LAIS CCXXXVII

’t Mist haar lijf, haar adem in de zijne
en ook de eenvoud der verstrengeling,
’t samenzijn waarin het kon verdwijnen.
Het is in zeeën tijd een drenkeling,
in het vergane schip verstekeling.
Het mist haar lach die het zijn vrede bracht,
Het mist haar huid, heur haar, haar hele pracht.
Het ziet de wereld om zich heen vergaan
en niets doet Het, want niets is in zijn macht.
Alleen haar schoonheid blijft in Het bestaan.

invoertekst (2014)