Categorieën
Grafiek Harusmuze

Harusmuze #383

22B124

383 – het ondenkbare voltooit wat je dacht

hexagram 62 小過 (xiǎo guò) – “Overtreffend Klein”

input

https://dirkvekemans.com/2018/08/21/harusmuze-65/

commentaar

de eeuwigheid van het tijdelijke en de tijdelijkheid van het eeuwige is ook een soort ‘while’ -loop in onze gedachten, de kosmos doet ook in onze hoofden en handen eendere toerkens, elk verschil is een verrotting van het ene dat wil uitdeinen tot hernieuwd onverschil, het ene, noem het tiān xià  , de Moeder van alle dingen.

in vers 25 van de Dao vinden we een gave codering van die loop waarvan de perfectie uiteraard buiten ons huidig ‘verwesterd’ talige rot ligt, maar we kunnen er naar kijken wel, da’s ook al iets, en het begrijpen lukt ook nog wel wat.

bij het lezen van dit soort teksten moet je immers, vind ik , doordrongen zijn van het besef dat de correcte uitspraak, de realisatie ervan, wellicht voorgoed verloren is: tenzij na een levenslange studie en meditatie misschien, maar zo, losjes uit de pols bereiken wij dit eerdere stadium in de verrotting niet meer, onze software, het complex van taal, gewoonte en geste, de cultuur waarop wij draaien is hopeloos complexer, rotter geworden. maar je kan het lezen zoals je naar verre sterren kijkt, het licht ervan is duizenden jaren oud.

maar kijk even mee: we vertrekken van de idee dat niets permanent is dus als iets groot is, is het op z’n toppunt en kan het enkel 逝 shi vergaan, sterven:

大 曰 逝dà yuē shìgroot is (wil zeggen) sterven
逝 曰 遠shì yuē yuǎnsterven is weggaan
遠 曰 反.yuǎn yuē fǎnweggaan is terugkeren.
故 道 大,gù dào dàdaarom is de Dao groot
天 大,tiān dàis de hemel groot
地 大dì dàis de aarde groot
王 亦 大.wáng yì dàis ook de keizer (wijze) groot.

in het NKdeE bargoens refereren we naar dit machtige vers met de uitspraak “‘t is weer vanda” waar die ‘van dat’ de loop van ‘fǎn’ naar ‘‘ in de eerste verzen hier vastklinken.

elkwegs: de conclusie is altijd dezelfde: als het ‘af’ is, is ’t gedaan. zo er nog iets waardevols uit het woord ‘kunst’ te puren valt en we vervolgens nog van iets als ‘levenskunst’ kunnen spreken, bestaat die er volgens de Harusmuseale logica in om de kleinste korrel van het meest abominabele rot dankbaar te savoureren als geschenk van het Al aan het al dat ge (niet) zijt, en (niet) waart en (nooit) zult zijn, zolang het duurt.

anders: als je het kortstondige leven niet eert met jouw eeuwige dankbaarheid en de belofte om het ten allen prijze te willen doen continueren, ben je ook het vuil van je gedachten niet waard.

staar je dus ook niet blind op het einde, want noch het begin noch het einde ‘is’ ‘iets’ dat je kan hebben, het ondenkbare staat altijd in dezelfde verhouding tot wat je denkt, het is het niets dat jouw denken verandert.
elke van je gedachten is even ‘waardeloos, banaal’ of even ‘waardevol, briljant’ in het licht van wat ze teweegbrengt, er is geen enkel punt een lijn die je tekent dat niet even belangrijk is voor het gebeuren van de lijn.

scève

Plus croit la Lune, & ses cornes renforce
Plus allegeante est le febricitant:
Plus s’amoindrit diminuant sa force,
Plus l’affoiblit, son mal luy suscitant.
Mais toy, tant plus tu me vas excitant
Ma fiebvre chaulde avant l’heure venue,
Quand ta presence a moy se diminue,
Me redoublant l’acces es mille formes.
Et quand je voy ta face a demy nue,
De patient en mort tu me transformes.

Geef een reactie