Categorieën
101 Aanroepingen lyriek

Duister

Het duister met de kleffe armen slaat de kleffe armen om
& om de natte dag. Diep oranje kleuren in mijn handen
alle tonen die ik  vang. Er tokkelt iets van nu op fel
gespannen snaren toen & nooit. Giraffen schuren traag

hun hals in het slome wiegen van een donker groen. Ik ban
de weemoed &  de warmte uit het donker in je lach. Ik schuif
de ladder uit tot hoog boven de daken. Het laatste licht vervalt
ook daar maar hier kan ik tenminste nog het einde raken.

Alle vormen glijden nu in vormen weg & takken braken takken
uit & slierten wak gebladerte. Wortels duwen grond op grond,
de kraaien pikken wormen alsof jij niet meer bestond. Ik weet

niet waar je bent. Je naam ben ik vergeten. Ik gil. Je lichaam trilt
waar ik mijn handen leg, de aarde tolt, je bent mijn lijf, mijn goud,
de wereld die ik verdwijnende in jou om haar heb opgebouwd.

Geef een reactie