Categorieën
101Aanroepingen gedicht van de dag lyriek

Delvauxesque

De ketel puft heftig, het water wil aftochten.

Je wil nog zwemmen, je alsnog met de zee
van mijn kilte benatten. Vuur verklaart stormachtig
het sterven aan het blauwzwarte uiteinde
van windstoten. Ik golf in de zee
zoals ik golfde in haren.

De wolken trekken zich in afschuw af
van het ondermaanse. Je staat hemels besmeurd
en perplex bij de gedachte aan aankomst.
Je wacht jezelf nog toppen tsunami
met je lust aan de voet van het wachten.

Je ziet jezelf naakt voor het raam
in het salon van je weigering.
Het rad dat je draait is de staart
van een pauw van de foor.

Waarom aarzel je nog, daar op je rand van beton?
De chauffeur kijkt niet om.

Het duister donkert nog, het woelen
wakkert het woelen nog aan.
Het iets dat te gebeuren staat, klimt
hoog op de beurs. De onrust wordt

mondig. Jij die mij kent
begrijpt in extase je haren.

Je ligt als LAIS
met waaier en kroon jezelf te verlaten:
ik geef je de parel, je hebt
het bereikt.

invoer (2017) – voor ‘101 Eigentijdse Aanroepingen van de Muze’