Categorieën
dagwerk 92-93

dagwerk 92-93 (1)

D A G E R A A D

*

Ruggelings verkoold, het huis een vuurzee voorbij, gestrand lag ik daar driemaal de klemtoon te zoeken en wachtte en wachtte en waaide mijn stof.

Waarheid was de zon die zwart mijn ogen sloeg en al het zand tot spiegel brandde. Waarheid die ik blind verdroeg en ach episch, stichtend, monumentaal (zei ik, vrouw, zie mij) voor mieren.
Hoor mijn taalas, kermend kerkorgel dat de vissersgeesten wekt.

O ochtend dat de regen kwam en nagelde mijn roet tot ik rillend ontwaakte, bloedde, weer met vlees en liefde verzweerde. Keerde weer en wentelde dagelijks, begroef mijn slagmaat toen al lang verdronken in het kielzog, toen ik nog hopend, hopende, hopen olie op de golven deed. Zang luidt de lof van de zotheid, de waanzin van de minnaar voor wie een moord niet zwaarder woog in het geweten dan het vergeten.

*

‘Ontdek, verover’, wierp ze mij toe alsof zo’n taak mijn maat van schoenen was.
Pijn kroop mij dieper in de kleren dan zij kon wassen. Haar speeksel siste, siste op mijn wonden tot lucht waarin mijn woede trilde. Vallen, wist ik, sneller dan ik lopen kon, ontsluit het bloed en breekt de band
tot het rafellint dat in de vensterkast het rolluik open houdt. Knap dan, wou ik en donker het nest, buiten was enkel de burenmuur, het blauwe grint van de oprit, vaders kar die daar knarste.

‘Ontdek, verover, leer’ en ik viel. Blauw gebotst kreeg ik kuisgerief van haar: een borstel op mijn kindermaat waarop ik vloog -, en mijn vlucht onder het tapijt keerde tot verborgen geborgenheid.
Onder het loopvlak huisde ik in klamme keldertaal. Buiten borstelde ik uren-, dagenlang de aarde
uit de voegen van de tuintegels.

Kleffe winters, zomers die mijn billen rood kriebelden, verhuisden mij naar het dorp met de Dame van de Dreef. Die had daar vijvers waarin ze af en toe verdronk, de heer van het kasteel draaide haar telkens
die loer als ik eens niet gluurde.
Waken deed ik met mijn zus, die dapper keek en dikke boeken las.
Wakend en tot slaap verwenst verhoogden wij de lijdensleer, het kerkgebod tot revolutie op het rode tafelblad, ons ruimteschip naar betere oorden, de postkaart van St-Lunaire beplaasterd en met vernis en schelpen omzet.

*

Tot op de dag dat de bus een halte verder stopte en mijn adem stokte bij de mathematisch berekende zevende lichtpaal die uitviel net als ik eronder door stapte: geloof was een complot berekend door een wereld die verderf voor mij, mijn zus en onze dansende kater wou, die bloedend, gevild door het rubber van de banden in de gracht belandde.

De wereld was door lust en macht bekropen in de nu vervuilde beken. De romantiek voorbij ging ik postmodern masturberend slapen. Het meisje met de zwarte haren wou nooit haar rode kleedje uit. Mijn leed werd prozaïsch gerekt en dagelijks werd ik met kennis, woorden, taal verdorven, nauwelijks getroost en nooit bemind.