Categorieën
kort

Geef ons heden onze dagelijkse horror

“O ja die rozentuin”
dv, A5, potlood & houtskool

* * *

Zal ik ‘s  een tuin bouwen in de vorm van je lichaam?

F*ck Versailles, dit trekt gegarandeerd een veelvoud van die trieste toeristenbussen. Wereldvermaard wordt vast de met taai onkruid geringde waterput waarin zinken de radeloze zuchten omtrent het verdwijnen van het fijne in je gelaat, het oprukken van de splijtende kopzorgen, de nijd die woekert als geel bloeiende braam rond je hoofd.

Ik modelleer de put van je hoofd uit het geheugen, ik zie hem nog zo voor me: dat gapende gat waarin de kat viel die je teder placht te strelen & die daar jankend verzoop toen je mij de ogen toewierp. Wee die dag, toen ik mij in  het onvermijdelijke ontluiken van die klepperende diepten met hun ijswind naar nergens weerloos gespiegeld zag, mijn beeltenis herleid tot de frêle letter die ik altijd al in je boeken was.

Zie daar de tanige heesters van je stekelige armen, voel de doornen in de zwiepende rozenstruiken onder je oksels, waarin mijn laatste greintje trots zich heden in een kwinkelend kringetje en met een finaal opwippertje bij het herfstige bos van mijn falen schaart.

Rond je atrium waarin doorzichtige haagjes de eertijdse finesse van je legendarische schouderbladen oproepen, metsel ik een zestienzuilig peristilium, waarvan elke zuil een versteende metamorfose van mijn wezen gevangen houdt, een snapshot van de puist van mijn ego op de zich in het doolhof van de onmin vertakkende lijdensweg die wij allen delen. Hoedt je immers, mijn liefste,  voor de illusie enkel tuin te moeten zijn in dit verhaal.

Daar sta ik zestien maal, gespiesd door glanzend zwart marmer dwars door de bleke onderbuik telkens, een verzakking uitgevoerd in vlekkerig albast waarlangs fijntjes de suggestie van een etterig bloedstraaltje loopt.

Op het dak wachten de gieren. Straks, als de bezoekuren afgelopen zijn & het geloop als dwaas en oppervlakkig uit de rijkdom der bewegingen in het geheel van het rotten verwijderd is, straks krijgen zij hun dagelijkse galgemaal: het ik dat je vertuinde geest ophoest uit de diepte van je darmen. Het floept uit de put die je kop is.

Ongehoord, ongezien lig ik in het late zonlicht gillend te lillen wijl de eerste gier zijn bek zet in een uitstulpsel aan het vormeloze spuwsel. Daar is de tweede al, de derde, …

Geef een reactie