Categorieën
lyriek

schr stm ndre a ij (k . r . a . a . k )

drog.jpg

Oh de droogte zal (het spel spelt het onheil onheil o onheil o) wel opgooien

Och het is ik slechts die de droogte in het gitzwarte naderen benoem, schrik
Naar het dorp Is (dat de huizen zo kleuren) & schik mij erin. De kraakstem
Halst mij dán echter de aardkloot op zo zij met der letters plooihuid ingesloten &
Ezelstrak blijft zoals de put Is/Was afhangen blijft van wegspurtende krabben.

In klimt dus het jongetje Wij dat de helmen van het Er verzamelt, deze ter ei
Legt vervolgens: die met de kleine gaatjes, die dan met het prut
O & die met de rand tenslotte bloeiende rondom de grillige uitwas in
O-vorm van boven erop geschoten of uit & eraf naar het gutsen van onderen.

Nog te hoofdkwallen & in waterdiepten te zweven hangt zij eigenzinnig. Stroef.
Haar is gegeven het aderkloppende plichtsbesef, het slokminderende slikken van
Ei bv. dat in droogspatten ons haar droogwaarde afklokt, dat doorkeelt het droge.

In schaalscherfklank of voor de kleur U of de hoogrode vorm, niet de roem, nooit,
Laat staan het smeurgeld: o blauw dat bij het zilte te kijk stelt haar laatnatte pruim.
Ook al doet het dat zo van sterven stijf in glanswit dat het lid weerom stofgutst:

Oh ik slechts die de droogte in het gitzwarte naderen benoem, schrik
Naar het dorp Is (dat de huizen zo kleuren) & schik mij erin. De kraakstem
Halst mij dán echter de aardkloot op zo zij met der letters plooihuid ingesloten &
Ezelstrak blijft zoals de put Is/Was afhangen blijft van wegspurtende krabben.
[…]

drogtedroog.jpg

geupdate pdf: indringende-cirkelzagen2.pdf

 

Geef een reactie