LAIS CCLXXXIII

voor z.h.

De volte der eenvoud keert zich in haar,
het licht verschuift, het stralen daagt haar uit.
Verblind, heur tranen parelen gevaar
en schaduw glijdt als dreigen van haar huid.
Het git wordt wit, de kleuren breken uit.
Het woord wordt weelde op haar lippen, zucht.
De hand is woelen, witte wolkenlucht.
Heur lichaam wentelt zich van zij op zij.
Haar zang komt los, haar schoonheid is berucht.
Het spreekt zich uit in haar en zij is vrij.

invoertekst (2015)