Categorieën
lyriek

Gevat

Uw lelijkheid belaagt de zon met harde stralen,
licht wordt in je druipgoot naar je stalen duisternis
gevoerd: je vat.  Je tapt er schone schijn van af,
in bekers gelabeld maandag t.e.m. zondag, het nat

voor je kloek opgehouden lach. Ik kronkel mak
in je bak, een blinde witte worm, te glad & toch
niet al te zichtbaar, geen kat die er iets van merkt.
Soms haal je in je hoofd een volle maan, het vat

is in beroering dan, de schubben schilferen mij
zilver af & in het razen van het vuur op dode
steen neem ik mij waar als krater op je dikke teen,

enn wrat van toen je nog verlangen had & leefde
met een niet verpakte wind die daar je kleed in
schoot, mijn stroopvel naar je lijf, mijn ondergang.

Geef een reactie