Categorieën
journal intime Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #167

BLOEDSTRAAL

JONGEMAN
Ik hou van jou en alles is mooi.

MEISJE, met verhevigde tremolo in haar stem.
Je houdt van mij en alles is mooi.

JONGEMAN, een toon lager.
Ik hou van jou en alles is mooi.

MEISJE, nog een toon lager dan hem.
Je houdt van mij en alles is mooi.

JONGEMAN, wendt zich plots van haar af
Ik hou van jou.

Een stilte
Ga voor me staan.

MEISJE, met een zelfde beweging gaat ze voor hem staan
Voilà.

JONGEMAN, geëxalteerd, schelklinkend
Ik hou van jou, ik ben groot, ik ben helder, ik ben vol, ik ben dicht.

MEISJE, op dezelfde schelklinkende toon.
Wij houden van elkaar

JONGEMAN
Wij zijn intens. Ha wat zit de wereld goed in elkaar.

Een stilte. We horen iets als een enorm wiel dat draait en wind maakt. Een orkaan drijft hen uit elkaar.
Op dat moment zien we twee sterren met elkaar in botsing komen, en een hele reeks benen van levend vlees valt met voeten handen, pruiken, maskers, zuilengangen, gaanderijen, tempels, distilleerkolven, alles valt maar steeds langzamer, als viel het in een vacuum en dan dalen een voor een drie schorpioenen neer en tenslotte een kikker en een scarabee die naar beneden komt met een traagheid om wanhopig, om misselijk van te worden.

JONGEMAN, roept zo hard hij kan
De hemel is gek geworden.
Hij kijkt naar de hemel.
Lopen, weg van hier.
Hij duwt het meisje voor zich uit.
Een Ridder uit de Middeleeuwen komt op, in een vervaarlijk harnas, gevolgd door een voedster die haar borsten met beide handen vasthoudt en hijgt vanwege haar te zware borsten.

RIDDER
Blijf van je borsten af. Geef mij mijn papieren.
VOEDSTER, slaakt een kreet.
Ai! Ai! Ai!
RIDDER
Kak seg wat krijg jij?
VOEDSTER
Kijk daar, onze dochter, met hem.
RIDDER
Zwijg, er is geen dochter!
VOEDSTER
Ik zeg je dat ze neuken.
RIDDER
Laat ze neuken, wat kan mij dat schelen.
VOEDSTER
Incest.
RIDDER
Matrone
VOEDSTER, steekt haar handen diep in haar zakken die even groot zijn als haar borsten
Pooier.
Ze gooit hem snel zijn papieren.

RIDDER

Pfuh, laat mij eten.

De voedster maakt zich uit de voeten.
Hij krabbelt overeind en haalt vantussen elk der papieren een grote homp gruyere.
Plots begint hij te hoesten en naar adem te snakken.

RIDDER, de mond vol.
Eumf. Eumf. Laat me je borsten zien. Laat je borsten zien. Waar zit ze nu?
Hij gaat lopend af.
De jongeman komt terug op.

JONGEMAN
Ik zie, ik weet, ik heb begrepen. Hier heb je de publieke ruimte, de priester, de schoenmaker, de vier seizoenen, de drempel van de kerk, de lantaarn van het bordeel, de weegschaal van gerechtigheid. Ik hou het niet meer!

Een priester, een schoenlapper, een koster, een hoerenmadam een rechter, een handelaar in vier-seizoenen komen op als schaduwen.

JONGEMAN
Ik ben haar kwijt, geef haar terug.
IEDEREEN, op een verschillende toon.
Wie, wie, wie, wie.
JONGEMAN
Mijn vrouw.
KOSTER, heel kosterlijk 1‘bedonnant’: dikbuikig – woordspeling nvdv
Uw vrouw, pfu, onnozelaar!
JONGEMAN
Onnozelaar! ’t is misschien uw vrouw wel!
KOSTER, slaat zich op het voorhoofd.
Het zou zomaar kunnen.
Hij gaat lopende af.
De priester komt op zijn beurt uit de groep en legt zijn arm om de hals van de jongeman.
PRIESTER, alsof hij biecht hoort.
Naar welk deel van haar lichaam verwijst u het vaakst?
JONGEMAN
Naar God.
De Priester, verbouwereerd door het antwoord vervalt onmiddellijk in een Zwitsers accent.
PRIESTER, met een Zwitsers accent.
Maar dat kan je niet meer maken. Wij horen niets meer met dat oor. Dat moet je maar aan de vulkanen vragen, aan de aardbevingen. Wij moeten het hebben van de kleine smeerlapperijen in de biecht. En daarmee uit, dat is het leven.
JONGEMAN, heel erg aangedaan.
Ach zo, dat is het leven!
Ah bon, iedereen trap het maar af.
PRIESTER, nog steeds met een Zwitsers accent.
Maar zeker.
Op dat moment valt de nacht plots op de scène. De aarde beeft. De donder raast, met weerlichten die zigzaggen in alle richtingen, en in de zigzaggende weerlichten ziet men de personages het op een lopen zetten, ze lopen tegen elkaar op, vallen, krabbelen recht en lopen als gekken.
Op een gegeven moment grijpt een enorme hand de hoerenmadam bij de haren. Die vat vuur en zwelt zienderogen op.

GIGANTISCHE STEM
Teef, kijk naar je lichaam!
Het lijf van de hoerenmadam komt naakt en afschuwelijk uit het korset en de jurk tevoorschijn als waren die van glas.
HOERENMADAM
Laat mij los, God.
Ze bijt God in de pols. Een immense bloedstraal schiet dwars over de scène en in een weerlicht groter dan die van de anderen ziet men de priester een kruis slaan.
Wanneer het licht terug aangaat, zijn alle personages dood en liggen hun lijken over de vloer verspreid. Alleen de jongeman en de hoerenmadam verslinden elkaar met de ogen.
De hoerenmadam valt in de armen van de jongeman.
HOERENMADAM, zuchtend, als op het uiterste punt van een amoureus spasme.
Vertel mij hoe het met jou gebeurd is.

De jongeman bergt zijn hoofd in zijn handen.
De voedster komt terug op met het meisje onder haar arm als een pakket. Ze laat haar op de grond vallen waar ze neerstort en zo plat wordt als een boterkoek.
De voedster heeft geen borsten meer. Haar borst is helemaal plat.
Dan duikt de Ridder op die zich op de voedster werpt en haar heftig dooreenschudt.

RIDDER, met een vreselijke stem.
Waar heb jet het verstopt? Geef mij mijn gruyere!
VROEDVROUW, dartel.
Hierzie.
Ze heft haar rokken op.
De jongeman wil weglopen maar hij staat perplex als een versteende marionette.

JONGEMAN, als opgehangen in de lucht en met een buiksprekersstem.
Doe mama geen pijn.
RIDDER
Vervloekte.
Hij wendt in afschuw zijn gezicht af.
Een massa schorpioenen komen vanonder de rokken van de vroedvrouw en die beginnen te paren in haar vagina die opzwelt en glazig wordt en schittert als een zon.
De jongeman en de vroedvrouw gaan ervandoor als gelobotomiseerden

MEISJE, komt verblind overeind
De maagd! ha, dat was het wat hij zocht.

DOEK

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.74-81] – vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

LE JET DE SANG

LE JEUNE HOMME

Je t’aime et tout est beau.

LA JEUNE FILLE,
avec un tremolo intensifié dans la voix.

Tu m’aimes et tout est beau.

LE JEUNE HOMME, sur un ton plus bas.

Je t’aime et tout est beau.

LA JEUNE FILLE,
sur un ton encore plus bas que lui.

Tu m’aimes et tout est beau.

LE JEUNE HOMME, la quittant brusquement.

Je t’aime.

Un silence.

Mets-toi en face de moi.

LA JEUNE FILLE, même jeu,
elle se met en face de lui.

Voilà.

LE JEUNE HOMME,
sur un ton exalté, suraigu.

Je t’aime, je suis grand, je suis clair, je suis plein, je suis dense.

LA JEUNE FILLE,
sur le même ton suraigu.

Nous nous aimons.

LE JEUNE HOMME

Nous sommes intenses. Ah que le monde est bien établi.

Un silence. On entend comme le bruit d’une immense roue qui tourne et dégage du vent. Un ouragan les sépare en deux.

À ce moment, on voit deux astres qui s’entrechoquent et une série de jambes de chair vivante qui tombent avec des pieds, des mains, des chevelures, des masques, des colonnades, des portiques, des temples, des alambics, qui tombent, mais de plus en plus lentement, comme s’ils tombaient dans du vide, puis trois scorpions l’un après l’antre, et enfin une grenouille, et un scarabée qui se dépose avec une lenteur désespérante, une lenteur à vomir.

LE JEUNE HOMME,
criant de toutes ses forces.

Le ciel est devenu fou.

Il regarde le ciel.

Sortons en courant.

Il pousse la jeune fille devant lui.

Et entre un Chevalier du Moyen Âge avec une armure énorme, et suivi d’une nourrice qui tient sa poitrine à deux mains, et souffle à cause de ses seins trop enflés.

LE CHEVALIER

Laisse là tes mamelles. Donne-moi mes papiers.

LA NOURRICE, poussant un cri suraigu.

Ah ! Ah ! Ah !

LE CHEVALIER

Merde, qu’est-ce qui te prend ?

LA NOURRICE

Notre fille, là, avec lui.

LE CHEVALIER

Il n’y a pas de fille, chut !

LA NOURRICE

Je te dis qu’ils se baisent.

LE CHEVALIER

Qu’est-ce que tu veux que ça me foute qu’ils se baisent.

LA NOURRICE

Inceste.

LE CHEVALIER

Matrone.

LA NOURRICE,
plongeant les mains au fond de ses poches
qu’elle a aussi grosses que ses seins.

Souteneur.

Elle lui jette rapidement ses papiers.

LE CHEVALIER

Phiote, laisse-moi manger.

La nourrice s’enfuit.

Alors il se relève, et de l’intérieur de chaque papier il tire une énorme tranche de gruyère.

Tout à coup il tousse et s’étrangle.

LE CHEVALIER, la bouche pleine.

Ehp. Ehp. Montre-moi tes seins. Montre-moi tes seins. Où est-elle passée ?

Il sort en courant.

Le jeune homme revient.

LE JEUNE HOMME

J’ai vu, j’ai su, j’ai compris. Ici la place publique, le prêtre, le savetier, les quatre saisons, le seuil de l’église, la lanterne du bordel, les balances de la justice. Je n’en puis plus !

Un prêtre, un cordonnier, un bedeau, une maquerelle, un juge, une marchande des quatre-saisons, arrivent sur la scène comme des ombres.

LE JEUNE HOMME

Je l’ai perdue, rendez-la-moi.

TOUS, sur un ton différent.

Qui, qui, qui, qui.

LE JEUNE HOMME

Ma femme.

LE BEDEAU, très bedonnant.

Votre femme, psuif, farceur !

LE JEUNE HOMME

Farceur ! c’est peut-être la tienne !

LE BEDEAU, se frappant le front.

C’est peut-être vrai.

Il sort en courant.

Le prêtre se détache du groupe à son tour et passe son bras autour du cou du jeune homme.

LE PRÊTRE, comme au confessionnal.

À quelle partie de son corps faisiez-vous le plus souvent allusion ?

LE JEUNE HOMME

À Dieu.

Le prêtre décontenancé par la réponse prend immédiatement l’accent suisse.

LE PRÊTRE, avec l’accent suisse.

Mais ça ne se fait plus. Nous ne l’entendons pas de cette oreille. Il faut demander ça aux volcans, aux tremblements de terre. Nous autres on se repaît des petites saletés des hommes dans le confessionnal. Et voilà, c’est tout, c’est la vie.

LE JEUNE HOMME, très frappé.

Ah voilà, c’est la vie !

Eh bien tout fout le camp.

LE PRÊTRE, toujours avec l’accent suisse.

Mais oui.

À cet instant la nuit se fait tout d’un coup sur la scène. La terre tremble. Le tonnerre fait rage, avec des éclairs qui zigzaguent en tous sens, et dans les zigzags des éclairs on voit tous les personnages qui se mettent à courir, et s’embarrassent les uns dans les autres, tombent à terre, se relèvent encore et courent comme des fous.

À un moment donné une main énorme saisit la chevelure de la maquerelle qui s’enflamme et grossit à vue d’œil.

UNE VOIX GIGANTESQUE

Chienne, regarde ton corps !

Le corps de la maquerelle apparaît absolument nu et hideux sous le corsage et la jupe qui deviennent comme du verre.

LA MAQUERELLE

Laisse-moi, Dieu.

Elle mord Dieu au poignet. Un immense jet de sang lacère la scène, et on voit au milieu d’un éclair plus grand que les autres le prêtre qui fait le signe de la croix.

Quand la lumière se refait, tous les personnages sont morts et leurs cadavres gisent de toutes parts sur le sol. Il n’y a que le jeune homme et la maquerelle qui se mangent des yeux.

La maquerelle tombe dans les bras du jeune homme.

LA MAQUERELLE, dans un soupir et comme
à l’extrême
pointe d’un spasme amoureux.

Racontez-moi comment ça vous est arrivé.

Le jeune homme se cache la tête dans les mains.

La nourrice revient portant la jeune fille sous son bras comme un paquet. La jeune fille est morte. Elle la laisse tomber à terre où elle s’écrase et devient plate comme une galette.

La nourrice n’a plus de seins. Sa poitrine est complètement plate.

À ce moment débouche le Chevalier qui se jette sur la nourrice, et la secoue véhémentement.

LE CHEVALIER, d’une voix terrible.

Où les as-tu mis ? Donne-moi mon gruyère.

LA NOURRICE, gaillardement.

Voilà.

Elle lève ses robes.

Le jeune homme veut courir mais il se fige comme une marionnette pétrifiée.

LE JEUNE HOMME, comme suspendu en l’air
et d’une
voix de ventriloque.

Ne fais pas de mal à maman.

LE CHEVALIER

Maudite.

Il se voile la face d’horreur.

Alors une multitude de scorpions sortent de dessous les robes de la nourrice et se mettent à pulluler dans son sexe qui enfle et se fend, devient vitreux, et miroite comme un soleil.

Le jeune homme et la maquerelle s’enfuient comme des trépanés.

LA JEUNE FILLE, se relevant éblouie.

La vierge ! ah c’était ça qu’il cherchait.

Rideau.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma



Noten   [ + ]

1. ‘bedonnant’: dikbuikig – woordspeling nvdv
Categorieën
Grafiek lyriek strip

SAMOURAÏ 37

er weerklinkt trage muziek wanneer de Huisleraar zich terugtrekt in zichzelf. hij profileert. elke beweging is wezenlijk dezelfde in de wereld van de trage muziek, er kan daar geen sprake zijn van alteriteit. Samouraï is dan ook niet zichtbaar op deze bladzijde, maar zijn aanwezigheid is merkbaar in elke lijn

over SAMOURAÏ

SAMOURAÏ is een experimentele strip naar de gelijknamige toneelschets van Antonin Artaud (geschreven tss 1923-1925)

Categorieën
Grafiek

SAMOURAÏ 34

we moeten het de Huisleraar (Précepteur) nageven in SAMOURAÏ, onze Experimentele Artaud Strip, hij heeft wel degelijk een punt. het moge wel zo zijn dat er een zekere verwarring in het verhaal geslopen is, maar we kunnen toch ook niet blind blijven voor de evidente samenhang der dingen? zien we niet met onze eigen ogen de diepere eenheid van Alles? zijn we hier niet in het Grote Paleis? met haar Pracht en Praal? het Publiek? de Ministers, het Apparaat, zijne Majesteit? Dienster, ja jij daar, verlangende! verlangen!

over SAMOURAÏ

SAMOURAÏ is een experimentele strip naar de gelijknamige toneelschets van Antonin Artaud (geschreven tss 1923-1925)

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #165

165 – l’étiage toxicomanique de la nation – FEU

BRIEF
aan de heer Wetgever
van de Wet op de Verdovende Middelen

Mijnheer de Wetgever,

Mijnheer de Wetgever van de wet van 1916, in juli 1917 bij decreet aanvaard als de Wet op de Verdovende Middelen, je bent een debiel.
Jouw wet enerveert enkel de wereldwijde farmacie zonder enige invloed op het niveau van drugsverslaving in dit land en wel hierom:

  1. het aantal drugsverslaafden dat zich bij de apotheek bevoorraadt is gering
  2. de echte drugsverslaafde bevoorraadt zich niet bij de apotheker
  3. de drugsverslaafden die zich bij de apotheker bevoorraden zijn allemaal ziek
  4. het aantal drugsverslaafden dat ziek is is gering t.o.v. de genotzuchtige druggebruikers
  5. de farmaceutische beperkingen van de drugs treffen nooit de druggebruikers uit genotzucht en de georganiseerde druggebruikers
  6. er zullen altijd fraudeurs zijn
  7. er zullen altijd drugsverslaafden zijn door ondeugdzaamheid, door passie
  8. zieke drugsverslaafden hebben een onaantastbaar recht in deze maatschappij en dat is om met rust gelaten te worden.

Het is voor alles een gewetenskwestie.
De Wet op de Verdovende Middelen geeft aan de inspecteur-usurpator van de volksgezondheid het recht om te beslissen over de pijn van anderen; het is een merkwaardige pretentie van de moderne medische wetenschap om de eigen plichten te willen voorschrijven aan ieders geweten. Al dat geblaat van het officiële handvest staat machteloos tegen dit ene gewetensfeit: te weten dat, meer nog dan over mijn dood ik de baas ben over mijn eigen pijn. Ieder mens is rechter – en enige rechter – over de hoeveelheid fysieke pijn, of ook geestelijke leegte die hij in alle oprechtheid kan dragen.

Helderheid van geest of niet, er bestaat een helderheid van geest die mij geen enkele ziekte kan ontnemen en dat is het aanvoelen dat mijn fysieke leven mij geeft1hier voegt Artaud een lange voetnoot in die in het volgende deel zal worden vertaald. En als ik die helderheid dan heb verloren, dan heeft de medische wetenschap maar één ding te doen en dat is mij die substanties te verschaffen die mij in staat stellen die helderheid terug te hebben.

Heren dictators van de farmaceutische school van Frankrijk, jullie zijn pedante geknipten: er is een ding dat jullie beter zou moeten inschatten, en dat is dat opium die ene, niet voor te schrijven en imperiale substantie is die het eigen zielenleven weer toegankelijk maakt aan hen die het ongeluk hadden dat kwijt te raken.

Er bestaat een kwaal waartegen opium onfeilbaar is en die kwaal heet Angst. Angst in zijn mentale, medicinale, psychologische, logische of farmaceutische betekenis, wat je maar wil.

De Angst die gekken maakt.
De Angst die zelfmoordenaars maakt.
De Angst die vervloekten maakt.
De Angst die de medische wetenschap niet kent.
De Angst die uw dokter niet begrijpt.
De Angst die het leven krengt.
De Angst die de navelstreng van het leven afknijpt.

Door uw onbillijke wet geeft u mensen in wie ik geen greintje vertrouwen heb – medische debielen, snertapothekers, rechters in wanpraktijken, doktoren, vroedvrouwen, dokters, dokters-inspecteur, het recht in handen om te beslissen over mijn angst, een angst die in mij zo fijn is als de naalden van alle kompasnaalden van de hel.

Bij bevingen van lichaam of ziel bestaat er geen mensenseismograaf die het iemand mogelijk maakt om naar mij te kijken en tot een meer nauwkeurige evaluatie van mijn pijn te komen dan mijn eigen bliksemende geest dat doet!

Heel de riskante wetenschap van de mens is niet superieur aan de onmiddellijke kennis die ik van mijn wezen kan hebben. Ik ben de enige rechter over wat er in mij zit.

Ga terug naar jullie zolders, medische luizen, en jij ook, meneer de wetgever Schaapmans, jij raaskalt niet uit liefde voor de mens maar volgt een traditie van imbeciliteit. Jouw onwetendheid over wat het is om een mens te zijn wordt alleen geëvenaard door je dwaasheid om hem te willen beperken. Moge jouw wet neerkomen op je vader, je moeder, je vrouw, je kinderen en al je nageslacht. En slik nu maar in die wet van je.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.66-70] – vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com


originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Monsieur le législateur,

Monsieur le législateur de la loi de 1916, agrémentée du décret de juillet 1917 sur les stupéfiants, tu es un con.

Ta loi ne sert qu’à embêter la pharmacie mondiale sans profit pour l’étiage toxicomanique de la nation

parce que

1o Le nombre des toxicomanes qui s’approvisionnent chez le pharmacien est infime ;

2o Les vrais toxicomanes ne s’approvisionnent pas chez le pharmacien ;

3o Les toxicomanes qui s’approvisionnent chez le pharmacien sont tous des malades ;

4o Le nombre des toxicomanes malades est infime par rapport à celui des toxicomanes voluptueux ;

5o Les restrictions pharmaceutiques de la drogue ne gêneront jamais les toxicomanes voluptueux et organisés ;

6o Il y aura toujours des fraudeurs ;

7o Il y aura toujours des toxicomanes par vice de forme, par passion ;

8o Les toxicomanes malades ont sur la société un droit imprescriptible, qui est celui qu’on leur foute la paix. C’est avant tout une question de conscience.

La loi sur les stupéfiants met entre les mains de l’inspecteur-usurpateur de la santé publique le droit de disposer de la douleur des hommes ; c’est une prétention singulière de la médecine moderne que de vouloir dicter ses devoirs à la conscience de chacun. Tous les bêlements de la charte officielle sont sans pouvoir d’action contre ce fait de conscience : à savoir, que, plus encore que de la mort, je suis le maître de ma douleur. Tout homme est juge, et juge exclusif, de la quantité de douleur physique, ou encore de vacuité mentale qu’il peut honnêtement supporter. Lucidité ou non lucidité, il y a une lucidité que nulle maladie ne m’enlèvera jamais, c’est celle qui me dicte le sentiment de ma vie physique. Et si j’ai perdu ma lucidité, la médecine n’a qu’une chose à faire, c’est de me donner les substances qui me permettent de recouvrer l’usage de cette lucidité. Messieurs les dictateurs de l’école pharmaceutique de France, vous êtes des cuistres rognés : il y a une chose que vous devriez mieux mesurer ; c’est que l’opium est cette imprescriptible et impérieuse substance qui permet de rentrer dans la vie de leur âme à ceux qui ont eu le malheur de l’avoir perdue.

Il y a un mal contre lequel l’opium est souverain et ce mal s’appelle l’Angoisse, dans sa forme mentale, médicale, physiologique, logique ou pharmaceutique, comme vous voudrez.

L’Angoisse qui fait les fous.
L’Angoisse qui fait les suicidés.
L’Angoisse qui fait les damnés.
L’Angoisse que la médecine ne connaît pas.
L’Angoisse que votre docteur n’entend pas.
L’Angoisse qui lèse la vie.
L’Angoisse qui pince la corde ombilicale de la vie.

Par votre loi inique vous mettez entre les mains de gens en qui je n’ai aucune espèce de confiance, cons en médecine, pharmaciens en fumier, juges en mal-façon, docteurs, sages-femmes, inspecteurs-doctoraux, le droit de disposer de mon angoisse, d’une angoisse en moi aussi fine que les aiguilles de toutes les boussoles de l’enfer.

Tremblements du corps ou de l’âme, il n’existe pas de sismographe humain qui permette à qui me regarde d’arriver à une évaluation de ma douleur plus précise, que celle, foudroyante, de mon esprit !

Toute la science hasardeuse des hommes n’est pas supérieure à la connaissance immédiate que je puis avoir de mon être. Je suis seul juge de ce qui est en moi.

Rentrez dans vos greniers, médicales punaises, et toi aussi, Monsieur le Législateur Moutonnier, ce n’est pas par amour des hommes que tu délires, c’est par tradition d’imbécillité. Ton ignorance de ce que c’est qu’un homme n’a d’égale que ta sottise à le limiter. Je te souhaite que ta loi retombe sur ton père, ta mère, ta femme, tes enfants, et toute ta postérité. Et maintenant avale ta loi.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Noten   [ + ]

1. hier voegt Artaud een lange voetnoot in die in het volgende deel zal worden vertaald
Categorieën
Grafiek strip

samouraï 33

SAMOURAÏ Acte II – scène 2 – de huisleraar geeft grif toe dat het allemaal wat moeilijk om volgen is

ja.

lang dacht ik dat de broodschrijverij als poëet wel ongeveer het laagste van het laagste was, dat je onmogelijk dieper kon vallen dat dat. tot ik verleden week op een prent van Lucas van Leyden stuitte waarop Uylenspiegel staat afgebeeld als doedelzakspeler om den brode.

Elil Eli Labaktami, wat moet die man geleden hebben! doedelzak! om den Brode! hoe ongewenst ende verguisd kan je worden!

achter hem menen we het Spook van Jacques Rivière te herkennen, die net het Potlood van Artaud heeft mogen incasseren en nu reine commentaren spuien mag in de Zee van de Vergetelheid! Wat een gelukzak! Het Potlood van Artaud!

over SAMOURAÏ

SAMOURAÏ is een experimentele strip naar de gelijknamige toneelschets van Antonin Artaud (geschreven tss 1923-1925)

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #164

164 – j’y tombe du ciel – BUIK

‘Homme’ van André Masson

(lees eerst het eerste deel van deze tekst)

En nu schikt hij zich in cellen waar een zaadje van onwerkelijkheid groeit. De cellen zitten elk op hun plaats in een waaiervormig patroon,

rond de buik, voor de zon , boven de vogel, enrondom die circulatie van solferwater.

Maar de architectuur is onverschillig aan de cellen, zij ondersteunt en zegt niets.

Elke cel heeft een ei, welke kiem glanst daarin? In elke cel wordt plots een ei geboren. Er is in elk van hen een onmenselijk krioelen dat evenwel helder is met de gelaagdheid van een bevroren universum.

Elke cel heeft wel degelijk zijn ei en biedt het ons aan; maar het maakt weinig uit of het ei wordt verkozen of afgekeurd.

Niet alle cellen dragen een ei. In sommige wordt een spiraal geboren. En in de lucht hangt een grotere spiraal, maar alsof die al solfer is, of nog fosfor en gewikkeld in onwerkelijkheid. En die spiraal heeft het belang van de meest krachtige gedachte.

De buik doet denken aan chirugie en het Lijkenhuis, aan een werf, een publieke plaats, de operatietafel. Het lichaam van de buik lijkt van graniet, of van marmer, of van plaaster, maar dan een verharde plaaster. Er is een vakje voor een berg. Het schuim van de lucht geeft de berg een koele, doorschijnende krans. De lucht rond de berg is sonoor, vroom, legendarisch, verboden. De toegang tot de berg is verboden. De berg heeft zijn plaats in de ziel. Hij is de horizon van iets dat voortdurend wijkt. Hij geeft de indruk van de eeuwige horizon.

En ik beschreef dit schilderij in tranen, want dit schilderij raakt mijn hart. Ik voel mijn denken zich daar ontvouwen als in een ideale, absolute ruimte, maar een ruimte die een vorm heeft die in de werkelijkheid gevoegd zou kunnen worden. Ik val er uit de hemel.

En elke vezel in mij spert zich open en vindt zijn plaats in een welbepaald vakje. Ik ga erin op als in mijn bron, ik vind er de plaats en de aard van mijn geest. Wie dit schilderij heeft geschilderd, is de grootste schilder van de wereld. Aan André Masson wat hem toekomt.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.62-64] – vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Et voici qu’il se dispose en cellules où pousse une graine d’irréalité. Les cellules se casent chacune à sa place, en éventail,

autour du ventre, en avant du soleil, au delà de l’oiseau, et autour de cette circulation d’eau soufrée.

Mais l’architecture est indifférente aux cellules, elle sustente et ne parle pas.

Chaque cellule porte un œuf où reluit quel germe ? Dans chaque cellule un œuf est né tout à coup. Il y a dans chacune un fourmillement inhumain mais limpide, les stratifications d’un univers arrêté.

Chaque cellule porte bien son œuf et nous le propose ; mais il importe peu à l’œuf d’être choisi ou repoussé.

Toutes les cellules ne portent pas d’œuf. Dans quelques-unes naît une spire. Et dans l’air une spire plus grosse pend, mais comme soufrée déjà ou encore de phosphore et enveloppée d’irréalité. Et cette spire a toute l’importance de la plus puissante pensée.

Le ventre évoque la chirurgie et la Morgue, le chantier, la place publique et la table d’opération. Le corps du ventre semble fait de granit, ou de marbre, ou de plâtre, mais d’un plâtre durcifié. Il y a une case pour une montagne. L’écume du ciel fait à la montagne un cerne translucide et frais. L’air autour de la montagne est sonore, pieux, légendaire, interdit. L’accès de la montagne est interdit. La montagne a bien sa place dans l’âme. Elle est l’horizon d’un quelque chose qui recule sans cesse. Elle donne la sensation de l’horizon éternel.

Et moi j’ai décrit cette peinture avec des larmes, car cette peinture me touche au cœur. J’y sens ma pensée se déployer comme dans un espace idéal, absolu, mais un espace qui aurait une forme introductible dans la réalité. J’y tombe du ciel.

Et chacune de mes fibres s’entr’ouvre et trouve sa place dans des cases déterminées. J’y remonte comme à ma source, j’y sens la place et la disposition de mon esprit. Celui qui a peint ce tableau est le plus grand peintre du monde. À André Masson, ce qui lui revient.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #163

163- sang mélé de safran et de soufre – VENTRE

‘Homme’ van André Masson

Een slanke buik. Een strakke poederbuik, als op een prentje. Aan de voet van de buik een gespleten granaatappel.

Uit de granaatappel circuleert een vlokkenstroom omhoog als vuurtongen, een koud vuur. De circulatie neemt de buik op en zet hem terug. Maar de buik draait niet.

Het zijn aders met wijnbloed, bloed vermengd met saffraan en zwavel, maar zwavel verzacht met water.
Boven de buik zijn er borsten zichtbaar. En hoger, in de diepte, maar op een ander vlak van de geest brandt er een zon, maar zodanig dat je zou denken dat er een borst brandt. En aan de voet van de granaat een vogel.
De zon lijkt te kijken. Maar de blik kijkt naar de zon. De blik is een kegel die zich bij de zon omdraait. En heel de lucht is als bevroren muziek, maar een weidse diepe muziek, goed gemaçonneerd en geheim en vol ijzige vertakkingen.

En dit alles ommetseld met zuilen als in een soort architectenschets die de buik met de werkelijkheid verbindt.

Het doek is een gelaagde holte. Het schilderij zit goed ingesloten in het doek. Het is als een gesloten cirkel, een soort afgrond die in het midden roteert en splitst. Het is als een geest die zichzelf ziet en graaft, het wordt voortdurend geremixt en bewerkt door de krampachtige handen van de geest. De geest zaait zijn fosfor.

De geest is zelfverzekerd. Hij zet zijn voet stevig in de wereld. De granaatappel, de buik, de borsten zijn als bewijzen getuigend van de werkelijkheid. Er is een dode vogel, er is gebladerte van zuilen. De lucht zit vol met potloodstrepen, potloodstrepen als messteken, als striemen van magische nagels. De lucht is voldoende omgedraaid.

lees verder

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.62-64]
vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com


originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Un ventre fin. Un ventre de poudre ténue et comme en image. Au pied du ventre, une grenade éclatée.

La grenade déploie une circulation floconneuse qui monte comme des langues de feu, un feu froid.

La circulation prend le ventre et le retourne. Mais le ventre ne tourne pas.

Ce sont des veines de sang vineux, de sang mêlé de safran et de soufre, mais d’un soufre édulcoré d’eau.

Au-dessus du ventre sont visibles des seins. Et plus haut, et en profondeur, mais sur un autre plan de l’esprit, un soleil brûle, mais de telle sorte que l’on pense que ce soit le sein qui brûle. Et au pied de la grenade, un oiseau.

Le soleil a comme un regard. Mais un regard qui regarderait le soleil. Le regard est un cône qui se renverse sur le soleil. Et tout l’air est comme une musique figée, mais une vaste, profonde musique, bien maçonnée et secrète, et pleine de ramifications congelées.

Et tout cela, maçonné de colonnes, et d’une espèce de lavis d’architecte qui rejoint le ventre avec la réalité.

La toile est creuse et stratifiée. La peinture est bien enfermée dans la toile. Elle est comme un cercle fermé, une sorte d’abîme qui tourne, et se dédouble par le milieu. Elle est comme un esprit qui se voit et se creuse, elle est remalaxée et travaillée sans cesse par les mains crispées de l’esprit. Or, l’esprit sème son phosphore. L’esprit est sûr. Il a bien un pied dans le monde. La grenade, le ventre, les seins, sont comme des preuves attestatoires de la réalité. Il y a un oiseau mort, il y a des frondaisons de colonnes. L’air est plein de coups de crayon, des coups de crayon comme des coups de couteau, comme des stries d’ongle magique. L’air est suffisamment retourné.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #159

159 – Car nous sommes uniquement dans l’ Esprit – FOU

VOGELEN-PAUL
of
DE PLAATS VAN DE LIEFDE (slot)

lees eerst het eerste stuk van deze tekst

Op het moment dat het doek opgaat; ligt Selvaggia op sterven.
Paolo Uccello komt op en vraagt haar hoe het gaat. De vraag krijgt Brunelleschi zo buiten zichzelf dat hij de louter mentale atmosfeer van het drama doorbreekt met een gebalde, materiële vuist.

BRUNELLESCHI. – Varken, zot.
PAOLO UCCELLO, niets driemaal. – Imbeciel.

Maar laat ons eerst de personages beschrijven. Lataen we ze een fysieke gestalte geven, een stem, een opschik.

Vogelen-Paul heeft een onmerkbare stem, een insectenpas, een gewaad dat te groot voor hem is.

Brunelleschi, die heeft een echte sonore theaterstem die goed in het vlees zit. Hij lijkt op Dante.

Donatello is tussen de twee: St. Franciscus van Assisi vóór de Stigmata.

De scène speelt zich af op drie plateaus.

Onnodig te zeggen dat Brunelleschi verliefd is op de vrouw van Vogelen-Paul. Hij verwijt hem onder andere haar te laten sterven van honger. Kan men sterven van de honger in de Geest?

Want we zijn zuiver en alleen in de Geest.

Het drama speelt op verschillende niveaus en heeft verschillende aspecten, het gaat er net zo goed om de stupiede vraag of Paolo Uccello genoeg medemenselijkheid zal vinden om Selvaggia te eten te geven, als om te zien wie van de drie, vier personages het langst op zijn plateau zal blijven.

Want Paolo Ucello stelt de Geest voor, niet noodzakelijkerwijs zuiver, maar onthecht.

Donatello is de verheven geest. Hij kijkt al niet meer naar de aarde, al raken zijn voeten nog de grond.

Brunelleschi daarentegen is door en door aards, en het is aards en seksueel dat hij Selvaggia begeert. Hij denkt alleen aan neuken.

Paolo Uccello kent de seksualiteit wel, maar hij ziet ze achter glas en van kwikzilver, en koud als ether.

En Donatello, die is voorbij de rouw ervan.

Paolo Uccello heeft niets onder zijn gewaad. Hij heeft enkel een klep op de plaats van het hart.

Aan de voeten van Selvaggia groeit er een kruid dat er niet thuishoort.

Plots voelt Brunelleschi zijn pik verstijven, hij wordt enorm. Hij kan het niet houden en er vliegt een grote witte vogel uit als sperma dat spiraalsgewijs de lucht inschiet.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.55-58]
vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Au moment où le rideau se lève, Selvaggia est en train de mourir.

Paolo Uccello entre et lui demande comment elle va. La question a le don d’exaspérer Brunelleschi qui lacère l’atmosphère uniquement mentale du drame d’un poing matériel et tendu.

BRUNELLESCHI. – Cochon, fou.

PAOLO UCCELLO, éternuant trois fois. – Imbécile.

Mais d’abord décrivons les personnages. Donnons-leur une forme physique, une voix, un accoutrement.

Paul les Oiseaux a une voix imperceptible, une démarche d’insecte, une robe trop grande pour lui.

Brunelleschi, lui, a une vraie voix de théâtre sonore et bien en chair. Il ressemble au Dante.

Donatello est entre les deux : saint François d’Assise avant les Stigmates.

La scène se passe sur trois plans.

Inutile de vous dire que Brunelleschi est amoureux de la femme de Paul les Oiseaux. Il lui reproche entre autres choses de la laisser mourir de faim. Est-ce qu’on meurt de faim dans l’Esprit ?

Car nous sommes uniquement dans l’Esprit.

Le drame est sur plusieurs plans et à plusieurs faces, il consiste aussi bien dans la stupide question de savoir si Paolo Uccello finira par acquérir assez de pitié humaine pour donner à Selvaggia à manger, que de savoir lequel des trois ou quatre personnages se tiendra le plus longtemps à son plan.

Car Paolo Uccello représente l’Esprit, non pas précisément pur, mais détaché.

Donatello est l’Esprit surélevé. Il ne regarde déjà plus la terre, mais il y tient encore par les pieds.

Brunelleschi, lui, est tout à fait enraciné à la terre, et c’est terrestrement et sexuellement qu’il désire Selvaggia. Il ne pense qu’à coïter.

Paolo Uccello n’ignore pas cependant la sexualité, mais il la voit vitrée et mercurielle, et froide comme de l’éther.

Et quant à Donatello, il a fini de la regretter.

Paolo Uccello n’a rien dans sa robe. Il n’a qu’un pont à la place du cœur.

Il y a aux pieds de Selvaggia une herbe qui ne devrait pas être là.

Tout d’un coup Brunelleschi sent sa queue se gonfler, devenir énorme. Il ne peut la retenir et il s’en envole un grand oiseau blanc, comme du sperme qui se visse en tournant dans l’air.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
Grafiek strip

SAMOURAÏ 28

op pagina 28 van SAMOURAÏ, de Experimentele Artaud-strip, gebeuren enkele droomovergangen en -herschikkingen tegelijkertijd. De Précepteur (huisleraar) gaat eerst met moederlijke zorgen voor Samouraï van het toneel waarna het geluid van wegvloeiend regenwater te horen is, als na een storm. vervolgens schuiven het Masker van daarstraks en de Precepteur in en over elkaar maar waarvan zijn zij zo het teken? het kleed van de Précepteur is zo breed dat het eender wat kan verbergen en hijzelf lijkt wel gekrompen…

over SAMOURAÏ

SAMOURAÏ is een experimentele strip naar de gelijknamige toneelschets van Antonin Artaud (geschreven tss 1923-1925)

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #157

157 – une démarche d’insecte – TEMPS

VOGELEN-PAUL
of
DE PLAATS VAN DE LIEFDE (1)

Paolo Uccello1Artaud heeft het thema van Paolo Ucello overgenomen van ‘Paolo Ucello’ uit de ‘Ingebeelde levens‘ van Marcel Schwob, een boek dat in 1921 werd heruitgebracht door Gallimard (eerste ed. Fasquelle, 1896 ) worstelt met zichzelf te midden een immens mentaal weefsel waarin hij alle wegen naar zijn ziel en naar de vorm en de aanhechting van zijn werkelijkheid is kwijtgeraakt.
Raak van je tong af Paolo Ucello, raak van je tong af, mijn tong, mijn tong, kak, wie spreekt er daar, waar ben jij? Wég, wég, Geest, Geest, vuur, vuurtongen, vuur, vuur, eet je tong op, ouwe hond, eet zijn tong, eet, enz.
Ik ruk mijn taal uit.

JA.

Ondertussen verscheuren Brunelleschi en Donatello elkaar als verdoemden. Weliswaar is Paolo Ucello het zware en gewogen punt van het geschil maar die staat op een ander plateau dan zij.

En er is ook Antonin Artaud. Een Antonin Artaud in barensnood evenwel, aan de andere kant van alle mentale glazen en hij doet er alles aan om zich elders te wanen (bij André Masson bijvoorbeeld die helemaal het uiterlijk van Paolo Ucello heeft,een gelaagd uiterlijke als van een insect of een idioot en als een vlieg gevat in de verf, in zijn verf die van de weeromstuit gelaagd wordt).

En overigens is het in hem (Antonin Artaud) dat Uccello zichzelf denkt, maar als hij zichzelf denkt is hij niet echt meer in hem, etc., etc. Het vuur waarin zijn ijs weekt heeft zich in een mooi weefsel vertaald.

En Paolo Uccello zet de prikkelende operatie verder van deze wanhopige tonguitrukking.

Het gaat hier om een probleem dat in de geest van Antonin Artaud is ontstaan, maar Antonin Artaud heeft geen probleem nodig, hij zit al genoeg opgezadeld met zijn eigen gedachten, met onder andere dat hij zichzelf is tegengekomen, er achter kwam wat een slechte acteur hij is, bijvoorbeeld gisteren, in de bioscoop, in Surcouf, zonder dat die larve van een Kleine Paul hem zijn tong komt opeten.

Het theater is door hem gebouwd en bedacht. Hij heeft zo’n beetje overal arcades en plateau’s uitgezet waarin al zijn personages als honden tekeergaan.

Er is een plateau voor Paolo Uccello, en een plateau voor Brunelleschi en Donatello, en een plateau voor Selvaggia, de vrouw van Paolo.

Twee, drie, tien problemen zijn plotseling verstrengeld met de zigzagbewegingen van hun spirituele tongen, met alle ruimtelijke verplaatsingen op hun plateaus.

Lees verder…

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.55-58]
vert. NKdeE 2020 CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

PAUL LES OISEAUX
OU
LA PLACE DE L’AMOUR

Paolo Uccello est en train de se débattre au milieu d’un vaste tissu mental où il a perdu toutes les routes de son âme et jusqu’à la forme et à la suspension de sa réalité.

Quitte ta langue Paolo Uccello, quitte ta langue, ma langue, ma langue, merde, qui est-ce qui parle, où es-tu ? Outre, outre, Esprit, Esprit, feu, langues de feu, feu, feu, mange ta langue, vieux chien, mange sa langue, mange, etc. J’arrache ma langue.

OUI.

Pendant ce temps Brunelleschi et Donatello se déchirent comme des damnés. Le point pesant et soupesé du litige est toutefois Paolo Uccello, mais qui est sur un autre plan qu’eux.

Il y a aussi Antonin Artaud. Mais un Antonin Artaud en gésine, et de l’autre côté de tous les verres mentaux, et qui fait tous ses efforts pour se penser autre part que là (chez André Masson par exemple qui a tout le physique de Paolo Uccello, un physique stratifié d’insecte ou d’idiot, et pris comme une mouche dans la peinture, dans sa peinture qui en est par contre-coup stratifiée).

Et d’ailleurs c’est en lui (Antonin Artaud) que Uccello se pense, mais quand il se pense il n’est véritablement plus en lui, etc., etc. Le feu où ses glaces macèrent s’est traduit en un beau tissu.

Et Paolo Uccello continue la titillante opération de cet arrachement désespéré.

Il s’agit d’un problème qui s’est posé à l’esprit d’Antonin Artaud, mais Antonin Artaud n’a pas besoin de problème, il est déjà assez emmerdé par sa propre pensée, et entre autres faits de s’être rencontré en lui-même, et découvert mauvais acteur, par exemple, hier, au cinéma, dans Surcouf, sans encore que cette larve de Petit Paul vienne manger sa langue en lui.

Le théâtre est bâti et pensé par lui. Il a fourré un peu partout des arcades et des plans sur lesquels tous ses personnages se démènent comme des chiens.

Il y a un plan pour Paolo Uccello, et un plan pour Brunelleschi et Donatello, et un petit plan pour Selvaggia, la femme de Paolo.

Deux, trois, dix problèmes se sont entrecroisés tout d’un coup avec les zigzags de leurs langues spirituelles et tous les déplacements planétaires de leurs plans.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Noten   [ + ]

1. Artaud heeft het thema van Paolo Ucello overgenomen van ‘Paolo Ucello’ uit de ‘Ingebeelde levens‘ van Marcel Schwob, een boek dat in 1921 werd heruitgebracht door Gallimard (eerste ed. Fasquelle, 1896 )
Categorieën
Grafiek strip

SAMOURAÏ 27

wanneer op pagina 27 van onze Experimentele Artaud Strip de Precepteur suggereert dat het de liefde is die Samouraï verlangt, krijgt hij vanwege ontoelaatbare stupiditeit een klets in het gezicht. Samouraï stelt nogal cryptisch dat het de ‘uitzonderlijkheid der dingen’ is dat hij verlangt.
bon, goed, owkay, we daalden derhalve af in de crypte van de St. Pieterskerk in Leuven om daar te checken hoe onze Dirk Bouts dit item op zijn bucket list heeft afgebeeld, maar, aangezien zoals u weet Dirk een Leuvenaar was was hij zoals helaas vrijwel iedereen zwaar onder verdoving door het gentrificerende slaapmiddel met terugwerkende kracht dat de socialistische burgemeester Louis Tobback gedurende jaren aan de voorheen zo levendige stadsgronden heeft toegebracht. die sedatie werkt immers thans tot diep in de Vroege Middeleeuwen door, zodat ook de afbeelding van Dirk Bouts van deze ‘rareté des choses’ erg braafjes en eerder slaapverwekkend oogt.
op basis van op een strikt geheim gehouden locatie bewaarde foto’s van het origineel hebben we echter deze reconstructie kunnen maken…

over SAMOURAÏ

SAMOURAÏ is een experimentele strip naar de gelijknamige toneelschets van Antonin Artaud (geschreven tss 1923-1925)

Categorieën
Grafiek strip

SAMOURAÏ 26

de toneelschets van Artaud is in de Verzamelde Werken vaag gedateerd tussen 1923-1925. het duurt nog tot 1929 vooraleer John Bovington zijn poep op deze wijze in de lucht verheft zodat Imogen Cunningham zijn benen in deze positie kan fotograferen en toch is dit exact de manier waarop in SAMOURAÏ, de Experimentele Artaud strip, de held uitlegt aan de bezorgde Precepteur dat de oorzaak van zijn woede niets anders is dan het verlangen…

over SAMOURAÏ

SAMOURAÏ is een experimentele strip naar de gelijknamige toneelschets van Antonin Artaud (geschreven tss 1923-1925)

Categorieën
Grafiek strip

SAMOURAÏ 25

op bladzijde 25 staat een waarlijk afgrijselijke scène afgebeeld: gedurende niet minder dan 1 uur en 17 minuten wordt een pantomime herhaald waarin de Samouraï voelt dat de gevreesde Ministers van daarstraks hem besluipen, hij trekt zijn sabel en de Ministers druipen terug af naar hun zeskantig hol in de vloer. de Samouraï voelt dat de gevreesde Ministers van daarstraks hem besluipen, hij trekt zijn sabel en de Ministers druipen terug af naar hun zeskantig hol in de vloer. de Samouraï voelt dat de gevreesde Ministers van daarstraks hem besluipen, hij trekt zijn sabel en de Ministers druipen terug af naar hun zeskantig hol in de vloer. de Samouraï voelt dat de gevreesde Ministers van daarstraks hem besluipen, hij trekt zijn sabel en de Ministers druipen terug af naar hun zeskantig hol in de vloer. de Samouraï voelt dat de gevreesde Ministers van daarstraks hem besluipen, hij trekt zijn sabel en de Ministers druipen terug af naar hun zeskantig hol in de vloer. de Samouraï voelt dat de gevreesde Ministers van daarstraks hem besluipen, hij trekt zijn sabel en de Ministers druipen terug af naar hun zeskantig hol in de vloer. de Samouraï voelt dat de gevreesde Ministers van daarstraks hem besluipen, hij trekt zijn sabel en de Ministers druipen terug af naar hun zeskantig hol in de vloer. de Samouraï voelt dat de gevreesde

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #155

155- – une cristallisation immediate et directe – LANGUE

ARTAUD – Navel van het Voorgeborgte (3 – 4)

God-de-reu sta mij bij en zijn tong
die als een pijl de korst doorboort
van de koepel met de dubbele boord,
van de aarde die jeukt naar zijn woord.

En daar is de driehoek van water
die stapt in de pas van punaises
die zich op hete kolen wil bewijzen
als messteek en niet als punaise.

God-de-teef die is diep in de boezem
van gruwel en grond willen kruipen,
de boezem van aarde en water en ijs
die haar voze tong rottend doet druipen.

En daar is de meid-met-de-hamer,
die de kelders van aarde komt slopen
en de schedel van de hond van de ster
voelt hoger het afgrijzen oplopen.


Dokter,

Er is een punt waarop ik toch zou willen insisteren: het belang namelijk van datgene waarop uw injecties inwerken, de essentiële verslapping van mijn wezen, de verlaging van mijn mentale standaard, die niet, zoals men zou kunnen denken, een vermindering van mijn moraliteit (mijn morele ziel) of zelfs van mijn intelligentie inhoudt, maar wel, zo men wil, van mijn bruikbare intellectualiteit, mijn denkvermogen, wat meer te maken heeft met het gevoel dat ik van mezelf heb, dan met dat wat ik aan anderen laat zien.

De ongehorige, veelvormige kristallisatie van het denken, die op een gegeven moment zijn vorm kiest. Er is een onmiddellijke en directe kristallisatie van het ik te midden van alle mogelijke vormen, alle mogelijke denkwijzen.

Dus nu, mijnheer de Dokter, nu u zich goed bewust bent van wat er in mij kan worden bereikt (en genezen door drugs), van dat omstreden punt in mijn leven, hoop ik dat u mij de hoeveelheid verfijnde vloeistoffen, kostbare middelen, mentale morfine kunt geven, die in staat zijn om mijn vernedering te verhogen, om het dalen in balans te brengen, om wat gescheiden werd te herenigen, om wat vernietigd werd weer op te bouwen.

Mijn denken groet u.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.53-54]
vert. NKdeE 20201) CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Avec moi dieu-le-chien, et sa langue
qui comme un trait perce la croûte
de la double calotte en voûte
de la terre qui le démange.

Et voici le triangle d’eau
qui marche d’un pas de punaise,
mais qui sous la punaise en braise
se retourne en coup de couteau.

Sous les seins de la terre hideuse
dieu-la-chienne s’est retirée,
des seins de terre et d’eau gelée
qui pourrissent sa langue creuse.

Et voici la vierge-au-marteau,
pour broyer les caves de terre
dont le crâne du chien stellaire
sent monter l’horrible niveau.


Docteur,

Il y a un point sur lequel j’aurais voulu insister : c’est celui de l’importance de la chose sur laquelle agissent vos piqûres ; cette espèce de relâchement essentiel de mon être, cet abaissement de mon étiage mental, qui ne signifie pas comme on pourrait le croire une diminution quelconque de ma moralité (de mon âme morale) ou même de mon intelligence, mais si l’on veut, de mon intellectualité utilisable, de mes possibilités pensantes, et qui a plus à voir avec le sentiment que j’ai moi-même de mon moi, qu’avec ce que j’en montre aux autres.

Cette cristallisation sourde et multiforme de la pensée, qui choisit à un moment donné sa forme. Il y a une cristallisation immédiate et directe du moi au milieu de toutes les formes possibles, de tous les modes de la pensée.

Et maintenant, Monsieur le Docteur, que vous voilà bien au fait de ce qui en moi peut être atteint (et guéri par les drogues), du point litigieux de ma vie, j’espère que vous saurez me donner la quantité de liquides subtils, d’agents spécieux, de morphine mentale, capables d’exhausser mon abaissement, d’équilibrer ce qui tombe, de réunir ce qui est séparé, de recomposer ce qui est détruit.

Ma pensée vous salue.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #154

154 – Qu’on lui pile le crâne – AFGROND

ARTAUD – Navel van het Voorgeborgte (2)

Een groot, nadenkend en overbevolkt elan vervoerde mijn ik als een volle afgrond. Er waaide een vlezige wind die resoneerde, en de solfer zat er dik in, ja. Minutieuze wortelhaartjes bevolkten de wind als een netwerk van aderen, en hun vervlechting bliksemde. De ruimte was meetbaar en helder, maar zonder doordringbare vorm. En het centrum was een mozaïek van flitsen, een harde soort kosmische hamer, een van mismaakte zwaarte, een die steeds weer viel als een hoofd in de ruimte, maar met een geluid dat als gedistilleerd klonk. En de watten wikkel van dat geluid had de botte aandrang en het doordringende van een levende blik. Ja, de ruimte gaf zijn volle mentale watten op, waarin geen enkele gedachte nog duidelijk was of de ontlading van voorwerpen ervan kon weergeven. Maar beetje bij beetje keerde de massa zich om als een krachtige walging van slijk, een soort onmetelijke instroom van donderend vegetaal bloed. En de wortelhaartjes die trilden aan de rand van mijn mentale oog, maakten zich met een duizelingwekkende snelheid los van de opgespannen massa van de wind. En heel de ruimte beefde als een geslacht waarmee de vurige hemelbol verwoestend tekeer ging. En iets als de snavel van een echte duif doorboorde die confuse massa der toestanden, en op dat moment trok al het diepe denken in lagen, loste het op, werd transparant en eenvoudig.

En nu hadden we een hand nodig die van het grijpen zelf het orgaan zou worden. En nog een keer of twee, drie draaide de hele vegetale massa zich om, en elke keer nam mijn oog een preciezere positie in. De duisternis zelf werd overvloedig en zonder voorwerp. Geheel het vriezen klaarde uit.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.51-52]
vert. NKdeE 20201) CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Une grande ferveur pensante et surpeuplée portait mon moi comme un abîme plein. Un vent charnel et résonnant soufflait, et le soufre même en était dense. Et des radicelles infimes peuplaient ce vent comme un réseau de veines, et leur entrecroisement fulgurait. L’espace était mesurable et crissant, mais sans forme pénétrable. Et le centre était une mosaïque d’éclats, une espèce de dur marteau cosmique, d’une lourdeur défigurée, et qui retombait sans cesse comme un front dans l’espace, mais avec un bruit comme distillé. Et l’enveloppement cotonneux du bruit avait l’instance obtuse et la pénétration d’un regard vivant. Oui, l’espace rendait son plein coton mental où nulle pensée encore n’était nette et ne restituait sa décharge d’objets. Mais, peu à peu, la masse tourna comme une nausée limoneuse et puissante, une espèce d’immense influx de sang végétal et tonnant. Et les radicelles qui tremblaient à la lisière de mon œil mental, se détachèrent avec une vitesse de vertige de la masse crispée du vent. Et tout l’espace trembla comme un sexe que le globe du ciel ardent saccageait. Et quelque chose du bec d’une colombe réelle troua la masse confuse des états, toute la pensée profonde à ce moment se stratifiait, se résolvait, devenait transparente et réduite.

Et il nous fallait maintenant une main qui devînt l’organe même du saisir. Et deux ou trois fois encore la masse entière et végétale tourna, et chaque fois, mon œil se replaçait sur une position plus précise. L’obscurité elle-même devenait profuse et sans objet. Le gel entier gagnait la clarté.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #152

ARTAUD – Navel van het Voorgeborgte

Daar waar anderen hun werken aanbieden wil ik niets anders dan mijn geest tonen.
Het leven is het verbranden van vragen.
Ik kan mij geen werk voorstellen dat los staat van het leven.
Ik houd niet van losstaande schepping. Ik kan mij ook de geest niet voorstellen al losstaand van zichzelf. Elk werk van mij, elk ontwerp van mijzelf, al die ijzige bloesems van mijn innerlijke ziel bezoedelen mij.
Ik vind mijzelf evenzeer terug in een brief die ik schreef om de intieme vernauwing van mijn zijn te verklaren en de zinloze kastijding van mijn leven, als in een essay dat buiten mij omgaat, en dat mij overkomt als een zwangerschap die zich niets aan mijn geest genegen laat.
Ik lijd er aan dat de Geest niet in het leven is en dat het leven niet de Geest is, ik lijd aan de Geest-als-orgaan, aan de Geest-als-vertaling, of aan de Geest-die-de-dingen-intimideert om ze in de Geest binnen te dwingen.

Dit boek hang ik op in het leven, ik wil dat het gebeten wordt door de dingen erbuiten, te beginnen met alle knipselbuitelingen, alle oogknipperingen van mijn toekomstige zelf.

Al deze bladzijden schuiven als brokken ijs door de geest. Neem mij de absolute vrijpostigheid niet kwalijk. Ik weiger enig onderscheid te maken tussen eender welke minuut van mijzelf, ik kan in de geest geen plan bespeuren.

Weg met de Geest net zo als weg met de literatuur. Ik zeg dat Geest en leven in elk opzicht met elkaar overeenstemmen. Ik wil een Boek maken dat de mensen stoort, dat als een open deur is en dat hen brengt naar een plek waar ze nooit uit zichzelf zouden heen gaan, een deur die gewoonweg uitgeeft op de werkelijkheid.
En dit is net zo min een voorwoord tot een boek, als dat de gedichten het zouden markeren of er de razernijen van het lijden van opsommen.
Dit is niets anders dan zo’n slecht verzwolgen blok ijs.

Antonin Artaud – uit L’ Ombilic des Limbes (1925) [ARTAUD 1956, p.49]
vert. NKdeE 2020 1ik heb bij het vertalen gebruik gemaakt van de bestaande vertaling door Hans van Pinxteren [PINXTEREN 1981] en DeepL vertaalsoftware] CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:
https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-lombilic-des-limbes/

Là où d’autres proposent des œuvres je ne prétends pas autre chose que de montrer mon esprit.
La vie est de brûler des questions.
Je ne conçois pas d’œuvre comme détachée de la vie.
Je n’aime pas la création détachée. Je ne conçois pas non plus l’esprit comme détaché de lui-même. Chacune de mes œuvres, chacun des plans de moi-même, chacune des floraisons glacières de mon âme intérieure bave sur moi.
Je me retrouve autant dans une lettre écrite pour expliquer le rétrécissement intime de mon être et le châtrage insensé de ma vie, que dans un essai extérieur à moi-même, et qui m’apparaît comme une grossesse indifférente de mon esprit.
Je souffre que l’Esprit ne soit pas dans la vie et que la vie ne soit pas l’Esprit, je souffre de l’Esprit-organe, de l’Esprit-traduction, ou de l’Esprit-intimidation-des-choses pour les faire entrer dans l’Esprit.
Ce livre je le mets en suspension dans la vie, je veux qu’il soit mordu par les choses extérieures, et d’abord par tous les soubresauts en cisaille, toutes les cillations de mon moi à venir.
Toutes ces pages traînent comme des glaçons dans l’esprit. Qu’on excuse ma liberté absolue. Je me refuse à faire de différence entre aucune des minutes de moi-même. Je ne reconnais pas dans l’esprit de plan.
Il faut en finir avec l’Esprit comme avec la littérature. Je dis que l’Esprit et la vie communiquent à tous les degrés. Je voudrais faire un Livre qui dérange les hommes, qui soit comme une porte ouverte et qui les mène où ils n’auraient jamais consenti à aller, une porte simplement abouchée avec la réalité.
Et ceci n’est pas plus une préface à un livre, que les poèmes par exemple qui le jalonnent ou le dénombrement de toutes les rages du mal-être.
Ceci n’est qu’un glaçon aussi mal avalé.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Noten   [ + ]

1. ik heb bij het vertalen gebruik gemaakt van de bestaande vertaling door Hans van Pinxteren [PINXTEREN 1981] en DeepL vertaalsoftware]
Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #151

151 – toutes les étoiles de la folie – CHOSE

Het venster van de liefde (slot)

lees eerst het eerste stuk het tweede

Hij was groter dan alle anderen. En er was ook een klein mannetje en dat was ik.

– Maar merk op : u droomt niet, zei Gérard de Nerval tegen mij, en hier is trouwens kanunnik Lewis die er alles van weet: Lewis, zou je het tegendeel durven beweren?
– Neen, bij alle bebaarde geslachten.

Ze zijn dom, dacht ik, het is de moeite niet waard om als een groot auteur bekend te staan.

– Zie je, vertelde mij Gérard de Nerval, dit alles heeft een verband. Je maakt er salade van, je eet het in olie, je schilt het zonder aarzelen, die meid is mijn vrouw.

Hij kent zelfs niet het gewicht van de woorden, dacht ik.

De prijs, sorry, de prijs van de woorden, fluisterde mijn brein, dat het ook kende.
-Zwijg, brein van mij, beval ik het, jij bent nog niet gevensterd genoeg.

Hoffmann zegt me:
– LATEN WE TER ZAKE KOMEN.
En ik :
– Ik weet niet hoe ik met haar tot een gesprek kan komen, ik durf niet.
– Maar je hoeft niet eens te durven, antwoordde Lewis. Je komt er OVERDWARS toe.

– Overdwars, maar dwars waarop?” antwoordde ik. Want op dit moment is zij het die dwars door mij gaat.

Maar omdat ze je vertellen dat de liefde schuin is, dat het leven schuin is, dat de gedachte schuin is, en dat alles schuin is. JE KRIJGT HET ALS JE ER NIET AAN DENKT.
Luister eens., daar boven. Hoor je de samenzwering daar niet van de bruggen der weekheid, de bijeenkomst van een hoop onzegbare plasticiteit?

Ik kon mijn voorhoofd voelen knallen.

Uiteindelijk begreep ik dat het haar borsten waren, en ik begreep dat ze samenkwamen, en ik begreep dat al deze verzuchtingen uit de borst van mijn dienstmeisje werden uitgeademd. Ik begreep ook dat ze op de vloer boven mij lag om dichter bij mij te kunnen zijn.

De regen bleef vallen.
Er klonken liedjes in de straat van een vreselijke stupiditeit:

Wat is het goed bij haar te zijn
en vogelmuur te slikken (bis)
Want wij zijn vogels (m. mv.)
Want wij zijn vogels (v. mv.)
Wat is het goed bij haar te zijn
Van Columbella op 't balkon
Al haar okselwater in een kom
Is het moment niet waard
Dat zij aan het rillen gaat.

Stomme varkens, schreeuwde ik, terwijl ik opstond, jullie bezoedelen de geest van de liefde.

De straat was leeg. Alleen de maan ging door met haar watergefluister.

Wat is de beste snuisterij, wat is het mooiste juweel, wat is de meest pittige amandel?

Bij dat visioen glimlach ik. Zie je wel, het is niet de duivel, zegt ze mij.

Neen, het was de duivel niet, mijn kleine meid was in mijn armen.

– ’t is al zolang, al zolang, zegt ze mij, dat ik naar jou verlang.

En dat was de brug van de grote nacht. De maan kwam op in de lucht, Hoffmann ging naar beneden in zijn kelder, alle klanten gingen terug naar hun restaurant, er was alleen nog maar liefde: Héloise met de mantel, Abélard met de tiara, Cleopatra met haar aspic, alle tongen van de schaduw, alle sterren van de waan.

Het was liefde als de zee, als de zonde, als leven, als dood.

Liefde onder de bogen, liefde aan het zwembad, liefde in bed, liefde als klimop, liefde als springtij.
Liefde zo groot als de sprookjes, liefde als een schilderij, liefde als alles wat er is.
En dit alles in zo’n kleine vrouw, in zo’n mummiehart, in zo’n beperkt denken, maar het mijne dacht voor twee.

In de diepte van een peilloze dronkenschap wordt de duizelende schilder soms gegrepen door een plotse wanhoop. Maar de nacht was mooier dan wat dan ook. Alle studenten keerden terug naar hun kamers, de schilder naar zijn cipressen. Een licht van het einde der tijden viel geleidelijk aan over geheel mijn denken.

Al snel was er niets anders meer dan een enorme berg van ijs waaraan een bos blonde haren bengelden.

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.151 -156]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Il était plus grand que tout. Il y avait aussi un petit homme qui était moi.

— Mais notez bien que vous ne rêvez pas, me disait Gérard de Nerval, voici d’ailleurs le chanoine Lewis qui s’y connaît : Lewis, oseriez-vous soutenir le contraire ?

— Non, par tous les sexes barbus.

Ils sont stupides, pensai-je, ce n’est pas la peine d’être considérés comme de grands auteurs.

— Donc, me disait Gérard de Nerval, tout ceci, vois-tu, a un lien. Tu la mets en salade, tu la manges à l’huile, tu la décortiques sans hésiter, la boniche est ma femme.

Il ne connaît même pas le poids des mots, pensai-je.

— Pardon, le prix, le prix des mots, me souffla ma cervelle, qui, elle aussi, s’y connaissait.

— Tais-toi, ma cervelle, lui dis-je, tu n’es pas encore assez vitrifiée.

Hoffmann me dit :

— VENONS-EN AU FAIT.

Et moi :

— Je ne sais pas comment m’aboucher avec elle, je n’ose pas.

— Mais tu n’as même pas à oser, rétorqua Lewis. Tu l’obtiendras TRANSVERSALEMENT.

— Transversalement, mais à quoi ? répliquai-je. Car pour l’instant c’est elle qui me traverse.

Mais puisqu’on te dit que l’amour est oblique, que la vie est oblique, que la pensée est oblique, et que tout est oblique. TU L’AURAS QUAND TU N’Y PENSERAS PAS.

Écoute là-haut. N’entends-tu pas la collusion de ces ponts de mollesse, la rencontre de cet amas d’ineffable plasticité ?

Je sentais mon front éclater.

À la fin je compris qu’il s’agissait de ses seins, et je compris qu’ils se rejoignaient, et je compris que tous ces soupirs s’exhalaient du sein même de ma boniche. Je compris aussi qu’elle s’était couchée sur le plancher du dessus pour être plus près de moi.

La pluie continua à couler.

Il y eut dans la rue des chants d’une stupidité affreuse :

Chez ma belle qu’il fait bon
Avaler du mouron (bis)
Car nous sommes oiseaux
Car nous sommes oiselles
Chez ma belle qu’il fait bon
Colombelle à son balcon
Toute l’eau de ses aisselles
Ne vaut pas la mirabelle
De ses amoureux frissons.

Cochons stupides, hurlai-je, en me levant, vous salissez l’esprit même de l’amour.

La rue était vide. Il n’y avait que la lune qui continuait ses murmures d’eau.

Quelle est la meilleure breloque, quel est le bijou le plus beau, quelle est l’amande la plus fondante ?

À cette vision je souris. Ce n’est pas le diable, tu vois bien, me dit-elle !

Eh non, ce n’était pas le diable, ma petite boniche était dans mes bras.

— Depuis si longtemps, depuis si longtemps, me dit-elle, je te désirais.

Et ce fut le pont de la grande nuit. La lune remonta dans le ciel, Hoffmann se terra dans sa cave, tous les restaurateurs recouvrèrent leur place, il n’y eut plus que l’amour : Héloïse au manteau, Abélard à la tiare, Cléopâtre à l’aspic, toutes les langues de l’ombre, toutes les étoiles de la folie.

Ce fut l’amour comme une mer, comme le péché, comme la vie, comme la mort.

L’amour sous les arcades, l’amour au bassin, l’amour dans un lit, l’amour comme le lierre, l’amour comme un mascaret.

L’amour aussi grand que les contes, l’amour comme la peinture, l’amour comme tout ce qui est.

Et tout cela dans une aussi petite femme, dans un cœur si momifié, dans une pensée si restreinte, mais la mienne pensait pour deux.

Du fond d’une ivresse insondable, un peintre pris de vertige tout à coup se désespérait. Mais la nuit était plus belle que tout. Tous les étudiants regagnèrent leur chambre, le peintre recouvra ses cyprès. Une lumière de fin du monde remplit peu à peu ma pensée.

Il n’y eut bientôt plus qu’une immense montagne de glace sur laquelle une chevelure blonde pendait.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

Journal intime #150

Het venster van de liefde (2)

lees eerst het begin van deze tekst

Wij, op oudejaarsavond. Het onweer was aan het donderen, de bliksem deed het, de regen kwam op gang, de dromencocons blèrden, de kikkers kwaakten in alle vijvers, kortom, de nacht deed zijn werk.

Nu moest ik een manier vinden om in het reine te komen met de werkelijkheid… In het reine te komen met de duistere resonantie der dingen was onvoldoende, bijvoorbeeld om vulkanen te horen spreken, of om het voorwerp van mijn liefde te kleden met alle charmes van een geanticipeerd overspel, bijvoorbeeld, of met alle rotzooi, alle verschrikkingen, scatologieën, misdaden, misleidingen die verbonden zijn met het idee van de liefde; ik moest eenvoudigweg een manier vinden om haar direct te bereiken, dat wil zeggen om voor alles met haar te praten.

Plots ging het raam open. In een hoek van mijn kamer zag ik een enorm damesspel waarop de weerschijn van een veelheid aan onzichtbare lampen neerviel. Lichaamsloze hoofden maakten rondes, botsten tegen elkaar aan en vielen als pinnen. Er was een immens houten paard, een koningin onder de morfine, een toren van liefde, een eeuw die nog komen moest. De handen van Hoffmann’s duwde de pionnen voort, en elke pion zei: ZOEK HAAR DAAR NIET. En in de lucht zag je gevleugelde engelen met vernikkelde voeten. Dus ik hield op met uit het raam staren en te hopen mijn geliefde dienstmeid te zien…

Toen voelde ik voeten die de kristallen der planeten hadden verbrijzeld, precies in de kamer boven mij. Vurige zuchten doorboorden de vloer, en ik hoorde iets lieflijks verpletterd worden.

Op dat moment begonnen alle borden van de aarde te tuimelen en gingen de klanten van alle restaurants ter wereld op jacht naar Hoffmanns kleine dienstmeid; en we zagen de meid lopen als een verdomde vrouw, en toen passeerde Pierre Mac Orlan, de absurde laarzenventer met een kruiwagen langs de weg. Na hem kwam Hoffmann met een paraplu, toen Achim d’ Arnim, en Lewis overdwars. Ten slotte ging de aarde open en verscheen Gerard de Nerval.

Lees verder…

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.151 -156]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Or nous étions à la nuit de la Saint-Sylvestre. Le tonnerre tonnait, les éclairs marchaient, la pluie faisait son chemin, les cocons des rêves bêlaient, les grenouilles de tous les étangs coassaient, bref, la nuit faisait son métier.

Il me fallait maintenant trouver un moyen de m’aboucher avec la réalité… Ce n’était pas assez que d’être abouché avec la résonance obscure des choses, et d’entendre par exemple les volcans parler, et de revêtir l’objet de mes amours de tous les charmes d’un adultère anticipé par exemple, ou de toutes les horreurs, ordures, scatologies, crimes, tromperies qui s’attachent à l’idée de l’amour ; il me fallait trouver simple-ment le moyen de l’atteindre directement, c’est-à-dire, et avant tout, de lui parler.

Tout d’un coup la fenêtre s’ouvrit. Je vis dans un coin de ma chambre un immense jeu de dames sur lequel tombaient les reflets d’une multitude de lampes invisibles. Des têtes sans corps faisaient des rondes, se heurtaient, tombaient comme des quilles. Il y avait un immense cheval de bois, une reine en morphine, une tour d’amour, un siècle à venir. Les mains d’Hoffmann poussaient les pions, et chaque pion di-sait : NE LA CHERCHE PAS LÀ. Et dans le ciel on voyait des anges avec des ailes en pieds nickelés. Je cessai donc de re-garder à la fenêtre et d’espérer voir ma boniche chérie.

Alors je sentis des pieds qui finissaient d’écraser les cristaux des planètes, juste dans la chambre au-dessus. Des soupirs ardents perçaient le plancher, et j’entendis l’écrasement d’une chose suave.

À ce moment toutes les assiettes de la terre se mirent à dégringoler et les clients de tous les restaurants du monde partirent à la poursuite de la petite bonne d’Hoffmann ; et on vit la bonne qui courait comme une damnée, puis Pierre Mac Orlan, le ressemeleur de bottines absurdes, passa, poussant une brouette sur le chemin. À sa suite venait Hoffmann avec un parapluie, puis Achim d’Arnim, puis Lewis qui marchait transversalement. Enfin la terre s’ouvrit, et Gérard de Nerval apparut.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #149

149 – un ciel d’amoureux suicide – ZAADPLANT

Het venster van de liefde (1)

Ik wou haar laten glinsteren met bloemen, met kleine vulkanen die aan de oksels haakten, en vooral die bittere amandellava die in het midden van haar gespannen lichaam zat.

Er was ook een wenkbrauwengalerij waar de hele hemel onderdoor ging, een ware lucht van verkrachting, van ontvoering, lava, storm, van woede, kortom, een absoluut theologische hemel. Een hemel als een gespannen boog, als de trompet van de afgrond, als een gifbeker gedronken in een droom, een hemel die in alle flesjes van de dood zit, de hemel van Héloise bovenop Abélard, een hemel van suïcidale geliefden, een hemel die alle razernij van de liefde had.

Het was een hemel van protesterende zonde, een zonde gevangen in de biechtstoel, het soort zonde dat het geweten van de priesters belast, een ware theologale zonde.

En ik hield van haar.

Ze was dienstmeisje in een taverne van Hoffmann, maar een sjofele, slecht gewassen, korzelige meid. Ze gaf de borden aan, maakte de bedden leeg, de kamers schoon, schudde de hemelbedden op en kleedde zich uit voor haar dakraam, zoals alle dienstmeisjes in alle verhalen van Hoffmann.

Ik sliep in een armzalig bed waarvan de matras zich elke nacht opstak, zich opkrulde tegen de opmars der ratten die de afvoer van slechte dromen verslonden, en die zich bij zonsopgang weer uitvlakte. Mijn lakens roken naar tabak en het lijkenhuis, en de heerlijke, misselijkmakende geur die onze lichamen bedekten wanneer we die poogden te ruiken. Kortom, het waren echt de lakens van verliefde studenten.

Ik blokte op een dikke, drammerige thesis over de aborteringen van de humane geest op de verduurde drempels van de ziel die een mensenbrein niet kan bereiken.

Maar het idee van de meid hield mij meer bezig dan alle spookbeelden van het buitenmatige nominalisme der dingen.

Ik kon haar zien aan de hemel, door de gebarsten ramen van mijn kamer, langs haar eigen wenkbrauwen, in de ogen van al mijn vroegere minnaressen en in het gele haar van mijn moeder.

Lees verder…

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.151 -156]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

LA VITRE D’AMOUR

Je la voulais miroitante de fleurs, avec de petits volcans accrochés aux aisselles, et spécialement cette lave en amande amère et qui était au centre de son corps dressé.

Il y avait aussi une arcade de sourcils sous lesquels tout le ciel passait, un vrai ciel de viol, de rapt, de lave, d’orage, de rage, bref, un ciel absolument théologal. Un ciel comme une arche dressée, comme la trompette des abîmes, comme de la ciguë bue en rêve, un ciel contenu dans toutes les fioles de la mort, le ciel d’Héloïse au-dessus d’Abélard, un ciel d’amoureux suicide, un ciel qui possédait toutes les rages de l’amour.

C’était un ciel de péché protestataire, un péché retenu au confessionnal, de ces péchés qui chargent la conscience des prêtres, un vrai péché théologal.

Et je l’aimais.

Elle était bonne, dans une taverne d’Hoffmann, mais une miteuse crapuleuse boniche, une boniche crapuleuse et mal lavée. Elle passait les plats, vidait les lieux, faisait les lits, balayait les chambres, secouait les ciels de lit et se déshabillait devant sa lucarne, comme toutes les bonnes de tous les contes d’Hoffmann.

Je couchais à l’époque dans un lit piteux dont le matelas se dressait toutes les nuits, se recroquevillait devant cette avance de rats que dégorgent les reflux des mauvais rêves, et qui s’aplanissait au soleil levant. Mes draps sentaient le tabac et la morgue, et cette odeur nauséeuse et délicieuse que revêtent nos corps quand nous nous appliquons à les sentir. Bref, c’étaient de vrais draps d’étudiants amoureux.

Je piochais une thèse épaisse, ânonnante, sur les avortements de l’esprit humain à ces seuils épuisés de l’âme jusqu’où l’esprit de l’homme n’atteint pas.

Mais l’idée de la boniche me travaillait beaucoup plus que tous les phantasmes du nominalisme excessif des choses.

Je la voyais à travers le ciel, à travers les vitres fendues de ma chambre, à travers ses propres sourcils, à travers les yeux de toutes mes anciennes maîtresses, et à travers les cheveux jaunes de ma mère.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #148

148 – la zébrure d’un éclair – BOEKJAAR

De Persoonlijke Automaat (slot)

begin bij  het eerste stuk van deze tekst

Dit schilderij is als een ruwe wereld, een naakte wereld, vol vezels en riemen, waar de irriterende kracht van een vuur het innerlijke firmament verscheurt, een verscheuren van de intelligentie, waar de expansie van de oorspronkelijke krachten, waar staten die niet kunnen worden genoemd in hun zuiverste, hun minst verdachte uitdrukking verschijnen van echte legeringen.

Het is het solferachtige leven van het bewustzijn dat aan het licht komt met zijn lichtpunten en sterren, zijn dichtheden, zijn firmament,

met de levendigheid van puur verlangen,
met zijn oproep tot een voortdurende dood nabij het herrijzenismembraan.

Het lichaam van de vrouw is daar, in een obscene vertoning ervan; in een beendergestel van hout. Onbeweeglijk en gesloten hout. Hout van een geïrriteerd verlangen dat zijn ergernis bevriest in een chirurgische en droge naaktheid. Eerst de billen, en dan naar achteren toe het grote en massieve achterwerk dat er is als het achterstel van een beest, waar het hoofd niet meer belang heeft nog dan een vezel. Het hoofd is er als het idee van een hoofd, als de uitdrukking van een verwaarloosbaar en vergeten element.

En rechts en onderaan, op de achtergrond, bij de voorraad, als het uiterste punt van het teken van het kruis.

Moet ik de rest van het schilderij beschrijven?

Het lijkt me dat louter het verschijnen van dit lichaam het situeert. Op dit secce vlak, plat op het oppervlak, is er alle diepte van een ideaal perspectief dat alleen in gedachten bestaat. Er is, als een gelaatstrek, het striemen van een schicht die tot in de aarde zelf is doorgetrokken, en kaarten walsen er omheen.

Boven, onder, de Profetes, de Heks, als een soort engel, een zachtaardige draak, met haar figuur verdraaid. Alle slakken van de geest eten van haar abstracte gezicht op en keren zich om als een gevlochten touw.

Een veelvoud aan harten, een veelvoud aan klaveren, evenveel tekens, evenveel oproepen.

Heb ik een jas, heb ik een jurk?

Op een kerkernacht ontplooit een donkerte vol inkt zijn slecht gecementeerde muren.

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.145 -150]
vert. NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Cette peinture comme un monde à vif, un monde nu, plein de filaments et de lanières, où la force irritante d’un feu lacère le firmament intérieur, le déchirement de l’intelligence, où l’expansion des forces originelles, où les états qu’on ne peut pas nommer apparaissent dans leur expression la plus pure, la moins suspecte d’alliages réels.

C’est la vie soufrée de la conscience qui remonte au jour avec ses lumignons et ses étoiles, ses tanières, son firmament,

avec la vivacité d’un pur désir,

avec son appel à une mort constante avoisinant la membrane de la résurrection.

Le corps de la femme est là, dans son étalage obscène ; dans son ossature de bois. Bois immuable et fermé. Bois d’un désir irrité et que son exaspération même congèle dans sa chirurgicale et sèche nudité. Les fesses d’abord, et vers l’arrière tout le grand et massif fessier qui est là comme l’arrière-train d’une bête, où la tête n’a plus que l’importance d’un fil. La tête est là comme une idée de tête, comme l’expression d’un élément négligeable et oublié.

Et à droite et en bas, dans les arrière-fonds, dans les réserves, comme la pointe extrême du signe de la croix.

Décrirais-je le reste de la toile ?

Il me semble que la simple apparition de ce corps le situe. Sur ce plan sec, à fleur de surface, il y a toute la profondeur d’une perspective idéale et qui n’existe que dans la pensée. On y retrouve, comme un linéament, la zébrure d’un éclair taillé à même la terre, et des cartes valsent autour de là.

En haut, en bas, la Pythonisse, la Sorcière, comme une sorte d’ange, de douce dragonne, avec sa figure contournée. Tous les colimaçons de l’esprit mangent sa face abstraite et se retournent comme une corde tressée.

En haut, en bas. En haut avec sa figure de momie creuse. En bas avec sa masse, sa taille massive et bien tracée. Elle est là comme une muraille de nuit compacte, attirant, déployant la flamme des cartes soufrées.

Une multitude de cœurs, une multitude de trèfles, comme autant de signes, comme autant d’appels.

Ai-je un manteau, ai-je une robe ?

Une nuit de basse-fosse, une obscurité pleine d’encre déploie ses murailles mal cimentées.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #147

De Persoonlijke Automaat (vervolg)

lees eerst het eerste stuk van deze tekst

Een fluisterwind beroert al deze verloren larven die de nacht in zijn glinsterbeelden zamelt. We voelen er een verbrijzeling van sluizen, een soort vreselijke vulkaanschok waaraan het daglicht is ontkoppeld. En uit deze schok, en uit deze verscheuring van twee principes, ontstaan alle krachtige beelden, in een stuwkracht die heviger is dan een vloedgolf.

Zit er zoveel in dit schilderij?

Dit heeft de kracht van een vaste droom, zo hard als de schelp van een insect en vol met poten die alle richtingen van de hemel uit draaien.

En als in reliëf op de stuiptrekking van het ondiepe, op die alliantie van het energetische licht met alle metalen van de nacht, als het ikoon zelve van de erotiek der duisternis, staat daar het volumineuze en obscene silhouet van de Persoonlijke Automaat.

Een hele hoop en een grote scheet.

Hij is opgehangen aan draden waarvan alleen de contacten klaar zijn, en het is de pulsatie van de atmosfeer die de rest van het lichaam bezielt. Hij oogst de nacht om hem heen als een weide, als een plantage van zwarte twijgen.

Hier is de tegenstelling het geheim, die is als de voortgang van een scalpel.
Die is opgehangen aan de draad van het scheermes, in het domein tegengesteld aan de zielen.

Maar laat ons het blad omdraaien.

Een verdieping hoger is er het hoofd. Met een groene explosie van mijngas, als een kolossale lucifer, die de lucht sabelt en scheurt op de plaats waar het hoofd niet is.

Ik vind mijzelf weer precies zoals ik mij zie in de spiegels van de wereld, als gelijkend op een huis of een tafel, omdat de gelijkenis altijd elders is.

Als we achter de muur konden komen, wat een verscheuring zouden we zien, wat een rotzooi van aderen. Een stapel lege kadavers.

En het geheel, verheven als een garnalenschotel.

Ziehier tot welk een lijnvoering al die geest ons heeft gebracht.

De foute bel gaat over, overigens, want met welk oog bekijk ik niet het geslacht, waarvan de appetijt mij niet ontvallen is.

Na zoveel afleidingen en mislukkingen, na al die uitgestalde lijken, na de waarschuwingen van de zwarte klavers, na de peilingen van de heksen, na die kreet uit de mond in de bodemloze val, na het mij bezeren aan de muren, na de wervelwind van sterren, het geklooi van wortels en haren, walg ik er nog niet genoeg van dat heel de ervaring mij afstoot.

De muur doorspekt van ervaring doet niets af aan mijn essentiële voorliefde.

Tegen de schreeuw van revoluties en stormen, bij deze verplettering van mijn brein, in deze afgrond van verlangens en vragen, ondanks al die problemen, die angsten, hou ik in de meest kostbare uithoek van mijn hoofd deze obsessie met het geslacht levend die mij versteent en mij het bloed eruit sleurt.

Mijn bloed mag van ijzer en glibberig zijn, vol van moerassen, ik mag met plagen geslagen worden

Moge mijn bloed ijzer en glibberig zijn, mijn bloed vol moerassen, moge ik geslagen worden met plagen, met ontberingen, gecontamineerd, bestormd door desintegratie en verschrikkingen, zolang het zachte armatuur van het ijzeren geslacht maar blijft bestaan. Ik bouw het op uit ijzer, ik vul het met honing, en het is altijd hetzelfde geslacht pal op de dorre heuveltop. Het is het geslacht waar de stortregens samenkomen, waar de dorst in wegzinkt.

Vol van woede, en zonder sereniteit of vergeving, worden mijn stortvloeden groter en groter en zij verzinken, en ik voeg er bedreigingen aan toe, en de verduringen van de sterren en het firmament.

Lees het slot
van deze tekst

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.145 -150]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Un vent murmurant agite toutes ces larves perdues et que la nuit ramasse en de miroitantes images. On y sent un broiement d’écluses, une sorte d’horrible choc volcanique où s’est dissociée la lumière du jour. Et de ce heurt, et de ce déchirement de deux principes naissent toutes les images en puissance, dans une poussée plus vive qu’une lame de fond.

Y a-t-il tant de choses dans cette toile ?

Il y a la force d’un rêve fixé, aussi dur qu’une carapace d’insecte et plein de pattes dardées dans tous les sens du ciel.

Et en relief sur cette convulsion des bas-fonds, sur cette alliance de la lumière énergique avec tous les métaux de la nuit, comme l’image même de cet érotisme des ténèbres, se dresse la volumineuse et obscène silhouette de l’Automate Personnel.

Un grand tas et un grand pet.

Il est suspendu à des fils dont seules les attaches sont prêtes, et c’est la pulsation de l’atmosphère qui anime le reste du corps. Il ramasse autour de lui la nuit comme un herbage, comme une plantation de rameaux noirs.

Ici l’opposition est secrète, elle est comme la suite d’un scalpel. Elle est suspendue au fil du rasoir, dans le domaine inverse des âmes.

Mais tournons la page.

Un étage plus haut est la tête. Et une verte explosion de grisou, comme d’une allumette colossale, sabre et déchire l’air à cette place où la tête n’est pas.

Je m’y retrouve tel exactement que je me vois dans les miroirs du monde, et d’une ressemblance de maison ou de table, puisque toute la ressemblance est ailleurs.

Si l’on pouvait passer derrière le mur, quel déchirement on verrait, quel massacre de veines. Un amoncellement de cadavres vidés.

Et le tout, haut comme un plat de crevettes.

Voilà à quel linéament a pu aboutir tant d’esprit.

Mauvais son de cloche d’ailleurs, car de quel œil enfin je considère le sexe, dont mon appétit n’est pas mort.

Après tant de déductions et d’échecs, après tous ces cadavres dépiautés, après les avertissements des trèfles noirs, après les étendards des sorcières, après ce cri d’une bouche dans la chute sans fond, après m’être heurté à des murailles, après ce tourbillon d’astres, cet emmêlement de racines et de cheveux, je ne suis pas assez dégoûté que toute cette expérience me sèvre.

La muraille à pic de l’expérience ne me détourne pas de mon essentielle délectation.

Au fond du cri des révolutions et des orages, au fond de ce broiement de ma cervelle, dans cet abîme de désirs et de questions, malgré tant de problèmes, tant de peurs, je conserve dans le coin le plus précieux de ma tête cette préoccupation du sexe qui me pétrifie et m’arrache le sang.

Que j’aie le sang en fer et glissant, le sang plein de marécages, que je sois giflé de pestes, de renoncements, contaminé, assailli de désagrégations et d’horreurs, pourvu que persiste la douce armature d’un sexe de fer. Je le bâtis en fer, je l’emplis de miel, et c’est toujours le même sexe au milieu de l’âcre vallonnement. C’est le sexe où convergent les torrents, où s’enfoncent les soifs.

Pleins de rages, et sans sérénité ni pardon, mes torrents se font de plus en plus volumineux et s’enfoncent, et j’ajoute en plus des menaces, et des duretés d’astres et de firmaments.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #146

De Persoonlijke Automaat (1)

voor Jean de Bosschère

Hij zegt mij te zien met een grote obsessie voor het geslacht. Maar van een geslacht dat gespannen is en geblazen wordt als een object. Een voorwerp van metaal en kokende lava, vol met wortels, twijgen genomen door de lucht.

De opmerkelijke rust van een geslacht gevuld door zoveel roest. Al die ijzers die in elke zin lucht verzamelen.

En, bovenop een vurige opstoot, een dun, knoestig gras dat wortel schiet in deze schrale grond. En het groeit met de zwaartekracht van mieren, een mierenachtig gebladerte dat steeds dieper in de grond graaft. Het groeit en het graaft in dit gebladerte zo ondraaglijk zwart, en terwijl het graaft lijkt het alsof de grond wegtrekt, dat het ideale middelpunt van alles zich verzamelt rond een steeds dunner wordend punt.

Maar al dat beven in een lichaam met al zijn organen, de benen, de armen die spelen met hun automatisch ageren, en daaromheen de rotondes van het kruis dat het goed gefixeerde geslacht omringt. Naar deze organen waarvan de seksualiteit toeneemt, waarin de eeuwige seksualiteit het haalt, wordt een hele reeks pijlen van buitenaf op het schilderij gericht.Net als in de vertakkingen van mijn geest is er die barrière van een lichaam, van een geslacht dat er is, als een gescheurde bladzijde, als een ontwortelde brok vlees, als de opening van een klaarte, van bliksem op de gladde wanden van het firmament.

Maar elders is er dan deze vrouw van achteren gezien, een goede vertegenwoordiging van het conventionele silhouet van de heks.

Maar haar gewicht ligt buiten de conventies en formules. Zij ontplooit zich als een soort wilde vogel in de duisternis die ze om zich heen verzamelt, en waarvan ze een soort dikke vacht maakt.

Het rimpelen van de mantel is zo’n sterk teken dat de eenvoudige beroering ervan genoeg is om de heks en de nacht waarin ze zich ontvouwt, aan te duiden. De nacht toont zich in reliëf en in de diepte, en juist in het perspectief dat uitgaat van het oog, wordt een prachtig kaartspel verspreid dat als het ware boven het water zweeft. Het licht van de diepten klampt zich vast aan de hoek van de kaarten. En een abnormale overvloed aan klavers vlot er op als de vleugels van zwarte insecten.

De oppervlakten zijn niet vast genoeg om elk idee van vallen te beletten. Ze zijn als het eerste trapje van een ideale val, waarvan het schilderij zelf de bodem verborgen houdt.

Er is een draaikolk waarvan de draaiing nauwelijks aan de duisternis kan ontsnappen, een venijnige afdaling die in een soort nacht wordt opgenomen.

En als om deze draaikolk, deze ronddraaiende honger in zijn volle betekenis te laten gelden, is hier een mond die zich uitstrekt en zich opent, die zich lijkt te richten op het bereiken van de vier horizonten. Een mond als een levenszegel om de duisternis en de val aan te bevelen, om een stralend cachet te geven aan het vertigo dat alles naar beneden afvoert.

De opmars van de krioelende nacht met zijn gevolg van riolen. Dat is waar dit schilderij is geplaatst, op het punt van de uitstoot der afvoeren.

lees het vervolg …

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.145 -150]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

L’AUTOMATE PERSONNEL

à Jean de Bosschère.

Il dit me voir dans une grande préoccupation du sexe. Mais d’un sexe tendu et soufflé comme un objet. Un objet de métal et de lave bouillante, plein de radicelles, de rameaux que l’air prend.

L’étonnante tranquillité du sexe que tant de ferrailles remplissent. Tous ces fers qui ramassent l’air en tous sens.

Et au-dessus une ardente poussée, un herbage noueux et mince qui prend racine en cet âcre terreau. Et il pousse avec une gravité de fourmi, une frondaison de fourmilière qui creuse toujours plus avant dans le sol. Il pousse et il creuse ce feuillage si atrocement noir, et à mesure qu’il creuse on dirait que le sol s’éloigne, que le centre idéal de tout se ramasse autour d’un point de plus en plus mince.

Mais tout ce tremblement dans un corps étalé avec tous ses organes, les jambes, les bras jouant avec leur agencement d’automate, et à l’entour les rotondités de la croupe qui cerne le sexe bien fixé. Vers ces organes dont la sexualité s’accroît, sur lesquels la sexualité éternelle gagne, se dirige une volée de flèches lancées d’en dehors du tableau. Comme dans les ramages de mon esprit, il y a cette barrière d’un corps et d’un sexe qui est là, comme une page arrachée, comme un lambeau déraciné de chair, comme l’ouverture d’un éclair et de la foudre sur les parois lisses du firmament.

Mais ailleurs il y a cette femme vue de dos qui représente assez bien la silhouette conventionnelle de la sorcière.

Mais son poids est en dehors des conventions et des formules. Elle se déploie comme une sorte d’oiseau sauvage dans des ténèbres qu’elle ramasse autour d’elle, et dont elle se fait une sorte d’épais manteau.

L’ondoiement même du manteau est un signe si fort que sa simple palpitation suffit à signifier la sorcière et la nuit où elle se déploie. Cette nuit est en relief et en profondeur, et sur la perspective même qui part de l’œil, s’éparpille un merveilleux jeu de cartes qui est comme en suspension sur une eau. La lumière des profondeurs accroche le coin des cartes. Et des trèfles en profusion anormale flottent comme des ailes d’insectes noirs.

Les bas-fonds ne sont pas assez fixes qu’ils interdisent toute idée de chute. Ils sont comme le premier palier d’une chute idéale dont le tableau lui-même dissimule le fond.

Il y a un vertige dont le tournoiement a peine à se dégager des ténèbres, une descente vorace qui s’absorbe dans une sorte de nuit.

Et comme pour donner tout son sens à ce vertige, à cette faim tournante, voici qu’une bouche s’étend, et s’entr’ouvre, qui semble avoir pour but de rejoindre les quatre horizons. Une bouche comme un cachet de vie pour apostiller les ténèbres et la chute, donner une issue rayonnante au vertige qui draine tout vers le bas.

L’avancée de la nuit fourmillante avec son cortège d’égouts. Voilà à quel endroit cette peinture se place, au point d’effusion des égouts.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #145

145 – la Ville aux murailles bardées – JENEVERBESSEN

Het aambeeld der krachten (2)

lees eerst het eerste stuk

Maar achter dit visioen van het absolute, achter dit systeem van planten, sterren, tot op het bot afgesneden terreinen, achter dit vurige vlokken van kiemen, deze onderzoeksgeometrie, dit wentelsysteem van pieken, achter dit ploegijzer dat in de geest is geplant en deze geest die zijn vezels afgeeft, haar sedimenten ontdekt, achter deze hand van de mens die uiteindelijk zijn harde duim afdrukt en zijn betasten tekent, achter deze mengeling van manipulatie en hersens, en deze putten in alle zintuigen van de ziel, deze grotten in de werkelijkheid,

staat de Stad met zijn getraliede muren, de immens hoge Stad, die net niet te veel van de hele hemel heeft om er een plafond van te maken waar planten in tegengestelde richting groeien en met de snelheid van de vergooide sterren.

Een stad van grotten en muren die boven de absolute afgrond haar volle bogen en kelders uitsteekt als bruggen.

In de holte van de bogen, in de boog van de bruggen wil je de holte van een bovenmatig grote schouder invoegen, een schouder waaruit het bloed wijkt. Om je lichaam te laten rusten, om je hoofd te plaatsen waar de dromen krioelen, op de boord van deze reusachtige kroonlijsten waarboven het firmament zich verheft.

Want een Bijbelse hemel is er met witte wolken overheen. Maar de zachte dreiging van die wolken. Maar de stormen. En die Sinaï waarvan ze de vlammen doorlaten. Maar de gedragen schaduw van de aarde, en het gedempte, kalkachtige licht. Maar die schaduw in de vorm van een geit eindelijk, en die bok! En de Sabbat der Constellaties.

Een schreeuw om het allemaal te vatten en een taal1 overal waar Artaud ‘langue’ schrijft dien je zowel ‘taal’ als ‘tong’ te lezen, denk ik, het is één betekenaar die altijd dubbel gebeurt, de splijtzwam van zijn Frans, zijn ‘moelle’ (mots d’elle, moedertaal in zijn mouwa -‘moi’), het vrouwelijke merg in zijn botten dat zwanger is van de haven, de zee en van de taaltijd die historisch voortschrijd doorheen de lichamen om mij aan op te hangen.

Al deze getijden beginnen bij mij.

Toon mij de insteek van de aarde, het scharnier van mijn geest, het vreselijke begin van mijn nagels. Een blok, een groot vals blok scheidt mij van mijn leugens. En dat blok is van eender welke kleur die men wil.

De wereld kwijlt daar als de zee op de rotsen, en ik met de getijden van de liefde.

Honden, zijn jullie klaar met het rollen van die kiezelstenen op mijn ziel? Ik. Ik. Draai de bladzijde om van het gruis. Ook ik hoop op het hemelse grind en het strand dat zonder randen is. Dit vuur moet met mij beginnen. Dat vuur en die tongen, en de grotten van mijn dracht. Moge de blokken ijs terugkomen en stranden onder mijn tanden. Ik heb een dikke schedel, maar mijn ziel is glad, mijn hart van gestrande materie. Ik heb geen meteoren, mij is afwezigheid van vlammende balgen. Ik zoek in mijn slokdarm naar namen, en als van de dingen de trillende wimper. De geur van het niets, een zweem van het absurde, de mest van geheel de dood… Het lichte en verdunde lichaamsvocht. Ik ook wacht gewoon op de wind. Of het nu liefde of ellende heet, het kan bij mij slechts aarden op een strand van botten.

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.141 -144]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Mais derrière cette vision d’absolu, ce système de plantes, d’étoiles, de terrains tranchés jusqu’à l’os, derrière cette ardente floculation de germes, cette géométrie de recherches, ce système giratoire de sommets, derrière ce soc planté dans l’esprit et cet esprit qui dégage ses fibres, découvre ses sédiments, derrière cette main d’homme enfin qui imprime son pouce dur et dessine ses tâtonnements, derrière ce mélange de manipulations et de cervelle, et ces puits dans tous les sens de l’âme, et ces cavernes dans la réalité,

se dresse la Ville aux murailles bardées, la Ville immensément haute, et qui n’a pas trop de tout le ciel pour lui faire un plafond où des plantes poussent en sens inverse et avec une vitesse d’astres jetés.

Cette ville de cavernes et de murs qui projette sur l’abîme absolu des arches pleines et des caves comme des ponts.

Que l’on voudrait dans le creux de ces arches, dans l’arcature de ces ponts insérer le creux d’une épaule démesurément grande, d’une épaule où diverge le sang. Et placer son corps en repos et sa tête où fourmillent les rêves, sur le rebord de ces corniches géantes où s’étage le firmament.

Car un ciel de Bible est dessus où courent des nuages blancs. Mais les menaces douces de ces nuages. Mais les orages. Et ce Sinaï dont ils laissent percer les flammèches. Mais l’ombre portée de la terre, et l’éclairage assourdi et crayeux. Mais cette ombre en forme de chèvre enfin et ce bouc ! Et le Sabbat des Constellations.

Un cri pour ramasser tout cela et une langue pour m’y pendre.

Tous ces reflux commencent à moi.

Montrez-moi l’insertion de la terre, la charnière de mon esprit, le commencement affreux de mes ongles. Un bloc, un immense bloc faux me sépare de mon mensonge. Et ce bloc est de la couleur qu’on voudra.

Le monde y bave comme la mer rocheuse, et moi avec les reflux de l’amour.

Chiens, avez-vous fini de rouler vos galets sur mon âme. Moi. Moi. Tournez la page des gravats. Moi aussi j’espère le gravier céleste et la plage qui n’a plus de bords. Il faut que ce feu commence à moi. Ce feu et ces langues, et les cavernes de ma gestation. Que les blocs de glace reviennent s’échouer sous mes dents. J’ai le crâne épais, mais l’âme lisse, un cœur de matière échouée. J’ai absence de météores, absence de soufflets enflammés. Je cherche dans mon gosier des noms, et comme le cil vibratile des choses. L’odeur du néant, un relent d’absurde, le fumier de la mort entière… L’humour léger et raréfié. Moi aussi je n’attends que le vent. Qu’il s’appelle amour ou misère, il ne pourra guère m’échouer que sur une plage d’ossements.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Noten   [ + ]

1. overal waar Artaud ‘langue’ schrijft dien je zowel ‘taal’ als ‘tong’ te lezen, denk ik, het is één betekenaar die altijd dubbel gebeurt, de splijtzwam van zijn Frans, zijn ‘moelle’ (mots d’elle, moedertaal in zijn mouwa -‘moi’), het vrouwelijke merg in zijn botten dat zwanger is van de haven, de zee en van de taaltijd die historisch voortschrijd doorheen de lichamen
Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #144

144 – le centre blancs des convulsions – STUDIEHOOFD

Het aambeeld der krachten (1)

De vloed, de walging, deze riemen, hier is het dat het Vuur begint. Het vuur der tongen. Het vuur in een weefsel tongdraaiingen, in de weerschijn van de aarde die zich opent als een buik in barensnood, met ingewanden van honing en suiker. Met al zijn obscene wonden gaapt deze zachte buik, maar het vuur giert er overheen met vurige draaitongen die op hun puntje zuchten als van dorst. Dit verwrongen vuur als wolken in helder water, met het licht ernaast dat een regel trekt en wimpers tekent. En de aarde aan alle kanten open gehaald toont dorre geheimen. Geheimen zoals oppervlakken. De aarde en haar zenuwen, en haar prehistorische eenzaamheid, de aarde in haar primitieve geologie, waar delen van de wereld worden blootgelegd in een schaduw zo zwart als steenkool. – De aarde is moeder onder het ijs van het vuur. Zie het vuur in de Drie Stralen, met de bekroning van zijn manen waarin de ogen wemelen. Myriaden van duizendpotige ogen. Het brandend verkrampte centrum van dit vuur is als het splijtpunt van de donder aan de kim van het firmament. Het witte midden van de stuiptrekkingen. De absolute schittering in de schermutseling van de kracht. Het ontstellende punt van de kracht die uitbreekt in geheel blauw tumult.

De Drie Stralen vormen een waaier waarvan de takken steil naar beneden vallen en convergeren naar hetzelfde centrum. Dit centrum is een melkachtige schijf bedekt met een eclipsenspiraal.

De schaduw van de eclips vormt een muur op het zigzaggen van het hemelse hoge metselwerk.

Maar boven de hemel is er het Dubbelpaard 1‘Double-Cheval’ – geen mogelijke bron gevonden, ik dacht ff aan een verkleedkostuum zoals in het cirkus. De evocatie van het Paard baadt in het licht van de kracht, tegen de fond van een versleten muur en tot op de draad gekneld. De draad van zijn dubbele schof. En in hem is de eerste van de twee veel vreemder dan de andere. Hij is het die de schittering verzamelt waarvan de tweede alleen de zware schaduw is.

Lager nog dan de schaduw van de muur maken het hoofd en de borst van het paard een schaduw, alsof al het water in de wereld de opening van een put oplicht.

De open waaier domineert een piramide van toppen, een groots concert van pieken . Het idee van een woestijn zweeft over die toppen, en daarop vlot een in verval geraakte ster, gruwelijk, onbegrijpelijk opgehangen. Opgeschort zoals het goede in de mens, of het kwaad in de handel van mens tot mens, of de dood in het leven. Wentelkracht der sterren.

Wordt vervolgd…

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.141 -144]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

L’ENCLUME DES FORCES

Ce flux, cette nausée, ces lanières, c’est dans ceci que commence le Feu. Le feu de langues. Le feu tissé en torsades de langues, dans le miroitement de la terre qui s’ouvre comme un ventre en gésine, aux entrailles de miel et de sucre. De toute sa blessure obscène il bâille ce ventre mou, mais le feu bâille par-dessus en langues tordues et ardentes qui portent à leur pointe des soupiraux comme de la soif. Ce feu tordu comme des nuages dans l’eau limpide, avec à côté la lumière qui trace une règle et des cils. Et la terre de toutes parts entr’ouverte et montrant d’arides secrets. Des secrets comme des surfaces. La terre et ses nerfs, et ses préhistoriques solitudes, la terre aux géologies primitives, où se découvrent des pans du monde dans une ombre noire comme le charbon. – La terre est mère sous la glace du feu. Voyez le feu dans les Trois Rayons, avec le couronnement de sa crinière où grouillent des yeux. Myriades de myriapodes d’yeux. Le centre ardent et convulsé de ce feu est comme la pointe écartelée du tonnerre à la cime du firmament. Le centre blanc des convulsions. Un absolu d’éclat dans l’échauffourée de la force. La pointe épouvantable de la force qui se brise dans un tintamarre tout bleu.

Les Trois Rayons font un éventail dont les branches tombent à pic et convergent vers le même centre. Ce centre est un disque laiteux recouvert d’une spirale d’éclipses.

L’ombre de l’éclipse fait un mur sur les zigzags de la haute maçonnerie céleste.

Mais au-dessus du ciel est le Double-Cheval. L’évocation du Cheval trempe dans la lumière de la force, sur un fond de mur élimé et pressé jusqu’à la corde. La corde de son double poitrail. Et en lui le premier des deux est beaucoup plus étrange que l’autre. C’est lui qui ramasse l’éclat dont le deuxième n’est que l’ombre lourde.

Plus bas encore que l’ombre du mur, la tête et le poitrail du cheval font une ombre, comme si toute l’eau du monde élevait l’orifice d’un puits.

L’éventail ouvert domine une pyramide de cimes, un immense concert de sommets. Une idée de désert plane sur ces sommets au-dessus desquels un astre échevelé flotte, horriblement, inexplicablement suspendu. Suspendu comme le bien dans l’homme, ou le mal dans le commerce d’homme à homme, ou la mort dans la vie. Force giratoire des astres.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Noten   [ + ]

1. ‘Double-Cheval’ – geen mogelijke bron gevonden, ik dacht ff aan een verkleedkostuum zoals in het cirkus
Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #143

143 – l’étage élevé d’un secret – HOOFDSTUDIE

het haar van Uccello (2)

lees eerst het eerste deeltje

Toen je twee vrienden van je en jezelf op een goed bereid doek schilderde, liet jij een schaduw op het doek vallen als van een vreemd katoen, waarin ik jouw spijt en jouw verdriet, Paolo Uccello, kan onderscheiden, slecht belicht. Rimpels, Paolo Uccello, dat zijn veters, maar de haren zijn tongen. In een van je schilderijen, Paolo Uccello, zag ik het licht van een tong in de fosforische schaduw van de tanden. Het is via de tong dat je aansluiting vindt bij de levende uitdrukking in levenloze doeken. En het is daar doorheen dat ik leef, Uccello helemaal opgezwollen in je baard, die je mij van tevoren begrijpelijk had gemaakt en gedefinieerd. Gezegend ben jij, jij die de rotsige, aardse voorliefde voor het diepzinnige had. Je leefde in dat idee als in een bezield gif. En in de kringen van dat idee draai je eeuwig om en ik achtervolg je op de tast met als leidraad het licht van die tong die me vanuit de diepte van een wonderbaarlijke mond roept. De aardse, rotsige voorliefde voor diepzinnigheid: mij ontbreekt het in elke hoedanigheid aan aarde. Voorzag je echt dat ik met open mond in deze lage wereld zou neerstrijken en met een eeuwig verbaasde geest. Voorzag jij al deze kreten in alle betekenissen van de wereld en van de taal, als een radeloos afgewikkelde draad. Het grote geduld van de rimpels is wat je heeft gered van een vroegtijdige dood. Want ik weet dat je geboren bent met een geest die even hol is als de mijne, maar je kon die op minder dan het spoor en de geboorte van een wimper fixeren. Op de breedte van een haar eraf balanceer je bij een afschrikwekkende afgrond en toch blijf je er voor altijd van verwijderd.

Maar ik zegen ook, Uccello, jongentje, vogeltje, afgescheurd lichtje, ik zegen jouw stilte die zo goed is geaard. Afgezien van die lijnen die je als berichtengebladerte van je hoofd afduwt, blijft er van jou enkel de stilte en het geheim van je gesloten kleed. Twee of drie tekens in de lucht, welke man beweert er meer te leven te hebben dan deze drie tekens, en aan wie zou men tijdens de lange uren dat ze duren meer durven vragen dan de stilte die eraan voorafgaat of die er op volgt. Ik voel hoe elke steen van de wereld en de fosfor van de uitgestrektheid die mijn passage teweegbrengt, een weg doorheen mij vindt. Dat vormt de woorden met een zwarte lettergreep in de weigrond van mijn hersenen. Jij, Uccello, leert om niet meer dan een lijn te zijn, en het hogere verdiep van een geheim.

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.138 -140]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Quand tu peignais tes deux amis et toi-même dans une toile bien appliquée, tu laissas sur la toile comme l’ombre d’un étrange coton, en quoi je discerne tes regrets et ta peine, Paolo Uccello, mal illuminé. Les rides, Paolo Uccello, sont des lacets, mais les cheveux sont des langues. Dans un de tes tableaux, Paolo Uccello, j’ai vu la lumière d’une langue dans l’ombre phosphoreuse des dents. C’est par la langue que tu rejoins l’expression vivante dans les toiles inanimées. Et c’est par là que je vis, Uccello tout emmaillotté dans ta barbe, que tu m’avais à l’avance compris et défini. Bienheureux sois-tu, toi qui as eu la préoccupation rocheuse et terrienne de la profondeur. Tu vécus dans cette idée comme dans un poison animé. Et dans les cercles de cette idée tu tournes éternellement et je te pourchasse à tâtons avec comme fil la lumière de cette langue qui m’appelle du fond d’une bouche miraculée. La préoccupation terrienne et rocheuse de la profondeur, moi qui manque de terre à tous les degrés. Présumas-tu vraiment ma descente dans ce bas monde avec la bouche ouverte et l’esprit perpétuellement étonné. Présumas-tu ces cris dans tous les sens du monde et de la langue, comme d’un fil éperdument dévidé. La longue patience des rides est ce qui te sauva d’une mort prématurée. Car, je le sais, tu étais né avec l’esprit aussi creux que moi-même, mais cet esprit, tu pus le fixer sur moins de chose encore que la trace et la naissance d’un cil. Avec la distance d’un poil, tu te balances sur un abîme redoutable et dont tu es cependant à jamais séparé.

Mais je bénis aussi, Uccello, petit garçon, petit oiseau, petite lumière déchirée, je bénis ton silence si bien planté. À part ces lignes que tu pousses de la tête comme une frondaison de messages, il ne reste de toi que le silence et le secret de ta robe fermée. Deux ou trois signes dans l’air, quel est l’homme qui prétend vivre plus que ces trois signes, et auquel, le long des heures qui le couvrent, songerait-on à demander plus que le silence qui les précède ou qui les suit. Je sens toutes les pierres du monde et le phosphore de l’étendue que mon passage entraîne, faire leur chemin à travers moi. Ils forment les mots d’une syllabe noire dans les pacages de mon cerveau. Toi, Uccello, tu apprends à n’être qu’une ligne et l’étage élevé d’un secret.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #142

142 – le ramage d’une mer de cheveux – BOOMSTAM

het haar van Ucello (1)

voor Génica

Uccello, mijn vriend, mijn fantasme, je hebt deze mythe van het haar geleefd. De schaduw van die grote maanhand als je de fantasmen van je brein afdrukt, zal nooit de vegetatie aan je oor bereiken, die draait en naar links krioelt met al je hartswinden. Links de haren, Uccello, links de dromen, links de nagels, links het hart. Het is links dat alle schaduwen zich openen, vanuit de hoofdbeuken, zoals de lichaamsopeningen. Met je hoofd op deze tafel waar de hele mensheid kapseist, wat zie je anders dan de immense schaduw van een haar. Een haar als twee bossen, als drie vingernagels, als een weide van wimpers, als een gritsel in het gras van de hemel. De wereld gewurgd, en opgehangen, en eeuwig wankelend op de vlakte van deze platte tafel waar je je zware hoofd buigt. En bij jou, als je de gezichten ondervraagt, wat zie je anders dan een circulatie van twijgen, een rooster van adertjes, het kleine spoor van een rimpel, de tuil van een zee haren. Alles draait, alles trilt en wat is het oog nog ontdaan van zijn wimpers. Was, was de wimpers, Uccello, was de lijnen, was het trillende spoor van haren en rimpels op de gezichten die aan de doden hangen en die naar je kijken als eieren, en in je monsterlijke handpalm vol maanlicht als een licht van gal, hier is nog steeds het gestrenge spoor van je haren die tevoorschijn komen met hun fijne lijntjes zoals de dromen in je drenkelingenbrein. Van het ene haartje naar het andere, hoeveel geheimen en hoeveel oppervlakken. Maar twee haren het ene naast het andere, Uccello. De ideale lijn van hardnekkige fijne haren, twee keer herhaald. Er zijn rimpels die om de gezichten heen gaan en zich uitstrekken tot in de nek, maar onder het haar zijn er óók rimpels, Uccello. En je kan ook helemaal om dit ei heen gaan dat iets tussen steen en ster in is, en dat als enige de dubbele animatie der ogen heeft.

lees verder: deel 2

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.138 -140]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

UCCELLO LE POIL

pour Génica.

Uccello, mon ami, ma chimère, tu vécus avec ce mythe de poils. L’ombre de cette grande main lunaire où tu imprimes les chimères de ton cerveau, n’arrivera jamais jusqu’à la végétation de ton oreille, qui tourne et fourmille à gauche avec tous les vents de ton cœur. À gauche les poils, Uccello, à gauche les rêves, à gauche les ongles, à gauche le cœur. C’est à gauche que toutes les ombres s’ouvrent, des nefs, comme d’orifices humains. La tête couchée sur cette table où l’humanité tout entière chavire, que vois-tu autre chose que l’ombre immense d’un poil. D’un poil comme deux forêts, comme trois ongles, comme un herbage de cils, comme d’un râteau dans les herbes du ciel. Étranglé le monde, et suspendu, et éternellement vacillant sur les plaines de cette table plate où tu inclines ta tête lourde. Et auprès de toi quand tu interroges des faces, que vois-tu, qu’une circulation de rameaux, un treillage de veines, la trace minuscule d’une ride, le ramage d’une mer de cheveux. Tout est tournant, tout est vibratile, et que vaut l’œil dépouillé de ses cils. Lave, lave les cils, Uccello, lave les lignes, lave la trace tremblante des poils et des rides sur ces visages pendus de morts qui te regardent comme des œufs, et dans ta paume monstrueuse et pleine de lune comme d’un éclairage de fiel, voici encore la trace auguste de tes poils qui émergent avec leurs lignes fines comme les rêves dans ton cerveau de noyé. D’un poil à un autre, combien de secrets et combien de surfaces. Mais deux poils l’un à côté de l’autre, Uccello. La ligne idéale des poils intraduisiblement fine et deux fois répétée. Il y a des rides qui font le tour des faces et se prolongent jusque dans le cou, mais sous les cheveux aussi il y a des rides, Uccello. Aussi tu peux faire tout le tour de cet œuf qui pend entre les pierres et les astres, et qui seul possède l’animation double des yeux.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #140

de klare Abélard (slot)

Abélard met afgesneden handen. Welke symfonie kan voortaan nog tippen aan die gruwelijke papieren kus. Héloise eet vuur. Open een deur. Ga een trap op. Bel aan. De zachte, geplette borsten rijzen op. Haar huid is veel lichter op de borsten. Het lichaam is wit, maar bezoedeld, want geen enkele vrouwenbuik is zuiver. De huid heeft schimmelkleuren. De buik ruikt goed, maar hoe armtierig toch. En zovele generaties dromen hiervan. Hij is er. De man Abélard heeft het. Illustere buik. Dat is het en dat is het niet. Eet stro, eet vuur. De kus opent de grotten waarin de zee komt sterven. Daar heb je het, dat spasme waarbij de hemel ineenstort, waar een spirituele coalitie op uitloopt, EN HET KOMT VAN MIJ. Ah! hoe ik mij niets meer nog voel dan ingewanden, met niets van geestelijke brug nog boven mij. Zonder al die magische betekenissen, al die geheimen erbij. Zij en ik. We zijn er helemaal. Ik houd haar vast. Ik kus haar. Een laatste kracht weerhoudt mij, bevriest mij. Ik voel tussen mijn dijen dat de kerk mij tegenhoudt, en klaagt, zal ze mij verlammen? Zal ik mij terugtrekken? Nee, nee, ik verbrijzel de laatste muur. St. Franciscus van Assisi, die mijn geslacht bewaarde, verdwijnt. Sint Brigitte opent mijn tanden. Sint Augustinus maakt mijn riem los. De heilige Catharina van Siena legt God te slapen. Het is voorbij, het is voorbij, ik ben geen maagd meer. De hemelmuur is omgedraaid. De universele waanzin heeft mij gewonnen. Ik sla mijn genot uit tot de hoogste top van de ether.

Maar nu hoort de heilige Héloise hem. Later, oneindig veel later, hoort ze hem en spreekt ze met hem. Een soort nacht vult haar tanden. Komt binnen en brult in de grotten van haar schedel. Ze opent het deksel van zijn graf met haar hand van mierenbot. Het klinkt als een geit in een droom. Ze beeft, maar hij beeft veel meer dan zij. Arme man! Arme Antonin Artaud! Hij is het inderdaad, de impotente die de sterren beklimt, die zijn zwakte probeert te confronteren met de kardinale coördinaten der elementen, die uit elk der subtiele of gestolde gezichten van de natuur poogt een gedachte samen te stellen die stand houdt, een beeld dat overeind blijft. Als hij al die elementen zou kunnen creëren, op zijn minst een metafysica van rampen zou kunnen voorzien, het begin zou de ineenstorting zijn!

Héloise betreurt in de plaats van haar buik geen muur te hebben zoals die waarop ze leunde toen Abélard haar obsceen met zijn pik prangde. Voor Artaud is ontbering het begin van de door hem gewenste dood. Maar wat een prachtig beeld biedt ons de gecastreerde!

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.134 -137]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Abélard s’est coupé les mains. À cet atroce baiser de papier, quelle symphonie est désormais égale. Héloïse mange du feu. Ouvre une porte. Monte un escalier. On sonne. Les seins écrasés et doux se soulèvent. Sa peau est beaucoup plus claire sur les seins. Le corps est blanc, mais terni, car aucun ventre de femme n’est pur. Les peaux ont la couleur du moisi. Le ventre sent bon, mais combien pauvre. Et tant de générations rêvent à celui-là. Il est là. Abélard en tant qu’homme le tient. Ventre illustre. C’est cela et ce n’est pas cela. Mange la paille, le feu. Le baiser ouvre ses cavernes où vient mourir la mer. Le voilà ce spasme où concourt le ciel, vers lequel une coalition spirituelle déferle, ET IL VIENT DE MOI. Ah ! comme je ne me sens plus que des viscères, sans au-dessus de moi le pont de l’esprit. Sans tant de sens magiques, tant de secrets surajoutés. Elle et moi. Nous sommes bien là. Je la tiens. Je l’embrasse. Une dernière pression me retient, me congèle. Je sens entre mes cuisses l’Église m’arrêter, se plaindre, me paralysera-t-elle ? Vais-je me retirer ? Non, non, j’écarte la dernière muraille. Saint François d’Assise, qui me gardait le sexe, s’écarte. Sainte Brigitte m’ouvre les dents. Saint Augustin me délie la ceinture. Sainte Catherine de Sienne endort Dieu. C’est fini, c’est bien fini, je ne suis plus vierge. La muraille céleste s’est retournée. L’universelle folie me gagne. J’escalade ma jouissance au sommet le plus haut de l’éther.

Mais voici que sainte Héloïse l’entend. Plus tard, infiniment plus tard, elle l’entend et lui parle. Une sorte de nuit lui remplit les dents. Entre en mugissant dans les cavernes de son crâne. Elle entr’ouvre le couvercle de son sépulcre avec sa main aux osselets de fourmi. On croirait entendre une bique dans un rêve. Elle tremble, mais lui tremble beaucoup plus qu’elle. Pauvre homme ! Pauvre Antonin Artaud ! C’est bien lui cet impuissant qui escalade les astres, qui s’essaie à confronter sa faiblesse avec les points cardinaux des éléments, qui, de chacune des faces subtile ou solidifiée de la nature, s’efforce de composer une pensée qui se tienne, une image qui tienne debout. S’il pouvait créer autant d’éléments, fournir au moins une métaphysique de désastres, le début serait l’écroulement !

Héloïse regrette de n’avoir pas eu à la place de son ventre une muraille comme celle sur laquelle elle s’appuyait quand Abélard la pressait d’un dard obscène. Pour Artaud la privation est le commencement de cette mort qu’il désire. Mais quelle belle image qu’un châtré !

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #139

jt 139 – pauvre Antonin Artaud! – RACEAUTO

De klare Abélard (2)

Het is een vreemde mooie dag. Voortaan enkel nog mooie dagen. Vanaf vandaag is Abélard niet langer kuis. De strakke keten der boeken is verbroken. Hij renonceert de kuise coïtus en Gods permissie.

Hoe zoet is niet de coïtus! Zelfs de menselijke, zelfs terwijl je geniet van het lichaam van de vrouw, welk een serafijne sensualiteit binnen handbereik! De hemel binnen het bereik van de aarde, minder mooi dan de aarde. Een paradijs ingebed in haar nagels.

Maar dat de dij van een vrouw de roep der siderische lichten achter zich laat, zelfs wanneer die bovenin de toren zijn gemonteerd. Is Abélard niet de priester voor wie de liefde zo klaar is?

De coïtus is klaar, de zonde is duidelijk. Zo helder. Wat ’n kiemen, hoe zoet zijn niet deze bloemen voor het bleke geslacht, hoe vraatzuchtig zijn niet de genotskoppen, die aan het uiterste eind van genot de klaprozen spreiden. De klaprozen der klanken, de gevleugelde klaprozen van dag en muziek, als magnetische vogelpluk. Het plezier maakt indringende mystieke muziek op het scherp van een ranke droom. Oh! die droom waarin de liefde toestemt om haar ogen weer te openen! Ja, Héloise, jij bent het waar ik binnenloop met al mijn filosofie, in jou geef ik de ornamenten op, en in plaats daarvan geef ik je mannen wier geest trilt en glinstert in jou.-
Laat de Geest zichzelf bewonderen, want eindelijk bewondert de Vrouw Abélard. Laat dit schuim tegen de diepe en stralende wanden vloeien. De bomen. Attila’s vegetatie.

Hij heeft het. Hij bezit het. Ze verstikt hem. En elke bladzijde spant zijn boog en gaat verder. Dit boek, waarin je het blad der breinen omslaat.

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.134 -137]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Il fait étrangement beau. Car il ne peut plus maintenant que faire beau. À partir d’aujourd’hui, Abélard n’est plus chaste. La chaîne étroite des livres s’est brisée. Il renonce au coït chaste et permis de Dieu.

Quelle douce chose que le coït ! Même humain, même en profitant du corps de la femme, quelle volupté séraphique et proche ! Le ciel à portée de la terre, moins beau que la terre. Un paradis encastré dans ses ongles.

Mais que l’appel des éclairages sidéraux, même monté au plus haut de la tour, ne vaut pas l’espace d’une cuisse de femme. N’est-ce pas Abélard le prêtre pour qui l’amour est si clair ? Que le coït est clair, que le péché est clair. Si clair. Quels germes, comme ces fleurs sont douces au sexe pâmé, comme les têtes du plaisir sont voraces, comme à l’extrême bout de la jouissance le plaisir répand ses pavots. Ses pavots de sons, ses pavots de jour et de musique, à tire-d’aile, comme un arrachement magnétique d’oiseaux. Le plaisir fait une tranchante et mystique musique sur le tranchant d’un rêve effilé. Oh ! ce rêve dans lequel l’amour consent à rouvrir ses yeux ! Oui, Héloïse, c’est en toi que je marche avec toute ma philosophie, en toi j’abandonne les ornements, et je te donne à la place les hommes dont l’esprit tremble et miroite en toi. – Que l’Esprit s’admire, puisque la Femme enfin admire Abélard. Laisse jaillir cette écume aux profondes et radieuses parois. Les arbres. La végétation d’Attila.

Il l’a. Il la possède. Elle l’étouffe. Et chaque page ouvre son archet et s’avance. Ce livre, où l’on retourne la page des cerveaux.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #138

De heldere Abélard (1)

Het fluisterende raamwerk vormt op het glas van zijn geest altijd dezelfde tekenen van liefde, dezelfde hartelijke uitwisselingen die hem misschien zouden kunnen redden van zijn man-zijn, mocht hij ermee instemmen om zichzelf te redden van de liefde.

Hij moet toegeven. Hij zal zich niet meer kunnen houden. Hij geeft toe. Dit melodieuze bruisen dwingt hem. Zijn geslacht klopt: een kwelwind fluistert, het geluid ervan is hoger dan de lucht. De rivier rolt vrouwenlijken om. Is het Ophelia, Beatrice, Laura? Neen, inkt, neen, wind, neen, rietvelden, oevers, schuim, vlokken. Er is geen sluis meer. Abélard heeft van zijn verlangen een sluis gemaakt. Ter samenvloeiing der gruwelijke en melodische stuwkracht. Heloise komt aangerold, meegesleept, naar hem toe, – EN ZE WIL HET GRAAG.

Ziedaar aan de hemel de hand van Erasmus die een mosterdzaadje van waanzin zaait. Ah, de merkwaardige opkomst. De beweging van de Beer fixeert de tijd aan de hemel, fixeert de hemel in de Tijd, aan deze omgekeerde kant van de wereld waar de hemel zijn gezicht aanbiedt. Immense nivellering.

Het is omdat de hemel een gezicht heeft dat Abélard een hart heeft waar al die sterren soeverein ontkiemen en hun staart roeren. Aan ’t eind van de metafysica staat deze liefde, met vlees geplaveid, met brandende stenen, in de hemel geboren na zovele wendingen van een mosterdzaadje waanzin.

Maar Abélard jaagt door de lucht als blauwe vliegen. Vreemde aftocht. Hoe verdwijnen? God! snel, een naaldgat. Het dunste naaldgat waardoor Abélard ons niet meer kan komen halen.

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.134 -137]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

LE CLAIR ABÉLARD

L’armature murmurante du ciel trace sur la vitre de son esprit toujours les mêmes signes amoureux, les mêmes cordiales correspondances qui pourraient peut-être le sauver d’être homme s’il consentait à se sauver de l’amour.

Il faut qu’il cède. Il ne se tiendra plus. Il cède. Ce bouillonnement mélodique le presse. Son sexe bat : un vent tourmentant murmure, dont le bruit est plus haut que le ciel. Le fleuve roule des cadavres de femmes. Sont-ce Ophélie, Béatrice, Laure ? Non, encre, non, vent, non, roseaux, berges, rives, écume, flocons. Il n’y a plus d’écluse. De son désir Abélard s’est fait une écluse. Au confluent de l’atroce et mélodique poussée. C’est Héloïse roulée, emportée, à lui, – ET QUI LE VEUT BIEN.

Voici sur le ciel la main d’Érasme qui sème un sénevé de folie. Ah ! la curieuse levée. Le mouvement de l’Ourse fixe le temps dans le ciel, fixe le ciel dans le Temps, de ce côté inverti du monde où le ciel propose sa face. Immense renivellement.

C’est parce que le ciel a une face qu’Abélard a un cœur où tant d’astres souverainement germent, et poussent sa queue. Au bout de la métaphysique est cet amour tout pavé de chair, tout brûlant de pierres, né dans le ciel après tant et tant de tours d’un sénevé de folie.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #133

jt 133 – il a des choses – WATERBRON

Héloise en Abelard (2)

Maar Héloise heeft ook benen. Het beste eraan is dat ze benen heeft. Ze heeft ook dat zeevaart sextant-ding, waaromheen alle magie draait en graast, dat ding als een liggend zwaard.

Maar bovenal: Héloise heeft een hart. Een prachtig recht hart en helemaal in in takken, uitgerekt, versteven, rauw, door mij gevlochten, weelderig genot, catalepsie van mijn vreugde!

Ze heeft handen die hun kraakbeenboeken in honing wikkelen. Ze heeft borsten van rauw vlees, zo klein, de druk ervan maakt waanzinnig; ze heeft borsten in doolhof van draad. Ze heeft een gedachte die helemaal de mijne is, een insinuerende, verdraaide gedachte die zich uitspint als uit een cocon. Ze heeft een ziel.

In haar gedachten ben ik de lopende naald en het is haar ziel die de naald accepteert en toelaat, en ik ben beter, ik, in mijn naald-zijn dan alle anderen in hun bed, want in mijn bed rol ik de gedachten en de naald in de welvingen van haar slapende cocon.

En langs de draad van deze grenzeloze liefde, dit universeel uitspansel van liefde, is het altijd naar haar dat ik terugkom. En in mijn handen groeien kraters, groeien doolhofborsten, groeien explosieve liefdes die mijn leven buitmaken op mijn slaap.

Maar door welke trance, door welk verrijzen, door welke opeenvolgende verschuivingen komt hij tot dit idee van het genot van zijn geest. Het is een feit dat hij, Abelard, op dit moment geniet van zijn geest. Hij geniet er met volle teugen van. Hij denkt niet meer aan zichzelf, noch aan rechts, noch aan links. Hij is er. Alles wat in hem gebeurt is van hem. En in hem, op dit moment, gebeuren er dingen. Dingen waardoor hij niet zelf hoeft te zoeken. Dat is het grote punt. Hij hoeft zijn atomen niet meer te stabiliseren. Ze voegen zich vanzelf bij elkaar, ze zetten zichzelf in lijn. Zijn hele geest is gereduceerd tot een reeks van stijgingen en dalingen, maar met in het midden steeds een afdaling. Hij hééft dingen.

Wordt vervolgd…

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.129-133]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

HÉLOÏSE ET ABÉLARD (2)

Mais c’est qu’Héloïse aussi a des jambes. Le plus beau c’est qu’elle ait des jambes. Elle a aussi cette chose en sextant de marine, autour de laquelle toute magie tourne et broute, cette chose comme un glaive couché.

Mais par-dessus tout, Héloïse a un cœur. Un beau cœur droit et tout en branches, tendu, figé, grenu, tressé par moi, jouissance profuse, catalepsie de ma joie !

Elle a des mains qui entourent les livres de leurs cartilages de miel. Elle a des seins en viande crue, si petite, dont la pression donne la folie ; elle a des seins en dédales de fil. Elle a une pensée toute à moi, une pensée insinuante et retorse qui se déroule comme d’un cocon. Elle a une âme.

Dans sa pensée, je suis l’aiguille qui court et c’est son âme qui accepte l’aiguille et l’admet, et je suis mieux, moi, dans mon aiguille que tous les autres dans leur lit, car dans mon lit je roule la pensée et l’aiguille dans les sinuosités de son cocon endormi.

Car c’est à elle toujours que j’en reviens à travers le fil de cet amour sans limites, de cet amour universellement répandu. Et il pousse dans mes mains des cratères, il y pousse des dédales de seins, il y pousse des amours explosives que ma vie gagne sur mon sommeil.

Mais par quelles transes, par quels sursauts, par quels glissements successifs en arrive-t-il à cette idée de la jouissance de son esprit. Le fait est qu’il jouit en ce moment de son esprit, Abélard. Il en jouit à plein. Il ne se pense plus ni à droite ni à gauche. Il est là. Tout ce qui se passe en lui est à lui. Et en lui, en ce moment, il se passe des choses. Des choses qui le dispensent de se rechercher. C’est là le grand point. Il n’a plus à stabiliser ses atomes. Ils se rejoignent d’eux-mêmes, ils se stratifient en un point. Tout son esprit se réduit en une suite de montées et de descentes, mais d’une descente toujours au milieu. Il a des choses.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
lyriek Vertalingen - Bewerkingen

eerste sneeuw

EERSTE SNEEUW

Zie hoe zacht, hoe mooi, hoe bleek
De dag te sterven lag op ’t wit mysteriekleed
En hoe zacht ’t geluid der stilte het vertrek bestreek
in occulte macht, nacht die de dood bestreed.

Wij verheugen ons te weten dat de dingen
Ook die flarden van klaarte willen drinken,
En met ons mee naar ’t roos der wolken dingen
Terwijl de dag op ’t raam in ’t paars gaat zinken;

In ’t avondzacht het klagen klinkt der twijgen
Soms op wegels slaakt een laatste vogelkreet;
En zie de hemel waterkleuren krijgen…
Mijn zus, ’t is onze liefde die het bos met sneeuw bekleedt.

Antonin ARTAUD

(vert. NKdeE 2020)

originele tekst volgens de digitale editie van de BNR:

PREMIÈRE NEIGE

Vois toute douce, toute belle, toute pâle
Le jour qui vient mourir sur les mystères blancs ;
Et le silence bruit doucement dans la salle
Dans l’occulte magie du soir agonisant.

Nous nous sentons heureux de savoir que les choses
Boivent ainsi que nous ce lambeau de clarté
Et s’enfuient avec nous vers les nuages roses…
Et le jour sur la vitre est devenu violet ;

Dans la douceur du soir se lamentent les branches
Parfois dans les chemins agonise un oiseau ;
Et voici que le ciel prend une couleur d’eau…
Ma soeur c’est notre amour qui neige dans les branches.

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

vertaling van Benno Karkabé [KARKABÉ 1976]
die duidelijk ook de tekst van de BNR-editie volgde:

Eerste sneeuw

Jij zo heel zachte vrouw, heel mooi, heel bleek,
Zie de dag die straks op de witte mysteries omkomt;
En de stilte ruist zacht in het vertrek
In de occulte magie van de stervende avond.

Wij voelen ons [ond] gelukkig te weten dat de dingen
Evenals wij dit brokje klaarheid drinken
En met ons vluchten, de roze wolken binnen…
En op de ruit is de dag violet geworden.

In de zachtheid van de avond klagen de takken
Soms ligt op de wegen een vogel in doodsstrijd;
En ’t is hier dat de hemel een waterkleur krijgt…
Mijn zuster het is onze liefde die sneeuwt in de takken.

tekst in de Verzamelde Werken [ARTAUD 1956, p.328]:

PREMIÈRE NEIGE

Vois toute douce, toute belle, toute pâle
Le jour qui vient mourir sur les mystères blancs ;
Il nous parait humain ce jour agonisant
Tristement effeuillant ses baguesdans la salle.

Nous nous sentons heureux de savoir que les choses
Boivent ainsi que nous ce lambeau de clarté
Et s’enfuient avec nous vers les nuages roses…
L’heure sonne son glas sur les vitraux muets.

Dans la douceur du soir se lamentent les branches
Parfois dans les chemins agonise un oiseau ;
Et voici que le ciel prend une couleur d’eau…
Ma soeur c’est notre amour qui neige dans les branches.

Ecrit de ma vraie écriture le 18 janvier 1921

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza

journal intime #132

jt132 – j’ai l’esprit ùince comme une main – BRONWATER

De Artaud documentaire met getuigenissen van vele hoofdrolspelers in de na-oorlogse Artaud-vaudeville annex tragedie…

Héloise en Abelard (1)

Het leven dat voor hem lag werd klein. Hele delen van zijn hersenen waren aan het wegrotten. Het fenomeen was bekend, maar ja, het was niet eenvoudig. Abelard gaf zijn toestand niet weer als een ontdekking, maar toch schreef hij:

Beste vriend,

Ik ben een reus. Kan ik het helpen dat ik zo’n topper ben waarvan de hoogste masten borsten voor zeilen nemen, terwijl de vrouwen het gevoel hebben dat hun geslacht zo hard wordt als grint? Kan ik verhinderen dat ik al die eieren onder de jurken voel rollen en schommelen naar gelang het uur en de stemming? Het leven komt en gaat en sleept zich beetje bij beetje over het borstenplaveisel. Van de ene minuut op de andere verandert de wereld van aanzien. Rond de vingers zijn de zielen gewikkeld met hun mica scheurtjes, en tussen de mica door passeert Abelard, want bovenal is er de erosie der geest.

Alle dode mannenmonden lachen hoe ’t gebit hen gebiedt, met een maagdelijke tandenrij of met honger beslagen en bezaaid met viezigheid zoals het harnas van de geest van Abelard.

Maar hier valt Abelard stil. Alleen de oesofagus doet het nog in hem. Niet de eetlust van het verticale kanaal, met zijn passie voor hongersnood, maar de prachtige rechte boom van zilver met zijn vertakkingen van aders voorzien voor de lucht, met vogelbladeren eromheen. Kortom, het louter vegetale frommelleven waarbij de benen vanzelf hun mechanieken stappen doen, en de gedachten varen als hoog gevouwen zeilboten. Doorgang der lichamen.

De mummiegeest wikkelt zich af. Het hoog geblinddoekte leven steekt zijn kop op. Is dit dan de grote dooi? Zal de vogel de tongmondingen doet barsten, zullen borsten zich vertakken en komt het kleine mondje weer op zijn plek? Zal de pittenboom met zijn hand ’t verbeend graniet doorboren? Ja, in mijn hand zit een roos, die mijn tong zomaar draait. Oh, oh, oh! hoe licht is mijn denken. Mijn geest is zo slank als een hand.

Wordt vervolgd…

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.129-133]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

HÉLOÏSE ET ABÉLARD

La vie devant lui se faisait petite. Des places entières de son cerveau pourrissaient. Le phénomène était connu, mais enfin il n’était pas simple. Abélard ne donnait pas son état comme une découverte, mais enfin il écrivait :

Cher ami,

Je suis géant. Je n’y peux rien, si je suis un sommet où les plus hautes mâtures prennent des seins en guise de voiles, pendant que les femmes sentent leurs sexes devenir durs comme des galets. Je ne puis m’empêcher, pour ma part, de sentir tous ces œufs rouler et tanguer sous les robes au hasard de l’heure et de l’esprit. La vie va et vient et pousse petite à travers le pavage des seins. D’une minute à l’autre la face du monde est changée. Autour des doigts s’enroulent les âmes avec leurs craquelures de micas, et entre les micas Abélard passe, car au-dessus de tout est l’érosion de l’esprit.

Toutes les bouches de mâle mort rient au hasard de leurs dents, dans l’arcature de leur dentition vierge ou bardée de faim et lamée d’ordures, comme l’armature de l’esprit d’Abélard.

Mais ici Abélard se tait. Seul l’œsophage maintenant marche en lui. Non pas, certes, l’appétit du canal vertical, avec sa passion de famine, mais le bel arbre d’argent droit avec ses ramifications de veinules faites pour l’air, avec autour des feuillages d’oiseaux. Bref, la vie strictement végétale et froissée où les jambes vont de leur pas mécanique, et les pensées comme de hauts voiliers repliés. Le passage des corps.

L’esprit momifié se déchaîne. La vie haut bandée lève la tête. Sera-ce enfin le grand dégel ? L’oiseau crèvera-t-il l’embouchure des langues, les seins vont-ils se ramifier et la petite bouche reprendre sa place ? L’arbre à graines percera-t-il le granit ossifié de la main ? Oui, dans ma main il y a une rose, voici que ma langue tourne sans rien. Oh, oh, oh ! que ma pensée est légère. J’ai l’esprit mince comme une main.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #131

jt131 – avec de sinistres pirouettes – ROOFKUNST

Brief aan een waarzegster (2)

De emotie van het weten werd gedomineerd door het gevoel van de eindeloze clementie van het bestaan1Ik kan het niet helpen. Ik had dit gevoel voor haar. Het leven was goed omdat deze helderziende er was. De aanwezigheid van deze vrouw was voor mij als opium, zuiverder, lichter, een weinig minder potig dan dat. Maar veel dieper en breder, zij opende andere bogen in de cellen van mijn geest. De actieve staat van spirituele uitwisselingen, de uitslaande brand van directe en minuscule werelden, de nabijheid van oneindige levens die deze vrouw voor mij openstelde, toonde mij eindelijk een uitweg uit het leven, een reden om in de wereld te zijn. Want het leven is enkel acceptabel als men het gevoel heeft groot te zijn, als men zich aan de oorsprong der fenomenen voelt, althans van een bepaald aantal daarvan. Zonder de kracht van de expansie, zonder een zekere dominantie over de dingen, is het leven onverdedigbaar. Er is maar één ding opwindend in de wereld: contact met de krachten van de geest. Bij deze zieneres doet zich echter een nogal paradoxaal fenomeen voor. Ik voel niet langer de behoefte om krachtig te zijn, of groots, de verleiding die het op mij uitoefent is straffer dan mijn trots, een vluchtige nieuwsgierigheid is voor mij genoeg. Ik ben bereid voor haar afstand te doen van alles: trots, wil, intelligentie. Intelligentie, vooral. De intelligentie die al geheel mijn trots uitmaakt. Ik heb het hier uiteraard niet over de logische wendbaarheid van de geest, of over de kracht om snel te denken, om snelle schema’s in de marges van het geheugen te schetsen. Ik heb het over een vaak langdurige penetratie, die zich niet hoeft te concretiseren om voldoening te geven en die duidt op diepe inzichten van de geest. Het is op het vertrouwen in deze penetratie op klompvoeten die meestal zonder grond is (een vertrouwen dat ik zelf niet bezit), dat ik altijd om krediet heb gevraagd, dat men mij honderd jaar krediet geve en tevreden zou zijn met stilzwijgen de hele tijd . Ik weet in welk voorgeborchte ik deze vrouw kan vinden. Ik spit een probleem uit dat mij dichter bij het goud brengt, bij elke subtiliteit, een abstract probleem zoals een pijn die geen vorm heeft en die trilt en verdwijnt bij contact met het bot.. Mij kon er niets slechts te beurt vallen van dat starre blauwe oog waardoor u mijn noodlot inspecteerde.

Het hele leven werd mij als het gezegende landschap waar de dromen zich omdraaien en zich presenteren met het gelaat van ons ‘ik’. Het idee van absolute kennis valt samen met het idee van de absolute gelijkenis van het leven met mijn bewustzijn. En ik putte uit deze dubbele gelijkenis het gevoel van een zeer nabije geboorte, waarbij u de vergevingsgezinde en goede moeder van mijn lot was, hoewel dat daarvan afweek. Niets leek mij nog mysterieus aan deze abnormale helderziendheid, waarbij de gebaren van mijn vroegere en toekomstige bestaan aan u werden afgeschilderd met hun van waarschuwingen en verbanden zwangere betekenissen. Ik voelde mijn geest communiceren met de uwe omtrent de figuur van die waarschuwingen.

Maar gij, mevrouw, wat is toch die vuurworm die plotseling in u kruipt, en door welke kunstgreep uit welke onvoorstelbare sferen? want u ziet, en toch is er dezelfde ruimte uitgespreid om ons heen.

Het verschrikkelijke, mevrouw, zit hem in de onbeweeglijkheid van deze muren, van deze dingen, in de vertrouwdheid van het meubilair dat u omringt, de accessoires van uw waarzeggerij, in de stille onverschilligheid van het leven waar u aan deelneemt net zoals ik.

En uw kleren, mevrouw, die kleren die een persoon raken die ziet. Uw vlees, al uw functies eigenlijk. Ik kan niet wennen aan het idee dat u onderworpen bent aan dezelfde voorwaarden van Ruimte, van Tijd, dat er lichamelijke benodigdheden op u wegen. Je zou te licht moeten zijn voor de ruimte.

En anderzijds leek u mij zo mooi, zo menselijk gracieus, zo alledaags. Mooi als eender welke vrouw waarvan ik het brood en de spasme opwacht en dat ze mij tot naar een lichamelijke drempel tilt.

In mijn ogen bent u grens- en bodemloos , absoluut, diepgaand onbegrijpelijk. Want hoe komt u in het reine met het leven, u die de gave van het zicht bij de hand heeft? En deze lange, geheel verenigde weg waar uw ziel als een pendel rondwaart, en waar ik zo duidelijk de toekomst van mijn dood zou lezen.

Ja, er bestaan nog mannen die de afstand van het ene gevoel tot het andere kennen, die weten hoe ze etages en haltes kunnen creëren voor hun verlangens, die weten hoe ze afstand kunnen nemen van hun verlangens en hun ziel, om er dan valselijk in op gaan als overwinnaars. En er bestaan denkers die hun gedachten pijnlijk omcirkelen, die voorwendselen in hun dromen introduceren, er bestaan nog geleerden die wetten blootleggen met grimmige pirouettes!

Maar gij, verafschuwd, veracht, verbluffend, gij steekt het leven in brand. En zo staat het rad van de Tijd in één klap in vuur en vlam om de hemel te doen kraken.

U neemt mij op even klein, weggevaagd, verworpen, en net zo wanhopig als uzelf, en u tilt mij op, u verwijdert mij van deze plek, van deze valse ruimte waar u niet eens meer gebaart van te leven, aangezien u al het membraan van uw rust hebt bereikt. En dit oog, deze blik op mezelf, deze enkele troosteloze blik die heel mijn bestaan is, u vergroot het en laat het op zich omdraaien, en ziedaar hoe een lumineus ontluiken ontstaat uit geneugten zonder schaduwzijden die mij doen herleven als een mysterieuze wijn.

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.123-128]
vert.NKdeE 2020 – CC Public Domain

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

L’émotion de savoir était dominée par le sentiment de la mansuétude infinie de l’existence 2Je n’y peux rien. J’avais ce sentiment devant Elle. La vie était bonne parce que cette voyante était là. La présence de cette femme m’était comme un opium, plus pur, plus léger, quoique moins solide que l’autre. Mais beaucoup plus profond, plus vaste et ouvrant d’autres arches dans les cellules de mon esprit. Cet état actif d’échanges spirituels, cette conflagration de mondes immédiats et minuscules, cette imminence de vies infinies dont cette femme m’ouvrait la perspective, m’indiquaient enfin une issue à la vie, et une raison d’être au monde. Car on ne peut accepter la Vie qu’à condition d’être grand, de se sentir à l’origine des phénomènes, tout au moins d’un certain nombre d’entre eux. Sans puissance d’expansion, sans une certaine domination sur les choses, la vie est indéfendable. Une seule chose est exaltante au monde : le contact avec les puissances de l’esprit. Cependant devant cette voyante un phénomène assez paradoxal se produit. Je n’éprouve plus le besoin d’être puissant, ni vaste, la séduction qu’elle exerce sur moi est plus violente que mon orgueil, une certaine curiosité momentanément me suffit. Je suis prêt à tout abdiquer devant elle : orgueil, volonté, intelligence. Intelligence surtout. Cette intelligence qui est toute ma fierté. Je ne parle pas bien entendu d’une certaine agilité logique de l’esprit, du pouvoir de penser vite et de créer de rapides schémas sur les marges de la mémoire. Je parle d’une pénétration souvent à longue échéance, qui n’a pas besoin de se matérialiser pour se satisfaire et qui indique des vues profondes de l’esprit. C’est sur la foi de cette pénétration au pied-bot et le plus souvent sans matière (et que moi-même je ne possède pas), que j’ai toujours demandé que l’on me fasse crédit, dût-on me faire crédit cent ans et se contenter le reste du temps de silence. Je sais dans quelles limbes retrouver cette femme. Je creuse un problème qui me rapproche de l’or, de toute matière subtile, un problème abstrait comme la douleur qui n’a pas de forme et qui tremble et se volatilise au contact des os.. Rien de mauvais pour moi ne pouvait tomber de cet œil bleu et fixe par lequel vous inspectiez mon destin.

Toute la vie me devenait ce bienheureux paysage où les rêves qui tournent se présentent à nous avec la face de notre moi. L’idée de la connaissance absolue se confondait avec l’idée de la similitude absolue de la vie et de ma conscience. Et je tirais de cette double similitude le sentiment d’une naissance toute proche, où vous étiez la mère indulgente et bonne, quoique divergente de mon destin. Rien ne m’apparaissait plus mystérieux, dans le fait de cette voyance anormale, où les gestes de mon existence passée et future se peignaient à vous avec leurs sens gros d’avertissements et de rapports. Je sentais mon esprit entré en communication avec le vôtre quant à la figure de ces avertissements.

Mais vous, enfin, Madame, qu’est-ce donc que cette vermine de feu qui se glisse tout à coup en vous, et par l’artifice de quelle inimaginable atmosphère ? car enfin vous voyez, et cependant le même espace étalé nous entoure.

L’horrible, Madame, est dans l’immobilité de ces murs, de ces choses, dans la familiarité des meubles qui vous entourent, des accessoires de votre divination, dans l’indifférence tranquille de la vie à laquelle vous participez comme moi.

Et vos vêtements, Madame, ces vêtements qui touchent une personne qui voit. Votre chair, toutes vos fonctions enfin. Je ne puis pas me faire à cette idée que vous soyez soumise aux conditions de l’Espace, du Temps, que les nécessités corporelles vous pèsent. Vous devez être beaucoup trop légère pour l’espace.

Et, d’autre part, vous m’apparaissiez si jolie, et d’une grâce tellement humaine, tellement de tous les jours. Jolie comme n’importe laquelle de ces femmes dont j’attends le pain et le spasme, et qu’elles me haussent vers un seuil corporel.

Aux yeux de mon esprit, vous êtes sans limites et sans bords, absolument, profondément incompréhensible. Car comment vous accommodez-vous de la vie, vous qui avez le don de la vue toute proche ? Et cette longue route toute unie où votre âme comme un balancier se promène, et où moi, je lirais si bien l’avenir de ma mort.

Oui, il y a encore des hommes qui connaissent la distance d’un sentiment à un autre, qui savent créer des étages et des haltes à leurs désirs, qui savent s’éloigner de leurs désirs et de leur âme, pour y rentrer ensuite faussement en vainqueurs. Et il y a ces penseurs qui encerclent péniblement leurs pensées, qui introduisent des faux-semblants dans leurs rêves, ces savants qui déterrent des lois avec de sinistres pirouettes !

Mais vous, honnie, méprisée, planante, vous mettez le feu à la vie. Et voici que la roue du Temps d’un seul coup s’enflamme à force de faire grincer les cieux.

Vous me prenez tout petit, balayé, rejeté, et tout aussi désespéré que vous-même, et vous me haussez, vous me retirez de ce lieu, de cet espace faux où vous ne daignez même plus faire le geste de vivre, puisque déjà vous avez atteint la membrane de votre repos. Et cet œil, ce regard sur moi-même, cet unique regard désolé qui est toute mon existence, vous le magnifiez et le faites se retourner sur lui-même, et voici qu’un bourgeonnement lumineux fait de délices sans ombres, me ravive comme un vin mystérieux.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Noten   [ + ]

1. Ik kan het niet helpen. Ik had dit gevoel voor haar. Het leven was goed omdat deze helderziende er was. De aanwezigheid van deze vrouw was voor mij als opium, zuiverder, lichter, een weinig minder potig dan dat. Maar veel dieper en breder, zij opende andere bogen in de cellen van mijn geest. De actieve staat van spirituele uitwisselingen, de uitslaande brand van directe en minuscule werelden, de nabijheid van oneindige levens die deze vrouw voor mij openstelde, toonde mij eindelijk een uitweg uit het leven, een reden om in de wereld te zijn. Want het leven is enkel acceptabel als men het gevoel heeft groot te zijn, als men zich aan de oorsprong der fenomenen voelt, althans van een bepaald aantal daarvan. Zonder de kracht van de expansie, zonder een zekere dominantie over de dingen, is het leven onverdedigbaar. Er is maar één ding opwindend in de wereld: contact met de krachten van de geest. Bij deze zieneres doet zich echter een nogal paradoxaal fenomeen voor. Ik voel niet langer de behoefte om krachtig te zijn, of groots, de verleiding die het op mij uitoefent is straffer dan mijn trots, een vluchtige nieuwsgierigheid is voor mij genoeg. Ik ben bereid voor haar afstand te doen van alles: trots, wil, intelligentie. Intelligentie, vooral. De intelligentie die al geheel mijn trots uitmaakt. Ik heb het hier uiteraard niet over de logische wendbaarheid van de geest, of over de kracht om snel te denken, om snelle schema’s in de marges van het geheugen te schetsen. Ik heb het over een vaak langdurige penetratie, die zich niet hoeft te concretiseren om voldoening te geven en die duidt op diepe inzichten van de geest. Het is op het vertrouwen in deze penetratie op klompvoeten die meestal zonder grond is (een vertrouwen dat ik zelf niet bezit), dat ik altijd om krediet heb gevraagd, dat men mij honderd jaar krediet geve en tevreden zou zijn met stilzwijgen de hele tijd . Ik weet in welk voorgeborchte ik deze vrouw kan vinden. Ik spit een probleem uit dat mij dichter bij het goud brengt, bij elke subtiliteit, een abstract probleem zoals een pijn die geen vorm heeft en die trilt en verdwijnt bij contact met het bot.
2. Je n’y peux rien. J’avais ce sentiment devant Elle. La vie était bonne parce que cette voyante était là. La présence de cette femme m’était comme un opium, plus pur, plus léger, quoique moins solide que l’autre. Mais beaucoup plus profond, plus vaste et ouvrant d’autres arches dans les cellules de mon esprit. Cet état actif d’échanges spirituels, cette conflagration de mondes immédiats et minuscules, cette imminence de vies infinies dont cette femme m’ouvrait la perspective, m’indiquaient enfin une issue à la vie, et une raison d’être au monde. Car on ne peut accepter la Vie qu’à condition d’être grand, de se sentir à l’origine des phénomènes, tout au moins d’un certain nombre d’entre eux. Sans puissance d’expansion, sans une certaine domination sur les choses, la vie est indéfendable. Une seule chose est exaltante au monde : le contact avec les puissances de l’esprit. Cependant devant cette voyante un phénomène assez paradoxal se produit. Je n’éprouve plus le besoin d’être puissant, ni vaste, la séduction qu’elle exerce sur moi est plus violente que mon orgueil, une certaine curiosité momentanément me suffit. Je suis prêt à tout abdiquer devant elle : orgueil, volonté, intelligence. Intelligence surtout. Cette intelligence qui est toute ma fierté. Je ne parle pas bien entendu d’une certaine agilité logique de l’esprit, du pouvoir de penser vite et de créer de rapides schémas sur les marges de la mémoire. Je parle d’une pénétration souvent à longue échéance, qui n’a pas besoin de se matérialiser pour se satisfaire et qui indique des vues profondes de l’esprit. C’est sur la foi de cette pénétration au pied-bot et le plus souvent sans matière (et que moi-même je ne possède pas), que j’ai toujours demandé que l’on me fasse crédit, dût-on me faire crédit cent ans et se contenter le reste du temps de silence. Je sais dans quelles limbes retrouver cette femme. Je creuse un problème qui me rapproche de l’or, de toute matière subtile, un problème abstrait comme la douleur qui n’a pas de forme et qui tremble et se volatilise au contact des os.
Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #125

jt125 – Tous les rêves sont vrais – ZAKGELD

WIE HEEFT NIET, … (voetnoot)

Ik bevestig – en ik houd vast aan dit idee – dat de dood niet buiten het rijk van de geest is, dat hij binnen bepaalde grenzen kenbaar en benaderbaar is door een bepaalde gevoeligheid.

Alles wat in de orde der schriftuur het principe van ordelijke en heldere waarneming loslaat, alles wat tot doel heeft een omkering van de schijn te creëren, twijfel te introduceren over de positie van de beelden van de geest ten opzichte van elkaar, alles wat verwarring zaait zonder de kracht van de gedachte die opkomt te vernietigen, alles wat de dingen op hun kop zet door het ontredderde denken een nog groter aspect van waarheid en geweld aan te bieden, dat alles biedt een oplossing voor de dood, brengt ons in verbinding met de meer verfijnde gemoedstoestanden te midden waarin de dood zich uitdrukt.

Daarom zijn het zwijnen allemaal, zij die dromen zonder hun voorbije dromen te betreuren, zonder een gevoel van afschuwelijke nostalgie over te houden aan zulk onderduiken in vruchtbaar onbewustzijn. De droom is waar. Alle dromen zijn echt. Ik heb het gevoel van oneffenheden, van landschappen alsof ze gebeeldhouwd zijn, van golvende aardstukken die bedekt zijn met een soort vers zand, waarvan de betekenis is:

“spijt, teleurstelling, verlating, breuk, wanneer zien we elkaar weer?”.

Niets lijkt zozeer op liefde als de roep van bepaalde droomlandschappen, als het omlijnen van bepaalde heuvels, van een soort materiële leem waarvan de vorm als het ware op het denken is gegoten.

Wanneer zien we elkaar weer? Wanneer zal de aardse smaak van je lippen weer in de buurt komen van de angst van mijn geest? De aarde is als een werveling van dodelijke lippen. Het leven graaft voor ons de afgrond uit van alle vermiste strelingen.Wat hebben we te maken met deze engel die zich niet heeft weten te tonen? Zullen al onze gewaarwordingen voor altijd intellectueel blijven, en zullen onze dromen niet in staat zijn om vuur te vatten bij een ziel waarvan de emotie ons zal helpen om te sterven? Wat is deze dood waar we voor altijd alleen zijn, waar de liefde ons niet de weg wijst?

WORDT VERVOLGD

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.117-121]
vert. NKdeE 2020 – CC Free Culture License 4.0

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

J’affirme – et je me raccroche à cette idée que la mort n’est pas hors du domaine de l’esprit, qu’elle est dans de certaines limites connaissable et approchable par une certaine sensibilité.

Tout ce qui dans l’ordre des choses écrites abandonne le domaine de la perception ordonnée et claire, tout ce qui vise à créer un renversement des apparences, à introduire un doute sur la position des images de l’esprit les unes par rapport aux autres, tout ce qui provoque la confusion sans détruire la force de la pensée jaillissante, tout ce qui renverse les rapports des choses en donnant à la pensée bouleversée un aspect encore plus grand de vérité et de violence, tout cela offre une issue à la mort, nous met en rapport avec des états plus affinés de l’esprit au sein desquels la mort s’exprime.

C’est pourquoi tous ceux qui rêvent sans regretter leurs rêves, sans emporter de ces plongées dans une inconscience féconde un sentiment d’atroce nostalgie, sont des porcs. Le rêve est vrai. Tous les rêves sont vrais. J’ai le sentiment d’aspérités, de paysages comme sculptés, de morceaux de terre ondoyants recouverts d’une sorte de sable frais, dont le sens veut dire :

« regret, déception, abandon, rupture, quand nous reverrons-nous ? »

Rien qui ressemble à l’amour comme l’appel de certains paysages vus en rêve, comme l’encerclement de certaines collines, d’une sorte d’argile matérielle dont la forme est comme moulée sur la pensée. Quand nous reverrons-nous ? Quand le goût terreux de tes lèvres viendra-t-il à nouveau frôler l’anxiété de mon esprit ? La terre est comme un tourbillon de lèvres mortelles. La vie creuse devant nous le gouffre de toutes les caresses qui ont manqué. Qu’avons-

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
Kathedraalse Leer Proza

kosmotheia

je kan bij (her)lezing van de theaterteksten van Artaud beginnen dromen over updates van het Theater van de Wreedheid, en dan kom je allicht nogal snel uit bij internationaal geproducete kut- en lulsnoeverijen vol opspattend geil en klassiek-grieks opgesnoven, bloederige, lichamelijke heldhaftigheden met een onuitputtelijke voorraad aan ‘poeier van het huis’ waarmee je dan ondanks alle schandalen Vlaanderen’s eer en glorie kan gaan vertegenwoordigen op de elitaire podia van de Verenigde Verwende Fortkindjes van Europa en Daarbuiten.

kijk: ik was vanochtend al mobiele agent-cabines aan het bouwen die als avatar-behuizingen zouden kunnen dienen op een materiële setting waar je kan op inloggen om dan virtueel en volledig coronaproof zou kunnen deelnemen aan het ‘spel’ en het ‘schouwen’ daarvan, waarbij de burg natuurlijk brug werd, de seks volledig taktiel ‘echt’ en de prijskaartjes voor een snuff-sessie onbetaalbaar voor iedereen buiten voor hen die nog net niet het eeuwige leven konden betalen. sterven op de scène als finaal spektakelaanbod na het toch maar saaie tripje naar Mars.

misschien missen we dan toch iets van het opzet van Artaud’s theaterhervormingen want die zochten wel degelijk een maatschappelijke relevantie. dus bedacht ik maar snel volgende hypothese, die zo je ze als werkbaar wenst te aanvaarden en verder bij te stellen, het voordeel heeft dat je niks meer moet bouwen, laat staan betaalbaar maken.

ter opfrissing kan je vooraf nog ff meekijken in het Ijzerboekje met de vertaling van Simon Vinkenoog die op het voorwoord na uiteindelijk nog best te pruimen is, zij het dan wel – ik citeer een mij dierbare in de chat daarstraks – ‘toch wat houterig en stroef in de lezing’


hypothese: de ‘wreedheid’ van Artaud is misschien wel de inhumane gestrengheid, de onverzettelijke onverschilligheid van de algoritmische bepaling die ons allen nu en hier (op FB bv.) tot mondige zwijgers en dilettant-nukkige slaven knecht.
het theater van de wreedheid is dan doorheen het zwarte gat van de spektakelmaatschappij (Debord) binnenstebuiten gefloept en wij zijn de alle controle of individuele interpretatie van onze rollen ontzegde spelers, de machteloze profielen rond een voor ons onzichtbare publiekskring in het midden.

wij vermoeden dan in onze megalomane paranoia een bende complotterende machthebbers in het publiekscentrum, maar wat er schouwt kunnen wij als verblinde spelers niet zien, het is een intelligentie die wij niet als dusdanig kunnen ‘begrijpen’.
en ach, de uitbaters van de netwerkvoorzieningen hebben heus wel wat beters te doen dan naar ons oeverloos geëmmer en gekrakeel te kijken, en zij garanderen maar al te graag onze privacy om onze data te kunnen verhandelen. who gives a shit.

toch: wij worden aanschouwd, wij worden afgespeeld in een kosmotheia* dat geheel buiten ons om georchestreerd wordt volgens de ‘demonische’ natuurwetten van het Rot en het Kapitaal.
al onze kwaliteiten worden op hun nominale waarde gekwantificeerd en van daaruit aangewend voor verdere verspreiding in het heelal of vernietigd. want elke klik is een stap verder in de afgesloten en alsmaar meer toegenepen corridor van de ons toegestane handelingen: onze mogelijkheden zijn immers beperkt tot wat betaalbaar is.

de apocalyps is geen oogwenk maar een voortdurend tijdperk, een geduldig sloopwerk van millennia. of iets minder lang, wat u en ik betreft.


*Het Franse woord is een geleerde ontlening aan Latijn theātrum ‘plaats waar schouwspelen gezien worden, theater‘, dat zelf ontleend is aan Grieks théātron ‘id. ‘ . Dat woord is een afleiding van theâsthai ‘aanschouwen, waarnemen’, afgeleid van théā ‘aanblik, schouwspel’, van onbekende verdere herkomst. (> WIKIPEDIA) – Cosmos (= Gr. κόσμος (kosmos)). De oorspronkelijke betekenis is: orde.

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #124

jt 124 – l’image d’un panique déjà éprouvée – GELDZAK

WIE HEEFT NIET, … (2)

Ik beschreef net een sensatie van angst en droom, van angst die in de droom binnen glijdt een beetje zoals ik mij voorstel dat de agonie moet binnenglijden en zich voltrekken in de dood.
In ieder geval, zulke dromen kunnen niet liegen. Ze liegen niet. En die aaneengeregen doodssensaties, die verstikkingen, die wanhoop, dat inslapen, die verlatenheid, die stilte, zie je die niet met de uitvergrote spanning van een droom, met het gevoel dat er een nieuwe zijde van de realiteit voor goed achter jou ligt?
Maar kijk, op de bodem van de dood of de droom herbegint de angst. Deze angst die zich als een elastiek opspant en je plots bij de keel grijpt, ze is noch onbekend, noch nieuw. De dood waar men is ingegleden zonder er zich rekenschap van te geven, de terugkeer als lichaamsklomp, dat hoofd – het moest zo nodig , dat hoofd dat het bewustzijn en het leven bevat en dus ook de ultieme verstikking – het moest zo nodig, ook dat hoofd, de kleinst mogelijke opening door. Maar het huivert tot in het diep der porieën, en het heeft door het heen en weer schudden in ontzetting het idee gekregen, het gevoel dat het opgeblazen is, dat zijn angst vorm heeft gekregen, dat die onder de huid ontsproten is.

En omdat uiteindelijk de dood toch niets nieuws is, maar integendeel maar al te bekend, zien we niet aan het eind van deze inwendige gisting het beeld van een reeds ervaren paniek? De kracht van de wanhoop lijkt bepaalde situaties uit de kindertijd te doen weerkeren, waarin de dood zich zo helder en als een eenduidige stroom van ontzetting aandiende. De kindertijd kent een bruusk ontwaken van de geest, van intense uitbreidingen van het denken dat de latere leeftijd verloren heeft. In sommige paniekangsten uit de kindertijd, bepaalde grootse en onredelijke verschrikkingen waarin het gevoel van een niet humane dreiging loert, is het onbetwistbaar dat de dood verschijnt
als het scheuren van een nabij membraan, als een optillen van de sluier van de wereld die nog vormloos en onzeker is.

Wie heeft niet de herinnering aan ongeziene uitbreidingen, van de orde van een geheel mentale werkelijkheid, en die hem vervolgens nauwelijks verbaasd hebben, die echt aan het woud van zijn kinderlijke zintuigen werden opgeleverd? Uitbreidingen geïmpregneerd met perfecte, alles doordrenkende kennis, uitgekristalliseerd, eeuwig.

Maar welke vreemde gedachten onderstreept die, van welke uiteengereten meteoor reconstrueert het de menselijke atomen?

Het kind ziet herkenbare theorieën van voorouders waarin het de oorsprong van alle van mens tot mens bekende gelijkenissen noteert. De wereld der verschijningen groeit en stroomt over naar het gevoelloze, het onbekende. Maar de verduistering van het leven komt eraan en van dan af zijn dergelijke staten alleen nog maar te bereiken door een absoluut abnormale luciditeit ten gevolge bijvoorbeeld van drugs.

Vandaar het immense nut van toxische stoffen om de geest te bevrijden, te verheffen. Leugens of niet vanuit het oogpunt van een werkelijkheid waar men meestal weinig mee aankan, een werkelijkheid die slechts een van de meest voorbijgaande en minst herkenbare gezichten van de oneindige realiteit is, een werkelijkheid die samenvalt met de materie en daarmee vergaat, vanuit het oogpunt van de geest herwinnen die substanties hun superieure waardigheid, waardoor ze als hulpmiddel het dichtst bij en het nuttigst bij de dood komen te staan*.

WORDT VERVOLGD

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.117-121]
vert. NKdeE 2020 – CC Free Culture License 4.0


*hier staat een lange voetnoot die je morgen vertaald krijgt…

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Je viens de décrire une sensation d’angoisse et de rêve, l’angoisse glissant dans le rêve, à peu près comme j’imagine que l’agonie doit glisser et s’achever finalement dans la mort.

En tout cas, de tels rêves ne peuvent pas mentir. Ils ne mentent pas. Et ces sensations de mort mises bout à bout, cette suffocation, ce désespoir, ces assoupissements, cette désolation, ce silence, les voit-on dans la suspension agrandie d’un rêve, avec ce sentiment qu’une des faces de la réalité nouvelle est perpétuellement derrière soi ?

Mais au fond de la mort ou du rêve, voici que l’angoisse reprend. Cette angoisse comme un élastique qui se retend et vous saute soudain à la gorge, elle n’est ni inconnue, ni nouvelle. La mort dans laquelle on a glissé sans s’en rendre compte, le retournement en boule du corps, cette tête – il a fallu qu’elle passe, elle qui portait la conscience et la vie et par conséquent la suffocation suprême, et par conséquent le déchirement supérieur – qu’elle passe, elle aussi, par la plus petite ouverture possible. Mais elle angoisse à la limite des pores, et cette tête qui à force de se secouer et de se retourner d’épouvante a comme l’idée, comme le sentiment qu’elle s’est boursouflée et que sa terreur a pris forme, qu’elle a bourgeonné sous la peau.

Et comme après tout ce n’est pas neuf la mort, mais au contraire trop connu, car, au bout de cette distillation de viscères, ne perçoit-on pas l’image d’une panique déjà éprouvée ? La force même du désespoir restitue, semble-t-il, certaines situations de l’enfance où la mort apparaissait si claire et comme une déroute à jet continu. L’enfance connaît de brusques réveils de l’esprit, d’intenses prolongements de la pensée qu’un âge plus avancé reperd. Dans certaines peurs paniques de l’enfance, certaines terreurs grandioses et irraisonnées où le sentiment d’une menace extra-humaine couve, il est incontestable que la mort apparaît

comme le déchirement d’une membrane proche, comme le soulèvement d’un voile qui est le monde, encore informe et mal assuré.

Qui n’a le souvenir d’agrandissements inouïs, de l’ordre d’une réalité toute mentale, et qui alors ne l’étonnaient guère, qui étaient donnés, livrés vraiment à la forêt de ses sens d’enfant ? Prolongements imprégnés d’une connaissance parfaite, imprégnant tout, cristallisée, éternelle.

Mais quelles étranges pensées elle souligne, de quel météore effrité elle reconstitue les atomes humains.

L’enfant voit des théories reconnaissables d’ancêtres dans lesquelles il note les origines de toutes les ressemblances connues d’homme à homme. Le monde des apparences gagne et déborde dans l’insensible, dans l’inconnu. Mais l’enténèbrement de la vie arrive et désormais des états pareils ne se retrouvent plus qu’à la faveur d’une lucidité absolument anormale due par exemple aux stupéfiants.

D’où l’immense utilité des toxiques pour libérer, pour surélever l’esprit. Mensonges ou non du point de vue d’un réel dont on a vu le peu de cas qu’on pouvait en faire, le réel n’étant qu’une des faces les plus transitoires et les moins reconnaissables de l’infinie réalité, le réel s’égalant à la matière et pourrissant avec elle, les toxiques regagnent du point de

vue de l’esprit leur dignité supérieure qui en fait les auxiliaires les plus proches et les plus utiles de la mort*.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #122

jt 122 – l’ étalon d’un néant qui s’ignore – NEUSPUNT

Fragmenten uit een Dagboek van de Hel (slot)

De streng die ik priemen laat uit het intellect dat me bezighoudt en het onbewuste dat me voedt,  vertoont steeds fijnere draden in het hart van het vertakkende weefsel. En het is een nieuw leven dat herboren wordt, dieper en dieper, meer welbespraakt, dieper geworteld.

Nooit kan er door deze ziel die zich wurgt enige precisie worden gegeven, want de kwelling die haar doodt ontvleest haar vezel na vezel, beweegt zich onder het denken, dieper dan daar waar de taal kan reiken want het is de verbinding zelf van dat wat haar maakt en spiritueel samenhoudt, die afbreekt in de mate waarin het leven haar noodt tot voortdurende helderheid. Nooit enige helderheid op deze lijdensweg, op deze cyclische en fundamentele martelgang. En desondanks leeft ze, maar in een duren vol eclipsen waarbij het vluchtige zich immer mengt met het onbeweeglijke en het verwart met die doordringende taal van klaarte zonder duur. Deze vervloeking is in hoge mate leerzaam voor de diepten die zij beslaat, maar de wereld zal er de les van niet verstaan.

De emotie gewekt door het ontluiken van een vorm, de aanpassing van mijn stemmingen aan de mogelijkheid van een discours zonder duur, is mij een heel wat dierbaarder toestand dan de bevrediging van mijn activiteit.
Het is de toetssteen voor bepaalde geestelijke leugens.

Het is dit soort stappen achteruit die de geest maakt van onder het bewustzijn dat hem fixeert, om de emotie van het leven op te zoeken. Deze emotie die verder ligt dan het bepaalde punt waar de geest haar zoekt, en die opduikt in haar volle rijkdom van vormen en in een verse stroom, deze emotie die de geest het overweldigende geluid van de materie biedt, de hele ziel stroomt erheen en gaat op in haar brandend vuur. Maar meer nog dan van het vuur raakt de ziel in vervoering van de klaarte, het gemak, de natuurlijkheid en de ijzige oprechtheid van deze materie die te vers is en die koud en warm blaast.
Hij daar weet nu wat de verschijning van deze materie betekent en van welke onderaardse slachting dat ontluiken de prijs is. Deze materie is de maatstaf van een niets dat zich niet kent.

Als ik mij denk, zoekt mijn gedachte zich in de ether van een nieuwe ruimte. Ik sta op de maan zoals anderen op hun balkon. Ik neem in de breuklijnen van mijn geest deel aan de planetaire zwaartekracht.

Het leven zal gebeuren, de gebeurtenissen zich afspelen, de spirituele conflicten zich oplossen, en ik zal er geen deel aan hebben. Ik heb niets te verwachten, niet van de fysieke noch van de morele kant. Aan mij is de voortdurende smart en de schaduw, de nacht van de ziel, en ik heb geen stem om te schreeuwen.
Verkwansel uw rijkdommen ver van dit ongevoelige lichaam waar geen enkel seizoen, geestelijk noch zinnelijk, vat op heeft.

Ik heb het domein van de smart en de schaduw gekozen zoals anderen dat van de uitstraling en de ophoping van de materie.
Ik werk niet in de uitgestrektheid van welk domein dan ook.
Ik werk in de unieke duur.

ANTONIN ARTAUD – 1926
uit: La Pèse-nerfs in [ARTAUD 1956, p. 105-107)
vert. NKdeE 2020 met behulp van DeepL en deze vertaling van Hans Van Pinxteren

originele tekst
(http://archives.skafka.net/alice69/doc/aa_fragdunjournaldenfer.htm):

La corde que je laisse percer de l’intelligence qui m’occupe et de l’inconscient qui m’alimente, découvre des fils de plus en plus subtils au sein de son tissu arborescent. Et c’est une vie nouvelle qui renaît, de plus en plus profonde, éloquente, enracinée.

Jamais aucune précision ne pourra être donnée par cette âme qui s’étrangle, car le tourment qui la tue, la décharne fibre à fibre, se passe au-dessous de la pensée, au-dessous d’où peut atteindre la langue, puisque c’est la liaison même de ce qui la fait et la tient spirituellement agglomérée, qui se rompt au fur et à mesure que la vie l’appelle à la constance de la clarté. Pas de clarté jamais sur cette passion, sur cette sorte de martyre cyclique et fondamental. Et cependant elle vit mais d’une durée à éclipses où le fuyant se mêle perpétuellement à l’immobile, et le confus à cette langue perçante d’une clarté sans durée. Cette malédiction est d’un haut enseignement pour les profondeurs qu’elle occupe, mais le monde n’en entendra pas la leçon.

L’émotion qu’entraîne l’éclosion d’une forme, l’adaptation de mes humeurs à la virtualité d’un discours sans durée m’est un état autrement précieux que l’assouvissement de mon activité. C’est la pierre de touche de certains mensonges spirituels.

Cette sorte de pas en arrière que fait l’esprit en deçà de la conscience qui le fixe, pour aller chercher l’émotion de la vie. Cette émotion sise hors du point particulier où l’esprit la recherche, et qui émerge avec sa densité riche de formes et d’une fraîche coulée, cette émotion qui rend à l’esprit le son bouleversant de la matière, toute l’âme s’y coule et passe dans son feu ardent. Mais plus que le feu, ce qui ravit l’âme c’est la limpidité, la facilité, le naturel et la glaciale candeur de cette matière trop fraîche et qui souffle le chaud et le froid. Celui-là sait ce que l’apparition de cette matière signifie et de quel souterrain massacre son éclosion est le prix. Cette matière est l’étalon d’un néant qui s’ignore.

Quand je me pense, ma pensée se cherche dans l’éther d’un nouvel espace. Je suis dans la lune comme d’autres sont à leur balcon. Je participe à la gravitation planétaire dans les failles de mon esprit.

La vie va se faire, les événement se dérouler, les conflits spirituels se résoudre, et je n’y participerai pas. Je n’ai rien à attendre ni du côté physique ni du côté moral. Pour moi c’est la douleur perpétuelle et l’ombre, la nuit de l’âme, et je n’ai pas une voix pour crier. Dilapidez vos richesses loin de ce corps insensible à qui aucune sais ni spirituelle, ni sensuelle ne fait rien.

J’ai choisi le domaine de la douleur et de l’ombre comme d’autres celui du rayonnement et de l’entassement de la matière.

Je ne travaille pas dans l’étendue d’un domaine quelconque.

Je travaille dans l’unique durée.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #121

jt 121 – il s’agit de la durée de l’esprit – HAARDVUUR

Fragmenten uit een Dagboek van de Hel (3)

Ik voel de afbrokkelende grond onder mijn gedachten, en ik word ertoe gebracht om de termen die ik gebruik te overwegen zonder de steun van hun intieme betekenis, hun persoonlijke ondergrond. En beter nog, het punt waarop dit substraat zich lijkt te verbinden met mijn leven wordt mij ineens vreemd gevoelig, en virtueel. Ik heb het idee van een onvoorziene en vaste ruimte, waar normaal gesproken alles beweging, communicatie, interferentie, pad is.
Maar deze afbrokkeling die mijn denken in zijn grondslagen bereikt, in zijn meest urgente communicatie met de intelligentie en met het instinctmatige van de geest, vindt niet plaats op het gebied van een gevoelloos abstractum waaraan enkel de hogere delen van het intellekt zouden deelhebben. Niet zozeer de geest die intact blijft, bestekeld met punten, maar de zenuwbaan van het denken wordt door dit afbrokkelen bereikt en afgeleid. Het is in de ledematen en het bloed dat deze afwezigheid, deze onderbreking zich bijzonder sterk doet voelen.

Een grote koude,
Een wrede onthouding,
Het voorgeborchte van een nachtmerrie vol botten en spieren, met de gewaarwording van maagfuncties die klapperen als een vlag in het fosforesceren van de storm.

Embryonale beelden die elkaar als met de vinger verduwen en niet met enige materie in verbinding staan. 

Ik ben mens door mijn handen en mijn voeten, mijn buik, mijn vlezen hart, mijn maag waarvan de knooppunten mij verbinden met het bederf van het leven.

Men heeft het over woorden, maar het gaat niet om woorden, het gaat om de duur van de geest.
Deze afvallige woordenschors, men moet zich niet inbeelden dat de ziel er niet bij betrokken is. Naast de geest is er het leven, is er het menselijk leven in wiens cirkel die geest draait, met hem verbonden door een veelvoud van draden…

Nee, al dat lichamelijke ontwortelen, al die beknottingen van de lichamelijke activiteit en het ongemak van het zich afhankelijk voelen in het lichaam, en ook dat lichaam zelf, beladen met marmer en liggend op slecht hout, dat is niet gelijk aan de pijn van het beroofd zijn van de fysieke kennis en het gevoel van innerlijk evenwicht. Dat de ziel in gebreke blijft bij de taal en de tong bij de geest, en dat deze breuk door de velden der zinnen trekt als een grote voor van wanhoop en bloed, dat nu is de grote kwelling die niet de bast of het staketsel ondermijnt, maar de STOF der lichamen. Het is deze dwalende vonk die op het spel staat, waarvan men het gevoel heeft dat ZIJ HET WAS, een afgrond die op zichzelf de hele mogelijke omvang van de wereld wint, en het gevoel is dat van zodanige nutteloosheid dat het lijkt op de knoop van de dood. Deze nutteloosheid is als de morele kleur van deze afgrond en deze intense verbijstering, en de fysieke kleur ervan is de smaak van bloed dat in cascades door de openingen van de hersenen stroomt.

Men kan mij wel vertellen dat deze moordkuil in mijzelf ligt, ik neem deel aan het leven, ik vertegenwoordig de fataliteit die mij verkiest, en het bestaat niet dat al het leven van de wereld mij op een gegeven moment bij zich meetelt, want door haar aard zelf bedreigt zij het principe van het leven. Er is iets verheven boven iedere menselijke bezigheid: het is het voorbeeld van deze monotone kruisiging, van deze kruisiging waarbij de ziel zichzelf verliest en blijft verliezen.

ANTONIN ARTAUD – 1926
uit: La Pèse-nerfs in [ARTAUD 1956,105-107)
vert. NKdeE 2020 met behulp van DeepL en deze vertaling van Hans Van Pinxteren

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(http://archives.skafka.net/alice69/doc/aa_fragdunjournaldenfer.htm):

Je sens sous ma pensée le terrain qui s’effrite, et j’en suis amené à envisager les termes que j’emploie sans l’appui de leur sens intime, de leur substratum personnel. Et même mieux que cela, le point par où ce substratum semble se relier à ma vie me devient tout à coup étrangement sensible, et virtuel. J’ai l’idée d’un espace imprévu et fixé, là où en temps normal tout est mouvements, communication, interférences, trajet. Mais cet effritement qui atteint ma pensée dans ses bases, dans ses communications les plus urgentes avec l’intelligence et avec l’instinctivité de l’esprit, ne se passe pas dans le domaine d’un abstrait insensible où seules les parties hautes de l’intelligence participeraient. Plus que l’esprit qui demeure intact, hérissé de pointes, c’est le trajet nerveux de la pensée que cet effritement atteint et détourne. C’est dans les membres et le sang que cette absence et ce stationnement se font particulièrement sentir.

Un grand froid, une atroce abstinence, les limbes d’un cauchemar d’os et de muscles, avec le sentiment des fonctions stomacales qui claquent comme un drapeau dans les phosphorescences de l’orage. Images larvaires qui se poussent comme avec le doigt et ne sont en relations avec aucune matière.

Je suis homme par mes mains et mes pieds, mon ventre, mon coeur de viande, mon estomac dont les noeuds me rejoignent à la putréfaction de la vie.

On me parle de mots, mais il ne s’agit pas de mots, il s’agit de la durée de l’esprit. Cette écorce de mots qui tombe, il ne faut pas s’imaginer que l’âme n’y soit pas impliquée. A côté de l’esprit il y a la vie, il y a l’être humain dans le cercle duquel cet esprit tourne, relié avec lui par une multitude de fils…

Non, tous les arrachements corporels, toutes les diminutions de l’activité physique et cette gêne qu’il y a à se sentir dépendant dans son corps, et ce corps même chargé de marbre et couché sur un mauvais bois, n’égalent pas la peine qu’il y a à être privé de la science physique et du sens de son équilibre intérieur. Que l’âme fasse défaut à la langue ou la langue à l’esprit, et que cette rupture trace dans les plaines des sens comme un vaste sillon de désespoir et de sang, voilà la grande peine qui mine non l’écorce ou la charpente, mais l’ETOFFE du corps. Il y a à perdre cette étincelle errante et dont on sent qu’ELLE ETAIT un abîme qui gagne en soi toute l’étendue du monde possible, et le sentiment d’une inutilité telle qu’elle est comme le noeud de la mort. Cette inutilité est comme la couleur morale de cet abîme et de cette intense stupéfaction, et la couleur physique en est le goût d’un sang jaillissant par cascades à travers les ouvertures du cerveau.

On a beau me dire que c’est moi ce coupe-gorge, je participe à la vie, je représente la fatalité qui m’élit et il ne se peut pas que toute la vie du monde me compte à un moment donné avec elle puisque par sa nature même elle menace le principe de la vie. Il y a quelque chose qui est au-dessus de toute activité humaine : c’est l’exemple de ce monotone crucifiement, de ce crucifiement où l’âme n’en finit plus de se perdre.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
Vertalingen - Bewerkingen

BIJ EEN DODE DICHTER

Zijn dichtersziel helaas was heengegaan
In gotisch muzikale avondklank
En wonderbaarlijk te midden de zwarte tuien
boog dóór de zon zijn vaalgele kiel.

In mijn melancholie was ik dus gekomen
Om van die godgelijke het lijk te bekijken,
en ‘t Schone waar zich vormde bij het graf
Stralend en bloemrijk de Sublieme Idee;

Zeeorgels maakten een menigte lawaai
Getouwen kreunden onder het golven
Bij de goudvlam der kaarsen die weenden.

En stemmen stegen van goud en velours
Van ’t grote schip dat de processies versierden
Met heel zacht de blaastonen der doodsfluiten.

Antonin Artaud – 1914

SUR UN POÈTE MORT

Son âme de poète hélas était partie
Dans les sons musicaux et gothiques d’un soir
Et merveilleusement parmi les haubans noirs
Le soleil inclinait sa carène jaunie.

Alors j’étais venu dans ma mélancolie
De cet homme divin voir la dépouille et voir
La Beauté où se forme ainsi qu’un reposoir
La Sublime Pensée éclatante et fleurie.

Les orgues de la mer faisaient un bruit de foule,
Les cordages râlaient avec un bruit de houle
Parmi les flammes d’or des cierges qui pleuraient.

Et des voix s’élevaient du velours et de l’or
Du grand vaisseau que des processions décoraient
Aux sons très doux soufflant aux flûtes de la mort.

(1914)
https://ebooks-bnr.com/ebooks/pdf4/artaud_poemes.pdf



A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #120

jt 120 – la séparation à jamais – VUURHAARD

Fragmenten uit een Dagboek van de Hel (2)

Je hebt het goed mis om te zinspelen op deze verlamming die mij bedreigt. Ze bedreigt me wel degelijk, en het wordt elke dag erger. Ze bestaat al en het is een vreselijke realiteit. Natuurlijk doe ik nog steeds (maar hoe lang nog?) wat ik wil met mijn ledematen, maar het is al lang dat ik mijn geest niet meer beveel, en dat mijn onbewuste mij geheel beveelt met impulsen die uit de diepte van mijn nerveuze razernij komen en uit het kolken van mijn bloed. Schielijke en snelle beelden, en die in mijn gedachten alleen maar woorden van woede en blinde haat spreken, maar die als messteken of bliksem door een opgekropte hemel gaan.

Ik draag het stigma van een dood die mij dwingt tot waar de echte dood mij niet bevreest.

Deze angstaanjagende vormen die naar voren komen, ik voel dat de wanhoop die ze mij brengen, leeft. Hij kruipt tot aan die knoop van het leven waarna de wegen naar de eeuwigheid opengaan. Het is werkelijk de scheiding voor altijd. Zij schuiven hun mes in dat midden waar ik mij mens voel, zij snijden de vitale banden door die mij verenigen met de droom van mijn lucide realiteit.

Vormen van een kapitale wanhoop (waarlijk vitaal),
Viersprong der scheidingen
Viersprong van de sensatie van mijn vlees,
Verlaten door mijn lichaam,
Verlaten door elk mogelijk gevoel in de mens.
Ik kan het alleen maar vergelijken met de toestand waarin men zich bij een zware ziekte midden in een delirium bevindt, te wijten aan de koorts.

Uit de antinomie tussen het gemak diep in mij en mijn uiterlijke moeizaamheid ontstaat de foltering waaraan ik sterf.

Laat de tijd voorbijgaan en de sociale stuiptrekkingen in de wereld de gedachten van de mensen teisteren, ik ben vrij van elke gedachte die door de fenomenen is doorweekt. Laat mij maar in mijn uitgerekte nevel, bij mijn onsterfelijke onmacht, bij mijn onzinnige verwachtingen. Maar men dient goed te weten dat ik van geen enkele van mijn fouten afstand doe. Als ik het verkeerd heb ingeschat, is het de schuld van mijn vlees, maar die klaarten die mijn geest van uur tot uur laat uitfilteren, dat is mijn vlees waarvan het bloed zich hult in bliksemflitsen.

Hij spreekt van narcisme, ik antwoord hem dat het om mijn leven gaat. Ik aanbid niet mijzelf maar het vlees, vlees in de sensibele zin van het woord. Alle dingen raken mij slechts voor zover ze op mijn vlees inwerken, ermee samenvallen, en tot op dat punt dat ze het schokken, en verder niet. Niets raakt mij, interesseert mij dat zich niet onmiddellijk tot mijn vlees richt. En daar hij spreekt tot mij over het Zelf. Ik antwoord hem dat het Ik en het Zelf twee verschillende termen zijn en niet te verwarren, en het zijn heel exact die twee termen, die balanceren, die het evenwicht van het vlees uitmaken.

ANTONIN ARTAUD – 1926
uit: La Pèse-nerfs in [ARTAUD 1956,105-107)
vert. NKdeE 2020 met behulp van DeepL en deze vertaling van Hans Van Pinxteren

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:

Tu as bien tort de faire allusion à cette paralysie qui me menace. Elle me menace en effet et elle gagne de jour en jour. Elle existe déjà et comme une horrible réalité. Certes je fais encore (mais pour combien de temps ?) ce que je veux de mes membres, mais voilà longtemps que je ne commande plus à mon esprit, et que mon inconscient tout entier me commande avec des impulsions qui viennent du fond de mes rages nerveuses et du tourbillonnement de mon sang. Images pressées et rapides, et qui ne prononcent à mon esprit que des mots de colère et de haine aveugle, mais qui passent comme des coups de couteau ou des éclairs dans un ciel engorgé.

Je suis stigmatisé par une mort pressante où la mort véritable est pour moi sans terreur.

.Ces formes terrifiantes qui s’avancent, je sens que le désespoir qu’elles m’apportent est vivant. Il se glisse à ce noeud de la vie après lequel les routes de l’éternité s’ouvrent. C’est vraiment la séparation à jamais. Elles glissent leur couteau à ce ventre où je me sens homme, elles coupent les attaches vitales qui me rejoignent au songe de ma lucide réalité.

Formes d’un désespoir capital (vraiment vital), carrefour des séparations, carrefour de la sensation de ma chair, abandonné par mon corps, abandonné de tout sentiment possible dans l’homme. Je ne puis le comparer qu’à cet état dans lequel on se trouve au sein d’un délire dû à la fièvre, au cours d’une profonde maladie.

C’est cette antinomie entre ma facilité profonde et mon extérieure difficulté qui crée le tourment dont je meurs.

Le temps peut passer et les convulsions sociales du monde ravager les pensées des hommes, je suis sauf de toute pensée qui trempe dans les phénomènes. Qu’on me laisse à mes nuages éteints, à mon immortelle impuissance, à mes déraisonnables espoirs. Mais qu’on sache bien que je n’abdique aucune de mes erreurs. Si j’ai mal jugé, c’est la faute de ma chair, mais ces lumières que mon esprit laisse filtrer d’heure en heure, c’est ma chair dont le sang se recouvre d’éclairs.

Il me parle de Narcissisme, je lui rétorque qu’il s’agit de ma vie. J’ai le culte non pas du moi mais de la chair, dans le sens sensible du mot chair. Toutes les choses ne me touchent qu’en tant qu’elles affectent ma chair, qu’elles coïncident avec elle, et à ce point même où elles l’ébranlent, pas au-delà. Rien ne me touche, ne m’intéresse que ce qui s’adresse directement à ma chair. Et à ce moment il me parle du Soi. Je lui rétorque que le Moi et le Soi sont deux termes distincts et à ne pas confondre, et sont très exactement les deux termes qui se balancent de l’équilibre de la chair.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

Categorieën
Vertalingen - Bewerkingen

HET MYSTIEKE ZEESCHIP

’t Archaische zeeschip zal zijn verloren gegaan
Op zeeën waar mijn dromen hopeloos baden
En de immense masten verwrongen geraakt
In de hemelse nevel van bijbel en hymne.

Een liedje klinkt maar niet het bucolisch antieke
Mysterieus tussen de kale bomen;
En ’t heilige schip zal zijn zeldzaamste waren
Nooit verkocht hebben ver in den vreemde

Hij kent de vuren niet der havens op aarde.
Hij kent slechts God en zonder solitair doel
Scheidt hij de gloriegolven der oneindigheid.

Het eind van zijn boegspriet duikt in mysterie.
Aan de top zijner masten trilt elke nacht
Het zuivere, mystieke zilver van de Poolster.

Antonin Artaud – 1913

LE NAVIRE MYSTIQUE

Il se sera perdu le navire archaïque
Aux mers où baigneront mes rêves éperdus ;
Et ses immenses mâts se seront confondus
Dans les brouillards d’un ciel de bible et de cantique.

Un air jouera, mais non d’antique bucolique,
Mystérieusement parmi les arbres nus ;
Et le navire saint n’aura jamais vendu
La très rare denrée aux pays exotiques.

Il ne sait pas les feux des havres de la terre.
Il ne connaît que Dieu et sans fin solitaire
Il sépare les flots glorieux de l’infini.

Le bout de son beaupré plonge dans le mystère.
Aux pointes de ses mâts tremble toutes les nuits
L’argent mystique et pur de l’étoile polaire.

(1913)
https://ebooks-bnr.com/ebooks/pdf4/artaud_poemes.pdf

NKdeE 2020 – LE NAVIRE MYSTIQUE – pastel & wasco -A5

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

Categorieën
lyriek Vertalingen - Bewerkingen

EXTASE

Zilveren sintels, vuurkolenkroes
Met van zijn intieme macht de muziek
Geledigde vuurgloed, verlost, schors
Die doende haar werelden lost

Uitputtend onderzoek van het ik
Penetratie die zich te buiten gaat
Ha! de ijsbrandstapel op, samen
Met het brein dat het heeft bedacht.

De oude onpeilbare queeste
Extravaseert in genot
Voelbare zinnelijkheden, extase
In waarachtig zingend kristal.

O inktenmuziek, muziek
Muziek van bedolven kolen
Zacht, wegend, die ons verlost
Met zijn fosforgeheimen.

Antonin Artaud – vert. NKdeE 2020

EXTASE

Argentin brasier, braise creusée
Avec la musique de son intime force
Braise évidée, délivrée, écorce
Occupée à livrer ses mondes.

Recherche épuisante du moi
Pénétration qui se dépasse
Ah! joindre le bûcher de glace
Avec l’esprit qui le pensa.

La vieille poursuite insondable
En jouissance s’extravase
Sensualités sensibles, extase
Aux cristaux chantants véritables.

Ô musique d’encre, musique
Musique des charbons enterrés
Douce, pesante qui nous délivre
Avec ses phosphores secrets.

Antonin Artaud, uit: BILBOQUET in [ARTAUD 1956, p.191]

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #116

jt116 – les tetes moins que les trous – HUISWERK

DE STRAAT

De seksuele straat leeft op
langs de ongepaste gevels,
de cafés, waar misdaad kwettert,
ontwortelen de lanen.

In de zakken branden sexehanden
en de buiken drinken langs onder;
alle gedachten laten het klinken,
en de koppen minder dan de gaten.

LA RUE

La rue sexuelle s’anime
le long de faces mal venues,
les cafés pepiant de crimes
deracinent les avenues.

Des mains de sexe brûlent les poches
et les ventres bouent par-dessous;
toutes les pensees s’entrechoquent,
et les tetes moins que les trous.

Antonin Artaud, uit BILBOQUET [ARTAUD 1956, p.226]

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

bibliografie

ARTAUD 1947: Artaud, Antonin, Van Gogh le suicidé de la société, Gallimard, Paris, 2018, ISBN 978-2-07-076112-8

ARTAUD 1956: Artaud, Antonin, Oeuvres Complètes Tome I, Gallimard, Paris, 1956

BARTHES 1995: Roland Barthes, Oeuvres complètes vol. III , Paris: Seuil, 1995

BONNEFOIT 2013: Bonnefoit, Régine, Paul Klee. Sa théorie de l’art. Lausanne, PPur (Presses polytechnique et universitaires romandes), 2013 ISBN 978-2-88915-034-2

CHAUVIRÉ 2003: Chauviré Christiane, Phénoménologie et esthétique. Le mythe de l’indescriptible chez Wittgenstein dans Rue Descartes, nr 39, Wittgenstein et L’art (februari 2003), PUF

CHEVRIER 2019: Chevrier, Jean-François, Bernard Réquichot. Zones sensibles, Paris , Flammarion, 2019, ISBN 978-2-0814-4197-2

CV-P 2016 I: Viallat-Patonnier, Claire, Les dimensions de l’écriture dans l’oeuvre de Bernard Réquichot. Etudes d’un processus. Vol. I: Thèse , Paris , ECOLE DES HAUTES ETUDES EN SCIENCES SOCIALES, 2016

CV-P 2016 II: Viallat-Patonnier, Claire, Les dimensions de l’écriture dans l’oeuvre de Bernard Réquichot. Etudes d’un processus. Vol. II: Annexes et illustrations, Paris , ECOLE DES HAUTES ETUDES EN SCIENCES SOCIALES, 2016

CR 1973: Billot, Marcel (ed.), Bernard Réquichot. Bruxelles, La Connaissance, 1973 (Catalogue Raisonné)

FREUD 1989 I: Freud, Sigmund, Colleges inleiding tot de psychoanalyse . Inleiding tot de psychoanalyse 1/2, Boom Meppel Amsterdam, 1989

GREEN 2013: Green, Michael (vert. & red.), The Russian Symbolist Theatre. An Anthology of Plays and Critical Texts, Ardis, New York 2013.

KUSTERS 2014: Kusters, Wouter, Filosofie van de Waanzin, Lemniscaat, Rotterdam 2014

MORALES 2002 : Moralès, Gérald: La Poésie de Bernard Réquichot. De l’être à lettre, EFEdition, Paris 2002, ISBN 2-913786-13-8

MORALES 2010, Moralès, Gérald: L’écriture du réel. Pour une philosophie du sujet, Paris , Cerf, 2010, ISBN 978-2-204-09225-8

MURRAY 2014: Murray, Ros, Antonin Artaud, The Scum of the Soul, London, Palgrave Macmillan, 2014, ISBN 978–1–137–31057–6

OURY 1989, Oury, Création et schizophrénie, Paris, Gallimard 1989, ISBN 978-2-7186-0354-4

REQUICHOT 2002: Réquichot, Bernard: Écrits divers. Journal, lettres, textes épars, Faustus, poèmes, 1951-1961, Les Presses du réel, Dijon, 2002

VALERY I: Valery, Paul, Oeuvres Tome I, Hytier, Jean (ed.), Paris, Gallimard, 1957

VALERY II: Valery, Paul, Oeuvres Tome II, Hytier, Jean (ed.), Paris, Gallimard, 1960

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #115

jt115 – le vrai néant effilé – VELDSLAG

Er bestaat een zure en troebele beklemming, even machtig als een mes, waarvan de opdeling het gewicht heeft van de aarde, een beklemming met klaarten, met de interpunctie van afgronden, gekneld en geperst als punaises, als een soort hard ongedierte en waarvan alle bewegingen verstard zijn, een beklemming waarin de geest zich worgt, zichzelf snijdt, – zich doodt.
Zij verbruikt niets dat haar niet toebehoort, zij komt voort uit haar eigen asfyxie.
Zij is een bevriezing van het merg, een afwezigheid van mentaal vuur, een circulatiegebrek van het leven.
Maar de opiate* beklemming heeft een andere kleur, zij heeft niet dat metafysisch verglijden, dat wonderlijke imperfecte accent. Die stel ik mij voor als vol echo’s, grotten, labyrinten, omkeringen; vol pratende vuurtongen, actieve geestesogen en het klappen van sombere bliksems vervuld van rede.
Dus de ziel stel ik mij wel heel centraal voor en toch tot in het oneindige opdeelbaar, en verplaatsbaar als een ding dat is. Ik stel mij de ziel gevoelend voor, die tegelijk strijdt en toegeeft, en haar tongen in alle zinnen draait, en haar geslacht vermenigvuldigt, – en zich doodt.
Het is nodig het echte uitgerafelde niets te kennen, het niets dat geen orgaan meer heeft. Het niets van de opium heeft in zich de ruimte van een zwart gat als de vorm van een voorhoofd dat denkt, dat gesitueerd heeft.
Maar ik spreek van de afwezigheid van het gat, van een soort lijden dat koud is en zonder beelden, zonder sentiment, en dat is als een onbeschrijfbare aborterende stomp.

Antonin Artaud

de originele tekst uit ‘ L’Ombilic des Limbes’:

        Il y a une angoisse acide et trouble, aussi puissante qu’un couteau, et dont l’écartèlement a le poids de la terre, une angoisse en éclairs, en ponctuation de gouffres, serrés et pressés comme des punaises, comme une sorte de vermine dure et dont tous les mouvements sont figés, une angoisse où l’esprit s’étrangle et se coupe lui-même, — se tue.
       Elle ne consume rien qui ne lui appartienne, elle  naît de sa propre asphyxie.
       Elle est une congélation de la moelle, une absence de feu mental, un manque de circulation de la vie.
       Mais l’angoisse opiumique a une autre couleur, elle n’a pas cette pente métaphysique, cette merveilleuse imperfection d’accent. Je l’imagine pleine d’échos, et de caves, des labyrinthes, de retournements; pleine de langues de feu parlantes, d’yeux mentaux en action et du claquement d’une foudre sombre et remplie de raison.
        Mais j’imagine l’âme alors bien centrée, et toutefois à l’infini divisible, et transportable comme une chose qui est. J’imagine l’âme sentante et qui à la fois lutte et consent, et fait tourner en tous sens ses langues, multiplie son sexe, — et se tue.
         Il faut connaître le vrai néant effilé, le néant qui n’a plus d’organe. Le néant de l’opium a en lui comme la forme d’un front qui pense, qui a situé la place du trou noir.
         Je parle moi de l’absence de trou, d’une sorte de souffrance froide et sans images, sans sentiment, et qui est comme un heurt indescriptible d’avortements.

[ARTAUD 1956, p.72-73]


** de ‘angoisse’ ten gevolge van opiumgebruik. Enkele bladzijden terug, in de tekst ‘Lettre à monsieur le Legislateur de la Loi sur les Stupifiant’, heeft Artaud een fel pleidooi gehouden voor het zelfbeschikkingsrecht van de opiumgebruiker die onderworpen aan zijn vreselijk mentale lijden, zich bij gebrek aan beter gedwongen ziet om zijn toevlucht te nemen tot dergelijke middelen. Niemand heeft het recht hem daarvoor te criminaliseren. Immers “Toute la science hasardeuse des hommes n’est pas supérieure à la connaissance immédiate que je puis avoir de mon être. Je suis seul juge de ce qui est en moi”, een argument dat o.i. nog steeds stand houdt, maar bon, wie zijn wij etc.
Elkwegs: het lijkt er fel op dat Artaud met deze tekst wou aantonen dat hij weet waarover hij praat, om zo de argumentatie daar kracht bij te zetten.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

bibliografie

ARTAUD 1947: Artaud, Antonin, Van Gogh le suicidé de la société, Gallimard, Paris, 2018, ISBN 978-2-07-076112-8

ARTAUD 1956: Artaud, Antonin, Oeuvres Complètes Tome I, Gallimard, Paris, 1956

BARTHES 1995: Roland Barthes, Oeuvres complètes vol. III , Paris: Seuil, 1995

BONNEFOIT 2013: Bonnefoit, Régine, Paul Klee. Sa théorie de l’art. Lausanne, PPur (Presses polytechnique et universitaires romandes), 2013 ISBN 978-2-88915-034-2

CHAUVIRÉ 2003: Chauviré Christiane, Phénoménologie et esthétique. Le mythe de l’indescriptible chez Wittgenstein dans Rue Descartes, nr 39, Wittgenstein et L’art (februari 2003), PUF

CHEVRIER 2019: Chevrier, Jean-François, Bernard Réquichot. Zones sensibles, Paris , Flammarion, 2019, ISBN 978-2-0814-4197-2

CV-P 2016 I: Viallat-Patonnier, Claire, Les dimensions de l’écriture dans l’oeuvre de Bernard Réquichot. Etudes d’un processus. Vol. I: Thèse , Paris , ECOLE DES HAUTES ETUDES EN SCIENCES SOCIALES, 2016

CV-P 2016 II: Viallat-Patonnier, Claire, Les dimensions de l’écriture dans l’oeuvre de Bernard Réquichot. Etudes d’un processus. Vol. II: Annexes et illustrations, Paris , ECOLE DES HAUTES ETUDES EN SCIENCES SOCIALES, 2016

CR 1973: Billot, Marcel (ed.), Bernard Réquichot. Bruxelles, La Connaissance, 1973 (Catalogue Raisonné)

FREUD 1989 I: Freud, Sigmund, Colleges inleiding tot de psychoanalyse . Inleiding tot de psychoanalyse 1/2, Boom Meppel Amsterdam, 1989

GREEN 2013: Green, Michael (vert. & red.), The Russian Symbolist Theatre. An Anthology of Plays and Critical Texts, Ardis, New York 2013.

KUSTERS 2014: Kusters, Wouter, Filosofie van de Waanzin, Lemniscaat, Rotterdam 2014

MORALES 2002 : Moralès, Gérald: La Poésie de Bernard Réquichot. De l’être à lettre, EFEdition, Paris 2002, ISBN 2-913786-13-8

MORALES 2010, Moralès, Gérald: L’écriture du réel. Pour une philosophie du sujet, Paris , Cerf, 2010, ISBN 978-2-204-09225-8

MURRAY 2014: Murray, Ros, Antonin Artaud, The Scum of the Soul, London, Palgrave Macmillan, 2014, ISBN 978–1–137–31057–6

OURY 1989, Oury, Création et schizophrénie, Paris, Gallimard 1989, ISBN 978-2-7186-0354-4

REQUICHOT 2002: Réquichot, Bernard: Écrits divers. Journal, lettres, textes épars, Faustus, poèmes, 1951-1961, Les Presses du réel, Dijon, 2002

VALERY I: Valery, Paul, Oeuvres Tome I, Hytier, Jean (ed.), Paris, Gallimard, 1957

VALERY II: Valery, Paul, Oeuvres Tome II, Hytier, Jean (ed.), Paris, Gallimard, 1960

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer lyriek Proza Vertalingen - Bewerkingen

journal intime #114

jt114 – Le sol est tout conchié d’âmes – SLAGVELD

de dichters heffen de handen
daar waar trilt het levend vitriool,
op de tafels idool is het zwerk dat
beentrekt in een boog. het lid

murwt een tong van ijs in elk
gat, elke kier die de hemel zo
voortschrijdend open laat.

de vloer is gans onder gescheten
met zielen en vrouwen met leuke
sexe-deeltjes, heel kleine krengen
die hun mummies afwikkelen.

Les poètes lèvent des mains
où tremblent de vivante vitriols
sur les tables le ciel idole
s’ arc-boute, et le sexe fin

trempe une langue de glace
dans chaque trou, dans chaque place
que le ciel laisse en avançant.

Le sol est tout conchié d’ämes
et de femmes aux sexe joli
dont les cadavres tous petits
dépapillotent leurs momies.

Antonin Artaud – uit ‘L’Ombilic des Limbes’ in [ARTAUD 1956, p71]

NKdeE 2020 – ‘les poètes [se] lèvent des mains – Artaud’ – A5 -potlood-krijt-wasco

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

bibliografie

ARTAUD 1947: Artaud, Antonin, Van Gogh le suicidé de la société, Gallimard, Paris, 2018, ISBN 978-2-07-076112-8

ARTAUD 1956: Artaud, Antonin, Oeuvres Complètes Tome I, Gallimard, Paris, 1956

BARTHES 1995: Roland Barthes, Oeuvres complètes vol. III , Paris: Seuil, 1995

BONNEFOIT 2013: Bonnefoit, Régine, Paul Klee. Sa théorie de l’art. Lausanne, PPur (Presses polytechnique et universitaires romandes), 2013 ISBN 978-2-88915-034-2

CHAUVIRÉ 2003: Chauviré Christiane, Phénoménologie et esthétique. Le mythe de l’indescriptible chez Wittgenstein dans Rue Descartes, nr 39, Wittgenstein et L’art (februari 2003), PUF

CHEVRIER 2019: Chevrier, Jean-François, Bernard Réquichot. Zones sensibles, Paris , Flammarion, 2019, ISBN 978-2-0814-4197-2

CV-P 2016 I: Viallat-Patonnier, Claire, Les dimensions de l’écriture dans l’oeuvre de Bernard Réquichot. Etudes d’un processus. Vol. I: Thèse , Paris , ECOLE DES HAUTES ETUDES EN SCIENCES SOCIALES, 2016

CV-P 2016 II: Viallat-Patonnier, Claire, Les dimensions de l’écriture dans l’oeuvre de Bernard Réquichot. Etudes d’un processus. Vol. II: Annexes et illustrations, Paris , ECOLE DES HAUTES ETUDES EN SCIENCES SOCIALES, 2016

CR 1973: Billot, Marcel (ed.), Bernard Réquichot. Bruxelles, La Connaissance, 1973 (Catalogue Raisonné)

FREUD 1989 I: Freud, Sigmund, Colleges inleiding tot de psychoanalyse . Inleiding tot de psychoanalyse 1/2, Boom Meppel Amsterdam, 1989

GREEN 2013: Green, Michael (vert. & red.), The Russian Symbolist Theatre. An Anthology of Plays and Critical Texts, Ardis, New York 2013.

KUSTERS 2014: Kusters, Wouter, Filosofie van de Waanzin, Lemniscaat, Rotterdam 2014

MORALES 2002 : Moralès, Gérald: La Poésie de Bernard Réquichot. De l’être à lettre, EFEdition, Paris 2002, ISBN 2-913786-13-8

MORALES 2010, Moralès, Gérald: L’écriture du réel. Pour une philosophie du sujet, Paris , Cerf, 2010, ISBN 978-2-204-09225-8

MURRAY 2014: Murray, Ros, Antonin Artaud, The Scum of the Soul, London, Palgrave Macmillan, 2014, ISBN 978–1–137–31057–6

OURY 1989, Oury, Création et schizophrénie, Paris, Gallimard 1989, ISBN 978-2-7186-0354-4

REQUICHOT 2002: Réquichot, Bernard: Écrits divers. Journal, lettres, textes épars, Faustus, poèmes, 1951-1961, Les Presses du réel, Dijon, 2002

VALERY I: Valery, Paul, Oeuvres Tome I, Hytier, Jean (ed.), Paris, Gallimard, 1957

VALERY II: Valery, Paul, Oeuvres Tome II, Hytier, Jean (ed.), Paris, Gallimard, 1960

Categorieën
Vertalingen - Bewerkingen

zwarte dichter

Zwarte dichter, door een maagdenschoot
behekst,
verzuurde dichter, ’t leven stokt
en de stad brandt,
en de hemel kwijt zich in regen,
jouw veer krabt aan het hart van het leven.

Bossen, bossen, ogen zwermen
rond pijnappelwoekering;
met stormharen de dichters
vorken de paarden, de honden.

De ogen razen, de tongen roeren
de hemeltoevloed in de neusgaten om
als melk, voedzaam en blauw;
ik ben opgehangen aan uw lippen,
vrouwen, harde harten vol azijn.

Antonin Artaud – vert. NKdeE 2020

POETE NOIR

Poète noir, un sein de pucelle
te hante,
poète aigri, la vie bout
et la ville brûle,
et le ciel se résorbe en pluie,
ta plume gratte au coeur de la vie.

Forêt, forêt, des yeux fourmillent
sur les pignons multipliés ;
cheveux d’orage, les poètes
enfourchent des chevaux, des chiens.

Les yeux ragent, les langues tournent
le ciel afflue dans les narines
comme un lait nourricier et bleu ;
je suis suspendu à vos bouches
femmes, coeurs de vinaigre durs.

uit: Ombilic des Limbes,
in Artaud, Antonin, Oeuvres Completes Tome I, Gallimard, Paris 1956, p.65

Categorieën
journal intime Kathedraalse Leer Proza

journal intime 106

jt105 – inondation de corbeaux noirs dans les fibres de son arbre interne – ORGEL

Roland Barthes weer, over Artaud deze keer:

“L’écriture d’Artaud est située à un tel niveau d’incandescence, d’incendie, et de transgression, qu’au fond il n’y a rien à dire sur Artaud. Il n’y a pas de livre à écrire sur Artaud. Il n’y a pas de critique à faire d’Artaud. La seule solution serait d’écrire comme lui, d’entrer dans le plagiat d’Artaud.” [google translate in nieuw tabblad]

[BARTHES 1995, p.63]

bon, daar zit nog wat eer in: hij kan er niks mee aan, en hij is daar eerlijk in. want net als bij Réquichot moet Barthes ook de woorden van Antonin Artaud naast zich neerleggen, want iets ervan herhalen, dat kan je niet als je Barthes bent want dan ontken je alles wat je zelf doet.

heel de ‘literatuur’ die er over Artaud bestaat, kan er enkel op gericht zijn om hem onschadelijk te maken, want elk woord van Artaud is een ontegensprekelijke aanklacht, een onaanhoorbare schreeuw en een onmogelijke waarheid. Artaud lezen heeft weinig van een dialoog, en alles van een ondergaan.

Ros Murray, die dit citaat van Barthes aanhaalt in zijn Artaudboek zegt daarover:

In order to write about Artaud one must to some extent be able to ‘get over’ Artaud, as it were, and to take a certain amount of distance.

[MURRAY 2014, p.6]

vanuit de verte, en alsof er niks gebeurt is. zoals je de honger in de wereld behandelt, of de klimaattoestand, of de onthoofde meisjes in Iran, of zoals je de literaire kwaliteiten van de Max Havelaar roemt terwijl wat er beschreven wordt nog bezig is.

alsof Artaud niet vanaf zijn eerste boek consequent en doelbewust zijn werk heeft opgehangen in het leven, ter destructie, als invoer, als offer, als gave?

Je souffre que l’Esprit ne soit pas dans la vie et que la vie ne soit pas l’Esprit, je souffre de l’Esprit-organe, de L’Esprit-traduction, ou de l’Esprit-intimidation-des-choses pour le faire entrer dans l’Esprit.
Ce livre je le mets en suspension dans la vie, je veux qu’il soit mordu par les choses extérieures, et d’ abord par tous les soubresauts en cisaille, toutes les cillations de mon moi à venir. [google translate in nieuw tabblad]

[ARTAUD 1956, ( L’Ombilic des Limbes), p49]

alsof het werk van Artaud helemaal niks verwacht van jou, alsof het niks vraagt, net zoals ik bijna iedereen die zichzelf ‘schrijver’ of ‘auteur’ durft te noemen, zich gedraagt alsof we ergens in een enclave van de tijd zitten , een samenraapsel van momenten waarin je nog ‘vrij aan literatuur’ kunt doen een soort virtuele mix van wat jaren ’20, met wat scheutjes jaren ’50 en ’60 op een bodempje klassiek een laagje schuim van actualia erop en goh ja, kom, lekker voortkwebbelen, lieve literatoren onder elkaar, ha ziet, een oorlogsromanneke, ja jij gaat vast een prijs winnen met je nieuwe boek deze keer, eens kom je toch aan de beurt…

get over it, Vekemans, neem toch wat afstand.
1,5 meter, is dat goed? mag ik echt niet mee naar Mars?

pour en finire…
allez kom è…

wat vraagt Artaud van ons?
vraagt Artaud van ons dat wij over hem zouden schrijven? neen, Antonin Artaud vraagt niet dat wij over hem zouden schrijven.
vraagt Artaud dat wij hem zouden uitleggen? neen, Antonin Artaud vraagt geenszins dat wij hem zouden uitleggen.
vraagt Artaud van ons dat wij hem zouden herhalen? dat wij zouden schrijven zoals hij schreef? neen, Antonin Artaud vraagt nergens dat wij hem zouden herhalen of dat wij zouden schrijven zoals hij schreef.
maar wat vraagt dan die waanzinnige zeikerd dan van ons? wat wil dat krapuul van ons?

Antonin Artaud vraagt dat wij hem zouden lezen.
Antonin Artaud vraagt dat wij kennis zouden nemen van het werk waaraan hij leed.
Antonin Artaud vraagt ons, smeekt ons, beveelt ons om de geest aan het werk te zien, die in hem Antonin Artaud vermoordde, net zoals de kankerkraaien van het geweten van de samenleving de innerlijke boom van Van Gogh vernietigden.
Antonin Artaud hoopt dat wij tenminste een manier zouden vinden om die vernietigende kracht te verlossen. want het is die vernietigende kracht, die stem, die dwars door het leven van Antonin Artaud in elk moment daarvan vraagt, eist om gehoord te worden, en hij zelf kon niks anders doen dan alles wat eerst Antonin Artaud en toen Antonin Nalpas en toen Artaud Le Momo deed en al die daden en al die woorden samen waarmee hij al die jaren van lijden samenviel, was en is en zal altijd de best mogelijke manier zijn om ons duidelijk te maken wat het allemaal wil zeggen…

Antonin Artaud vraagt dus enkel dat wij hem zouden lezen, en dat we verder, als behorende tot een wereld die elke dag kut met groene saus eet en geflaggeleerde jezekenspenis, a.u.b. als het enigszins zou kunnen toch graag zoveel mogelijk onze mistroostige geile bek zouden houden.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

bibliografie

ARTAUD 1947: Artaud, Antonin, Van Gogh le suicidé de la société, Gallimard, Paris, 2018, ISBN 978-2-07-076112-8

ARTAUD 1956: Artaud, Antonin, Oeuvres Complètes Tome I, Gallimard, Paris, 1956

BARTHES 1995: Roland Barthes, Oeuvres complètes vol. III , Paris: Seuil, 1995

BONNEFOIT 2013: Bonnefoit, Régine, Paul Klee. Sa théorie de l’art. Lausanne, PPur (Presses polytechnique et universitaires romandes), 2013 ISBN 978-2-88915-034-2

CHAUVIRÉ 2003: Chauviré Christiane, Phénoménologie et esthétique. Le mythe de l’indescriptible chez Wittgenstein dans Rue Descartes, nr 39, Wittgenstein et L’art (februari 2003), PUF

CHEVRIER 2019: Chevrier, Jean-François, Bernard Réquichot. Zones sensibles, Paris , Flammarion, 2019, ISBN 978-2-0814-4197-2

CV-P 2016 I: Viallat-Patonnier, Claire, Les dimensions de l’écriture dans l’oeuvre de Bernard Réquichot. Etudes d’un processus. Vol. I: Thèse , Paris , ECOLE DES HAUTES ETUDES EN SCIENCES SOCIALES, 2016

CV-P 2016 II: Viallat-Patonnier, Claire, Les dimensions de l’écriture dans l’oeuvre de Bernard Réquichot. Etudes d’un processus. Vol. II: Annexes et illustrations, Paris , ECOLE DES HAUTES ETUDES EN SCIENCES SOCIALES, 2016

CR 1973: Billot, Marcel (ed.), Bernard Réquichot. Bruxelles, La Connaissance, 1973 (Catalogue Raisonné)

FREUD 1989 I: Freud, Sigmund, Colleges inleiding tot de psychoanalyse . Inleiding tot de psychoanalyse 1/2, Boom Meppel Amsterdam, 1989

GREEN 2013: Green, Michael (vert. & red.), The Russian Symbolist Theatre. An Anthology of Plays and Critical Texts, Ardis, New York 2013.

KUSTERS 2014: Kusters, Wouter, Filosofie van de Waanzin, Lemniscaat, Rotterdam 2014

MORALES 2002 : Moralès, Gérald: La Poésie de Bernard Réquichot. De l’être à lettre, EFEdition, Paris 2002, ISBN 2-913786-13-8

MORALES 2010, Moralès, Gérald: L’écriture du réel. Pour une philosophie du sujet, Paris , Cerf, 2010, ISBN 978-2-204-09225-8

MURRAY 2014: Murray, Ros, Antonin Artaud, The Scum of the Soul, London, Palgrave Macmillan, 2014, ISBN 978–1–137–31057–6

OURY 1989, Oury, Création et schizophrénie, Paris, Gallimard 1989, ISBN 978-2-7186-0354-4

REQUICHOT 2002: Réquichot, Bernard: Écrits divers. Journal, lettres, textes épars, Faustus, poèmes, 1951-1961, Les Presses du réel, Dijon, 2002

VALERY I: Valery, Paul, Oeuvres Tome I, Hytier, Jean (ed.), Paris, Gallimard, 1957

VALERY II: Valery, Paul, Oeuvres Tome II, Hytier, Jean (ed.), Paris, Gallimard, 1960