journal intime #

jt119 – Je suis définitivement à côté de la vie – WEGRAND

Fragmenten uit een Dagboek van de Hel (1)

Aan André Gaillard

Mijn schreeuw noch mijn koorts zijn van mij. Deze desintegratie van mijn tweede krachten, van deze verstolen elementen van de ziel en het denken, beeldt u zich enkel hun constante in.

Dit iets zo halverwege tussen de kleur van de mij typerende atmosfeer en het punt van mijn realiteit.

Ik heb niet zozeer behoefte aan voeding, eerder aan een soort elementair bewustzijn.

Deze levensknoop waaraan de emissie van het denken zich vastklampt. Een knoop van centrale verstikking.

Mij gewoon steunen op een duidelijke waarheid, dat wil zeggen die rust op een enkel randje.

Dit probleem van het uitteren van mijn ik toont zich niet enkel meer in zijn uitsluitend pijnlijke aspect. Ik heb het gevoel dat nieuwe factoren ingrijpen in de verwording van mijn leven en dat ik iets als een nieuw bewustzijn heb van mijn intiem verlies.

In het werpen van de teerling, in het lanceren van mezelf in de bevestiging van een voorvoelde waarheid, hoe willekeurig die ook is, zie ik heel de reden van mijn bestaan.

Ik blijf urenlang stilstaan bij de indruk van een idee, een geluid. Mijn emotie ontwikkelt zich niet in de tijd, volgt zich niet op in de tijd. Eb en vloed van mijn ziel zijn in volmaakte harmonie met de absolute idealiteit van de geest.

Mijzelf voor de metafysica plaatsen die ik mij gemaakt heb in functie van dit niets dat ik in mij draag.

Deze mij als een wig ingeplante pijn, in het centrum van mijn zuiverste werkelijkheid, op deze locatie van het gevoel waar de twee werelden van lichaam en geest elkaar ontmoeten, leerde ik mezelf af te leiden door het effect van een valse suggestie.
In de ruimte van de minuut dat de verlichting van een leugen duurt, maak ik mij een evasieve gedachte, ik gooi mezelf op een vals spoor dat door mijn bloed wordt aangegeven. Ik sluit de ogen van mijn intellect en laat het ongeformuleerde in mij spreken, ik gun mezelf de illusie van een systeem waarvan de voorwaarden mij zouden ontgaan. Maar uit die minuut van dwaling heb ik het gevoel dat ik iets echts op het onbekende heb buitgemaakt. Ik geloof in spontane bezweringen. Op de wegen waar mijn bloed me heen sleept kan het niet anders dan dat ik op een dag een waarheid zal ontdekken.

De verlamming maakt zich van me meester en verhindert mij steeds meer om tot mijzelf te komen. Ik heb geen steunpunt meer, geen basis… ik zoek mijzelf ik weet niet waar. Mijn denken kan niet meer gaan naar waar mijn emotie en de beelden die in mij opkomen het duwen. Ik voel mij tot in mijn geringste impulsen gecastreerd. Uiteindelijk zie ik het licht door mezelf heen, door te verzaken aan alle tekenen van mijn intelligentie en mijn gevoel. Men moet begrijpen dat het de levende mens is die in mij geteisterd wordt en dat deze verlamming die mij verstikt, centraal staat in mijn gewone persoonlijkheid en niet in mijn aanvoelen als voorbestemde.
Ik sta voorgoed naast het leven. Mijn kwelling is net zo subtiel, zo verfijnd als dat zij bitter is. Het vergt mij waanzinnige inspanningen van de verbeelding, vertienvoudigd door de wurggreep van deze verstikking om er toe te komen om mijn leed te denken. En als ik op die manier in dat streven volhardt, in deze behoefte om voor eens en altijd de toestand van mijn verstikking te bepalen…

ANTONIN ARTAUD – 1926

uit La Pèse-nerfs in [ARTAUD 1956,105-107)
vert. NKdeE 2020 met behulp van DeepL en deze vertaling van Hans Van Pinxteren

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com


originele tekst:

Fragments d’un Journal d’Enfer

à André Gaillard

Ni mon cri ni ma fièvre ne sont de moi. Cette désintégration de mes forces secondes, de ces éléments dissimulés de la pensée et de l’âme, concevez-vous seulement leur constance.

Ce quelque chose qui est à mi-chemin entre la couleur de mon atmosphère typique et la pointe de ma réalité.

Je n’ai pas tellement besoin d’aliment que d’une sorte d’élémentaire conscience. Ce noeud de la vie où l’émission de la pensée s’accroche. Un noeud d’asphyxie centrale.

Simplement me poser sur une vérité claire, c’est-à-dire qui reste sur un seul tranchant.

Ce problème de l’émaciation de mon moi ne se présente plus sous son angle uniquement douloureux. Je sens que des facteurs nouveaux interviennent dans la dénaturation de ma vie et que j’ai comme une conscience nouvelle de mon intime déperdition.

.Je vois dans le fait de jeter le dé et de me lancer dans l’affirmation d’une vérité pressentie, si aléatoire soit-elle, toute la raison de ma vie. Je demeure, durant des heures, sur l’impression d’une idée, d’un son. Mon émotion ne se développe pas dans le temps, ne se succède pas dans le temps. Les reflux de mon âme sont en accord parfait avec l’idéalité absolue de l’esprit.

Me mettre en face de la métaphysique que je me suis faite en fonction de ce néant que je porte.

Cette douleur plantée en moi comme un coin, au centre de ma réalité la plus pure, à cet emplacement de la sensibilité où les deux mondes du corps et de l’esprit se rejoignent, je me suis appris à m’en distraire par l’effet d’une fausse suggestion. L’espace de cette minute que dure l’illumination d’un mensonge, je me fabrique une pensée d’évasion, je me jette sur une fausse piste indiquée par mon sang. Je ferme les yeux de mon intelligence, et laissant parler en moi l’informulé, je me donne l’illusion d’un système dont les termes m’échapperaient. Mais de cette minute d’erreur il me reste le sentiment d’avoir ravi à l’inconnu quelque chose de réel. Je crois à des conjurations spontanées. Sur les routes où mon sang m’entraîne il ne se peut pas qu’un jour je ne découvre une vérité.

La paralysie me gagne et m’empêche de plus en plus de me retourner sur moi-même. Je n’ai plus de point d’appui, plus de base… je me cherche je ne sais où. Ma pensée ne peut plus aller où mon émotion et les images qui se lèvent en moi la poussent. Je me sens châtré jusque dans mes moindres impulsions. Je finis par voir le jour à travers moi-même, à force de renonciations dans tous les sens de mon intelligence et de ma sensibilité. Il faut que l’on comprenne que c’est bien l’homme vivant qui est touché en moi et que cette paralysie qui m’étouffe est au centre de ma personnalité usuelle et non de mes sens d’homme prédestiné. Je suis définitivement à côté de la vie. Mon supplice est aussi subtil, aussi rafiné qu’il est âpre. Il me faut des efforts d’imagination insensés, décuplés par l’étreinte de cette étouffante asphyxie pour arriver à penser mon mal. Et si je m’obstine ainsi dans cette poursuite, dans ce besoin de fixer une fois pour toutes l’état de mon étouffement…

tekstbron: http://archives.skafka.net/alice69/doc/aa_fragdunjournaldenfer.htm

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

bibliografie

ARTAUD 1947: Artaud, Antonin, Van Gogh le suicidé de la société, Gallimard, Paris, 2018, ISBN 978-2-07-076112-8

ARTAUD 1956: Artaud, Antonin, Oeuvres Complètes Tome I, Gallimard, Paris, 1956

BARTHES 1995: Roland Barthes, Oeuvres complètes vol. III , Paris: Seuil, 1995

BONNEFOIT 2013: Bonnefoit, Régine, Paul Klee. Sa théorie de l’art. Lausanne, PPur (Presses polytechnique et universitaires romandes), 2013 ISBN 978-2-88915-034-2

CHAUVIRÉ 2003: Chauviré Christiane, Phénoménologie et esthétique. Le mythe de l’indescriptible chez Wittgenstein dans Rue Descartes, nr 39, Wittgenstein et L’art (februari 2003), PUF

CHEVRIER 2019: Chevrier, Jean-François, Bernard Réquichot. Zones sensibles, Paris , Flammarion, 2019, ISBN 978-2-0814-4197-2

CV-P 2016 I: Viallat-Patonnier, Claire, Les dimensions de l’écriture dans l’oeuvre de Bernard Réquichot. Etudes d’un processus. Vol. I: Thèse , Paris , ECOLE DES HAUTES ETUDES EN SCIENCES SOCIALES, 2016

CV-P 2016 II: Viallat-Patonnier, Claire, Les dimensions de l’écriture dans l’oeuvre de Bernard Réquichot. Etudes d’un processus. Vol. II: Annexes et illustrations, Paris , ECOLE DES HAUTES ETUDES EN SCIENCES SOCIALES, 2016

CR 1973: Billot, Marcel (ed.), Bernard Réquichot. Bruxelles, La Connaissance, 1973 (Catalogue Raisonné)

FREUD 1989 I: Freud, Sigmund, Colleges inleiding tot de psychoanalyse . Inleiding tot de psychoanalyse 1/2, Boom Meppel Amsterdam, 1989

GREEN 2013: Green, Michael (vert. & red.), The Russian Symbolist Theatre. An Anthology of Plays and Critical Texts, Ardis, New York 2013.

KUSTERS 2014: Kusters, Wouter, Filosofie van de Waanzin, Lemniscaat, Rotterdam 2014

MORALES 2002 : Moralès, Gérald: La Poésie de Bernard Réquichot. De l’être à lettre, EFEdition, Paris 2002, ISBN 2-913786-13-8

MORALES 2010, Moralès, Gérald: L’écriture du réel. Pour une philosophie du sujet, Paris , Cerf, 2010, ISBN 978-2-204-09225-8

MURRAY 2014: Murray, Ros, Antonin Artaud, The Scum of the Soul, London, Palgrave Macmillan, 2014, ISBN 978–1–137–31057–6

OURY 1989, Oury, Création et schizophrénie, Paris, Gallimard 1989, ISBN 978-2-7186-0354-4

REQUICHOT 2002: Réquichot, Bernard: Écrits divers. Journal, lettres, textes épars, Faustus, poèmes, 1951-1961, Les Presses du réel, Dijon, 2002

VALERY I: Valery, Paul, Oeuvres Tome I, Hytier, Jean (ed.), Paris, Gallimard, 1957

VALERY II: Valery, Paul, Oeuvres Tome II, Hytier, Jean (ed.), Paris, Gallimard, 1960