Categorieën
lyriek

22 B11

Je lichaam valt mijn vingers uit & zinkt
het vormeloze in. Je zucht verwijdert
zich in beelden die vervagen. Je hals
is nog een vale waas van licht, ik durf

de ogen niet te sluiten. Koude die niet
wijken wil. Kale takken tikken op het raam.
De frigo slaat aan, je adem is een ondertoon.
Hier klopt iets niet, nee, dat was geen telefoon.

Verbolgen draait de aarde dol in mij, haar
gronden willen weg van ons, haar zeeën
walgen wee de stranden aan,  haar zieke zon

doet teken aan de maan:  geheel de naam
van dit bestaan wordt langzaam uitgesproken.
Al het gaan wordt door een ramp verdaan.

Geef een reactie