Categorieën
lyriek

experimenteel proza

betogen

c, een vriendin van mij, ik heb er nog enkele,  zei mij gisteren dat ze echt niet meer wou leven. ze meende het nogal. effen later zat ze met haar man het soort kroeg te betogen waar je geen foto’s van wil, maar bon, dat is het niet: ik maak dat meer mee, de laatste tijd. they smell me out. de een na de andere. het enige wat deze meiden, hoe divers en verscheiden ook, gemeen hebben, is dat ze willen dood gaan. dood. eerst nog wat neuken, fijn fijn fijn, maar dan toch: doodgaan.

wat zeg je tegen zo iemand? ik begin meestal met euh, ik heb kinders, ik mag uitsluitend hoogbejaard de grens over bibberen, heb je ook niet zoiets schatje, daarginds in de verte? ze zwijgen dan effen, vertoeven in onooglijke distanties, kijken diep-neerslachtig neer en zeggen, ‘ja, je hebt gelijk, natuurlijk moet ik, maar dat is het niet’. dat was het dus niet. gelijk heb ik altijd.  het is wat anders. ze willen doodgaan.

ik denk dat het een plaag is, eigenlijk. zelf ben ik maar wat gaan zuipen tussen de bijna-zestienjarigen die sneller shooters scoren dan dat hun vaders strips kunnen lezen (probeer het maar ‘s: ‘l uc k y l u k e’ ) maar bon, dit gaat niet over mij.  het is mijn beurt niet, ik moet streng zijn.

een echte plaag. hoe heet het zusje van werther? straks liggen de autostrades vol met zusjes-van. kerstopgevertjes, een bel bloed op de gebarsten lippen. met nieuwe schoenen aan, natuurlijk. kerstmarktpresentje.  de geblondeerde haren als een uitstrijkje op de middenberm, nawapperend.

Geef een reactie