Categorieën
Anke Veld

Hij wavet nog bijwijle het reële in

[Lode over merels & het niets van g*d]

Merels hebben een gele bek. Dat weet ik nog. Het zijn brutale stadsbeesten ook. De mormels lopen zichtbaar wormen uit de betonnen randen van de bloemenperkjes te benen & op te schrokken. Ik schrik ervan, hoe het diertje ritselend door de struiken schiet, met een vette worm bengelend uit de bek.

Zo lag er laatst nog één op straat, het kreng verhardde bij elke rake autoband verder op & in het asfalt. Met de lentezon er als de kippen bij.

– “Ha! Vertel! Hoe kwam het merellijk tot ons? Start de enumeratie!”. Hij weer.

Doe toch zo druk niet, man. Maar goed: de dode vogel werd waargenomen

  • als een vlek op het grijs in geel, zwart & rood. Belgische kunst op haar platst
  • als een arabeske vliegenval met het verkeer als blitze koudmeppers van het aasetende ongedierte
  • als een geheel redelijke, zij het vrij morbide opwerping der Oude Natuur in het angstvallige zwijgen van het wegdek, een doodlopende zijweg
  • als een storend oponthoud in de wellustige stroom oogwenkingen (van de wapperende rokjes naar de sluike haren naar de rokjes naar de pod-speakers naar de monden naar de oortjes naar de rokjes naar de ipods naar de grijze Citroën DS naar de rokjes)
  • als een plak uitgedroogde hondenpoep waaruit op vertederende wijze één veertje wapperde & in de smoggerige stadslucht priemde
  • als een dode vogel, platgereden

G*d is ook zo iets, een groezelig idee, een verdrukt relict dat nog onopvallend in de steeds nettere steden ingebakken zit. Hij wavet nog bijwijle het reële in. Als kerkfabriekreclamecampagne bv. met van wanhoop grijs uitlopende liefdeswoorden & beelden van kalm lachende blanke lijfjes met een drukke neger erbij op goedlachs blinkende affiches. Maar ook onrustbarend, als een heilig vuur sluimerend onder het beheersbare, in de waanzinnig opengesperde ogen van de drugsverslaafden, als een verbasterde vloek die in de mond van een begeesterde ziel op genante wijze doel treft in het tengere kindsvrouwte dat van loutere hunkering te beentrillen staat.

“Nee, nee”, doceert Maaike, ” het is meer een spinnenljk, groots in de beweging ’s nachts & schrikbarend, maar overdag miniscuul & dood & nat na het dweilen”.

Gevat, maar niet erg geloofwaardig als levendige dialoog. Er is nog werk aan de winkel, maar we hebben er toch goed aan gedaan haar in ons midden op te nemen.

– “Zozo, & wie doet er nu druk, hé? ‘Werk aan de winkel’? Woeha!”

Grr.

Aldus evenwel & hoedanook belazeren wij voortdurend dit ondermaanse hoog-humane verglijden. Want nee, wij zijn niet netjes. & Ja, wij dachten eerst van zus & zo & beter dit dan dat, maar nu: wij doen maar wat. Ook al omdat we geleerd hebben dat het porren met onze stompe uiteinden in gindse weke massa vaak soelaas brengt voor de gedetrempeerde lichamen, scheppen we een hels genoegen in het luie afzakken naar het onvermijdelijke.

& G*d, ach, Hij zal mij wat. Wij fungeren heden als een stinkend gat in het Pad, een vervelende stremming in het gladde Neigen naar Zijn evenbeeld, zo niets kan niets immers niets zijn, niets blijven & tóch al het gedachte & al het bestaande met die verdomde doodskogels aan flarden schieten.

Geef een reactie