Categorieën
Kathedraalse Leer lyriek

madrigaal

voor n. l.

het ganse spel

Boem. Zo klapt zij in mijn ruimte toe. Vleugels flappen open
tot een waas van heerlijkheid waarin haar delicate lichaam
glimt in goddelijke graad. De hemel moet zijn leeg gelopen.

Dit ogenblik is niets, het nu lost op in nooit: het harde
wit van deze kernen licht is van onontkoombaar gewicht,
je ziet en ziet haar niet, de logica wordt ontijdig ontwricht.

Inzicht valt je wel te beurt alsof zij alles en zichzelf verklaart:
het bovenaardse is uiteindelijk banaal, het zit in elk bestaan,
je moet het enkel uit de affe klem der dingen laten gaan.

Haar vinger, speels, wijst regels aan voor ons en god
maar gans het spel verandert bij  verhoging van het bod:
de prijs waar wij naar dingen, wil slechts zichzelf bezingen.

De tijd is niet een ding, de ruimte evenmin en alles zingt
rondom. Op de rand van het glas is de vinger nooit voorbij:
wat komt, wat is, wat was is galm van glas. Zo is zij in mij.

Haar ogen hebben daags nadien het blauw van het verlatene,
zo haaks staat daar het licht op ’t zicht van ’t zwart gelatene:
het zingt nog in haar ziel, uit git wordt zo elk wit geboren.

Zij beeft, mijn stilte trilt. Ik leg een mantel woorden over haar.
Ik ben nu wie ik ben. Ik heb haar hier en daar misschien verloren.
Ach. Nog even en onze draden strelen dagelijks opnieuw elkaar.

Geef een reactie