Categorieën
kort Proza

homerisch

Jaguar

Toen we klein waren hadden we een tante ik bedoel we hebben ze nog maar we zijn niet klein meer en ze is helegans verdroogd en in rimpels en rafels uitgelopen ondertussen maar toe we nog klein waren dus hadden we een rijke tante en die reed met zo ne sjieken bak, zo’n Jaguar had ze, in’t bordeaux, ja bloedrood was die en het stonk er verschrikkelijk naar het leder van de zetels, dat plakte aan je billen zodat je ze d’r moest afscheuren als je je kont wou verzetten want uw kont en uw billen vooral die werden daar helemaal voos in en het was er ook altijd veel te warm in en die tante stonk naar het parfum ook en die Jaguar die reed over de kasseien en je hoorde dat maar je voelde d’r niks van en na vijf minuten moesten we altijd stoppen want iemand van ons moest dan echt wel effen aan de kant om te kotsen, gegarandeerd elke keer zodat ons moeder uiteindelijk die tante haar zus dus maar aan ’t verstand had gebracht dat we echt niet meer mee konden als het persé in die Jaguar moest.

Zo ’n ventje zijt gij nu ’s zie, gelijk die Jaguar, ge zijt wreed sjiek en ge vliegt overal over maar ge kunt met u geen bal aanrichten, want van ’t ogenblik dat ge iets verder kijkt of luistert naar de kasseien daarbuiten wordt ge kotsmisselijk van uw getramp en uw gezaag dat overal over gaat behalve over wat het zijn moet, daar hoort ge niks over.

Geef een reactie