Categorieën
Anke Veld

soupire

de nacht versleutelt letters tot gloeipriemen
tastend naar gesis in de open wonde

de wereld bronst, wij gloeien, stoken, sintels.

hé jij daar, leg nog ‘s  een blondje op het vuur

(knars je tanden in de maat)

Anke neemt plichtsbewust haar rechterknie in de linkerhand, ze lacht spontaan, haar naakte rug schittert in de zon. Ze is ontstaan uit de nevelen van dit land, haar wortels slingeren ver in het diepste slijk.  Ze kent je al, jouw leugens zijn voor haar een tijdverdrijf. Verschrijf mij, zegt ze.

Er hangt dauw op haar onderlip, alsof ze toch iets anders zeggen wou.

De woorden, echter, zitten vast, je hebt te lezen wat zij je zeggen wou. De ogen ogen duidelijk, wil je ze blauw?

Er hangt een zijden sjaaltje rond haar frêle nek, nee dit is niet echt, ze wakkert oude  winden aan, & in het opgewaaide stof bouw jij de fundamenten van je heden. De oproep is tot nu vergaan. Streel haar arm alsof er een arm was, kus haar lippen, alsof de wereld een mond had. Neem haar, want dit is je lichaam.

Zucht.

Één reactie op “soupire”

Geef een reactie