Categorieën
Lopende zaken lyriek

PERDIX DAEDALI


KRETA

Argumentum :

Daedalus interea Creten longumque perosus
exilium tactusque loci natalis amore
clausus erat pelago (Ovid. M. VIII).

I.

Een klokketoren trekt zich aan
afwezig brons de hoogte in.
De windhaan kriept het duren uit
& slaakt de tijd die aangezet

tot riemen over al je leden heen
ligt opgespannen. Het landschap
in haar schijn komt hedennacht
de uitgezette lijnen niet te boven.

De minotaur is dolende, zijn roep
waait dof verloren nu want hier
wordt ingewijd het laatste werk

van eertijds vuur op koude steen :
nieuwste openbaring van de grondslag
van je wake in vergeelde ochtendbladen.

II.

Haar zang ligt in die steen begraven :
de melopee die dalend tot haar stille
pit, voldragen uit haar vilten nacht
je kille land ingleed, brak bevend

op je zwijgen af, verglaasde bij je
adem, viel in scherven uit wat eens
een blauwdruk leek maar samentrok
tot van dit oord de guurste donderkop.

Op ’s konings vraag werd alles vlak
hertekend & wat hem het meest belaagde
(& je daarom dierbaar werd), werd kern

van een bestel dat niemand nog bij dag
doorgronden zou, een monument van muren
dat de tijd om haar in rechte lijn ontdook.

III.

Want waar je dolend tussen prisma’s
herfstzon tegen meubilair aanliep
& nagelstof verdiept in boenwas trof
& pijltjes blond dat rond een glas

haar schijn van daar te zijn in glans
die uit je handen gleed, ontbond,
ontstond in stilte ’s nachts de brand
& waar je ’t razen hoorde van de lome

reus die in de wilgen bladgroen woest
van takken stroopte & toen je licht
zijn loden lijf in zee verzonk, hing

van het raken aan haar lichaams
wassen ledenpop je opgespalkte huid
in scheurtjes marmerroos te barsten.

IV.

Minos brult & brengt zijn val in kaart,
hij stoot zich lachend het bloed
in cirkels uit : zijn hoon is wet,
zijn stank het deken op je bed.

Je roept je zoon (‘Mijn zoon’) : ‘haar wrok
lokt dood in elke toonaard aan’.
De hand die om de laatste veer
een touwtje snoert, trilt : verraadt

dat niets in hem je nog tot haar
wil brengen. Hij speelt haar spot
& blaast je kunsten van zich heen

in zee : de zon staat hoog & golven
halen adem in het ritme van je woord.
De minotaur is dood : het is je tijd.

VAL

Argumentum :

tabuerant cerae : nudos quatit ille lacertos,
emigioque carens non ullas percipit auras,
oraque caerulea patrium clamantia nomen
experiuntur aqua, quae nomen traxit ab illo
(ibid.).

Je bent al weg van hem. Een eiland
ligt met honingraat van straten
ver beneden jou in zee geplakt.
De mensheid faalt. Cirkels kan je

met een passer trekken. Goden lachen
niet. Je armen klikken in een raderwerk
van lucht, je vingertoppen gloeien
& je borstkast hijgt in spitse bogen

hogerop. De weg valt weg. Je bent
van hout & elke nerf brandt uit.
Een arm zwaait naakt, je mond

verstijft, het masker schuift & trekt
zijn naam in brede strepen blauw
uit het scheurende net van je longen.

ARTES

Argumentum :

‘Icare’ dicebat : pennas aspexit in undis
devovitque suas artes corpusque sepulcro
condidit, et tellus a nomine dicta sepulti
(ibid.).

I.

Aldus (& onaflatend wordt je naam
in verse graven bijgezet) heeft het
je steeds bestaan : een lijn vraagt
in je leven om bevestiging, je draait

een krul om waarheid, snoert de angst
in kelen aan je grimas, zucht gelaten
tekens die de aanzet tot een oorsprong
geven & bij het krieken van de beste

dag verschijnt de peuterhand die prutst
& kneed tot heel je uitgesproken plan
een woord te ver als boekrol plots

in schrijnen onaantastbaar ligt, verdwijnt.
Een solferkopje flitst onooglijk in je brein,
het zout rolt op je stijf geklopte wang.

II.

Het was verhevenheid die losgewaaid op marmer
rustte : een waas in cirkelvorm, dor gras
of als het binnen was, de geur van hondehaar
indrukbaar tot een plaatje harde draad.

Het was de vloed van al ’t vervlogene
die je tweemaal daags een drijfveer was
& jij die haar getrouw het brood doormidden
brak & heersers met de kruimels voedde.

Maar niemand had je oog voor hoe een bloem
de aarde staande houdt & als je sprak,
ontbrak aan je betoog de eerste steen

die op haar kust verloren lag. Het was het bloed
dat uit zijn kop viel toen, zijn stem gestild.
Hij zou je zoon niet zijn, het werd je naam.

AVIS

Argumentum :

Hunc miseri tumulo ponentem corpora nati
garrula limoso prospexit ab elice perdix
et plausit pennis testataque gaudia cantu est
(ibid.).

Heropen hoe het niemand is
& daal in cirkels af, stoot door
het dorre vel & grijp naar wat
twee vlinders van hun vlucht

op aarde laten. Bol dan driemaal
de zeven jaren in een oogwenk op,
verlaat het opgedeelde hok & zie :
de zon staat laag, een man

breekt zwijgend straten op, een pooier
zoekt zijn aas & naar hun vaders
stuiken vele zonen van het stadsbeeld af.

Het ruist, het raast & meeuwen krijsen.
Een Panamees vaart uit met in zijn buik
bevroren hoongelach van honderden patrijzen.

dv 1995, ongebundeld

Wij zijn met verlof tot 12-08.
Tot zolang, dagelijks wat uit mijn archieven.

————————————————————————

17/8 – 24/8/2008
Provinciaal Domein Kessel-Lo

klebnikov karnaval Call for Works
Call for Works

  • wacht misschien effie met inzenden tot na 12-07-2008 nu
  • bijdragen worden ook nog tijdens het Carnaval geaccepteerd
  • als je vroeger wat inzendt, krijg je natuurlijk sowieso meer aandacht (want)
  • vanaf medio juli krijgt iedereen de groeiende lijst van deelnemers te zien en een programma met een overzicht van wie wat wanneer brengt

——————————————————————————

Geef een reactie