Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #139

jt 139 – pauvre Antonin Artaud! – RACEAUTO

De klare Abélard (2)

Het is een vreemde mooie dag. Voortaan enkel nog mooie dagen. Vanaf vandaag is Abélard niet langer kuis. De strakke keten der boeken is verbroken. Hij renonceert de kuise coïtus en Gods permissie.

Hoe zoet is niet de coïtus! Zelfs de menselijke, zelfs terwijl je geniet van het lichaam van de vrouw, welk een serafijne sensualiteit binnen handbereik! De hemel binnen het bereik van de aarde, minder mooi dan de aarde. Een paradijs ingebed in haar nagels.

Maar dat de dij van een vrouw de roep der siderische lichten achter zich laat, zelfs wanneer die bovenin de toren zijn gemonteerd. Is Abélard niet de priester voor wie de liefde zo klaar is?

De coïtus is klaar, de zonde is duidelijk. Zo helder. Wat ’n kiemen, hoe zoet zijn niet deze bloemen voor het bleke geslacht, hoe vraatzuchtig zijn niet de genotskoppen, die aan het uiterste eind van genot de klaprozen spreiden. De klaprozen der klanken, de gevleugelde klaprozen van dag en muziek, als magnetische vogelpluk. Het plezier maakt indringende mystieke muziek op het scherp van een ranke droom. Oh! die droom waarin de liefde toestemt om haar ogen weer te openen! Ja, Héloïse, jij bent het waar ik binnenloop met al mijn filosofie, in jou geef ik de ornamenten op, en in plaats daarvan geef ik je mannen wier geest trilt en glinstert in jou.-
Laat de Geest zichzelf bewonderen, want eindelijk bewondert de Vrouw Abélard. Laat dit schuim tegen de diepe en stralende wanden vloeien. De bomen. Attila’s vegetatie.

Hij heeft het. Hij bezit het. Ze verstikt hem. En elke bladzijde spant zijn boog en gaat verder. Dit boek, waarin je het blad der breinen omslaat.

deel 1 – deel 2 – slot

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.134 -137]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

commentaar en suggesties bij deze vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Il fait étrangement beau. Car il ne peut plus maintenant que faire beau. À partir d’aujourd’hui, Abélard n’est plus chaste. La chaîne étroite des livres s’est brisée. Il renonce au coït chaste et permis de Dieu.

Quelle douce chose que le coït ! Même humain, même en profitant du corps de la femme, quelle volupté séraphique et proche ! Le ciel à portée de la terre, moins beau que la terre. Un paradis encastré dans ses ongles.

Mais que l’appel des éclairages sidéraux, même monté au plus haut de la tour, ne vaut pas l’espace d’une cuisse de femme. N’est-ce pas Abélard le prêtre pour qui l’amour est si clair ? Que le coït est clair, que le péché est clair. Si clair. Quels germes, comme ces fleurs sont douces au sexe pâmé, comme les têtes du plaisir sont voraces, comme à l’extrême bout de la jouissance le plaisir répand ses pavots. Ses pavots de sons, ses pavots de jour et de musique, à tire-d’aile, comme un arrachement magnétique d’oiseaux. Le plaisir fait une tranchante et mystique musique sur le tranchant d’un rêve effilé. Oh ! ce rêve dans lequel l’amour consent à rouvrir ses yeux ! Oui, Héloïse, c’est en toi que je marche avec toute ma philosophie, en toi j’abandonne les ornements, et je te donne à la place les hommes dont l’esprit tremble et miroite en toi. – Que l’Esprit s’admire, puisque la Femme enfin admire Abélard. Laisse jaillir cette écume aux profondes et radieuses parois. Les arbres. La végétation d’Attila.

Il l’a. Il la possède. Elle l’étouffe. Et chaque page ouvre son archet et s’avance. Ce livre, où l’on retourne la page des cerveaux.

This website uses the awesome plugin.