LAIS CCXI

Het roept de dode tekens nu bij zich,
en noodt de doos  herinnering erbij,
en in de ton van ’t gif drijft Het zijn wig,
en zure vochten kolken ’t om tot brij.
Het einde keert doorheen Het heen, voorbij.
Zijn handen maakten weer begin van haar:
LAIS verrees, ’t boog diep en ’t staarde maar,
Het werd aan riemen in’t galei geketend.
 O maan: op nachtzee deinde licht van haar,
en Het verzonk in haar die dit ontkent.

invoertekst (2013)

asemische lezing van LAIS CCXI