Categorieën
Kathedraalse Leer Links - publicaties Lopende zaken

rare koppels in het park

over speelgoedtekst, kopslaper Lampe &  de deconstructie van tekstverwerkers

Het vernieuwende aan Astrid Lampe’s bundel Park Slope is natuurlijk niet de typografie. Niet dat het mij wat kan schelen of een bundel  nu iets vernieuwends heeft  of niet, laat staan dat ik wil beweren dat een nieuwe  bundel zoiets nodig heeft om interessant te zijn – ik ben geen recensent en dit is geen recensie.

knexwheel

Het gaat mij hier enkel om het duiden van iets nieuws in het historische verloop van de poëtische tekstproductie in gedrukte vorm. ‘Historisch’ is daarbij gezien de marginaliteit van de poëtische tekstproductie misschien een lichtjes over het paard getilde term, maar je dient het gebruik van het woord historisch hier te verstaan als ‘zoals bekeken in een kader  dat  de tijdsbeleving van het individu overschrijdt’. Ik leg daar hier maar effen de nadruk op omdat dit later, hierboven dus,  van belang gaat zijn. Soit.

Lampe’s bundel steekt dus op een erg visuele manier schril af bij het overgrote merendeel van het honderdtal bundels van dit jaar (het juiste aantal doet er niet toe, De Contrabas heeft straks  het  lijstje wel weer klaar). Maar dit soort krachtpatserij kennen we natuurlijk al een eeuw: Mallarmé en Apollinaire, Van Ostaijen en Van Doesburg, &  nadien een nest vijftigers, een gang zestigers,  een collectief juni 78-ers & een halve garage post-punk neo-dadaïstische rifbouwers uit Keerbergen behept met een onbedwingbare drang naar het pilsje én het academisme: al die brave mensen deden & doen dat al, met telkens wel weer een kom-komrijtje traditionalisten er achteraan die liepen/lopen te zeuren dat ‘dit toch echt wel niet meer’ plus van ‘wat heb je daar nou nog aan’.

Het sloopwerk van Lampe zit ‘m niet daar. Lampe  slaat wat dat betreft slechts effen met de platte hand vlak op het vijvertjesoppervlak. We moeten dan wel effie wachten tot het weinige water weer terug komt gelopen maar met onze onoverwinnelijke talenten tot druilen, sijmelen & spugen lukt dat wel. Uiteindelijk. Desnoods bidden we wel met de veluxen  open tot de poolkapgoden opdat zij zouden spoed maken met het Grote Smeltwerk.

knex

Lampe is slimmer. Zij weet dat het vijvertje een vijvertje is dat in een Park ligt. Zij weet ook dat het al lang  niet meer opgaat om zich gezeten aan zo’n vijvertje  te willen verliezen in een zondagse romantiek van Authenticiteit, het Ware Gevoel of  een nostalgiek één worden met Moeder Natuur. Lampe is een Hedendaagse Hevige Tante (HHT) , & wat je kan krijgen van haar is een VUIST  VOL VLUCHTIGE IK-CONSTRUCTIES & een aaitje braaf braaf op je hoofd van preiloof (blz.12).

Wie wil er zich spiegelen in deze van sentimentenalgen vergeven slijmlaag zijn & pijn ? Wie wil  daarbij op verheven talige wijze de parkheid van het Park overstijgen? Het zal haar kropsla wezen! Loskappen die boel, weg met die slakkenpoep, slopen dat Park!

Het Park blijft immers een louter tekstuele illusie. Daarbuiten is het Park gewoon een park & daar geraak je met je laptop wel, maar in die laptop blijf je toch altijd in de teksten steken. Dat besef, die bewuste omgang met de tekstverwerker, & vooral dan  het ongegeneerde gebruik ervan, de referenties ernaar in de tekst zelf & de hele presentatie van het boekje als een verzameling K’NEX studies, dat is wat de bundel zo vernieuwend maakt.

De teksverwerker krijgt net als de pen, het blad en het boek van vroeger eindelijk een metaforische, dichterlijk beladen inkleding. Als Lampe schrijft doet ze dat net als iedereen met de ogen op de lichtbak voor haar, &  van haar mag je dat geweten hebben. Ze doet wat ze doet en daarbij is de papieren afdruk secundair, wat er zich in de schrijfact afspeelt, speelt zich af in de (banale) technische omgeving zoals iedereen die kent.
Wat ze dan uiteindelijk  presenteert is misschien erg verwant aan de post-moderne deconstructie van de schrijfact, maar waar de ‘geschriften’ van veel pomo’s blijven steken in referenties naar de (traditie van de) ‘boekige’ finaliteit van het dichten, waar het voor iemand als Van Bastelaere ‘op zich’ al significant is dat er een stukske taalgebruik uit de X-files ‘te boek’ wordt gesteld ( in “zijn”  boek dan nog, het boek van de ‘erkende dichter’),  daar is bij Lampe de grote Collapse – het instuiken van de wereld-als-Boek-metafoor – een voldongen feit: tekst is tekst &  tekst komt als input binnen bij het vrouw-computer-machientje en het gaat er als tekst weer uit. Een BOEL DATAVERKEER.

park-slope

De met kaduuke eschatologische bouwwerven beladen  boek-wereld, het Park van weleer, waar de schrijfster nog parkgodin kon spelen,  wordt met plezier ingeruild voor een K’Nex wereld. Imagine * Build * Play TM.

Mooi meegenomen met die speelgoedmetafoor is dat K’NEX aardig resoneert met de meute aan academische en nerde tekstverwerkingsprogramma’s die allemaal eindigen op iets als LeX, het programma van Donald  Knuth waar het allemaal mee begon (LaTex, MikTEX…).

Want na het sloopwerk van het park , de onontkoombaarheid van de tekst, blijk je toch weer in een park te zitten. De tekstverwerker hakselt wel, & hakselen dat kán Lampe, maar de vloer blijft vol liggen met tekstfragmenten. Het is enkel dankzij het onderkennen van de positieve mogelijkheden van de tekstverwerker, de tekstverwerker als constructiemiddel, als speelgoed, dat het slagveld in ijltempo een mestvaalt worden kan & vervolgens vruchtbare bosgrond, balzaal, bloemen tapijt of het erotieke mijnenveld met ‘pop-upmenuutjes van haar holtes’, waar je kan doorklikken, wegwezen of de resultaten van je zoekopdracht naar samenstellingen met ‘rozen’ als vlaggetjes in je kersentaart kan planten.

Want – Make No Mistake – waar de contingentie toeneemt, waar de betekenisverbanden doorgeknipt liggen te bloeden, in de dozen K’NEX daar grijpt de poëzie toch weer kans (blz68).

*     *
*

Al bij al blijft  het toch een krappe sloep, dat reddingsbootje van de poëzie dat we hier met de nodige virtuositeit gepresenteerd krijgen.  Krap, want of je met deze studies uit het slop geraakt, of je er wat meer gaat aan overhouden dan polskramp, daar doet onze sterrige lichtbron zelf ook niet al te positief over. Pap. Pulp. Dood water. & Ondertussen blijft het stills met vallende lichamen regenen (blz 49).

De hedendaagse Tante heet (op de achterflap) ook omineus te zijn. Want ze mag dan wel freefighten, het blijft vrij machteloos spelen met de doosjes die je toegewezen krijgt. Zonder greep op het codeverloop dat aan de tekstproductie voorafgaat, kan je wel heel erg productief wezen, aan de finaliteit van het product en de erbij horende productielogica raak je niet. Het Ware Ding glipt weer uit je handen, er rest enkel wat slaps op papier, lettertjes in pastel voor een koper. Wat met de  klop na het paren?

Het is maar wat je wil, natuurlijk. Al blijft het mij verwonderen dat mensen die niet beroepshalve (dat zou ik begrijpen), maar vanuit hun roeping bezig zijn met een hedendaagse vorm van tekstproductie, zich zo weinig gelegen laten liggen aan enig onderzoek naar het wezen en de aard van dat proces zelf. Hoe dat niet anders kan dan allesbepalend zijn voor het soort praktijk dat je er op nahoudt.

Want uiteindelijk is het ook een wereld van verschil. & Dat verschil los je niet op met een boekje lang een metafoor te hanteren. Oplossen is een verkeerd woord, maar ik handhaaf het gebruik omdat we hier duidelijk met een blokkage zitten in de schrijfpraktijk, een evidente taboe**, waar Lampe met glans tegenaan gaat.
& Er met glans weer afschuift zouden we enigszins oneerbiedig kunnen stellen, want uiteindelijk blijft Park Slope ook ‘maar’ een park &  als het gaat zingen doet het dat omdat het in de handen van een talent als Lampe altijd wel zal gaan zingen, maar heeft het hoe dan ook net die beperkingen van al het voorgaande, dan blijkt er helemaal niets gesloopt, & duikt ze met haar werk knus  in hetzelfde bedje als al de collega’s, al  ligt ze bij die zevenslapers wel veruit op kop.

*     *
*

Iemand die  wél op systematische manier  onderzoek doet naar de werking en de effecten van computergestuurde tekstverwerking op het schrijven als bovenindividuele creatieve traditie is de Noor Bjorn Magnhildoen.

Verleden jaar stelde hij in Parijs tijdens het tweejaarlijks e-poetry festival een online systeem voor waarbij de input van online gebruikers in ‘Real Time’ zoals dat dan heet via allerlei bewerkingen resulteerde in een live te bekijken tekststroom. Te bekijken en te beluisteren want een deel van de inputtekst werd via enkele algoritmes ook omgezet naar midi-commands die dan meteen werden ten berde gebracht, een andere deel code werd getransformeerd tot visuele output. Een totaal-spektakel dus waarbij het centrale element, dat wat alles bijeen hield, niets anders was dan -letterlijk – lopende code.

Dit jaar werkt hij aan een programma waar je wel je tekst kan invoeren, maar waar de gebruikelijke feedback gewoon wegvalt. Je zou kunnen zeggen dat dat triviaal is, dat is het allerminst. Probeer het maar effen uit op http://noemata.net/gaps/blindpad.html

Het effect is dat je je eindelijk weer realiseert dat wat je doet, je schrijfact, de totaliteit van alle handelingen en interacties met je computer, een complex cyclisch proces is, een voortdurende terugkoppeling van een dubbele handelingsstroom, het lopen van de code op de computer en je gedachtenbewegingen en hand-oog en scherm-klavier coordinatie.

Plak naast deze experimenten nog eens iets als de inform programmeertaal waarmee je in verstaanbaar Engels spelsituaties kan creëren, en je begint misschien een klein beetje te beseffen dat je de impact van de tekstverwerker op de verschuivingen in het literaire veld alleen maar kan onderschatten.

En daar houdt het niet op, want het verschil tussen een passieve tekstverwerker en een actieve, intelligente ontvankelijkheid voor je menselijke, talige output plaatst de problematiek wel in een geheel ander daglicht.

Het is dus niet alleen belangrijk voor het handjevol literair geïnteresseerden,  maar  het is dan toch wel zéér curieus dat er net daar géén of weinig interesse is voor de overigens  onafwendbare evolutie naar een vorm van geletterdheid die vaneigens een hoge graad van techniciteit inhoudt. Kan je  uiteindelijk nog iets anders zeggen dan dat er hier op kunstmatige wijze een achterhaalde praktijk in stand wordt gehouden, dat het publiek om louter commerciële redenen een rad voor de ogen wordt draaiende gehouden? Je kan toch  niet blijven doen ‘alsof’ je schrijft, inscripties maakt,   terwijl iedereen naar hartenlust invoert, paste en cut en terwijl iedereen wéét dat al het  werk op net dezelfde manier tot stand komt als – ik zeg maar wat- het mijne, of dat wat er hier staat ‘slechter’ zou zijn dan  -ik zeg weer maar wat -wat er in 95 procent van de boekjes te vinden is.

De vaak geroemde ambachtelijkheid van het schrijven, de dagelijkse praktijk die leidt naar meesterschap, de verbondenheid met het maatschappelijke zoals het zich in de realiteit voordoet, alles wat we in elke periode van onze miserabele geschiedenis als waardevol hebben willen erkennen, dat alles vind je ook maximaal terug in een auteurspraktijk die zich dagelijks afspeelt recht in het hart van wat met rasse schreden onze hoofdbron van informatie en culturele distributie  wordt, zo het dat al niet is: het internet.

*     *
*

[epiloog: het tekstkapitaal in  een ruimer sop – nog meer zorgen aan je toch al leprakop]

In een peer to peer netwerk vallen de miljoenen gebruikers uiteen in twee categorieën: seeds en leechers.
Tot de seeds behoren die gebruikers die wat ze downloaden ook onmiddelijk ter beschikking stellen van de andere gebruikers. Later doen die mensen met ‘hun data’ misschien nog honderd en elf fantastische dingen en hopelijk worden ze allemaal vet rijk ermee. Meer ze beginnen wel met een eendere houding en die houding is die van het belangeloos delen.

Tot de andere categorie behoren de leechers. Zij downloaden wat ze willen hebben en delen niks. De correcte vertaling van het Engelse woord leech is bloedzuiger. De huidige toestand, inclusief sociale controle op het downloadgedrag, heeft niks meer te maken met enigerlei ‘links’ of ‘avant-gardistisch’ gedachtengoed. Het heeft zelfs bijna niks meer uitstaans met de Open Source beweging. Het is gewoon het kapitalistisch systeem zelf dat een irrationele toebedeling van waarde aan bepaalde vormen van code corrigeert.

De lopende code scheurt zich autonoom af van een al te humane regelgeving.

noten ————-

** Het taboe heeft natuurlijk alles te maken met twee factoren die maken dat iedereen het vrijwel onmiddelijk op een lopen zet als erover begonnen wordt:

  • de schijnbare complexiteit van het schrijven in een technisch-machinale omgeving
  • de economische verstrengelingen van tekstproductie, de koppeling die vroeger onvermijdelijk was van de sociaal-literaire waardering met de productie van een informatieve drager ( het boekje), enfin heel de problematiek van het tekstkapitaal

12 reacties op “rare koppels in het park”

Ja zeg, dat verjaardagsfeestje kan wachten! Dat het hier geen recensie betreft, maakt een en ander niet minder urgent.
Vragen die ter vriendelijke beantwoording voorliggen:

– Op welke manier vind je dat Lampe rekenschap geeft van het gebruik van de tekstverwerker? Zit dat in de montage? Zie je daar analogieën met zappen en flarf? Of gaat het toch om de typografie? Of vind je ’t ongemakkelijk om een en ander tot termen met een vaste identiteit te herleiden?
– Wat kun je van lopende code zeggen zolang die zich niet ergens, tijdelijk of permanent, vastzet op het scherm of op papier en ons daar voor het eerst onder ogen komt? Is Heisenberg hier van toepassing?
– Hoe verhoudt zich jouw schrijfpraktijk tot die van Lampe? Gaat zij de lyriek die jij vrij baan verleent, je vrijmoedige toepassing van anaforen om een voorbeeld te noemen, niet stelselmatig uit de weg?

goed eerst de vragen dan maar:

vragenreeks 1:
– de doorhalingen op p.6-7
– “harde return” p.7
– ♫ p.8 en het (sport )hartje
– “onder het kopje Perfumes & Mujeres
– herhaald gekruik van superscript
– De LOPENDE TEKSTBALK op p14 (verwijst naar het verschijnsel dat je tekst ‘gaat lopen’als je de cursor ergens plaatst en dan bv de punt-toets ingedrukt houdt
– de toepassing van typografische ‘stijlen’
– de aanmaak van tekstuele objecten die dan verderop gepaste worden ( Lyrische Ik- Op stoot o zwarte sommelier)
engazomaardoor

Zappen/flarf /cut up zijn symptomatisch indelingen, alles is gerelateerd aan het feit dat je niet ‘schrijft’ maar data invoert, dat er een programma loopt waar je input aan geeft & waarmee je bewerkingen doet op eerdere bewerkingen, je ontheft de tekst aan de traumatische impact, zijn karakter van inscriptie, en wat je verliest aan referentieerbaarheid win je aan potentie, elke invoer is nu tekstueel evenwaardig ( het is allemaal ‘maar’ input) waar je dat vroeger wel kon beweren maar toen was het selectie procedé ( bij de MERZ teksten van Schwitters, of de ready mades bij Burssens) nog significant als actie, nu werk als je als auteur veel meer als een interrupt op een stroom, zijn je stoppages bijna significanter dan je ‘eigen’ woorden.
Uiteindelijk is de negatieve spiraal van onttovering en betekenisverlies, het verzuipen van de lyriek in het banale alleen maar te keren door de betekenisdrager zélf te dynamiseren en dan kom je bij begrippen als lopende code uit, en het Neo-Kathedraalse gedachtengoed dat het creatieve proces benadrukt en niet het gegenereerde afval. Mijn werk is het onaffe dat ik teweegbreng, je kan het lezen door de bewegingen te traceren dóór de tekst, de achterliggende denkbeweging te reconstrueren. Er staat niet wat er staat omdat het weg is.

vragenreeks 2:
Heisenberg, hm, ik zou die natuurkunde maar zolang mogelijk achterwege laten, we kennen dat tenslotte alleen maar van horen zeggen. Die lopende code komt er straks wellicht beter uit als ik Lampe’s praktijk in het licht hou van wat Bjørn Magnhildøen allemaal uitspookt

vragenreeks 3:
hier zou ik toch willen vermijden om daar een of-of verhaal van te maken. Lampe doet wat zij graag doet en ik wat ik graag doe. Ik ken haar niet maar ik kan me niet voorstellen dat zij het gevoel heeft wat dan ook uit de weg te gaan, laat staan stelselmatig. Ik ben nogal veel bezig met klassieke muzikale aspecten van taalgebruik, ik zit de dingen daar wat uit te melken waar iedereen al lang van gaan lopen is, waar quasi niemand nog iets meent te moeten gaan zoeken. Ik hoop dat ik daar toch nog wat vind dat de moeite waard is, net zoals ik Lampe tot mijn grote vreugde zie dingen vinden in richtingen waar ik dan weer helemaal niks meer zou gaan zoeken, hoewel in het Engels loop ik soms wel ’s de Lampeske kant op. ik schrijf ook vanuit een heel andere positie, ik moet gezien wat ik doe, & vooral waar ik het doe andere normen hanteren qua verstaanbaarheid en distinctief taalgebruik, plus ik werk niet naar een boekje toe (hoewel ik dat misschien wel ’s zou moeten doen)

Dirk,
Dank. De betekenisdrager zélf dynamiseren; het lijkt alsof ik eindelijk het licht zie. Ik houd bij de voorbeelden die je geeft nog wel wat bezwaren, gewoon omdat het op papier toch referenties blijven, dat heb ik ook bij Oosterhoff: het is niet wat het in andere omstandigheden wel is, en blijft dus behelpen. (Ik schrijf nu over Kouwenaar en die accepteert gewoon dat poëzie de dood in de pot is; alles wat buiten de tekst verglijdt, ontbindt en vergaat wordt daarbinnen volkomen, volledig, totaal, absoluut en zwart dan wel totaal wit). Maar het laatste voorbeeld is wel mooi, dat klonen van een stukje tekst.
Nou, laat de gasten maar niet te lang alleen zitten!
(Toen Vestdijk 65 werd kwam onder meer de burgemeester op bezoek; nadat V. zag dat iedereen koffie en gebak had zei hij: ‘Als u me nu dan wilt excuseren’, ging naar boven en even later hoorde het bezoek de tikmachine door het huis ratelen).

De ondraaglijke voortgang van het tekstuele verglijden was ermede geholpen dat de helft van de gasten niet hier geraakt is vanwege de plotse sneeuwval, waarop de jarige dan weer plots meer brood zag in sneeuwpret buiten dan taart & getetter binnen. Eens te meer een voorbeeld dat het leven altijd en-en is en het enkel of-of moet worden als het bijna uit is.

joh, daar stond dus: reageer op rare koppels in het park, toen ik met de muiswijzer omtrent de reactielink manoeuvreerde en het klonk als een gebod… staat daar al behoorlijk diep spul tussen maar… het roept: reageer!
Lampe doet me dan weer aan Kant denken en vanzelf weer aan een gebod. Enfin.

zou er ook nog een tussencategorie zijn tussen de seeds en the leeches? om het of/of principe maar even te lijf te gaan. Dat volk dat zijn ding doet waar geen kat naar omkijkt en dat even vrolijk verder produceert, wel zegt: dit is van mij, als je het wil moet je het vragen. enzovoort.

en wat ik graag las was dit: je kan het lezen door de bewegingen te traceren dóór de tekst, de achterliggende denkbeweging te reconstrueren. Er staat niet wat er staat omdat het weg is.
ik gebruik het. het is de perfecte censuur, want haast niemand doet zich de moeite. (en dat gaat niet alleen voor tekst, vind ik . een foto op die manier wordt evenmin bekeken. zo kan je vrijwel alles kwijt. Enfin, behalve dan die dommeriken die een blote borst zien en je rapporteren. Tja.)

geen hoofdletters vandaag, vingers hebben het koud.

Lampe’s laatste bundel heeft me zo veel plezier opgeleverd dat ik ‘m meteen nog enkele malen herlas. En zulks doe ik niet snel wanneer dat niet van me wordt gevraagd, verwacht, geëist. Nu ben ik ook naar de winkel gesneld/geslenterd omdat haar vorige bundels me ook al bevielen, dus dan denk je de toon, de stijl te kennen, en weet je dat de kwartjes pas gaan vallen na herhaalde lezing. Toch is er ook bij die eerste lezing al die overrompeling, de gekte, de tekstroes, die op zich al iets weet te communiceren op een manier dat je je koffie laat koud worden of je sigaartje laat uitgaan. Het is het soort bundels dat overtuigt door die drang tot herlezen, en bij elke herlezing weer iets anders ontsluit.
Zo ben ik fan van de poëzie van David Jones, die in feite zo moeilijk en ontoegankelijk is, dat je haar wel twintig, veertig maal, inclusief notenapparaat moet lezen om er rationeel chocola van te maken – met als voordeel dat je er dan ook twintig à veertig maal van genoten hebt.
Dat lijkt wellicht op afdwalen, en is in elk geval bezijden Dirk’s punt(en), maar ik heb de afgelopen paar jaar slechts enkele bundels gelezen die uit zichzelf dwongen tot herlezing, en daarbij allerminst teleurstelden.

Maar Dirk spreekt van boekjes, en schrijft vanuit het internet-denken, of hoe je dat ook wilt formuleren. Beide media hebben zo hun voor- en nadelen. Lampe publiceert ook filmpjes op het net, die haar poetica zouden kunnen onderstrepen, maar die ik minder geslaagd vind dan haar ‘boekjes’. Dirk is bijzonder actief op internet, met laten we zeggen briljante en net iets minder briljante zaken, dingen, verzen – en geeft blijk van een heel eigen poetica (waarvan eerdaags inderdaad maar eens iets in boekjesvorm moest verschijnen). Het zijn de kathedralen, de verklankte erotische ellende, de— enfin, de bevlogenheid van Astrid en Dirk verschillen niet zo veel; de zichtbare productiviteit eens te meer.

En, internet fungeert vaak als proeftuin, van een ‘boekje’ verwacht je doorgaans toch dat er genoeg geëxperimenteerd en beproefd is, dat je met een bepaald soort eindresultaat van doen hebt. (Dat blijkt dan vaak helemaal niet zo te zijn, zeker niet bij debuten, maar alla.) Dirk is nog niet “geboekt” omdat hij het scrollen, de lopende tekst prefereert. En het initiëren, het draaiende houdende van het gemaal. Het stilstaan, het uitstappen bij de halte uitgever, papier, drukker, daar is geen tijd voor, daarvoor is er immer te veel nieuws, te veel inventiviteit. Want als dat boekje er is, hoe moet het dan met de discussie, het al dan niet mislukte experiment, de lopende tekst? De kracht van de een is de zwakte van de ander, en vice versa, als u begrijpt wat ik bedoel. Het dilemma aan deze kant van de lijn zou kunnen worden opgelost door het strakke componeren van een bundel (een boekje, bedoel ik) al was het maar bij wijze van intermezzo.

Adriaan,
bedankt voor je uitgebreide reactie, ik vind het bijzonder fijn dat je hier die dingen over Lampe’s werk vertelt, je zal al wel begrepen hebben dat ik het werk van Lampe ook erg apprecieer, los van dat het hier de aanleiding was om nog maar ’s wat proberen duidelijk te stellen. Ik vind het ook vanzelfsprekend dat ik probeer mijn praktijk toe te lichten, en daarbij andersoortig maar toch weer gelijkaardig werk wil bezigen om de verwoordingen aan te scherpen.

Niet om controverses in het leven te roepen (een polemiek is, tot spijt van jagers op sappige hatelijkheden misschien, voor mij enkel interessant als er wat te winnen valt of als er iets of iemand onrecht wordt aangedaan), maar om de nieuwe mogelijkheden als openstaande wegen aan te duiden, en tegelijkertijd op de continuïteit te wijzen die voor elke literaire activiteit van belang is, al betreft het vaak een wending of zelfs een kortstondige breuk.

Dat boekje, die pauze, dat komt er ooit wel, maar ik wil nu eerst werk maken van een verdere uitbouw van de praktijk die ik al heb, het begint al te neigen naar een verdedigbaar systeem, maar wat hier ontbreekt is een degelijke archiefvorming en een materiële referentieerbaarheid.
Ik kan daarbij bijna niet anders dan consequent de lijn doortrekken.
Dat houdt onder andere in dat ik eerder tijd ga stoppen (met anderen die daar om diverse redenen brood in zien) in het oprichten en de uitbouw van een degelijk netlabel dat die archieffunctie kan verzorgen, dan dat ik tijdschriften of uitgevers ga nahollen met manuscripten die hier al sinds jaar en dag downloadbaar zijn. Als ik consequent wil zijn met de stelling dat een papieren uitgave eigenlijk de bekroning , de maatschappelijke consecratie dient te zijn van een geslaagde literaire praktijk, dan houdt dat ook een verschuiving in van de rol van uitgevers en redacteur, want dan dienen die dankzij hun selectie- en redactiewerk maar te bewijzen dat zij die toonaangevende rol kunnen vervullen.

Ik kan daarbij niet nalaten te zeggen dat ik het niet de taak van de auteur vind om zich ter exploitatie in een geilige outfit aan de meestbiedende commerciële actant aan te bieden, laat staan haar werk in allerlei bochten te wringen om aan de eisen van de commerciële logica te voldoen.

Ik zal de laatste zijn om iemand iets te verwijten als ie dat wel doet, ik begrijp maar al te goed de economische noodzaken of de wens om aan de communicatieve noden van je werk te willen voldoen, een wens die bij het langdurig uitblijven van vervulling voor veel pijn en verbittering kan zorgen, maar voor mij hoeft het niet als ik daarvoor moet gaan schooien, kletsen, paaien en -ergst van al- mijn woorden draaien tot ze het werk zelf verraden.

Ik weiger mij te laten incapsuleren, punt. Ik wil altijd meewerken aan eender welke uitgave maar ik ga niet lopen schooien van koop mij, koop mij. Wat zou ik overal moeten gaan dingen naar opsturen als het allemaal hier te lezen staat? Ik vind het fantastisch als er dingen van mij in tijdschriften verschijnen (dat gebeurt omdat sommige mensen graag dingen van mij in hun tijdschrift hebben, omdat ze dat relevant vinden en dan vragen ze dat) maar wie ben ik om te willen gaan beweren dat dat en dat tijdschrift dingen van mij nodig heeft?

Dat is een logica die uitgaat van een voorheen daadwerkelijk tekort aan distributiemogelijkheden, die tekorten aan distributiemogelijkheden die ZIJN ER NIET MEER. Er is geen tekort, ik moet dan ook niet doen alsof er een tekort is.

Daar is geen enkel reden toe, tenzij wat kortzichtig winstbejag of het dubieuze kortstondige genoegen van media-aandacht, of een positie van ‘opiniemaker’ die niet gebaseerd is op enige opinie maar op het glanzende kaftje van het meest hype item uit de map ‘Mijn Opinies’. Als de rest van de literaire wereld zweert bij een commerciëel exploitatiemodel, dan hoef ik de rest van de literaire wereld niet, want de vorm die dat model nu aanneemt heeft niks meer te maken met de redenen waarom ik überhaubt aan literatuur doe.

Ik ben geen literaire hoer, ik heb niks te verkopen, ik heb zelfs geen diensten aan te bieden aan de samenleving. Ik ben de nederige en volslagen onnutte vertolker van een literaire stem, dat is wat mij betreft een boven-individueel proces, een veruitwendiging van een sociaal-maatschappelijk gebeuren, niks mystiek maar toch iets waar ontzettend veel meer mee gemoeid is dan het futiele persoontje dat ik ben, ooit kan bevatten, waar ik dus ook maar dat aan te zeggen hebben, dat ik ze zo zuiver mogelijk een verklanking wil aanbieden bijvoorbeeld, en dat ik niet zal toestaan dat ze misbruikt wordt in een louter suïcidaal vertoon dat enkel negativiteit en stompzinnige doodsdrang adverteert.

Dat is in het kort ook de betekenis en de draagkracht van het begrip ‘oofdloos verzet’ waar ik het soms wel ’s over heb, maar dan gelukkig een pak minder zwaarwichtig.

Waarde Dirk,

Met controverses schiet inderdaad niemand iets op, misschien met contraverzen, wie zal het zeggen. In elk geval ben ik het in grote en kleine lijnen eens met de vlammen van je betoog. Ik ben een liefhebber van poëzie, en dan doet de verschijningsvorm of context er niet toe. Ik ben ook een liefhebber van het papieren boek. Met papieren dichtbundels is iets aan de hand wat je op internet maar nauwelijks kunt bereiken: de bundel als compositie, als mogelijk betekenisvol geheel van samenstellende delen. Ik schrijf op muizepootjes “mogelijk”, want veelal is dat niet het geval. Dan zou ik ook zeggen, zoals het er nu voorstaat, pleur de boel op internet en toeter wat. Maar de dichter die in staat is de meerwaarde van het geplakte papier te schatten, en daar “iets mee doet”, die kan een mmoi ding maken.
Anders: J.S. Bach schreef mooie versjes, maar doorgaans plaatste hij ze toch binnen de context van een “bundel”, die op zich weer betekenis had. Hij voerde dat principe, als gebruikelijk in zijn tijd, heel ver door. Een stukje voor cello? Dat wordt dan wel een “suite”, een klassieke opeenvolging. Eén suite? Dat is niet genoeg, zes moeten het er zijn – mits ze een geheel vormen. (Alles in zessen bij de goede man – voor hem was 6 het getal van de schepping, het creëren.)
Rare uitwijding, maar zelf begrijp ik het wel. Ik vind dat ik bijwijlen heel aardige poëmen schrijf, maar het kost me bloed, zweet en tranen om ze tot een vorm te groeperen die op zich poëtisch is. Een aantal jaren geleden was ik in die zin meer succesvol omdat ik eerst het stramien vastlegde en daarna aan het werk sloeg. Om meestenstijds te falen natuurlijk.
Mijn probleem is, ik houd veel van het corset, de strak ingesnoerde vorm die de inhoud op z´n best tot z´n recht doet komen, maar evenveel houd ik van de proeftuin, in alle betekenissen van het woord.
Mijn vriendin heeft een fantastische boekenkast gemaakt in onze nieuwe woonst, en ik heb die mogen vullen met al het schoons dat ik heb meeverhuisd. Alles gerubriceerd én op alfabet. Bij poëzie bij de letter V ontbreekt Vekemans, bij de letter K staat een typografische jeugdzonde van mij. Op naar Kessel-Lo!

Ik heb zelf dit weekend een voorstel voor een bundel gestuurd naar een prestigieus uitgevershuis. Waarom? Omdat al dat verspreide werk allicht toe is aan een nieuwe context: die van de auteur. Maar natuurlijk denk ik niet alleen aan mijn lezers. Ik heb jarenlang voor Meander geschreven. Tijdens een dichtersbijeenkomst vroeg iemand aan me: ‘En waar jij schrijf voor?’ Ik antwoordde: ‘Voor Meander’. Later die avond werd ik door een bekende dichter, die het gesprek had opgevangen, gereprimandeerd: dat antwoord kon ik maar beter niet meer geven.

Ik heb er altijd naar gestreefd om wat ik te zeggen had van gezag te voorzien. Pas na mijn eerste artikel in een serieus tijdschrift durfde ik ervoor uit te komen dat ik überhaupt schreef. Ik heb altijd gedacht: het kan wel goed, waar en mooi zijn wat ik schrijf, maar zolang het niet in een erkend periodiek staat, betekent het niets, is het alsof het nooit geschreven is. Het is wat dat betreft net geweest als met Multatuli, die ‘gelezen wilde worden’.

Ik ben van mening dat Dirk veruit de interessantste stem is die er momenteel klinkt in de poëzie en in het poëtisch discours tout court. Veruit. Maar hij blijft een geheimtip: veel mensen die ik spreek hebben alleen oppervlakkige kennis van wat hij doet. Ongetwijfeld permitteren ze zich om zijn werk af te doen als marginaal, zolang er geen werk in tijdschriften of bundels verschijnt.

Daar heb ik, wat mijn werk betreft, geen zin in. Ik ben erg blij dat ik om de zoveel tijd een oppervlakkige recensie voor Awater mag schrijven, omdat die positie afdwingt dat men mijn overige werk serieus neemt. Net als Multatuli wil ik gehoord worden. Ik schrijf niet alleen voor mijzelf, of ten behoeve van de emancipatie van een medium; ik zoek de ruimte op waar de kans het grootst is dat mijn woorden indruk maken. En dat hangt niet alleen af van wát ik zeg.

De belangrijkste reden dat ik er bij Meander mee ophield, was dat ik betaald wilde worden voor wat ik schreef. Niet voor het geld, want dat is bepaald de moeite niet, maar omdat die betalingen uitdrukten dat het de moeite waard was wat ik schreef.

Inmiddels hecht ik daar niet zo meer aan, en zo nu en plaats ik artikelen waarvoor ik niet word gecompenseerd. Maar dat veroorloof ik me alleen omdat ik inmiddels die betaalde publicaties achter mijn naam heb staan. Ik heb nu die positie die ik verlangde, en die mijn werk nodig heeft, wil er rekening mee worden gehouden.

Nee, er is geen tekort, er is geen gebrek aan distributiemogelijkheden. Maar er is een blinde vlek. Er is een politiek van uitsluiting. Er is onkunde en onbegrip. Er is koudwatervrees. Er zijn vooroordelen. En er is het psychologische en sociologische feit, dat je eerst zelf geaccepteerd moet worden voordat men belangstelling opvat voor wat je te zeggen hebt.

Ik had het verzameld werk van mijn vader best met enige moeite en veel subsidie bij een goedwillende uitgeverij onder kunnen brengen. Ik heb daar ook een aanbod voor gekregen destijds. Maar ik heb ervan afgezien, omdat ik meer toekomst zag in een permanent nachleben op het internet, dan in een eenmalige uitgave die binnen de kortste keren in de ramsj en de vergetelheid terecht zou komen. De site wordt gemiddeld door zeven mensen per dag bezocht. Een papieren uitgave zou hooguit een paar honderd mensen hebben bereikt. Ongetwijfeld is een plek op het internet voor een obscure en destijds nagenoeg vergeten figuur als mijn vader een betere garantie voor enig nazinderen dan een eenmalige vermelding in een publicatieoverzicht.

Maar voor een actieve praktijk als die van mijzelf ligt het anders. Ik hoef nog niet te worden gearchiveerd, het is van belang dat ik in periodieken verschijn die nu aan de man worden gebracht, en die hun tijdelijkheid juist vóór hebben op de permanente aanwezigheid van de stukken die ik online plaats. Het is juist het tijdelijke en voorbijgaande dat aan die publicaties hun meerwaarde verleent. Wat dat betreft blijft het internet, dat het zonder kattenbak moet stellen, altijd achtergesteld. Wat van belang wordt geacht, kan men herkennen aan het tijdelijke karakter ervan. Het internet is niet tijdelijk, maar permanent. Het internet archiveert. Daarom is dat de plek voor mijn pa, maar nog niet voor mij.

Een onsamenhangend en mogelijk wat larmoyant verhaal, maar het is laat, en ik laat het staan zo. Hoe spontaan men schrijft voor de eeuwigheid, en hoe weldoordacht voor de kattenbak!

Nee, Rutger, larmoyant zou ik dat niet noemen, eerder weloverwogen stellingname. En ik reserveer plek bij de C.
Dat alfabet doet trouwens heel goed dienst; als me te binnen schiet dat ik iets wil herlezen, dan staat het doorgaans voor het grijpen. De boekenkast is godzijdank geen kattenbak maar een persoonlijk archief, waar ook de leemten duidelijk zich tonen. Het alfabet maakt het mogelijk je bibliotheek te googlen. Daarom spel ik de namen a z. En noteer de leemten, zodat ik wanneer ik afreis naar de stad ze kan aanvullen waar de boekhandel ze op voorraad heeft – zo niet, dan doet marktplaats vaak goed dienst; en dat maakt de cirkel rond. Wat mij betreft is het geen of-of-situatie maar een en-en- (en daarmee win-win).
Ik zie uit naar je bundel.

en-en, & inderdaad, & bedankt beiden voor de mooie commentaren, & ik ook Rutger (uitkijken naar je bundel, bedoel ik) & alles komt wel als het komen moet, op zijn tijd, of niet , maar hoe dan ook: nu eerst de spaarse vrije tijd gestopt in het grootse, uiterst geheime internationale NETLABEL waarvan voorlopig dus niets geweten mag zijn, ook niet dat we op 14 december een eerste redactievergadering hebben met een ware keure aan geletterde hoofden, (een ware keure, mooi klinkt dat ) zodat het nu al zeker is dat we de literaire bedrijvigheid, onderaan, bij haar verzwering aan een stel oude naarstige gewoontes een onderbuikvliesontsteking gaan bezorgen, net nu alles zo schoon en braaf en propertjes en beheersbaar begon te worden, & de jeugd zich zowaar zo conformeerde dat het moeilijk geworden is om ergens een vergelijkingspunt te vinden dat niet comform was met iets waaraan de jeugd zich wel wou conformeren, als het maar conform was, & het juiste ding, zo van zeg ik het wel goed zo, klopt het met de vorige regel, enfin, zo leek het toch, dedju toch, & maar ja wat wil je met die strompelende banken ook al, & die opwarming van de aarde dat deugt ook al niet want het is verrekt koud vandaag & gisteren was er sneeuw zelfs, het was op het nieuws, sjonge toch…

Nagekomen bericht: voor de deze week gehouden Nederlandse waterschapsverkiezingen is een opkomst genoteerd van 24%. De waterschappen zelf wilden graag stemmen via het internet mogelijk maken, maar dat werd niet veilig genoeg bevonden. Het beste, aldus een voor de camera gesleepte deskundige, is toch dat men ‘de mensen naar een stembureau laat gaan, waar men een echte handeling moet uitvoeren, en waarvan bovendien een “paper trail” overblijft, zodat men de stemmen kan natellen, en kan nagaan dat er niets mis is gegaan met de computer.’

Er is wel degelijk sprake van een conservatieve reflex. Plato, ondanks zijn ideeënleer, privilegieerde het gesproken woord ten opzichte van het schrift; hier wordt het geschrift geprivilegieerd ten opzichte van de code. Men ziet nog onvoldoende in dat de habitat van het intelligente zich verplaatst van de wereld naar het boek en vandaar naar het scherm.

Geef een reactie