Categorieën
lyriek

het is weer koekjestijd (ic 1/13)

[herneming van de cyclus ‘indringende cirkelzagen’ van april 2007 -januari 2008. een ‘cirkelzaag’ is in deze versie een  sonnet waarvan men (minimaal) het eerste kwatrijn bij voordracht of afdruk dient te herhalen ter indicatie dat de tekst normaliter eindeloos zou doorlopen in een lus (het uitvallen van de stroom, helaas…). er staan geen hoofdletters in omdat cirkelzagen met gelijke tandjes efficienter zijn en zuiniger in verbruik. de  teksten zijn lekker apocalyptisch & vaneigens surreëel, de flarden van personages die erin figureren, flaneren er  fictief maar zijn helaas gebaseerd op waar gebeurende feiten. ]

*  *
*

Antonin Artaud vertelt ergens dat

  • op een mooie dag de mensheid besloot de idee van de wereld een halt toe te roepen (arreter l’idée).
  • de mens toen moest kiezen tussen de onzaligheid van het oneindige (l’infini) en het pathetisch-kleinschalige (l’infimi).
  • de mens koos voor het laatste en stopte zich vol met koekjes en religie.

Men neme de cirkelzaag ter hand.
Het is koekjestijd.

*
**

Personages (in volgorde van verschrijving):

  • ik, de vrezende, voorheen bekend als  zanger Izeganz, gerespawned  ergens dicht bij het Einde
  • racha, de moeder van g*d, een kwaadaardig loeder
  • het jongetje wij, dat herhaaldelijk wreedaardig wordt omgebracht
  • de plaats er, een tijdruimte met onbepaalde coördinaten

droogte spelt het onheil wel als onheil uit

ik, de vrezende, die met grafiet beschrijft het git:
een kraakstem plooit mij heet de letters uit & wit
& ik schik mij in uw stad, die naar lijken verkleurt
& weg spurten de krabben van het rotten dat geurt.

daar is het jongetje wij dat met aarde de helmen vult
zijn knietjes knikken grillig bij de gaatjes neer:
een o die stulpt  naar boven & een naar onder meer
zijn lipjes tellen slechts de kogel die naar buiten tulpt.

diep  in het rotten te zweven hangt racha stroef
het bloed jaagt haar zwart & stijf door de strot
& haar angst is de angst van de moeder van g*d,

angst voor de vrucht van haar lust  die zij begroef.
ons bestaan in zijn beeld  maakt haar woest & bot
& zij wil nu ook mij in uw ogen dood & kapot:

ik, de vrezende, die met grafiet beschrijft het git:
een kraakstem plooit mij heet de letters uit & wit
& ik schik mij in uw stad, die naar lijken verkleurt
& weg spurten de krabben van het rotten dat geurt.

[…]

Geef een reactie