Categorieën
lyriek

geef uw klein gebit

onheil2

superkwak

de winden wiegen de dood in de slapende winden

tempo van een dronken student
op laag druiptal
vertolkende
brokstukken niet geheel
verteerde  Supertramp

ik droomde verrukt in uitzinnig sliertige pixels haar glanshuid
vergruisde & versmolten met asfalt & rubber het affe verlangen
verstoof  & de daad  werd verkort tot inpakbare portie, genot tot
een
bod op  vijandige  sloppen,  een winderig jij-ei verloedert er

tot een brij met klamme glijdijen strijkend langszij mij maar ik was
in de droom een slopende sloep die weigert je wetten te slurpen, ik
smeerde  onze vochten kwistig als sterreglinsters  op de bast
van de nacht, ik borg het gesteun in  het donker bij het uitblijven

van het kwaad, dat verwenste substantiveren van uw  levenshaat.
Uw wekker kwam, uw woord werd wakker & de waarheid brak los
in de kamer, versplinderde schaduwen met splijtende lichten,

ze stak in plafonden het stof van uw redenen uit spleten, ze schoof
mij pantoffels om, brak mij de streelvingers & zette in ’t schelle
vol de toon & uw almachtsgalm: “kom, glij met mij, het is bijna voorbij“.

[14 meerstemmige onheilsafkondigingen – tweede reeks #3]

Geef een reactie