Categorieën
Lopende zaken

Afval

 afval.jpg

Diep in het gat, pal in de kern staat de kerk, zwart als de stop van een bad.
In het Niets zijn we nu, het Blauwe Niets waar iedereen al die jaren van droomde.
De kerk staat er middenin.

Hoog drijven de wanden de wanden omhoog. Staalblauw loopt daar de ruimte
verder de ruimte in, kil & naar alle kanten. Tot in de wolken, zo lijkt het wel,
maar die zijn er natuurlijk niet. Het koelwater kolkt & druist naar beneden,
maar nergens tegenin.

In de kerk liggen de lijven log. Van het lange liggen zijn ze kribbig geworden,
& van het water voos. Bovendien zijn de meeste koortsig, want ondanks de kou
zie je hen liggen zweten.

– “Pulk toch die eelt van je voetzolen”, zegt het dikste lijf tegen een dunner exemplaar,
“wrijf het geweekte vel tot bolletjes, dan blijf je net & begin je niet zo vlug te stinken!”
– “Drup toch de afvoer door met je nettigheid”, bijt het dunnere lijf van zich af, “ik lig hier al,
is dat niet erg genoeg? Ik hoef je gemekker d’r niet nog ’s bij.”

Zo is het ook: het water valt de lijven maar langs, voortdurend.
Dus je zou kunnen zeggen doe toch zus of zo, maar ach, wat zouden ze kunnen zo ze al wilden?
& Wat dan wel, als ze al konden, iets anders dan liggen, bedoel ik?

Daarop verdwijnt waarschijnlijk weer de kerk, die overigens niet van steen is gemaakt,
maar van het gestaag loskomende afval der eeuwig wekende lichamen.

Geef een reactie