Categorieën
lyriek

Plaatsbepaling (onvolledig)

Si nous habitons un éclair, il est le coeur de l’éternel.
René Char

XIX

Het is dag: ik wil haar huid niet raken
met mijn woorden want zij staat al dagen nu
& hier & droog & onbewogen mooi
te zijn. Ik wil in het moment geraken.
Het ochtendblad verschuift, een noot ploft cru
uit de boom. Observeer enige dagen
het krullen van het haar in dichte lagen
op of om of net niet op of om de hals:
het eeuwige wordt zo druk bekeken mals.
(’t Is haar dag die ik als plaats de tijd ingooi.)

XX

Het is dag: een speelding is jouw hunk’ren,
& eeuwig dwarrelt hier jouw sjaal & jurk &
mijn schalkse letters drukken in het zonlicht
een schaduw uit op het oker van je huid.
De wereld wiebelt & ‘t zicht valt rozig uit,
& lust beperkt de kleuren van het kijken.
‘t  Is waar dat jij op haar begint te lijken:
in je haren lees ik al haar geuren, &
diep  in jou staat haar zingen te gebeuren.
(Het was die dag dat U ontstak haar licht.)

XXI

Het is dag : de ogen staan op ons gericht.
Ik hou mijn handen voor mijn aangezicht
&  sla mijn vleugels om je schouders heen.
Een donkerte slaat dreigend in de lucht
& uit jouw mond weerklinkt een zang als zucht.
Ik strijk je klanken aan met hoger zingen
& in de ogen breken alle dingen
want jij brengt de zon in alle mensen
&  het licht van het onhoudbaar intense.
(Het was die dag dat ik in ons verdween.)

Geef een reactie