Categorieën
lyriek Ruis

eimwee

madreigaal1.jpg

een eidens sprookje

De wereldslang vertierelierde in den Gouden hof.
Het was erg warm & best wel tof. De slang
kon alle dagen nieuwe slangelijfjes dragen
die in het gulle gras massaal te okerblinken lagen.

De wereldslang verzon zich dagelijks ook
wat nieuwe langoureuze slangewoorden
die dan onmiddelijk de aardse wereld
met ’t verse slangestof omboordden.

Toen kwam Adam echter & die nam de slang
& trok hem aan als stoere toverstaf. Dat was,
dat vond wel iedereen, nogal laf &
meteen was alle pret eraf. De zon

verbleekte & het werd héél dof
De slang versiste zich & klom bedroefd
haar vel uit, hop de appel in & dieper zo
de weke buik in van dat verwaande

pretbederversdom:

‘je was zo groot & hol
dat ik onmerkbaar als een worm
in je vele darmen schuilen kon

ik sloop je toekomst in & jij
je was mijn eva eva eva
takka-takka-takka-kattebol’

De mens die ziet nu zuur van alle slangen af
& in haar muffe mond verslikken alle tongen zich
de dieptehonger in. De wereldslang evenwel
zit haar veel & veel te diep onder het vel

in één der darmvertakkingen verborgen. Niemand
kan nog voor wat verse slangelijfjes zorgen.
Men windelt dure pels rond eigenbraaksel,
uilenpus & muizenwrat. De tijd staat stil

& alles loopt ten einde af. Het waait
nog wel ’s slangewoorden buiten, je hoort ze
’s nachts bij het zachte poezepluizen
of bij de prille ochtendzonnestralen

in lege velden verder verder verder
naar het grote Niets toesuizen.

Geef een reactie