Categorieën
Het Pad

apocrief izeganz gefezel

VLAK 14

[Zanger Izeganz & twee Ingezetenen van het Salon]

Izeganz klopt zich het kunstroet van de loden jas.

De handen zijn hem opgezwollen met de zweren van beteugeling.
Hij stinkt: de hemel zelf zou haar blauw in roestig donker willen splijten
om hem uit de weg te kunnen gaan, & uit zijn sliertige haren gutst een
zure spray van schilferig bestipte dauw die dwars door elke hel kon branden.

  • Zijn aanblik baart het onbedachte in het weke van uw brein
  • Zijn bewegingen plonzen door het web van de gekende werkwoorden
  • Zijn stem valt woorden af, zij zet geen zinnen in of aan

Maar het vuur dat in zijn zingen huist, schroeit weldra alle wonden.
Het bloeden van de kreten stelpt, de vogeltaal verstaald, de straten zullen sidderen.
Zich preparerend met een zucht voor sterfscene nr 14, versie 3.1, take 2
richt hij zich tot wat er nog rest van de Ingezetenen &

bij het gebonk en het geraas van de splijtende toon- & trekbanken,
bij het kreunen der krukassen onder het instuikende verhaal
bij het gieren der sirenes & het afschrikwekkende gebrul der hongerige horden
bij de stervensweeén woelend in de opstoffende droogvlakte,
in de natuurwinkel temidden het bonte kluwen van het immer geile kapitaal

orakelt hij als volgt:

“& de duisternis zal duisternis uitademen
& het licht zal uit de gezichten vallen
in de duisternis van het reeds
volledig uitgevallen licht

& de tijd stokt & stroopt zich de minuten op
tot een verduurde ring van uren

& de tranen stelpen in de oogleden &
met dikke brokken zilt glazuur
bedekken de tranen de tranen,
bedekken de tranen de ogen,
dekken de tranen
de gezichten
toe.

& in het zwart schiet een schicht
zwart dieper het zwart in.

& je lippen met mijn lippen roer ik je lippen om.
& je handen in mijn handen neem ik je handen aan.
& je tong vertel ik met mijn tong dat onze tongen tongen raken:
hoe wij al lichaam waren lang vóór de aardse tijd begon;
hoe elke duisternis met licht begon;
hoe het licht de duisternis bezong;
hoe het licht zich tot de duisternis verschoonde
& het leven met de schaduw van het al beloonde.

& de krijsende kreeften van je angsten
hak & sleep & sleur ik uit je lijf:

ik hak & ik hak &
ik hak een tijd uit voor het hakken
& ik hak een tijd uit in het uitgehakte hakken

het is een diepe schelp versteven in het donkerrood,
met naast de zotte polsslag van je krolse heden
een droeve nis voor al het nakende gemis”

1ste Ingezetene:

Sjonge, sjonge is er nog chips? het heeft wel wat om het lijf allemaal…

2de Ingezetene:

Het ís een lijf, & het blinkt ook af & toe,
maar het zou wel ’s in de douche mogen,
& bovendien wat meer eten want je kan
welhaast de lucht doorzagen
met de scherpe kartels van die ribben!

Uit : Het Pad van de Wenende Nacht, een Illegale Patch voor het Zangezi programma van Velimir Chlebnikov (1922)

Geef een reactie