Categorieën
lyriek

dissolutie

1.

Een hand grijpt naar het vallen van de regen
in de regen, begrijpt dat het een hand is
in de regen, zoekt de ogen waar men weent,
wrijft zich in het haar. De andere hand is
al lang met wrijven klaar, heeft het hoofd waar
het dat hebben wil,  neeschuddend, daar,
een tongpunt tussen de lippen, zuchtend,
tandenknarsend, droef,  ronduit onhandig.
Een been vraagt bedeesd of ze nu kunnen gaan.
Er wordt gerild, getwijfeld aan het bestaan.

2.

De katten zijn onrustig, er is niets
te eten  & de handen strelen niet
maar slaan. De schaduw van een kraai
schiet langs het raam. Stemmen waaien binnen,
de woorden vervormd tot vreemdsoortig lawaai.
De vloer kraakt, een stoel verschuift, een scherm floept aan.
De kamer duikt haar letters in, men kan
haar niet meer lezen, enkel nog verstaan.
Er wordt gebeden (dat is niet volgens  het plan).
Heeft er iemand al de deuren op slot gedaan?

3.

Het lichaam rilt. Het is niet koud. De klank
staat af (importeer een wav-bestand). Hij
komt in beeld, zijn dijen ogen grauw, oud
in het licht dat op het lichaam is gericht.
Hebben stralen van de zon een ouderdom?
Hij strijk de lippen nat & open , brengt er
een vinger in. Het lichaam wijkt maar kan
niet weg, het maakt een holte binnenin.
Zo keek de god ook naar zichzelf & bracht
de scheiding aan, een in genaamd godin.

Geef een reactie