombent avec des pieds, des mains, des chevelures, des masques, des colonnades, des portiques, des temples, des alambics, qui tombent, mais de plus en plus lentement, comme s’ils tombaient dans du vide, puis trois scorpions l’un après l’antre, et enfin une grenouille, et un scarabée qui se dépose avec une lenteur désespérante, une lenteur à vomir.

LE JEUNE HOMME,
criant de toutes ses forces.

Le ciel est devenu fou.

Il regarde le ciel.

Sortons en courant.

Il pousse la jeune fille devant lui.

Et entre un Chevalier du Moyen Âge avec une armure énorme, et suivi d’une nourrice qui tient sa poitrine à deux mains, et souffle à cause de ses seins trop enflés.

LE CHEVALIER

Laisse là tes mamelles. Donne-moi mes papiers.

LA NOURRICE, poussant un cri suraigu.

Ah ! Ah ! Ah !

LE CHEVALIER

Merde, qu’est-ce qui te prend ?

LA NOURRICE

Notre fille, là, avec lui.

LE CHEVALIER

Il n’y a pas de fille, chut !

LA NOURRICE

Je te dis qu’ils se baisent.

LE CHEVALIER

Qu’est-ce que tu veux que ça me foute qu’ils se baisent.

LA NOURRICE

Inceste.

LE CHEVALIER

Matrone.

LA NOURRICE,
plongeant les mains au fond de ses poches
qu’elle a aussi grosses que ses seins.

Souteneur.

Elle lui jette rapidement ses papiers.

LE CHEVALIER

Phiote, laisse-moi manger.

La nourrice s’enfuit.

Alors il se relève, et de l’intérieur de chaque papier il tire une énorme tranche de gruyère.

Tout à coup il tousse et s’étrangle.

LE CHEVALIER, la bouche pleine.

Ehp. Ehp. Montre-moi tes seins. Montre-moi tes seins. Où est-elle passée ?

Il sort en courant.

Le jeune homme revient.

LE JEUNE HOMME

J’ai vu, j’ai su, j’ai compris. Ici la place publique, le prêtre, le savetier, les quatre saisons, le seuil de l’église, la lanterne du bordel, les balances de la justice. Je n’en puis plus !

Un prêtre, un cordonnier, un bedeau, une maquerelle, un juge, une marchande des quatre-saisons, arrivent sur la scène comme des ombres.

LE JEUNE HOMME

Je l’ai perdue, rendez-la-moi.

TOUS, sur un ton différent.

Qui, qui, qui, qui.

LE JEUNE HOMME

Ma femme.

LE BEDEAU, très bedonnant.

Votre femme, psuif, farceur !

LE JEUNE HOMME

Farceur ! c’est peut-être la tienne !

LE BEDEAU, se frappant le front.

C’est peut-être vrai.

Il sort en courant.

Le prêtre se détache du groupe à son tour et passe son bras autour du cou du jeune homme.

LE PRÊTRE, comme au confessionnal.

À quelle partie de son corps faisiez-vous le plus souvent allusion ?

LE JEUNE HOMME

À Dieu.

Le prêtre décontenancé par la réponse prend immédiatement l’accent suisse.

LE PRÊTRE, avec l’accent suisse.

Mais ça ne se fait plus. Nous ne l’entendons pas de cette oreille. Il faut demander ça aux volcans, aux tremblements de terre. Nous autres on se repaît des petites saletés des hommes dans le confessionnal. Et voilà, c’est tout, c’est la vie.

LE JEUNE HOMME, très frappé.

Ah voilà, c’est la vie !

Eh bien tout fout le camp.

LE PRÊTRE, toujours avec l’accent suisse.

Mais oui.

À cet instant la nuit se fait tout d’un coup sur la scène. La terre tremble. Le tonnerre fait rage, avec des éclairs qui zigzaguent en tous sens, et dans les zigzags des éclairs on voit tous les personnages qui se mettent à courir, et s’embarrassent les uns dans les autres, tombent à terre, se relèvent encore et courent comme des fous.

À un moment donné une main énorme saisit la chevelure de la maquerelle qui s’enflamme et grossit à vue d’œil.

UNE VOIX GIGANTESQUE

Chienne, regarde ton corps !

Le corps de la maquerelle apparaît absolument nu et hideux sous le corsage et la jupe qui deviennent comme du verre.

LA MAQUERELLE

Laisse-moi, Dieu.

Elle mord Dieu au poignet. Un immense jet de sang lacère la scène, et on voit au milieu d’un éclair plus grand que les autres le prêtre qui fait le signe de la croix.

Quand la lumière se refait, tous les personnages sont morts et leurs cadavres gisent de toutes parts sur le sol. Il n’y a que le jeune homme et la maquerelle qui se mangent des yeux.

La maquerelle tombe dans les bras du jeune homme.

LA MAQUERELLE, dans un soupir et comme
à l’extrême
pointe d’un spasme amoureux.

Racontez-moi comment ça vous est arrivé.

Le jeune homme se cache la tête dans les mains.

La nourrice revient portant la jeune fille sous son bras comme un paquet. La jeune fille est morte. Elle la laisse tomber à terre où elle s’écrase et devient plate comme une galette.

La nourrice n’a plus de seins. Sa poitrine est complètement plate.

À ce moment débouche le Chevalier qui se jette sur la nourrice, et la secoue véhémentement.

LE CHEVALIER, d’une voix terrible.

Où les as-tu mis ? Donne-moi mon gruyère.

LA NOURRICE, gaillardement.

Voilà.

Elle lève ses robes.

Le jeune homme veut courir mais il se fige comme une marionnette pétrifiée.

LE JEUNE HOMME, comme suspendu en l’air
et d’une
voix de ventriloque.

Ne fais pas de mal à maman.

LE CHEVALIER

Maudite.

Il se voile la face d’horreur.

Alors une multitude de scorpions sortent de dessous les robes de la nourrice et se mettent à pulluler dans son sexe qui enfle et se fend, devient vitreux, et miroite comme un soleil.

Le jeune homme et la maquerelle s’enfuient comme des trépanés.

LA JEUNE FILLE, se relevant éblouie.

La vierge ! ah c’était ça qu’il cherchait.

Rideau.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma



Noten[+]

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza

journal intime #166

166 – se repondre à soi – VUUR

voetnoot bij ‘Brief aan de heer Wetgever’

lees de tekst bij dewelke dit een voetnoot is

Ik weet maar al te goed dat er ernstige stoornissen van de persoonlijkheid bestaan, die er zelfs toe kunnen leiden dat het bewustzijn zijn individualiteit verliest: het bewustzijn blijft intact maar herkent zich ziet meer als aan zichzelf toebehorend (en herkent zich in geen enkele mate).
Er bestaan minder erge stoornissen, of beter gezegd minder wezenlijke, maar stoornissen die veel pijnlijker en belangrijker zijn voor de persoon, en op een bepaalde wijze schadelijker voor de vitaliteit, en dat is wanneer het bewustzijn zich een hele reeks van dislocatie- en ontbindingsverschijnselen van zijn krachten gaat toe-eigenen als aan zichzelf toebehorende, te midden waarvan dan zijn materialiteit zich vernietigt.
Naar deze stoornissen verwijs ik hier.

Maar het is juist de kwestie om te weten of het leven niet beter wordt bereikt door een ontlijving van het denken met het behoud van een deel van het bewustzijn, dan door de projectie van dit bewustzijn in een ondefinieerbaar elders met een strikt behoud van het denken. Het gaat er daarbij niet om dat zulk een denken vals spel speelt, dat het waanzinnig wordt, het gaat erom dat het gebeurt, dat er vuur wordt gestookt, zelfs al is het waanzin. Het is een kwestie van het bestaan ervan. En ik beweer, onder andere, dat ik geen denken heb.

Maar mijn vrienden lachen daarom.
En toch!

Want wat ik noem ‘een denken hebben’ is voor mij niet het juist zien of zelfs niet het juist denken, maar zijn denken in stand houden, in staat zijn het aan zichzelf manifest te maken en dat het kan een antwoord bieden aan alle omstandigheden van het gevoel en het leven. Maar vooral een antwoord geven aan zichzelf.

Want hier vindt dat ondefinieerbare en verontrustende fenomeen plaats dat ik maar niemand kan doen begrijpen, en vooral niet mijn vrienden (of beter nog, mijn vijanden, degenen die mij nemen voor de schaduw waarvan ik maar al te goed besef dat ik slechts dat ben; – en ze beseffen niet hoe goed ze dat hebben, zij, schaduwen van schaduwen, een keer van hen en een keer van mij).

Mijn vrienden heb ik nooit gezien als mijzelf, met de tong uit de mond en met een afschuwelijk haperende geest.

Ja, mijn denken kent zichzelf en wanhoopt ooit nog zichzelf te bereiken. Het kent zichzelf, ik bedoel het heeft een vermoeden van zichzelf; en in ieder geval voelt het zichzelf niet meer. – Ik heb het over het fysiek leven, over het substantiële leven van het denken (en hier kom ik terug bij mijn onderwerp), ik heb het over dit minimum aan denkend leven in zijn ruwe staat, – nog niet tot verwoording gekomen, maar daartoe in staat als het nodig is, – zonder welk minimum de ziel niet meer kan leven, en het leven is alsof het niet meer is. – Degenen die klagen over de tekortkomingen van het menselijk denken en over hun eigen machteloosheid om tevreden te zijn met wat zij hun denken noemen, verwarren en zetten op hetzelfde foutieve vlak perfect gedifferentieerde staten van denken en vorm, waarvan het laagste nu alleen maar spreken is, terwijl het hoogste nog steeds geest is.

Indien ikzelf in het bezit zou zijn van dat wat ik weet dat mijn denken is, dan had ik misschien Navel van het Voorgeborchte geschreven maar dan had ik het op een geheel andere manier geschreven. Men zegt dat ik denk omdat ik niet helemaal ben gestopt met denken en omdat mijn geest, ondanks alles, zich op een bepaald niveau handhaaft en van tijd tot tijd bewijzen levert van zijn bestaan, bewijzen waarvan men niet wil erkennen dat ze zwak zijn en oninteressant. Maar denken is voor mij iets anders dan niet helemaal dood zijn, het is te allen tijde met zichzelf verenigd zijn, het is om nooit te stoppen met het voelen in je innerlijk, in de niet verwoorde massa van je leven, in de inhoud van je realiteit, denken is niet in jezelf een kapitaal gat te voelen, een vitale afwezigheid,het is altijd voelen dat je gedachte gelijk is aan je gedachte, ongeacht de onvolkomenheden van de vorm die men in staat is om het te geven. Maar mijn gedachte bij mijzelf, zondigt door zwakte, maar is zondigt ook door kwantiteit. Ik denk voortdurend aan een lager tarief.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.66-70] – vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Je sais assez qu’il existe des troubles graves de la personnalité, et qui peuvent même aller pour la conscience jusqu’à la perte de son individualité : la conscience demeure intacte mais ne se reconnaît plus comme s’appartenant (et ne se reconnaît plus à aucun degré).

Il y a des troubles moins graves, ou pour mieux dire moins essentiels, mais beaucoup plus douloureux et plus importants pour la personne, et en quelque sorte plus ruineux pour la vitalité, c’est quand la conscience s’approprie, reconnaît vraiment comme lui appartenant toute une série de phénomènes de dislocation et de dissolution de ses forces au milieu desquels sa matérialité se détruit.

Et c’est à ceux-là même que je fais allusion.

Mais il s’agit justement de savoir si la vie n’est pas plus atteinte par une décorporisation de la pensée avec conservation d’une parcelle de conscience, que par la projection de cette conscience dans un indéfinissable ailleurs avec une stricte conservation de la pensée. Il ne s’agit pas cependant que cette pensée joue à faux, qu’elle déraisonne, il s’agit qu’elle se produise, qu’elle jette des feux, même fous. Il s’agit qu’elle existe. Et je prétends, moi, entre autres, que je n’ai pas de pensée.

Mais ceci fait rire mes amis.

Et cependant !

Car je n’appelle pas avoir de la pensée, moi, voir juste et je dirai même penser juste, avoir de la pensée, pour moi, c’est maintenir sa pensée, être en état de se la manifester à soi-même et qu’elle puisse répondre à toutes les circonstances du sentiment et de la vie. Mais principalement se répondre à soi.

Car ici se place cet indéfinissable et trouble phénomène que je désespère de faire entendre à personne et plus particulièrement à mes amis (ou mieux encore, à mes ennemis, ceux qui me prennent pour l’ombre que je me sens si bien être ; – et ils ne pensent pas si bien dire, eux, ombres deux fois, à cause d’eux et à cause de moi).

Mes amis, je ne les ai jamais vus comme moi, la langue pendante, et l’esprit horriblement en arrêt. Oui, ma pensée se connaît et elle désespère maintenant de s’atteindre. Elle se connaît, je veux dire qu’elle se soupçonne ; et en tout cas elle ne se sent plus. – Je parle de la vie physique, de la vie substantielle de la pensée (et c’est ici d’ailleurs que je rejoins mon sujet), je parle de ce minimum de vie pensante et à l’état brut, – non arrivée jusqu’à la parole, mais capable au besoin d’y arriver, – et sans lequel l’âme ne peut plus vivre, et la vie est comme si elle n’était plus. – Ceux qui se plaignent des insuffisances de la pensée humaine et de leur propre impuissance à se satisfaire de ce qu’ils appellent leur pensée, confondent et mettent sur le même plan erroné des états parfaitement différenciés de la pensée et de la forme, dont le plus bas n’est plus que parole tandis que le plus haut est encore esprit. Si j’avais moi ce que je sais qui est ma pensée, j’eusse peut-être écrit l’Ombilic des Limbes, mais je l’eusse écrit d’une tout autre façon. On me dit que je pense parce que je n’ai pas cessé tout à fait de penser et parce que, malgré tout, mon esprit se maintient à un certain niveau et donne de temps en temps des preuves de son existence, dont on ne veut pas reconnaître qu’elles sont faibles et qu’elles manquent d’intérêt. Mais penser c’est pour moi autre chose que n’être pas tout à fait mort, c’est se rejoindre à tous les instants, c’est ne cesser à aucun moment de se sentir dans son être interne, dans la masse informulée de sa vie, dans la substance de sa réalité, c’est ne pas sentir en soi de trou capital, d’absence vitale, c’est sentir toujours sa pensée égale à sa pensée, quelles que soient par ailleurs les insuffisances de la forme qu’on est capable de lui donner Mais ma pensée à moi, en même temps qu’elle pèche par faiblesse, pèche aussi par quantité. Je pense toujours à un taux inférieur.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #165

165 – l’étiage toxicomanique de la nation – FEU

BRIEF
aan de heer Wetgever
van de Wet op de Verdovende Middelen

Mijnheer de Wetgever,

Mijnheer de Wetgever van de wet van 1916, in juli 1917 bij decreet aanvaard als de Wet op de Verdovende Middelen, je bent een debiel.
Jouw wet enerveert enkel de wereldwijde farmacie zonder enige invloed op het niveau van drugsverslaving in dit land en wel hierom:

  1. het aantal drugsverslaafden dat zich bij de apotheek bevoorraadt is gering
  2. de echte drugsverslaafde bevoorraadt zich niet bij de apotheker
  3. de drugsverslaafden die zich bij de apotheker bevoorraden zijn allemaal ziek
  4. het aantal drugsverslaafden dat ziek is is gering t.o.v. de genotzuchtige druggebruikers
  5. de farmaceutische beperkingen van de drugs treffen nooit de druggebruikers uit genotzucht en de georganiseerde druggebruikers
  6. er zullen altijd fraudeurs zijn
  7. er zullen altijd drugsverslaafden zijn door ondeugdzaamheid, door passie
  8. zieke drugsverslaafden hebben een onaantastbaar recht in deze maatschappij en dat is om met rust gelaten te worden.

Het is voor alles een gewetenskwestie.
De Wet op de Verdovende Middelen geeft aan de inspecteur-usurpator van de volksgezondheid het recht om te beslissen over de pijn van anderen; het is een merkwaardige pretentie van de moderne medische wetenschap om de eigen plichten te willen voorschrijven aan ieders geweten. Al dat geblaat van het officiële handvest staat machteloos tegen dit ene gewetensfeit: te weten dat, meer nog dan over mijn dood ik de baas ben over mijn eigen pijn. Ieder mens is rechter – en enige rechter – over de hoeveelheid fysieke pijn, of ook geestelijke leegte die hij in alle oprechtheid kan dragen.

Helderheid van geest of niet, er bestaat een helderheid van geest die mij geen enkele ziekte kan ontnemen en dat is het aanvoelen dat mijn fysieke leven mij geeft1hier voegt Artaud een lange voetnoot in die in het volgende deel zal worden vertaald. En als ik die helderheid dan heb verloren, dan heeft de medische wetenschap maar één ding te doen en dat is mij die substanties te verschaffen die mij in staat stellen die helderheid terug te hebben.

Heren dictators van de farmaceutische school van Frankrijk, jullie zijn pedante geknipten: er is een ding dat jullie beter zou moeten inschatten, en dat is dat opium die ene, niet voor te schrijven en imperiale substantie is die het eigen zielenleven weer toegankelijk maakt aan hen die het ongeluk hadden dat kwijt te raken.

Er bestaat een kwaal waartegen opium onfeilbaar is en die kwaal heet Angst. Angst in zijn mentale, medicinale, psychologische, logische of farmaceutische betekenis, wat je maar wil.

De Angst die gekken maakt.
De Angst die zelfmoordenaars maakt.
De Angst die vervloekten maakt.
De Angst die de medische wetenschap niet kent.
De Angst die uw dokter niet begrijpt.
De Angst die het leven krengt.
De Angst die de navelstreng van het leven afknijpt.

Door uw onbillijke wet geeft u mensen in wie ik geen greintje vertrouwen heb – medische debielen, snertapothekers, rechters in wanpraktijken, doktoren, vroedvrouwen, dokters, dokters-inspecteur, het recht in handen om te beslissen over mijn angst, een angst die in mij zo fijn is als de naalden van alle kompasnaalden van de hel.

Bij bevingen van lichaam of ziel bestaat er geen mensenseismograaf die het iemand mogelijk maakt om naar mij te kijken en tot een meer nauwkeurige evaluatie van mijn pijn te komen dan mijn eigen bliksemende geest dat doet!

Heel de riskante wetenschap van de mens is niet superieur aan de onmiddellijke kennis die ik van mijn wezen kan hebben. Ik ben de enige rechter over wat er in mij zit.

Ga terug naar jullie zolders, medische luizen, en jij ook, meneer de wetgever Schaapmans, jij raaskalt niet uit liefde voor de mens maar volgt een traditie van imbeciliteit. Jouw onwetendheid over wat het is om een mens te zijn wordt alleen geëvenaard door je dwaasheid om hem te willen beperken. Moge jouw wet neerkomen op je vader, je moeder, je vrouw, je kinderen en al je nageslacht. En slik nu maar in die wet van je.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.66-70] – vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com


originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Monsieur le législateur,

Monsieur le législateur de la loi de 1916, agrémentée du décret de juillet 1917 sur les stupéfiants, tu es un con.

Ta loi ne sert qu’à embêter la pharmacie mondiale sans profit pour l’étiage toxicomanique de la nation

parce que

1o Le nombre des toxicomanes qui s’approvisionnent chez le pharmacien est infime ;

2o Les vrais toxicomanes ne s’approvisionnent pas chez le pharmacien ;

3o Les toxicomanes qui s’approvisionnent chez le pharmacien sont tous des malades ;

4o Le nombre des toxicomanes malades est infime par rapport à celui des toxicomanes voluptueux ;

5o Les restrictions pharmaceutiques de la drogue ne gêneront jamais les toxicomanes voluptueux et organisés ;

6o Il y aura toujours des fraudeurs ;

7o Il y aura toujours des toxicomanes par vice de forme, par passion ;

8o Les toxicomanes malades ont sur la société un droit imprescriptible, qui est celui qu’on leur foute la paix. C’est avant tout une question de conscience.

La loi sur les stupéfiants met entre les mains de l’inspecteur-usurpateur de la santé publique le droit de disposer de la douleur des hommes ; c’est une prétention singulière de la médecine moderne que de vouloir dicter ses devoirs à la conscience de chacun. Tous les bêlements de la charte officielle sont sans pouvoir d’action contre ce fait de conscience : à savoir, que, plus encore que de la mort, je suis le maître de ma douleur. Tout homme est juge, et juge exclusif, de la quantité de douleur physique, ou encore de vacuité mentale qu’il peut honnêtement supporter. Lucidité ou non lucidité, il y a une lucidité que nulle maladie ne m’enlèvera jamais, c’est celle qui me dicte le sentiment de ma vie physique. Et si j’ai perdu ma lucidité, la médecine n’a qu’une chose à faire, c’est de me donner les substances qui me permettent de recouvrer l’usage de cette lucidité. Messieurs les dictateurs de l’école pharmaceutique de France, vous êtes des cuistres rognés : il y a une chose que vous devriez mieux mesurer ; c’est que l’opium est cette imprescriptible et impérieuse substance qui permet de rentrer dans la vie de leur âme à ceux qui ont eu le malheur de l’avoir perdue.

Il y a un mal contre lequel l’opium est souverain et ce mal s’appelle l’Angoisse, dans sa forme mentale, médicale, physiologique, logique ou pharmaceutique, comme vous voudrez.

L’Angoisse qui fait les fous.
L’Angoisse qui fait les suicidés.
L’Angoisse qui fait les damnés.
L’Angoisse que la médecine ne connaît pas.
L’Angoisse que votre docteur n’entend pas.
L’Angoisse qui lèse la vie.
L’Angoisse qui pince la corde ombilicale de la vie.

Par votre loi inique vous mettez entre les mains de gens en qui je n’ai aucune espèce de confiance, cons en médecine, pharmaciens en fumier, juges en mal-façon, docteurs, sages-femmes, inspecteurs-doctoraux, le droit de disposer de mon angoisse, d’une angoisse en moi aussi fine que les aiguilles de toutes les boussoles de l’enfer.

Tremblements du corps ou de l’âme, il n’existe pas de sismographe humain qui permette à qui me regarde d’arriver à une évaluation de ma douleur plus précise, que celle, foudroyante, de mon esprit !

Toute la science hasardeuse des hommes n’est pas supérieure à la connaissance immédiate que je puis avoir de mon être. Je suis seul juge de ce qui est en moi.

Rentrez dans vos greniers, médicales punaises, et toi aussi, Monsieur le Législateur Moutonnier, ce n’est pas par amour des hommes que tu délires, c’est par tradition d’imbécillité. Ton ignorance de ce que c’est qu’un homme n’a d’égale que ta sottise à le limiter. Je te souhaite que ta loi retombe sur ton père, ta mère, ta femme, tes enfants, et toute ta postérité. Et maintenant avale ta loi.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Noten[+]

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #164

164 – j’y tombe du ciel – BUIK

‘Homme’ van André Masson

(lees eerst het eerste deel van deze tekst)

En nu schikt hij zich in cellen waar een zaadje van onwerkelijkheid groeit. De cellen zitten elk op hun plaats in een waaiervormig patroon,

rond de buik, voor de zon , boven de vogel, enrondom die circulatie van solferwater.

Maar de architectuur is onverschillig aan de cellen, zij ondersteunt en zegt niets.

Elke cel heeft een ei, welke kiem glanst daarin? In elke cel wordt plots een ei geboren. Er is in elk van hen een onmenselijk krioelen dat evenwel helder is met de gelaagdheid van een bevroren universum.

Elke cel heeft wel degelijk zijn ei en biedt het ons aan; maar het maakt weinig uit of het ei wordt verkozen of afgekeurd.

Niet alle cellen dragen een ei. In sommige wordt een spiraal geboren. En in de lucht hangt een grotere spiraal, maar alsof die al solfer is, of nog fosfor en gewikkeld in onwerkelijkheid. En die spiraal heeft het belang van de meest krachtige gedachte.

De buik doet denken aan chirugie en het Lijkenhuis, aan een werf, een publieke plaats, de operatietafel. Het lichaam van de buik lijkt van graniet, of van marmer, of van plaaster, maar dan een verharde plaaster. Er is een vakje voor een berg. Het schuim van de lucht geeft de berg een koele, doorschijnende krans. De lucht rond de berg is sonoor, vroom, legendarisch, verboden. De toegang tot de berg is verboden. De berg heeft zijn plaats in de ziel. Hij is de horizon van iets dat voortdurend wijkt. Hij geeft de indruk van de eeuwige horizon.

En ik beschreef dit schilderij in tranen, want dit schilderij raakt mijn hart. Ik voel mijn denken zich daar ontvouwen als in een ideale, absolute ruimte, maar een ruimte die een vorm heeft die in de werkelijkheid gevoegd zou kunnen worden. Ik val er uit de hemel.

En elke vezel in mij spert zich open en vindt zijn plaats in een welbepaald vakje. Ik ga erin op als in mijn bron, ik vind er de plaats en de aard van mijn geest. Wie dit schilderij heeft geschilderd, is de grootste schilder van de wereld. Aan André Masson wat hem toekomt.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.62-64] – vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Et voici qu’il se dispose en cellules où pousse une graine d’irréalité. Les cellules se casent chacune à sa place, en éventail,

autour du ventre, en avant du soleil, au delà de l’oiseau, et autour de cette circulation d’eau soufrée.

Mais l’architecture est indifférente aux cellules, elle sustente et ne parle pas.

Chaque cellule porte un œuf où reluit quel germe ? Dans chaque cellule un œuf est né tout à coup. Il y a dans chacune un fourmillement inhumain mais limpide, les stratifications d’un univers arrêté.

Chaque cellule porte bien son œuf et nous le propose ; mais il importe peu à l’œuf d’être choisi ou repoussé.

Toutes les cellules ne portent pas d’œuf. Dans quelques-unes naît une spire. Et dans l’air une spire plus grosse pend, mais comme soufrée déjà ou encore de phosphore et enveloppée d’irréalité. Et cette spire a toute l’importance de la plus puissante pensée.

Le ventre évoque la chirurgie et la Morgue, le chantier, la place publique et la table d’opération. Le corps du ventre semble fait de granit, ou de marbre, ou de plâtre, mais d’un plâtre durcifié. Il y a une case pour une montagne. L’écume du ciel fait à la montagne un cerne translucide et frais. L’air autour de la montagne est sonore, pieux, légendaire, interdit. L’accès de la montagne est interdit. La montagne a bien sa place dans l’âme. Elle est l’horizon d’un quelque chose qui recule sans cesse. Elle donne la sensation de l’horizon éternel.

Et moi j’ai décrit cette peinture avec des larmes, car cette peinture me touche au cœur. J’y sens ma pensée se déployer comme dans un espace idéal, absolu, mais un espace qui aurait une forme introductible dans la réalité. J’y tombe du ciel.

Et chacune de mes fibres s’entr’ouvre et trouve sa place dans des cases déterminées. J’y remonte comme à ma source, j’y sens la place et la disposition de mon esprit. Celui qui a peint ce tableau est le plus grand peintre du monde. À André Masson, ce qui lui revient.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #163

163- sang mélé de safran et de soufre – VENTRE

‘Homme’ van André Masson

Een slanke buik. Een strakke poederbuik, als op een prentje. Aan de voet van de buik een gespleten granaatappel.

Uit de granaatappel circuleert een vlokkenstroom omhoog als vuurtongen, een koud vuur. De circulatie neemt de buik op en zet hem terug. Maar de buik draait niet.

Het zijn aders met wijnbloed, bloed vermengd met saffraan en zwavel, maar zwavel verzacht met water.
Boven de buik zijn er borsten zichtbaar. En hoger, in de diepte, maar op een ander vlak van de geest brandt er een zon, maar zodanig dat je zou denken dat er een borst brandt. En aan de voet van de granaat een vogel.
De zon lijkt te kijken. Maar de blik kijkt naar de zon. De blik is een kegel die zich bij de zon omdraait. En heel de lucht is als bevroren muziek, maar een weidse diepe muziek, goed gemaçonneerd en geheim en vol ijzige vertakkingen.

En dit alles ommetseld met zuilen als in een soort architectenschets die de buik met de werkelijkheid verbindt.

Het doek is een gelaagde holte. Het schilderij zit goed ingesloten in het doek. Het is als een gesloten cirkel, een soort afgrond die in het midden roteert en splitst. Het is als een geest die zichzelf ziet en graaft, het wordt voortdurend geremixt en bewerkt door de krampachtige handen van de geest. De geest zaait zijn fosfor.

De geest is zelfverzekerd. Hij zet zijn voet stevig in de wereld. De granaatappel, de buik, de borsten zijn als bewijzen getuigend van de werkelijkheid. Er is een dode vogel, er is gebladerte van zuilen. De lucht zit vol met potloodstrepen, potloodstrepen als messteken, als striemen van magische nagels. De lucht is voldoende omgedraaid.

lees verder

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.62-64]
vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com


originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Un ventre fin. Un ventre de poudre ténue et comme en image. Au pied du ventre, une grenade éclatée.

La grenade déploie une circulation floconneuse qui monte comme des langues de feu, un feu froid.

La circulation prend le ventre et le retourne. Mais le ventre ne tourne pas.

Ce sont des veines de sang vineux, de sang mêlé de safran et de soufre, mais d’un soufre édulcoré d’eau.

Au-dessus du ventre sont visibles des seins. Et plus haut, et en profondeur, mais sur un autre plan de l’esprit, un soleil brûle, mais de telle sorte que l’on pense que ce soit le sein qui brûle. Et au pied de la grenade, un oiseau.

Le soleil a comme un regard. Mais un regard qui regarderait le soleil. Le regard est un cône qui se renverse sur le soleil. Et tout l’air est comme une musique figée, mais une vaste, profonde musique, bien maçonnée et secrète, et pleine de ramifications congelées.

Et tout cela, maçonné de colonnes, et d’une espèce de lavis d’architecte qui rejoint le ventre avec la réalité.

La toile est creuse et stratifiée. La peinture est bien enfermée dans la toile. Elle est comme un cercle fermé, une sorte d’abîme qui tourne, et se dédouble par le milieu. Elle est comme un esprit qui se voit et se creuse, elle est remalaxée et travaillée sans cesse par les mains crispées de l’esprit. Or, l’esprit sème son phosphore. L’esprit est sûr. Il a bien un pied dans le monde. La grenade, le ventre, les seins, sont comme des preuves attestatoires de la réalité. Il y a un oiseau mort, il y a des frondaisons de colonnes. L’air est plein de coups de crayon, des coups de crayon comme des coups de couteau, comme des stries d’ongle magique. L’air est suffisamment retourné.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #162

162 – la suppression radicale d’un membre – ÊTRE

Beschrijving van een lichamelijke toestand

een scherp, brandend gevoel in de ledematen,

verkrampte spieren en als opgespannen het gevoel om van glas te zijn en breekbaar, een schrik, een terugdeinzen van beweging, van lawaai. Een onbemerkte hulpeloosheid in de stap, de gebaren, de bewegingen. Een voortdurend gespannen wil voor de eenvoudigste gebaren,

het verzaken aan het eenvoudige gebaar,

een soort centrale, overweldigende moeheid, een hunkerende moeheid. Alle bewegingen dienen herbedacht te worden, een soort doodsmoeheid, geestesmoeheid voor de eenvoudigste musculaire krachtinspanning, het gebaar iets te nemen, van zich gedachteloos ergens aan vast te grijpen,

door de inzet van de wil ondersteund te worden.

Een vermoeidheid van bij het begin van de wereld, de sensatie om het eigen lichaam te moeten dragen, een gevoel van een ongelooflijke kwetsbaarheid, dat uitgroeit tot een slopende pijn,

een toestand van pijnlijke verdoving, een soort verdoving gelokaliseerd op de huid, die geen enkele beweging verhindert maar het inwendige gevoel van een ledemaat verandert, en zo de simpele verticale stand de prijs van een zegevierende inspanning geeft.

Waarschijnlijk beperkt tot de huid, maar aanvoelend als de radicale verwijdering van een ledemaat, het geeft aan de hersenen enkel nog beelden van draadachtige, pluizige ledematen door, beelden van verre ledematen en die niet op hun plaats zitten. Een soort inwendige breukin de samenhang van de zenuwen.

Bewogen zwijmeling, een soort dwarse verblinding die gepaard gaat met elke inspanning, een stolling van warmte die knelt rond heel het schedeloppervlak of die in stukken wordt gesneden, plakken warmte die zich verplaatsen.

Een verhevigde pijn in de schedel, een snijdende druk op de zenuwen, de nek gebogen om te lijden,slapen die verglazen of marmeren, een hoofd dat door paarden wordt vertrapt.

We moeten het nu hebben over de ontlijving van de werkelijkheid, van dat soort breuk, die, zo lijkt het, zich gaat verspreiden tussen de dingen en het gevoel dat ze produceren in onze geest, de plaats die ze dienen in te nemen.

deze ogenblikkelijke ordening der dingen in de cellen van de geest; niet zozeer in hun logische orde maar in hun gevoelsmatige, affectieve orde

(die niet meer tot stand komt):

de dingen hebben geen geur meer, geen geslacht. Maar ook hun logische orde wordt soms doorbroken, juist door hun gebrek aan emotionele geur. Woorden die rotten bij de onbewuste roep van de hersenen, alle woorden voor eender welke mentale operatie, en vooral die woorden die raken aan de meest gewone, meest werkzame delen van de geest.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.60-61]
vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com


originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

DESCRIPTION
D’UN ÉTAT PHYSIQUE

une sensation de brûlure acide dans les membres,

des muscles tordus et comme à vif, le sentiment d’être en verre et brisable, une peur, une rétraction devant le mouvement, et le bruit. Un désarroi inconscient de la marche, des gestes, des mouvements. Une volonté perpétuellement tendue pour les gestes les plus simples,

le renoncement au geste simple,

une fatigue renversante et centrale, une espèce de fatigue aspirante. Les mouvements à recomposer, une espèce de fatigue de mort, de la fatigue d’esprit pour une application de la tension musculaire la plus simple, le geste de prendre, de s’accrocher inconsciemment à quelque chose,

à soutenir par une volonté appliquée.

Une fatigue de commencement du monde, la sensation de son corps à porter, un sentiment de fragilité incroyable, et qui devient une brisante douleur,

un état d’engourdissement douloureux, une espèce d’engourdissement localisé à la peau, qui n’interdit aucun mouvement mais change le sentiment interne d’un membre, et donne à la simple station verticale le prix d’un effort victorieux.

Localisé probablement à la peau, mais senti comme la suppression radicale d’un membre, et ne présentant plus au cerveau que des images de membres filiformes et cotonneux, des images de membres lointains et pas à leur place. Une espèce de rupture intérieure de la correspondance de tous les nerfs.

Un vertige mouvant, une espèce d’éblouissement oblique qui accompagne tout effort, une coagulation de chaleur qui enserre toute l’étendue du crâne ou s’y découpe par morceaux, des plaques de chaleur qui se déplacent.

Une exacerbation douloureuse du crâne, une coupante pression des nerfs, la nuque acharnée à souffrir, des tempes qui se vitrifient ou se marbrent, une tête piétinée de chevaux.

Il faudrait parler maintenant de la décorporisation de la réalité, de cette espèce de rupture appliquée, on dirait, à se multiplier elle-même entre les choses et le sentiment qu’elles produisent sur notre esprit, la place qu’elles doivent prendre.

Ce classement instantané des choses dans les cellules de l’esprit, non pas tellement dans leur ordre logique, mais dans leur ordre sentimental, affectif

(qui ne se fait plus) :

les choses n’ont plus d’odeur, plus de sexe. Mais leur ordre logique aussi quelquefois est rompu à cause justement de leur manque de relent affectif. Les mots pourrissent à l’appel inconscient du cerveau, tous les mots pour n’importe quelle opération mentale, et surtout celles qui touchent aux ressorts les plus habituels, les plus actifs de l’esprit.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza

journal intime #161

161- le verbe n’est qu’un foetus – ZIJN

jamaar Vekemans gij met uw doemende kritiek altijd wanneer gaat ge ne keer iets positiefs schrijven, wanneer krijgen we ne keer een schoon gedichtje, een plezant tekeningske, iets simpel en bevattelijk waar ge blij van kunt worden?

joa joa.

’t is dat ge ’t niet wil horen è. het hoopvolle is vooralsnog onaanvaardbaar omdat ge zelf in de weg zit, en daar kan en wil ik, uw zogenaamde auteur, niks aan verhelpen.

de Neue Kathedrale des erotische Elends is een proefproject van een programma dat programma’s aanmaakt. ondersteunende, troostbiedende en sanerende (be)leefprogramma’s voor de organisatie van de menselijke creativiteit. auteursprogramma’s. schrijf-leesprogramma’s (schrijven=lezen, iedereen is auteur).

wat is dat? neen: hoe gebeurt het?

de creatieve activiteit krijgt middels de programmering ritme, de I/O flow wordt adem.
de adem is de levensadem: het getij van expressie en regressie van het zelf, een zelf dat geleidelijk aan in de crea-tijd uitklaart, ontspant tot poort.

het werk wordt een open voortuin in de wereld aan het huis van het zelf, een thuis (kom thuis! zorg eerst voor uzelf!), een belevingsruimte. de voortuin is een uitnodiging, niet tot het zelf als inhoud maar tot de poort, tot de activiteit : het spreekt de ander aan in haar nood om (er) iets (aan) te doen.

binnen in haar thuis zoekt het creatieve zelf verbinding met de overlevering, het reactiveert de adem, de flow van de ziel in de afgestorvenen, de voltooiden. het zelf is geen ik meer maar een het: het heeft zich van het nijdige ik onthecht.

onthecht, ontdaan van eigenbelang ontsluit het in haar thuis de schatten van het bewaarde, de humane kwaliteit

deze ontsluiting is een lezing en de lezing is telkens weer lezing van een graf, een occulte connectie met het onleefbare Buiten, transformatie van de morbide code naar actieve Stem, een schrijven van het Echte.

daar is niks mystieks aan, jij doet het hier en nu, terwijl je dit leest. lezen is ook geloven dat je de schat van het Bewaarde ontsluit. lezen is geloven dat jij het waard bent om betekenis te ontvangen. lezen is religie, verbinding.

en elk lezen is een schrijven. jij bent auteur van wat je leest.

het zelf is (ook) een sterven van de ziel (Heraclitus) in de dissimulerende rede, het werk van de dodende Werkelijkheid. de Ziel beweegt zich pijnlijk in het stramme van onze mortificerende realiteiten, onze koopwaar.
de wereldziel strandt en sterft in ons, spoelt aan op het zand in onze harten als potvis

maar sterven is leven, net zoals lezen schrijven is, leven is de negatie van de negatie van het sterven.

de bloei van het werk is wat bloei altijd is: verleiding, geil, expressie van de wil tot copulatie, bevruchting, transmissie.

bloei is sowieso altijd transgressie van de geterritorialiseerde Werkelijkheid. bloei breekt uit het cocon van de realiteit, van het verkochte Rot. bloei breekt vrij uit de Brol.

buiten, in de voortuin nodigt het de ander uit, niet tot het zelf maar tot de verbinding, de poortwerking, de bezigheid, de adem van de wereldziel. het heeft er geen belang bij wat u of wie dan ook doet met deze uitnodiging.

het wil niet overtuigen, het wil geen succes, het wil niets, het is louter beleving, exemplarisch actief, vegatatief onuitroeibaar, onooglijk flexibel als gras, viraal transmuteerbaar tot elke leef/sterf-omgeving.

het is het virus van de Vrije Lyriek.

en het individu lost op in de verbindingen die het faciliteert.
en het is als niemand dat het telt, een schrijven zonder naam, een lichaam zonder organen.

‘jamaar V… ‘
ja maar wie? alles van mij is al lang weg.

graag uw commentaar op deze aflevering van het journal intime-programma. commentaren worden geplaatst bij herziening van de teksten in een van de volgende programma’s
vermeld uw mailadres als u persoonlijk antwoord wil krijgen (uw mailadres wordt niet publiek gemaakt)
vermeld uw website als u een link daarnaar bij uw commentaar wenst

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #160

Geachte Heer,

Denkt u niet dat het ogenblik gekomen is om te pogen de Cinema te verbinden met de intieme realiteit van de hersenen. Ik deel met u enkele fragmenten uit een scenario dat ik u graag wil aanbevelen. U zal zien dat het geestelijk niveau, de innerlijke conceptie ervan het een plaats geven in de geschreven taal. En om de overgang minder bruut te maken, laat ik er twee essays aan voorafgaan die meer en meer – ik bedoel, naarmate ze zich ontwikkelen – afbuigen, zich in steeds minder vrijblijvende beelden opdelen.

Dit scenario is geïnspireerd, zij het van ver, op een boek dat zeker vergiftigd is, versleten, maar ik ben het toch dankbaar dat het mij de beelden heeft laten vinden. En omdat ik geen verhaal vertel, maar gewoon beelden laat passeren, kan men het me niet kwalijk nemen dat ik er slechts enkele stukjes van aanbied. verder heb ik twee of drie pagina’s ter uwer beschikking waarin ik probeer de surrealiteit aan te pakken, die zijn ziel te te kennen te laten geven, zijn wonderlijke gal te doen opgeven, en die zouden het geheel kunnen voorafgaan, en die kan ik u, zo u dat wenst, binnenkort ook toesturen.

Met de meeste enz.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.59]
vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Cher Monsieur,

Ne croyez-vous pas que ce serait maintenant le moment d’essayer de rejoindre le Cinéma avec la réalité intime du cerveau. Je vous communique quelques extraits d’un scénario auxquels j’aimerais beaucoup que vous fassiez accueil. Vous verrez que son plan mental, sa conception intérieure lui donne place dans le langage écrit. Et pour que la transition soit moins brutale, je le fais précéder de deux essais qui inclinent de plus en plus, – je veux dire qui, à mesure qu’ils se développent, – se répartissent en des images de moins en moins désintéressées.

Ce scénario est inspiré, quoique de loin, d’un livre certainement empoisonné, usé, mais je lui sais tout de même gré de m’avoir fait trouver des images. Et comme je ne raconte pas une histoire mais égrène simplement des images, on ne pourra pas m’en vouloir de n’en proposer que des morceaux. Je tiens d’ailleurs à votre disposition deux ou trois pages où j’essaie d’attenter à la surréalité, de lui faire rendre son âme, expirer son fiel merveilleux, dont on pourrait faire précéder le tout, et que je vous enverrai, si vous le voulez bien, prochainement.

Agréez, etc.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #159

159 – Car nous sommes uniquement dans l’ Esprit – FOU

VOGELEN-PAUL
of
DE PLAATS VAN DE LIEFDE (slot)

lees eerst het eerste stuk van deze tekst

Op het moment dat het doek opgaat; ligt Selvaggia op sterven.
Paolo Uccello komt op en vraagt haar hoe het gaat. De vraag krijgt Brunelleschi zo buiten zichzelf dat hij de louter mentale atmosfeer van het drama doorbreekt met een gebalde, materiële vuist.

BRUNELLESCHI. – Varken, zot.
PAOLO UCCELLO, niets driemaal. – Imbeciel.

Maar laat ons eerst de personages beschrijven. Lataen we ze een fysieke gestalte geven, een stem, een opschik.

Vogelen-Paul heeft een onmerkbare stem, een insectenpas, een gewaad dat te groot voor hem is.

Brunelleschi, die heeft een echte sonore theaterstem die goed in het vlees zit. Hij lijkt op Dante.

Donatello is tussen de twee: St. Franciscus van Assisi vóór de Stigmata.

De scène speelt zich af op drie plateaus.

Onnodig te zeggen dat Brunelleschi verliefd is op de vrouw van Vogelen-Paul. Hij verwijt hem onder andere haar te laten sterven van honger. Kan men sterven van de honger in de Geest?

Want we zijn zuiver en alleen in de Geest.

Het drama speelt op verschillende niveaus en heeft verschillende aspecten, het gaat er net zo goed om de stupiede vraag of Paolo Uccello genoeg medemenselijkheid zal vinden om Selvaggia te eten te geven, als om te zien wie van de drie, vier personages het langst op zijn plateau zal blijven.

Want Paolo Ucello stelt de Geest voor, niet noodzakelijkerwijs zuiver, maar onthecht.

Donatello is de verheven geest. Hij kijkt al niet meer naar de aarde, al raken zijn voeten nog de grond.

Brunelleschi daarentegen is door en door aards, en het is aards en seksueel dat hij Selvaggia begeert. Hij denkt alleen aan neuken.

Paolo Uccello kent de seksualiteit wel, maar hij ziet ze achter glas en van kwikzilver, en koud als ether.

En Donatello, die is voorbij de rouw ervan.

Paolo Uccello heeft niets onder zijn gewaad. Hij heeft enkel een klep op de plaats van het hart.

Aan de voeten van Selvaggia groeit er een kruid dat er niet thuishoort.

Plots voelt Brunelleschi zijn pik verstijven, hij wordt enorm. Hij kan het niet houden en er vliegt een grote witte vogel uit als sperma dat spiraalsgewijs de lucht inschiet.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.55-58]
vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Au moment où le rideau se lève, Selvaggia est en train de mourir.

Paolo Uccello entre et lui demande comment elle va. La question a le don d’exaspérer Brunelleschi qui lacère l’atmosphère uniquement mentale du drame d’un poing matériel et tendu.

BRUNELLESCHI. – Cochon, fou.

PAOLO UCCELLO, éternuant trois fois. – Imbécile.

Mais d’abord décrivons les personnages. Donnons-leur une forme physique, une voix, un accoutrement.

Paul les Oiseaux a une voix imperceptible, une démarche d’insecte, une robe trop grande pour lui.

Brunelleschi, lui, a une vraie voix de théâtre sonore et bien en chair. Il ressemble au Dante.

Donatello est entre les deux : saint François d’Assise avant les Stigmates.

La scène se passe sur trois plans.

Inutile de vous dire que Brunelleschi est amoureux de la femme de Paul les Oiseaux. Il lui reproche entre autres choses de la laisser mourir de faim. Est-ce qu’on meurt de faim dans l’Esprit ?

Car nous sommes uniquement dans l’Esprit.

Le drame est sur plusieurs plans et à plusieurs faces, il consiste aussi bien dans la stupide question de savoir si Paolo Uccello finira par acquérir assez de pitié humaine pour donner à Selvaggia à manger, que de savoir lequel des trois ou quatre personnages se tiendra le plus longtemps à son plan.

Car Paolo Uccello représente l’Esprit, non pas précisément pur, mais détaché.

Donatello est l’Esprit surélevé. Il ne regarde déjà plus la terre, mais il y tient encore par les pieds.

Brunelleschi, lui, est tout à fait enraciné à la terre, et c’est terrestrement et sexuellement qu’il désire Selvaggia. Il ne pense qu’à coïter.

Paolo Uccello n’ignore pas cependant la sexualité, mais il la voit vitrée et mercurielle, et froide comme de l’éther.

Et quant à Donatello, il a fini de la regretter.

Paolo Uccello n’a rien dans sa robe. Il n’a qu’un pont à la place du cœur.

Il y a aux pieds de Selvaggia une herbe qui ne devrait pas être là.

Tout d’un coup Brunelleschi sent sa queue se gonfler, devenir énorme. Il ne peut la retenir et il s’en envole un grand oiseau blanc, comme du sperme qui se visse en tournant dans l’air.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #157

157 – une démarche d’insecte – TEMPS

VOGELEN-PAUL
of
DE PLAATS VAN DE LIEFDE (1)

Paolo Uccello1Artaud heeft het thema van Paolo Ucello overgenomen van ‘Paolo Ucello’ uit de ‘Ingebeelde levens‘ van Marcel Schwob, een boek dat in 1921 werd heruitgebracht door Gallimard (eerste ed. Fasquelle, 1896 ) worstelt met zichzelf te midden een immens mentaal weefsel waarin hij alle wegen naar zijn ziel en naar de vorm en de aanhechting van zijn werkelijkheid is kwijtgeraakt.
Raak van je tong af Paolo Ucello, raak van je tong af, mijn tong, mijn tong, kak, wie spreekt er daar, waar ben jij? Wég, wég, Geest, Geest, vuur, vuurtongen, vuur, vuur, eet je tong op, ouwe hond, eet zijn tong, eet, enz.
Ik ruk mijn taal uit.

JA.

Ondertussen verscheuren Brunelleschi en Donatello elkaar als verdoemden. Weliswaar is Paolo Ucello het zware en gewogen punt van het geschil maar die staat op een ander plateau dan zij.

En er is ook Antonin Artaud. Een Antonin Artaud in barensnood evenwel, aan de andere kant van alle mentale glazen en hij doet er alles aan om zich elders te wanen (bij André Masson bijvoorbeeld die helemaal het uiterlijk van Paolo Ucello heeft,een gelaagd uiterlijke als van een insect of een idioot en als een vlieg gevat in de verf, in zijn verf die van de weeromstuit gelaagd wordt).

En overigens is het in hem (Antonin Artaud) dat Uccello zichzelf denkt, maar als hij zichzelf denkt is hij niet echt meer in hem, etc., etc. Het vuur waarin zijn ijs weekt heeft zich in een mooi weefsel vertaald.

En Paolo Uccello zet de prikkelende operatie verder van deze wanhopige tonguitrukking.

Het gaat hier om een probleem dat in de geest van Antonin Artaud is ontstaan, maar Antonin Artaud heeft geen probleem nodig, hij zit al genoeg opgezadeld met zijn eigen gedachten, met onder andere dat hij zichzelf is tegengekomen, er achter kwam wat een slechte acteur hij is, bijvoorbeeld gisteren, in de bioscoop, in Surcouf, zonder dat die larve van een Kleine Paul hem zijn tong komt opeten.

Het theater is door hem gebouwd en bedacht. Hij heeft zo’n beetje overal arcades en plateau’s uitgezet waarin al zijn personages als honden tekeergaan.

Er is een plateau voor Paolo Uccello, en een plateau voor Brunelleschi en Donatello, en een plateau voor Selvaggia, de vrouw van Paolo.

Twee, drie, tien problemen zijn plotseling verstrengeld met de zigzagbewegingen van hun spirituele tongen, met alle ruimtelijke verplaatsingen op hun plateaus.

Lees verder…

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.55-58]
vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

PAUL LES OISEAUX
OU
LA PLACE DE L’AMOUR

Paolo Uccello est en train de se débattre au milieu d’un vaste tissu mental où il a perdu toutes les routes de son âme et jusqu’à la forme et à la suspension de sa réalité.

Quitte ta langue Paolo Uccello, quitte ta langue, ma langue, ma langue, merde, qui est-ce qui parle, où es-tu ? Outre, outre, Esprit, Esprit, feu, langues de feu, feu, feu, mange ta langue, vieux chien, mange sa langue, mange, etc. J’arrache ma langue.

OUI.

Pendant ce temps Brunelleschi et Donatello se déchirent comme des damnés. Le point pesant et soupesé du litige est toutefois Paolo Uccello, mais qui est sur un autre plan qu’eux.

Il y a aussi Antonin Artaud. Mais un Antonin Artaud en gésine, et de l’autre côté de tous les verres mentaux, et qui fait tous ses efforts pour se penser autre part que là (chez André Masson par exemple qui a tout le physique de Paolo Uccello, un physique stratifié d’insecte ou d’idiot, et pris comme une mouche dans la peinture, dans sa peinture qui en est par contre-coup stratifiée).

Et d’ailleurs c’est en lui (Antonin Artaud) que Uccello se pense, mais quand il se pense il n’est véritablement plus en lui, etc., etc. Le feu où ses glaces macèrent s’est traduit en un beau tissu.

Et Paolo Uccello continue la titillante opération de cet arrachement désespéré.

Il s’agit d’un problème qui s’est posé à l’esprit d’Antonin Artaud, mais Antonin Artaud n’a pas besoin de problème, il est déjà assez emmerdé par sa propre pensée, et entre autres faits de s’être rencontré en lui-même, et découvert mauvais acteur, par exemple, hier, au cinéma, dans Surcouf, sans encore que cette larve de Petit Paul vienne manger sa langue en lui.

Le théâtre est bâti et pensé par lui. Il a fourré un peu partout des arcades et des plans sur lesquels tous ses personnages se démènent comme des chiens.

Il y a un plan pour Paolo Uccello, et un plan pour Brunelleschi et Donatello, et un petit plan pour Selvaggia, la femme de Paolo.

Deux, trois, dix problèmes se sont entrecroisés tout d’un coup avec les zigzags de leurs langues spirituelles et tous les déplacements planétaires de leurs plans.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Noten[+]

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza

journal intime #156

156- Il y a aussi Antonin Artaud – TONG

de boodschap van de westerse gek, wat de waanzin ons te zeggen heeft, is sinds jaar en dag de ondergang, de heerschappij van Satan, de apocalyps (zie daarover [FOUCAULT 1972, p38-39] ): voorbij de rede is er enkel de ondergang.

maar de westerse waanzinnige manifesteert zich zo ook als een ziener van het Rot, de echte versie van het fictieve Armageddon, de fameuze apocalyps die immers niet meer is dan de zoveelste uiting van de negentropische gewoonte van het uitstel in het denken, een projectie van de waarheid, een verpakking van het Rot tot na het oordeel van de Rede, het Zijn, God dus.

het hele idee van een Apocalyps, die neurose, is uiterst nefast voor de precaire situatie waarin we ons nu bevinden. in plaats van alles te doen om toch het mogelijke te redden van wat er te redden valt, schakelen we in ons hoofd geheel over naar ‘alles is verloren’ en ‘dit is het einde der tijden’. en we doen niks meer.

we vergeten dan prompt het enige stukje zelfkennis dat niet ogenblikkelijk leidt tot onze gebruikelijke megalomanie waarvan ook deze apocalypsneurose, dit ramptoerisme van het denken een onwaarschijnlijke uiting is.
namelijk dat wij als soort verschrikkelijk taai onkruid zijn, een virus waar je niet zomaar vanaf raakt, als het al mogelijk is. want buiten onze eigen leefwereld om, buiten onze negentropische bubbel om, zijn wij gewoon een perfecte desintegratiemachine, het Rot op zijn paasbest dat alles in haar weg verneukt tot het alleen maar aan stilletjes wegkwijnen wil denken.
zo snel is de aarde niet van ons verlost en zelfs dan is het niet ondenkbaar dat er twee miljoen jaren later weer iets vekemansachtig loopt wartaal uit te slaan om de blondjes te imponeren.

maar goed: omdat het idee van de onvermijdelijke entropie van alles, de waarneembare desintegratie, de tastbaar stijgende complexiteit, omdat het Rot als idee onaanvaardbaar is, te veel realiteit voor de ‘human mind’ (T.S. Eliot), duwen we het letterlijk voor ons uit, projecteren we het naar de verre toekomst, het einde der tijden, zodat we onze negentropische bubbel voluit evolutionistisch kunnen blijven denken, voortschrijdend in een voortdurende evolutie naar het hogere. het eschatologische is voor ons westerlingen altijd de uitverkoren oplossing geweest om het Rot leefbaar te maken, om te kunnen blijven lachen terwijl we verder en verder ten onder gaan.

het ‘oor’, overigens, in het laatste ‘oordeel’ heeft niets met het gehoor te maken maar is het handvat aan het ‘ding’, de ‘handler’ van de begrijpelijkheid. etymologische komen al die woorden uit de sfeer van de rechtspraak, maar bon, ik zal maar zwijgen over Derrida vandaag.

de westerse tijdsbeleving is immers altijd die van een uitstel van de toekomst, en een winstneming op de prognose van het onmogelijke. de daden tellen enkel in hun consequenties, hun verwezenlijkingen. als het niet opbrengt, bestaat het niet. en wat het opbrengt moet tastbaar zijn, begrijpelijkheid dus.

net wat u lekker niet krijgt van mij (het zal u leren).

elk oordeel is een tijdsoordeel, het maakt het gebeuren aanhangig in de tijd om tot een verdict te komen, een verdinging, een verharding, een fallische uitspraak in weerwil van het echte. ‘fuck it’: het gebeuren gereïficeerd tot verhandelbare gebeurtenis, de sjachertruuk van Badiou. time is money.

zelfs de fysica ontkent het gebeuren in functie van het begrijpelijke ding, het ‘deeltje’ van de stof, de waan van de materie. en de neurologie reduceert dankbaar de zieke gek tot een ongewenste, onverhandelbare respons op dat deeltje, het essentiële. het zit zo en zo en gij zijt zot.

zo wordt de zot de paljas, de ongelovige én de uitgeslotene, de verdoemde maar ook het levende Aandenken, de Wijsvinger van God, de zombie van het memento mori en de zwaaier met de sabel van het laatste oordeel.

de westerse gek is de gekmakende angst en de angst is de angst voor de waarheid, het toelaten van het Echte in de steeds sneller rottende werkelijkheden van het Zijn.
de westerse waanzin is een lijden aan het lijden dat enkel verholpen kan worden door het onbespreekbare uit te schakelen, te omzeilen. de westerse gek moet gefikst worden, bijgepraat, gedrogeerd, geëlektrocuteerd , opgesloten, genegeerd, gemuilkorfd, verzwegen.

op elke echte vraag van de waanzinnige (“mijn leven in de ontkenning van het Rot en van het lijden werkt niet meer“, “ik ervaar enkel nog het echte van de pijn” ) is er na het falen van de routineus uitgevoerde upgrades en de chemische bugfixes uit het Handboek (het Handboek vervangt de in vrees teruggetrokken hand van de zorg) slechts het standaard antwoord van de dood.

kijk hier is het spuitje, doe het voor jou, doe het voor ons. verlos ons van jouw lijden, van dat Aandenken, die rotte Wijsvinger van het Lijk van God. het is jouw schuld ook wel wat è, kijk naar ons, wij willen wèl geloven.

dit geldt uiteraard enkel voor mannelijke zotten. de zottinen die zijn gewoon hysterisch, die kan je helpen met de Spuit van God (“enkel in de Premiumversie van het Handboek, upgrade nu!”)

de oosterse zot is, in mijn Tao-boekskens toch, vaak de wijze die de ‘Ren’ van het Humane achter zich heeft gelaten, naast zich heeft neergelegd. wat doen de Chinezen met hun wijzen, tegenwoordig?

NKdeE 2020, ‘Artaud is geschoren’ (naar het zelfportret van 17-11/1946) – potlood – A5


Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #155

155- – une cristallisation immediate et directe – LANGUE

ARTAUD – Navel van het Voorgeborgte (3 – 4)

God-de-reu sta mij bij en zijn tong
die als een pijl de korst doorboort
van de koepel met de dubbele boord,
van de aarde die jeukt naar zijn woord.

En daar is de driehoek van water
die stapt in de pas van punaises
die zich op hete kolen wil bewijzen
als messteek en niet als punaise.

God-de-teef die is diep in de boezem
van gruwel en grond willen kruipen,
de boezem van aarde en water en ijs
die haar voze tong rottend doet druipen.

En daar is de meid-met-de-hamer,
die de kelders van aarde komt slopen
en de schedel van de hond van de ster
voelt hoger het afgrijzen oplopen.


Dokter,

Er is een punt waarop ik toch zou willen insisteren: het belang namelijk van datgene waarop uw injecties inwerken, de essentiële verslapping van mijn wezen, de verlaging van mijn mentale standaard, die niet, zoals men zou kunnen denken, een vermindering van mijn moraliteit (mijn morele ziel) of zelfs van mijn intelligentie inhoudt, maar wel, zo men wil, van mijn bruikbare intellectualiteit, mijn denkvermogen, wat meer te maken heeft met het gevoel dat ik van mezelf heb, dan met dat wat ik aan anderen laat zien.

De ongehorige, veelvormige kristallisatie van het denken, die op een gegeven moment zijn vorm kiest. Er is een onmiddellijke en directe kristallisatie van het ik te midden van alle mogelijke vormen, alle mogelijke denkwijzen.

Dus nu, mijnheer de Dokter, nu u zich goed bewust bent van wat er in mij kan worden bereikt (en genezen door drugs), van dat omstreden punt in mijn leven, hoop ik dat u mij de hoeveelheid verfijnde vloeistoffen, kostbare middelen, mentale morfine kunt geven, die in staat zijn om mijn vernedering te verhogen, om het dalen in balans te brengen, om wat gescheiden werd te herenigen, om wat vernietigd werd weer op te bouwen.

Mijn denken groet u.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.53-54]
vert. NKdeE 20201) CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Avec moi dieu-le-chien, et sa langue
qui comme un trait perce la croûte
de la double calotte en voûte
de la terre qui le démange.

Et voici le triangle d’eau
qui marche d’un pas de punaise,
mais qui sous la punaise en braise
se retourne en coup de couteau.

Sous les seins de la terre hideuse
dieu-la-chienne s’est retirée,
des seins de terre et d’eau gelée
qui pourrissent sa langue creuse.

Et voici la vierge-au-marteau,
pour broyer les caves de terre
dont le crâne du chien stellaire
sent monter l’horrible niveau.


Docteur,

Il y a un point sur lequel j’aurais voulu insister : c’est celui de l’importance de la chose sur laquelle agissent vos piqûres ; cette espèce de relâchement essentiel de mon être, cet abaissement de mon étiage mental, qui ne signifie pas comme on pourrait le croire une diminution quelconque de ma moralité (de mon âme morale) ou même de mon intelligence, mais si l’on veut, de mon intellectualité utilisable, de mes possibilités pensantes, et qui a plus à voir avec le sentiment que j’ai moi-même de mon moi, qu’avec ce que j’en montre aux autres.

Cette cristallisation sourde et multiforme de la pensée, qui choisit à un moment donné sa forme. Il y a une cristallisation immédiate et directe du moi au milieu de toutes les formes possibles, de tous les modes de la pensée.

Et maintenant, Monsieur le Docteur, que vous voilà bien au fait de ce qui en moi peut être atteint (et guéri par les drogues), du point litigieux de ma vie, j’espère que vous saurez me donner la quantité de liquides subtils, d’agents spécieux, de morphine mentale, capables d’exhausser mon abaissement, d’équilibrer ce qui tombe, de réunir ce qui est séparé, de recomposer ce qui est détruit.

Ma pensée vous salue.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #154

154 – Qu’on lui pile le crâne – AFGROND

ARTAUD – Navel van het Voorgeborgte (2)

Een groot, nadenkend en overbevolkt elan vervoerde mijn ik als een volle afgrond. Er waaide een vlezige wind die resoneerde, en de solfer zat er dik in, ja. Minutieuze wortelhaartjes bevolkten de wind als een netwerk van aderen, en hun vervlechting bliksemde. De ruimte was meetbaar en helder, maar zonder doordringbare vorm. En het centrum was een mozaïek van flitsen, een harde soort kosmische hamer, een van mismaakte zwaarte, een die steeds weer viel als een hoofd in de ruimte, maar met een geluid dat als gedistilleerd klonk. En de watten wikkel van dat geluid had de botte aandrang en het doordringende van een levende blik. Ja, de ruimte gaf zijn volle mentale watten op, waarin geen enkele gedachte nog duidelijk was of de ontlading van voorwerpen ervan kon weergeven. Maar beetje bij beetje keerde de massa zich om als een krachtige walging van slijk, een soort onmetelijke instroom van donderend vegetaal bloed. En de wortelhaartjes die trilden aan de rand van mijn mentale oog, maakten zich met een duizelingwekkende snelheid los van de opgespannen massa van de wind. En heel de ruimte beefde als een geslacht waarmee de vurige hemelbol verwoestend tekeer ging. En iets als de snavel van een echte duif doorboorde die confuse massa der toestanden, en op dat moment trok al het diepe denken in lagen, loste het op, werd transparant en eenvoudig.

En nu hadden we een hand nodig die van het grijpen zelf het orgaan zou worden. En nog een keer of twee, drie draaide de hele vegetale massa zich om, en elke keer nam mijn oog een preciezere positie in. De duisternis zelf werd overvloedig en zonder voorwerp. Geheel het vriezen klaarde uit.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.51-52]
vert. NKdeE 20201) CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Une grande ferveur pensante et surpeuplée portait mon moi comme un abîme plein. Un vent charnel et résonnant soufflait, et le soufre même en était dense. Et des radicelles infimes peuplaient ce vent comme un réseau de veines, et leur entrecroisement fulgurait. L’espace était mesurable et crissant, mais sans forme pénétrable. Et le centre était une mosaïque d’éclats, une espèce de dur marteau cosmique, d’une lourdeur défigurée, et qui retombait sans cesse comme un front dans l’espace, mais avec un bruit comme distillé. Et l’enveloppement cotonneux du bruit avait l’instance obtuse et la pénétration d’un regard vivant. Oui, l’espace rendait son plein coton mental où nulle pensée encore n’était nette et ne restituait sa décharge d’objets. Mais, peu à peu, la masse tourna comme une nausée limoneuse et puissante, une espèce d’immense influx de sang végétal et tonnant. Et les radicelles qui tremblaient à la lisière de mon œil mental, se détachèrent avec une vitesse de vertige de la masse crispée du vent. Et tout l’espace trembla comme un sexe que le globe du ciel ardent saccageait. Et quelque chose du bec d’une colombe réelle troua la masse confuse des états, toute la pensée profonde à ce moment se stratifiait, se résolvait, devenait transparente et réduite.

Et il nous fallait maintenant une main qui devînt l’organe même du saisir. Et deux ou trois fois encore la masse entière et végétale tourna, et chaque fois, mon œil se replaçait sur une position plus précise. L’obscurité elle-même devenait profuse et sans objet. Le gel entier gagnait la clarté.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza

journal intime #153

wie iets van mijn Kathedraalwerk wil begrijpen, passeert best ’s bij de helaas recent overleden filosofisch grootheid Bernard Stiegler…

dit interview is denkelijk een goeie introductie, hier zie je hem nog zoals hij altijd was, bevlogen en gedreven door de urgentie van alles wat diende gedaan te worden, en wat hij ook deed, op onnavolgbaar volhardende wijze. Bernard Stiegler is, zo voel ik dat toch, met gemak de grootste MENS, de beste benadering van een heilige onder de recente zwaargewicht- filosofen, en daardoor ook misschien de meest tragische figuur. hij is daardoor misschien wel de beste antipode van het zwijn Badiou, maar overstijgt die nijdige boutade van mij moeiteloos door zijn flitsend analytisch vermogen dat de lijnen ziet waar ze gebeuren, en niet waar hij ze hebben wil.

https://www.youtube.com/watch?v=3ggF2jE5d8M




aansluitend daarbij, geef ik hier even het grote, brute, domweg-duale Stieglerschema, inclusief de Stieglerismen maar dan uitgebreid met mijn gignomenologsiche concepten:


ENTROPIE – KAPITAAL – KWANTIFICATIE –
CALCULE – ENTENDEMENT (REDE) – ZIJN

tegenover

NEGENTROPIE – CREATIVITEIT – KWALIFICATIE –
INVENTIE – INSTINCT (WAANZIN) – GEBEUREN



zo’n schema is gewoon verschrikkelijk handig, en we hebben er nou eenmaal twee, handen bedoel ik.

maar dit Stieglerveld wil ik dus ook graag wat aanvullen met het ROT waarin de negentropie pas ontstaat als en alleen als de entropie een o b s t a k e l ontmoet dat het niet domweg kan weg-eroderen en ‘slim’ moet worden om die tegenwerking te doorbreken (de aarde, Gaia, is blijkbaar zo’n obstakel, waarom, ik heb geen flauw idee…) en waarin dus de negentropie altijd medeplichtig is aan de entropie, in the long run, maar ja die ‘long’ dat is relatief gezien, astrologisch dus, belachelijk kort.

het is dan ook geen kwestie van de apocalyps te vermijden die is al heel de tijd bezig en die duurt langer dan een mensenbrein kan vatten. spreken van een apocalyps maakt meteen ook dezelfde Bijbelse fout om het einde der tijden gelijk te stellen met de tijden zoals wij ze kennen, met de humane tij, met het leven zoals wij het kennen (we hebben niet eens door dat het leven, ons leven een verrotting is in functie van de entropie, van het Zijn van God, zo je wil. soit, het gegeven is even onvermijdelijk als de aap van Darwin ).

de ondergang van de menselijke soort, dat is wat anders, die is ook bezig, maar die is altijd relatief, want de mens is, in onze contreien toch, het strafste en meest virale rot dat euh voorhanden is, een onkruid dat je niet zomaar wegwieden kan als het nergens toe dient want ja, daarom is het nou net onkruid…

en, wij zijn vooralsnog te duur om weg te gooien. maar maak geen misneming: we zitten wel degelijk al enige tijd in de afslagbak…

maar het wordt nog erger, somberder wanneer we het zwakke punt van Stiegler aanpakken, namelijk zijn onweerstaanbare want heilige neiging naar het Goede en van daaruit zijn al te emotionele reactie op Trump en de Transhumanistische doemscenario’s. hij wil die verjagen als Jezus de commerçanten uit de tempel

uiteraard zijn die SpaceX plannen nefast, en dienen we ze te veroordelen als de misdaden tegen het leven en tegen de mensheid dat ze zijn, maar: ze gebeuren wel.

en ze gebeuren omdat dat nou eenmaal ‘slimme entropie’ is, negentropisch gestuurde entropie, kapitaal geïnjecteerd nijdig neo-humanisme allemaal op de motor van het plezier-principe (Freud)

ze gebeuren zoals Facebook gebeurt, dat zou ook niet mogen…maar die andere sociopaat Zuckerberg is óók maar een symptoom, een ingevuld profiel van het onvermijdelijke.

ze gebeuren omdat ze niet anders kunnen dan gebeuren, wat wij daar zelf ook van vinden. immers, niets op deze planeet is zo lamentabel slecht in het controleren van de monsterlijke mensheid dan de mens zelf: alles wat wij ondernemen verergert ons toekomstperspectief, de oude Tao-wijsheid van het niet-handelen gaat ook dáár over.

het doet absoluut niks af aan de onschatbare waarde van zijn werk, maar dat is helaas altijd de naïviteit van Stiegler geweest, het rot van het marxistisch humanisme tussen zijn tanden, de oorzaak van zijn grote verslagenheid ook, terwijl hij verder nochtans zeer correct is in zijn analyse (bv.:”Trump is geen strategie, Trump is een symptoom”)

dat maakt ook dat hij de benodigde bifurcatie, de verhoopte sprong naar de redding enkel op het humane wil of kan zien gebeuren, en dat hij van daaruit bijna als een Malatesta gans zijn leven de mensen poogde aan te moedigen, het ‘spingere’ van Enrico

terwijl die fameuze humane creatieve sprongen eigenlijk feitelijk altijd op een hoger, een minder rot niveau gebeurden en gebeuren.
hij weet dat ergens wel want hij verwijst ook naar de biologie als het terrein dwars op het veld van de kapitaal corrupte wetenschap.

want die sprongen, die bifurcaties die gebeuren steeds weer in de razernij, de ‘waanzin’ van het animale en ook in de resignatie, de agape van het vegetale: het is het beest in ons dat de serviele autodestructie weigert en het is de bloem in ons die zich offert voor het voortbestaan van de soort.

want wat ons redden kan is niet post- of transhumaan, geen singulariteit, niet iets volstrekt nieuws, maar iets veel ouder dan ons, zuiverder nog;
want het bovenmenselijke, de Übermens van Nietzsche is een met entendement begiftigde 1helaas ook vergiftigde, van de pharmakon paradox geraken we nooit meer verlost plant.

Leaves of Grass, dat is letterlijk, de Ubermens… de plantaardige (rhizomatische) organisatie van het plantaardige leven met iets daarbij, namelijk de waanzinnige rede van de mens. en dat terwijl de steenkoude intelligente techniek de kosmos gaat omploegen om het humane verderf te zaaien

een recursie van het vegetale in de Geldruimte die wij, als onwetende slaven van de entropie hebben in- en aangericht…en die recursie komt er niet door ons, maar ondanks ons, omdat wij enkel de goede weg volgen als we niet anders meer kunnen, als we de plezante weg, de roetsjbaan naar de eigen hel, niet meer kunnen betalen…


aanvulling 18/08

een verdere correctie van de Stiegler-visie zou ik aanbrengen bij zijn visie op het grote proletarisatie-vraagstuk en op de ontwaarding van de kennis: ook dat is in mijn ogen maar een verderzetting van een continu proces dat zo oud is als de taal zelf: de Kritieken van Kant vormen in geen enkel opzicht een ‘betere’ of hogere vorm van begrip ten overstaan van de oude Indiaase kennisleer of soetra’s van het boeddhisme, het zijn adaptaties van een doorgegeven besef aan de toegenomen complexiteit in de humane samenleving, het verdere rot daarvan, het zijn verfijningen van het ‘begrip’, de reïficerende gifpijlen van het Zijn die op dat moment al bijna tweeduizend jaar oud waren; en wat er nu verloren gaat, de waarheid en de basis van alle algemeen geldende semiotiek is enkel een onvermijdelijk vervolg op het reeds ingezette rot. wat er verloren gaat is kennis die uitgewerkt is, een weten dat nutteloos, overbodig is geworden, net zoals elke godsdienst na 500 jaar uitgewerkt , ‘geen verf meer pakt’ en niet meer doet waarvoor zij bekend geworden was en gekoesterd als waardevol.
Stiegler geeft zelf ook aan dat je dat niet moet zien als iets dat bestreden moet worden, maar wat er wel dient te gebeuren is dat de alternatieven worden in gang gezet: hoe sneller dat gebeurt, hoe minder slachtoffers er vallen en hoe meer comfortabel de overgang zal zijn, hoe kleiner en minder wrang het gevoel van verlies zal zijn. meer dan het vergulden van de pil zit er m.i. nooit in, zolang we vasthouden aan onze ‘Ren’ (仁) , de humanistische zelfoverschatting…

erg daarbij is wat je ziet gebeuren bij de stijgende urgentie en de evidente weigering om in de richting van de afgang mee te denken in functie van het menselijke behoud van negentropie, de waardering van ons nest: wat we nu doen is met een hoogzwangere vrouw wiens weeën net zijn ingezet (de dag was al maanden uitgerekend) in zeven haasten een parcours uitstippelen langs de ergste kasseiwegeltjes naar het ziekenhuis: zo wreed dat alleen een mens het kan bedenken en het kan nog wel goed komen, het is onmogelijk in onze gedachten dat het onmogelijke niet zou gebeuren, maar we verkleinen alleen onze kansen op een goede afloop…

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Noten[+]

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #152

ARTAUD – Navel van het Voorgeborgte

Daar waar anderen hun werken aanbieden wil ik niets anders dan mijn geest tonen.
Het leven is het verbranden van vragen.
Ik kan mij geen werk voorstellen dat los staat van het leven.
Ik houd niet van losstaande schepping. Ik kan mij ook de geest niet voorstellen al losstaand van zichzelf. Elk werk van mij, elk ontwerp van mijzelf, al die ijzige bloesems van mijn innerlijke ziel bezoedelen mij.
Ik vind mijzelf evenzeer terug in een brief die ik schreef om de intieme vernauwing van mijn zijn te verklaren en de zinloze kastijding van mijn leven, als in een essay dat buiten mij omgaat, en dat mij overkomt als een zwangerschap die zich niets aan mijn geest genegen laat.
Ik lijd er aan dat de Geest niet in het leven is en dat het leven niet de Geest is, ik lijd aan de Geest-als-orgaan, aan de Geest-als-vertaling, of aan de Geest-die-de-dingen-intimideert om ze in de Geest binnen te dwingen.

Dit boek hang ik op in het leven, ik wil dat het gebeten wordt door de dingen erbuiten, te beginnen met alle knipselbuitelingen, alle oogknipperingen van mijn toekomstige zelf.

Al deze bladzijden schuiven als brokken ijs door de geest. Neem mij de absolute vrijpostigheid niet kwalijk. Ik weiger enig onderscheid te maken tussen eender welke minuut van mijzelf, ik kan in de geest geen plan bespeuren.

Weg met de Geest net zo als weg met de literatuur. Ik zeg dat Geest en leven in elk opzicht met elkaar overeenstemmen. Ik wil een Boek maken dat de mensen stoort, dat als een open deur is en dat hen brengt naar een plek waar ze nooit uit zichzelf zouden heen gaan, een deur die gewoonweg uitgeeft op de werkelijkheid.
En dit is net zo min een voorwoord tot een boek, als dat de gedichten het zouden markeren of er de razernijen van het lijden van opsommen.
Dit is niets anders dan zo’n slecht verzwolgen blok ijs.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.49]
vert. NKdeE 2020 1ik heb bij het vertalen gebruik gemaakt van de bestaande vertaling door Hans van Pinxteren [PINXTEREN 1981] en DeepL vertaalsoftware] CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Là où d’autres proposent des œuvres je ne prétends pas autre chose que de montrer mon esprit.
La vie est de brûler des questions.
Je ne conçois pas d’œuvre comme détachée de la vie.
Je n’aime pas la création détachée. Je ne conçois pas non plus l’esprit comme détaché de lui-même. Chacune de mes œuvres, chacun des plans de moi-même, chacune des floraisons glacières de mon âme intérieure bave sur moi.
Je me retrouve autant dans une lettre écrite pour expliquer le rétrécissement intime de mon être et le châtrage insensé de ma vie, que dans un essai extérieur à moi-même, et qui m’apparaît comme une grossesse indifférente de mon esprit.
Je souffre que l’Esprit ne soit pas dans la vie et que la vie ne soit pas l’Esprit, je souffre de l’Esprit-organe, de l’Esprit-traduction, ou de l’Esprit-intimidation-des-choses pour les faire entrer dans l’Esprit.
Ce livre je le mets en suspension dans la vie, je veux qu’il soit mordu par les choses extérieures, et d’abord par tous les soubresauts en cisaille, toutes les cillations de mon moi à venir.
Toutes ces pages traînent comme des glaçons dans l’esprit. Qu’on excuse ma liberté absolue. Je me refuse à faire de différence entre aucune des minutes de moi-même. Je ne reconnais pas dans l’esprit de plan.
Il faut en finir avec l’Esprit comme avec la littérature. Je dis que l’Esprit et la vie communiquent à tous les degrés. Je voudrais faire un Livre qui dérange les hommes, qui soit comme une porte ouverte et qui les mène où ils n’auraient jamais consenti à aller, une porte simplement abouchée avec la réalité.
Et ceci n’est pas plus une préface à un livre, que les poèmes par exemple qui le jalonnent ou le dénombrement de toutes les rages du mal-être.
Ceci n’est qu’un glaçon aussi mal avalé.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Noten[+]

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #151

151 – toutes les étoiles de la folie – CHOSE

Het venster van de liefde (slot)

lees eerst het eerste stuk het tweede

Hij was groter dan alle anderen. En er was ook een klein mannetje en dat was ik.

– Maar merk op : u droomt niet, zei Gérard de Nerval tegen mij, en hier is trouwens kanunnik Lewis die er alles van weet: Lewis, zou je het tegendeel durven beweren?
– Neen, bij alle bebaarde geslachten.

Ze zijn dom, dacht ik, het is de moeite niet waard om als een groot auteur bekend te staan.

– Zie je, vertelde mij Gérard de Nerval, dit alles heeft een verband. Je maakt er salade van, je eet het in olie, je schilt het zonder aarzelen, die meid is mijn vrouw.

Hij kent zelfs niet het gewicht van de woorden, dacht ik.

De prijs, sorry, de prijs van de woorden, fluisterde mijn brein, dat het ook kende.
-Zwijg, brein van mij, beval ik het, jij bent nog niet gevensterd genoeg.

Hoffmann zegt me:
– LATEN WE TER ZAKE KOMEN.
En ik :
– Ik weet niet hoe ik met haar tot een gesprek kan komen, ik durf niet.
– Maar je hoeft niet eens te durven, antwoordde Lewis. Je komt er OVERDWARS toe.

– Overdwars, maar dwars waarop?” antwoordde ik. Want op dit moment is zij het die dwars door mij gaat.

Maar omdat ze je vertellen dat de liefde schuin is, dat het leven schuin is, dat de gedachte schuin is, en dat alles schuin is. JE KRIJGT HET ALS JE ER NIET AAN DENKT.
Luister eens., daar boven. Hoor je de samenzwering daar niet van de bruggen der weekheid, de bijeenkomst van een hoop onzegbare plasticiteit?

Ik kon mijn voorhoofd voelen knallen.

Uiteindelijk begreep ik dat het haar borsten waren, en ik begreep dat ze samenkwamen, en ik begreep dat al deze verzuchtingen uit de borst van mijn dienstmeisje werden uitgeademd. Ik begreep ook dat ze op de vloer boven mij lag om dichter bij mij te kunnen zijn.

De regen bleef vallen.
Er klonken liedjes in de straat van een vreselijke stupiditeit:

Wat is het goed bij haar te zijn
en vogelmuur te slikken (bis)
Want wij zijn vogels (m. mv.)
Want wij zijn vogels (v. mv.)
Wat is het goed bij haar te zijn
Van Columbella op 't balkon
Al haar okselwater in een kom
Is het moment niet waard
Dat zij aan het rillen gaat.

Stomme varkens, schreeuwde ik, terwijl ik opstond, jullie bezoedelen de geest van de liefde.

De straat was leeg. Alleen de maan ging door met haar watergefluister.

Wat is de beste snuisterij, wat is het mooiste juweel, wat is de meest pittige amandel?

Bij dat visioen glimlach ik. Zie je wel, het is niet de duivel, zegt ze mij.

Neen, het was de duivel niet, mijn kleine meid was in mijn armen.

– ’t is al zolang, al zolang, zegt ze mij, dat ik naar jou verlang.

En dat was de brug van de grote nacht. De maan kwam op in de lucht, Hoffmann ging naar beneden in zijn kelder, alle klanten gingen terug naar hun restaurant, er was alleen nog maar liefde: Héloise met de mantel, Abélard met de tiara, Cleopatra met haar aspic, alle tongen van de schaduw, alle sterren van de waan.

Het was liefde als de zee, als de zonde, als leven, als dood.

Liefde onder de bogen, liefde aan het zwembad, liefde in bed, liefde als klimop, liefde als springtij.
Liefde zo groot als de sprookjes, liefde als een schilderij, liefde als alles wat er is.
En dit alles in zo’n kleine vrouw, in zo’n mummiehart, in zo’n beperkt denken, maar het mijne dacht voor twee.

In de diepte van een peilloze dronkenschap wordt de duizelende schilder soms gegrepen door een plotse wanhoop. Maar de nacht was mooier dan wat dan ook. Alle studenten keerden terug naar hun kamers, de schilder naar zijn cipressen. Een licht van het einde der tijden viel geleidelijk aan over geheel mijn denken.

Al snel was er niets anders meer dan een enorme berg van ijs waaraan een bos blonde haren bengelden.

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.151 -156]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Il était plus grand que tout. Il y avait aussi un petit homme qui était moi.

— Mais notez bien que vous ne rêvez pas, me disait Gérard de Nerval, voici d’ailleurs le chanoine Lewis qui s’y connaît : Lewis, oseriez-vous soutenir le contraire ?

— Non, par tous les sexes barbus.

Ils sont stupides, pensai-je, ce n’est pas la peine d’être considérés comme de grands auteurs.

— Donc, me disait Gérard de Nerval, tout ceci, vois-tu, a un lien. Tu la mets en salade, tu la manges à l’huile, tu la décortiques sans hésiter, la boniche est ma femme.

Il ne connaît même pas le poids des mots, pensai-je.

— Pardon, le prix, le prix des mots, me souffla ma cervelle, qui, elle aussi, s’y connaissait.

— Tais-toi, ma cervelle, lui dis-je, tu n’es pas encore assez vitrifiée.

Hoffmann me dit :

— VENONS-EN AU FAIT.

Et moi :

— Je ne sais pas comment m’aboucher avec elle, je n’ose pas.

— Mais tu n’as même pas à oser, rétorqua Lewis. Tu l’obtiendras TRANSVERSALEMENT.

— Transversalement, mais à quoi ? répliquai-je. Car pour l’instant c’est elle qui me traverse.

Mais puisqu’on te dit que l’amour est oblique, que la vie est oblique, que la pensée est oblique, et que tout est oblique. TU L’AURAS QUAND TU N’Y PENSERAS PAS.

Écoute là-haut. N’entends-tu pas la collusion de ces ponts de mollesse, la rencontre de cet amas d’ineffable plasticité ?

Je sentais mon front éclater.

À la fin je compris qu’il s’agissait de ses seins, et je compris qu’ils se rejoignaient, et je compris que tous ces soupirs s’exhalaient du sein même de ma boniche. Je compris aussi qu’elle s’était couchée sur le plancher du dessus pour être plus près de moi.

La pluie continua à couler.

Il y eut dans la rue des chants d’une stupidité affreuse :

Chez ma belle qu’il fait bon
Avaler du mouron (bis)
Car nous sommes oiseaux
Car nous sommes oiselles
Chez ma belle qu’il fait bon
Colombelle à son balcon
Toute l’eau de ses aisselles
Ne vaut pas la mirabelle
De ses amoureux frissons.

Cochons stupides, hurlai-je, en me levant, vous salissez l’esprit même de l’amour.

La rue était vide. Il n’y avait que la lune qui continuait ses murmures d’eau.

Quelle est la meilleure breloque, quel est le bijou le plus beau, quelle est l’amande la plus fondante ?

À cette vision je souris. Ce n’est pas le diable, tu vois bien, me dit-elle !

Eh non, ce n’était pas le diable, ma petite boniche était dans mes bras.

— Depuis si longtemps, depuis si longtemps, me dit-elle, je te désirais.

Et ce fut le pont de la grande nuit. La lune remonta dans le ciel, Hoffmann se terra dans sa cave, tous les restaurateurs recouvrèrent leur place, il n’y eut plus que l’amour : Héloïse au manteau, Abélard à la tiare, Cléopâtre à l’aspic, toutes les langues de l’ombre, toutes les étoiles de la folie.

Ce fut l’amour comme une mer, comme le péché, comme la vie, comme la mort.

L’amour sous les arcades, l’amour au bassin, l’amour dans un lit, l’amour comme le lierre, l’amour comme un mascaret.

L’amour aussi grand que les contes, l’amour comme la peinture, l’amour comme tout ce qui est.

Et tout cela dans une aussi petite femme, dans un cœur si momifié, dans une pensée si restreinte, mais la mienne pensait pour deux.

Du fond d’une ivresse insondable, un peintre pris de vertige tout à coup se désespérait. Mais la nuit était plus belle que tout. Tous les étudiants regagnèrent leur chambre, le peintre recouvra ses cyprès. Une lumière de fin du monde remplit peu à peu ma pensée.

Il n’y eut bientôt plus qu’une immense montagne de glace sur laquelle une chevelure blonde pendait.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

Journal intime #150

Het venster van de liefde (2)

lees eerst het begin van deze tekst

Wij, op oudejaarsavond. Het onweer was aan het donderen, de bliksem deed het, de regen kwam op gang, de dromencocons blèrden, de kikkers kwaakten in alle vijvers, kortom, de nacht deed zijn werk.

Nu moest ik een manier vinden om in het reine te komen met de werkelijkheid… In het reine te komen met de duistere resonantie der dingen was onvoldoende, bijvoorbeeld om vulkanen te horen spreken, of om het voorwerp van mijn liefde te kleden met alle charmes van een geanticipeerd overspel, bijvoorbeeld, of met alle rotzooi, alle verschrikkingen, scatologieën, misdaden, misleidingen die verbonden zijn met het idee van de liefde; ik moest eenvoudigweg een manier vinden om haar direct te bereiken, dat wil zeggen om voor alles met haar te praten.

Plots ging het raam open. In een hoek van mijn kamer zag ik een enorm damesspel waarop de weerschijn van een veelheid aan onzichtbare lampen neerviel. Lichaamsloze hoofden maakten rondes, botsten tegen elkaar aan en vielen als pinnen. Er was een immens houten paard, een koningin onder de morfine, een toren van liefde, een eeuw die nog komen moest. De handen van Hoffmann’s duwde de pionnen voort, en elke pion zei: ZOEK HAAR DAAR NIET. En in de lucht zag je gevleugelde engelen met vernikkelde voeten. Dus ik hield op met uit het raam staren en te hopen mijn geliefde dienstmeid te zien…

Toen voelde ik voeten die de kristallen der planeten hadden verbrijzeld, precies in de kamer boven mij. Vurige zuchten doorboorden de vloer, en ik hoorde iets lieflijks verpletterd worden.

Op dat moment begonnen alle borden van de aarde te tuimelen en gingen de klanten van alle restaurants ter wereld op jacht naar Hoffmanns kleine dienstmeid; en we zagen de meid lopen als een verdomde vrouw, en toen passeerde Pierre Mac Orlan, de absurde laarzenventer met een kruiwagen langs de weg. Na hem kwam Hoffmann met een paraplu, toen Achim d’ Arnim, en Lewis overdwars. Ten slotte ging de aarde open en verscheen Gerard de Nerval.

Lees verder…

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.151 -156]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Or nous étions à la nuit de la Saint-Sylvestre. Le tonnerre tonnait, les éclairs marchaient, la pluie faisait son chemin, les cocons des rêves bêlaient, les grenouilles de tous les étangs coassaient, bref, la nuit faisait son métier.

Il me fallait maintenant trouver un moyen de m’aboucher avec la réalité… Ce n’était pas assez que d’être abouché avec la résonance obscure des choses, et d’entendre par exemple les volcans parler, et de revêtir l’objet de mes amours de tous les charmes d’un adultère anticipé par exemple, ou de toutes les horreurs, ordures, scatologies, crimes, tromperies qui s’attachent à l’idée de l’amour ; il me fallait trouver simple-ment le moyen de l’atteindre directement, c’est-à-dire, et avant tout, de lui parler.

Tout d’un coup la fenêtre s’ouvrit. Je vis dans un coin de ma chambre un immense jeu de dames sur lequel tombaient les reflets d’une multitude de lampes invisibles. Des têtes sans corps faisaient des rondes, se heurtaient, tombaient comme des quilles. Il y avait un immense cheval de bois, une reine en morphine, une tour d’amour, un siècle à venir. Les mains d’Hoffmann poussaient les pions, et chaque pion di-sait : NE LA CHERCHE PAS LÀ. Et dans le ciel on voyait des anges avec des ailes en pieds nickelés. Je cessai donc de re-garder à la fenêtre et d’espérer voir ma boniche chérie.

Alors je sentis des pieds qui finissaient d’écraser les cristaux des planètes, juste dans la chambre au-dessus. Des soupirs ardents perçaient le plancher, et j’entendis l’écrasement d’une chose suave.

À ce moment toutes les assiettes de la terre se mirent à dégringoler et les clients de tous les restaurants du monde partirent à la poursuite de la petite bonne d’Hoffmann ; et on vit la bonne qui courait comme une damnée, puis Pierre Mac Orlan, le ressemeleur de bottines absurdes, passa, poussant une brouette sur le chemin. À sa suite venait Hoffmann avec un parapluie, puis Achim d’Arnim, puis Lewis qui marchait transversalement. Enfin la terre s’ouvrit, et Gérard de Nerval apparut.

Categorieën
Kathedraalse Leer lyriek Proza Requichot Vertalingen - Bewerkingen

dagboek zonder dagen (20)

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

De opeenvolgende stadia van gevoeligheid zijn in de eerste plaats de experimentele emotionele schok, de zekere kennis van de schok die wordt

p. 120

gewijzigd door de aandacht, dan het ritme en de drift. Maar je moet ook wel zijn wat je bent op het moment dat je doormaakt. De zekere kennis kan al rijk zijn aan vele driften uit het verleden, en het delirium van driften kan sterk bloeien van een methode die dan sterft of ontluikt. Dit maakt het mogelijk om een cyclus voor te stellen waarin deze factoren elkaar voortdurend opvolgen. Elke behandelde cyclus roept het verloop van zijn gelijke op, terwijl degene die het uitvoert na elke cirkel telkens sterker is, zodat het verloop samen cirkelvormig en toenemend is, zodat de schok, de kennis, het ritme en de drift in elk stadium groeien, om te komen tot het catastrofale delirium waarvan met gelooft dat het finaal is, tot het laatste weten die men alomvattend acht, tot de laatste emotie waarvan men denkt dat het geluk is.

Maar het delirium dat men als definitief beschouwt heeft nog steeds de mogelijkheid van analyse, de laatste kennis een spoor van twijfel en het ultieme geluk een zorg die de eeuwige spiraal alleen maar kan verhogen. Hoe langer men zijn parcours verlengt en vervolgt, hoe sneller het verloop van de cirkels toeneemt in een kracht waarvan men niet kan zeggen of die middelpuntvliedend is of middelpuntzoekend is, maar die cirkelvormig, oneindig, toenemend en vol afwisseling is. Het geheel is het programma van ons lot en de leidmotieven waarvan het pad van de cirkels de constanten van onze werkelijkheid achter zich laat.

Degene die door de beweging wordt gedragen is de “ik” die wordt voorafgegaan door het intuïtieve zelf dat als een radar van het bewustzijn is. Dit paranormale binomiaal waar het onvrijwillige en het onbewuste directe (want de drift heeft zijn tirannie net zoals de wetten van de getallen hun mysterie hebben), voert het verloop van zijn eigen domein uit : de spiraal is zowel zijn weg, zijn aard als zijn leven.

Deze psychische binomiale is ook cirkelvormig, oneindig, groeiend en vol afwisseling, het is het centrum dat beweegt en groeit in zichzelf.
De aldus beschreven spiraal is misschien wel de basis van het universum, de essentie van het spirituele en de essentie van het subjectieve, het beeld van de eeuwigdurende beweging.

originele tekst [RÉQUICHOT 2002, p.120-121]

Les étapes successives de la sensibilité sont d’abord le choc émotif expérimental, la connaissance positive du choc qui se trouve modifié par
l’attention qu’on lui porte, puis le rythme et la dérive. Cependant il faut être ce que l’ on est à l’instant par lequel on passe. La connaissance posi­tive peut se produire déjà riche de bien des dérives passées, et le délire de la dérive s’épanouir fort d’une méthode mourante ou naissante. Ce qui permet d’envisager un cycle où ces facteurs se succèdent perpétuelle­ment. Chaque cycle parcouru appelle le parcours de son semblable, cependant que celui qui l’effectue est une fois plus fort après chaque cercle, que sa démarche est donc ensemble circulaire et croissante, que son choc, sa connaissance, son rythme et sa dérive à chaque étape gran­dissent, pour atteindre vers le catastrophique délire que l’on croit final, vers la dernière connaissance que l’on croit totale, vers la dernière émo­tion que l’on croit bonheur.

Mais le délire que l’on croit final possède encore la possibilité d’une analyse, la dernière connaissance une trace de doute et l’ultime bonheur une inquiétude qui pe11net d’agrandir encore la spirale perpétuelle. Plus on prolonge et poursuit son parcours, plus le parcours de ses cercles s’accroît en rapidité dans une force dont on ne saurait dire si elle est centrifuge ou · centripète mais qui est circulaire, infinie, croissante et mouvementée. Son ensemble est le programme de notre destin et les leitmotive dont le par- . cours des cercles est semé les constantes de notre réalité.

Celui qu’emporte le mouvement est le “Je” précédé du soi intuitif qui est comme un radar de conscience. Ce binôme psychique où l’involontaire et l’inconscient dirigent (car la dérive a sa tyrannie tout comme les lois des nombres ont leur mystère), effectue le parcours de son propre domaine la spirale est ensemble sa voie, sa nature et sa vie.

Ce binôme psychique est aussi circulaire, infini, croissant et mouvementé, il est le centre qui se meut et prend son essor en lui-même.
La spirale ainsi décrite constitue peut-être la base de l’univers, l’essence du spirituel et l’essence du subjectif, l’image du mouvement perpétuel.