Categorieën
kort lyriek

Haakwerkje

– “Hier, haak je vast in mijn huid, ik vlieg er toch weldra uit & de pijn is het woord van een ander”. Je spijkert het op de stilte als een vlechtwerk van staal.

Alsof de woorden & hun betekenissen je vanzelfsprekend toekomen. Alsof je een bedreven meesteres van het stroeve genieten bent, een noodlottig bedroefde die slechts het sterven, de bevrediging van de drang naar bederf wil aanwijzen als de enige, ware weg naar het nirwana. Alsof er met die woorden van je iets te vertellen valt. Alsof jij überhaupt iets te vertellen hebt.

Maar een vingertopje van je hand, een spiertje aan je mondhoek slaat snel uit naar bekend terrein, de veilige vluchthaven waar je te handenwriemelen staat & luchtig te lachen van “neem mij, neem mij alsjeblief niet al te serieus”.

De rechte ladder naar het zenith van het humane trillen op aarde wankelt steevast tussen A & B.
Via via, dus toch weer iets dubbel, een herhaling als in een spiegel, waar enkel het glas weet wat er echt is.
De kromme waarheid glipt er ergens tussenin, ze kronkelt weeral tergend langzaam de voorspelbaar snelste weg af. De waarheid is een gladde slang die glijden wil, de diepe vijver in.

Het is de lust die het overal donderen doet, het licht van de woorden dat kenden we al. De duiven zitten op dit uur stijf van de angst naar de lampen binnen te turen. Het raam zet ik maar open best, zodat de onweerswind onze oude kamerlucht kan komen opsnuiven.

Aha, je lacht. Ja, we hebben een heden. Wacht lang genoeg, zo stond het in je hart gegrift, dat altijd voor het grijpen lag (ik heb het walmend in de lange spleet van morgen te rotten gelegd). Maar dit heden staat & spant & zingt. Zo had je het vast niet gedacht.

Kom, wonderlijke dame, tijd hebben we nooit genoeg, prik je strenge oog met je tranenmoraal dus ploef  aan die cactus op de vensterbank, hang je muffe beddegoed over de flitsende schermen, ik zal je vlug bij die befaamde ander van je  sissend op de lippen zetten. Letter per letter tot je met de letters samenvalt. Het verhaal zal ik als stroop uit je glazige adem nippen, de personages die we waren uit de plooien duwen van de lege vlakte die we in de leegte maken.

Ik weet het, je wil nog een bootje zijn, zwalpend op het natte vlak van je wensdromen, maar ik duw je af tot in het niets van de volledige tegenspraak.

– “Neen: je huid is de haak & van die vissen in je aders vliegt er niet één”. Ik hou het de duisternis voor als een vaandel van marmer.

Geef een reactie