Categorieën
dagwerk 92-93 lyriek

dagwerk 92-93 (7)

6 oktober 1992

hoezeer de schijn beschermt.
het grote raam trilt, vangt regen op.

hoe oktober de messen slijpt aan de silhouetten van wandelaars en fietsers buiten. alleen hun strepen, hun vage vlakken, de verregende code, de woorden raken binnen.

elke dag is twee cijfers in de gasteller. je hebt enkel de warmte nodig, niet de data, de getallen.
dat ze binnenkomt met het grauw van buiten als een sluier rustend op haar buik, de montere stem met haar angst en haar moed, de hond die in je warme tenen bijt.

de warmte bestaat, de woorden veeg je zo weer buiten.
de warmte rond het ontbreken van het gebaar.

ook nu
er zal altijd wat ontbreken, maar dat iets is niet wat je wil.
je wil het niet-iets, dat zij bij jou gebeurt en er verder niets is.

het ongewilde gebeurt nooit geheel buiten de wil.
het valt nooit voor buiten de wil van het gewilde.
het ongewilde vertelt de wil van het ongewilde.

haar kleed is donkerblauw maar het ruist in de stroschakeringen van heur haar. de schouders kibbelen kleurrijk als papegaaien;

de blanke hals verrijst oogverblindend en autoritair uit het duister van het kleed. nog voor het oog de mond bereikt, rest er niets meer van je woorden, je warmte of je wil.

het moment gebeurt.
het moment gebeurt in elk moment.
ook in het moment dat het kleed van haar schouders op de vloer schuift,
en haar naakte gloed jou opfikt in de weerlichten van het niets.
dat je verdwijnt in het onzichtbare git van het wonder dat de donkerste nacht doet huilen van genot.
dat je niet meer mij bent, maar jij.

ook nu, dus.
wij gebeuren in een weergaloze oscillatie van vereniging en ontbinding.
wij emaneren overgankelijk in de eindeloze ruimte van de ander.

wij slingeren van lijf tot lijf, verbonden in de zwarte knop van het niets.
wij schuiven door het woordenvel in het gekleurde golven van de lichaamszee. wij naderen.

het komt.