Categorieën
101 Aanroepingen lyriek

101eigentijdse_schijf1

 

 

 

 

 

 

 

dirk vekemans

 

101 Eigentijdse Aanroepingen van de Muze

R.I.P. 2005-2007 etc

 

 

 

101 eroretorieën in diverse installments – schijf 1

 

 

INHOUD

Voorwoord: de dichter tot de lezer, terzijde

  1. Afwezig
  2. Ascetisch
  3. Behoudsgezind
  4. Dissipatief
  5. Egyptisch
  6. Horatiaans
  7. Italiaans
  8. Kathaars
  9. Laconiek
  10. Maritiem
  11. Momenteel
  12. Ochtendlijk
  13. Peristaltisch
  14. Pribamiaans
  15. Religieus
  16. Therapeutisch
  17. Zakelijk

 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

Voorwoord: de dichter tot de lezer, terzijde

 


Kak (hou het dan
effie simpel op 1 lijn
met x is U en y is zij en ergens ik
als binnenlijns product daarbij)
:
het oogpunt is bv. de water-

draagzak, in dit land
een niemandswoord, het cijfer duidt
dan vermoedelijk op kilowatt of
wat er naast het prille ochtenduur
op de frigodeur is
gepasted, een
vraag identiek aan iets als
‘is dat de mist
die zittend in of op de koplamp
herfstig doet?’ (iets is schaduw

Alleszins zoals die lichtschijn
daar blauwt bij het spinneweb zo
slaafs met uitgelijnde druppels
het beeld invallend, ik denk het is uw
uitgetelde condensatiedrang, de dorst
Onstuitbaar naar lippen maar Berekenbaar, het
meerarmig veelvuldig al dan niet gefingeerd
gehunker met daarop de dubbel-
zijdige uitzonderingsregel, het

Straatgevecht ontwapenend als dusdanig, de
kaalslag qua kaalslag streng veroordelend, het
Falen in faling ter latere lering
op zichzelf betrokken, ach & of
het echt is dan wel fictie doet
er helemaal niet toe want

wat hebben we so far? De

  1. registratie van de set verwekt het zijn van de set,

  2. herhaling is sowieso uitgesloten, niet

  3. uw grootte telt maar hoe zij

  4. zich tot u verhoudt & wat

  5. in u niet korter is vervat dat

  6. lengt niet meer dan secundair

  7. bij haar aan waar u sowieso naast kijkt,

anders was het in beiden
ter beider wezen net
lang genoeg: als u vet
ziet, ziet u,
dan hebt

u haar niet.

).


 

 




AFWEZIG

Ik hou niet van je, ruik
je haren, voel je huid
de hele dag, dus hou
vannacht je benen stil,
je mondje dicht, terwijl
ik graaf & schraap & ril.

Ik ben nog nooit zo niet
verliefd geweest als nu
op jou, maar nu je naam
nog zwart geblokt mijn kop
naar jou vertekend heeft,
nu duizel ik & fluister :

ontreddering wil ik,
afwezigheid in jou.

 




ASCETISCH

Opdat je hand mij raken zou, je huid
mijn naakte vlees omkleden, je lip mij
knellen & ik verzwolgen alsnog word gelaafd.

Opdat je tong mijn grimas laken zou, mijn woord
miskennende de maden likken, vleestentakel
die krekels in mij krakende genoegzaam slikt.

Opdat je arm mij wurgen zou, plots
je vingers spiezen uitslaan, been
dat nagels in mijn zweren perst.

Opdat je lijf mij bloedheet branden zou,
je kus mijn roet verstrooien, dood die nu
al knaagt & lokkende al mijn stof doortast.

 

 

BEHOUDSGEZIND


wij, onze lijven met andere lijven
bezig zijnde die onder ons gezegd
de lijven van de anderen zijn die
er het zwijgen toedoen, met geen arm dus

buik of vingernagel de rottende code
van ons lieflijk kabbelende gewauwel
uitraken maar ons wel met de schuld
van hun falen doen betalen voor wat? ach
wel ja o dat,-

wij, die de tong roeren in monden
ons vreemder dan de Slokkende Grot
der Cyclopen of de Stille Kamers van Uw
Smeulende Hart

wij, die onze vingers & armen & benen
aandrijven als een maniëristisch op zilveren
plaatjes minutieus geëtst hyperpluriform gespan
van stroboscopisch in het duister gespieste
lichtaders & waarin wij ons de dagelijkse
stroop bloeden, ons de wanhoop als bloemig verkoolde
inktviskringen inwrijven & alom druipende van vet
nog zó de koele trance des doods bespartelen,
dat het alle muren bespet-
tert, prrt,
prrt… & jazeker

wij, die als voor de wals
in de staalwalserij onze hoofden U schotelen 123
123 dosolmi

wij die ons u – gij
wentelend stalen serpent –
offeren in de hoop uw alles
verhakkelende draaiingen
te kunnen ontsnappen zoals kip
eens ze pastei is geen kip meer hoeft te zijn
& het kakelen eindelijk kan staken

wij vrezen niet, geen, noppes.
het dichten hebben
wij niet nodig.

sorry hè.

 


DISSIPATIEF

Constant is reeds
het aanbod van beweging
(het ogenblik nabij
waarop de vraag verstomt)

Kelk
die ik gebaar zich om te keren:
een bodem schilfers dwarrelt neer, de
droge resten gaan in de regenvlaag tekeer. Zie
Magerman, die op de winterhuid van straten
sluipend rot bij ’t grauw verderf noteert.

Vocht
dat in vertwijfeling haast
zich opwaarts door de kieren
dwingt. Verlangen heet de angst
het uitstel te beleven waarop je vel
niet langer voelbaar rijmt op hel.

Valk
die op met vrucht beladen akkers
het ritselen van voedsel ziet & verder
niets dan vallen doet: eenvoud lijkt de wet
waarnaar je hand zich richt, je toont
wat mij & jij & haar tot niets verdicht.

Bloed
is als de regen komt: het breekt
de stilstand in de zang van krekels. Hoor
de botte plof van lucht op lucht & het wijzen
van de golven schokkend in haar lijf
naar het eendere einde dat al lang het uwe was.

Constant is steeds
het aanbod van beweging
(het ogenblik nabij
waarop de vraag verstomt).


(1999-) 4/03/2007

 


EGYPTISCH



In tegenspraak, uw zinnen tergende,
soit disant als plaag
in duizendvouden dit moment :
hoe langzaam ik je
open, hoe uitgesplinterd in
mijn oor het kirren
van je oudste lach weerklinkt.


Ik, de schender van je opgeruimde
staat, force majeure, riet
dat splijtend naar je diepte dingt :
in vreemde luchten
mond ik uit, stof strandt op mijn tong
van onbesproken
kamers, tomben blauw in jou.


Jij, op barricaden spinnende,
aardse liaison,
omkaderd vlees dat lacht om mij :
langs brede lanen
redt je oog het moeiteloos, deint
je onbewogen
hoofd in wervelingen mee.


Zij, haar museale schoonheid is
vanzelfsprekend nu
in stilstand bevende nabij :
schril tableau vivant,
van hoe je uitverkoren door
haar zee mag komen,
hoe mijn leger sterft in jou.

 

 

 

 




HORATIAANS



Zie je, Schätze, mensen
in dit park van menselijke zaken,
vrome mensen, stemmig & wellicht
eensluidend met het stoffige
van deze zomernacht
hun wulpse conversatie?


Hoor je ritselingen
in dit gras & klavecimbelerig
het knetterende zingen van vuur
dat zich in duizenden vleugels
vliezig vel op vel
tastbaar bewogen verteert?


Voel je strak mijn handen
rond je lijf geklemd, vingers wriemelen
rond eindjes been & ogen priemen
in het weeïge wijken
van je hals, het zilte
parelen van zweet op jou?


Ruik je fijntjes, Liebchen,
giftig geurend gas in deze zak van angst,
wasems in de bloei van barbecues,
leven dat zichzelf verast,
opgewonden water
dat mijn mond, mijn maag uitbraakt?


Likt je tong het poeder
dat ik in de schuren op mijn akkers meng,
nippen je besmeurde lippen wijn
die in mijn aderen kolkt
& eet je mee van mij,
vlees dat in je stad verzengt?

 



ITALIAANS

Unheimliche, van wrok verkrampte teef,
misnoegde enkelinge, van elke zin
onterfde, hoogbejaarde slet, jij,
die van je knekelhuis de grond
verspeelde & mekkert nu, je lot bejammert,


jij, die nu je veer is afgewonden
naar je doden lonkt met open mond
& pruilt omdat je bij de gratie
leven moet van opgeklopt verbeeld
verlangen, vlees dat rot je lijf bespot :


komt nader, schatje, kom & dans
voor mij, mijn byzantijntje,
draai je oude botten lustig
in een farandole, con zelo,
toe maar : languente, dolce,
mesto, patetico, piu mosso,
irato, tempestoso, slentando,
poco a poco meno sentito,
secco, senz’ espressione, morte
.



 

KATHAARS

Ik zocht de bloem die in jouw
cirkel brandde (haar naam
is uit elk boek geschrapt).
Een tempel had je niet ;
je bleef soms even in profiel
op natbestoomde ramen staan.

Je bent allicht sinds lang
in walm & kreten opgegaan
& wat een kerksteen ademt
van de treurnis om je dood,
heeft niets van het afgrijzen
dat in steden flinterfijne groeven zoekt,
de kleinste plaats om niet zo hoorbaar
menselijk te hoeven zijn.

Liefde is het niet & waarheid evenmin,
maar als jouw blik, mijn liefste
dartel erzatz-ding, zo godverlaten geil
van opgehoopt verlangen op mijn leegte
stuit & ik barbaars gemeen alweer
haar wezen diep in jou bemin,
dan weet ik dat ik snikkend sterven zal

& onvoldaan door het gebrek aan geweld,
de tederheid, waardoor je nu zo stilletjes
& rillend aan het gillen slaat.


 

 

 

 



LACONIEK




Leef je dagje, zweveteefje,
want ik kleef je lieve lijfje aan
als aarde ’s nachts aan lucht.


Drink je wijntje, fuivetrijntje
want ik zwelg je klanken tot het barst
& knarst van stille pijn.


Lik je ijsje, snoepedoosje,
want ik kauw je zinnen tot het bloedt
uit bleke blaadjes roos.


Lach je lachje, linkepinkje,
want ik maak je sprookjes groot & hol
vol droeve gorgeling.


Moraal :

Strijk je kopje, zwavelstokje,
want ik ben vuur waar jij niet bent,
& water waar je zwemt.

 

 

 

 


MOMENTEEL

Niet eens beweegt
je hand : het boek ligt als gegoten
sinds jaren open op dit blad.

Het linkerkinderwagenwieltje
waar een slag aan zat,
heeft zich voor twee maanden
in het voetpad aan je voet
plots stuikend klem gereden :

des moeders vloek klonk simultaan
met mijn geslaakte zucht, je schouderblad
stak uit haar blouse heel precies & puntig
alle lentestralen uit & brak
in de wolken boven mij
een regen aan van weken.

Dag na dag & uur na uur
zag ik in je blik
seconden afgemeten staan

die het moment
millenia verdaagden
waarop ik je het woord kon vragen.

Niet eens je hand bewoog.







OCHTENDLIJK

Verheerlijking, onaangeroerd. Niets
bewegen tot een laag straaltje zon
je stem openbreekt, glasvlezig roos
je tere zucht uit nachtblauw stulpt.

Dat ik je aanleun dan, eet
van je adem, zout van je hals
lik & wellicht de dag lang
met die klemvaste dreun van me

jij roep, je naam? Dat ik je neem
tot je trilt als een riet in de wind,
tot je zweeft op dit bed van beton,
tot je breekt in de ijskoude nacht

van mijn land? Dat alles vergaat?
Niets dan je waarheid bestaat.




MARITIEM

Omdat je toen toch zo doordacht
het kleine meisje speelde
& elkeen die naar je lachtte
vol ontzetting na één nacht
nooit meer uit zijn woorden kwam;

omdat de giechel mij beviel
waarmee je om het leven gruwde
& elke waarheid die ik sprak
je even kostbaar was als het ivoor
dat in je mond vergeelde;


omdat er verte in je ogen stond
& schoonheid zich die tijd
met jou had aangekleed :


kom & berg nu blozend maar
je sterren in hun kastje
gooi onachtzaam al je linnen
aan de haak, pulk dat strakke koordje
van je haardot los, snoer je leegte

rond het mastje dat ik maak.

 

 

 

 



PERISTALTISCH

Blaas mij het rag, Vernuftige, & de nevel
draai de stof van je listen bol in mij, om
& om je vinger die zich in mij vormt &
dans mij, als ik snak & grimmig naar je hak,
je fraaiste zijden weetjes voor, lucht je
hartje & je jurk van glim gedroomde draden
op & op tot op je buikhuid halogene spotjes
schijnen, verdwijnen, schijnen
bij het aardse briesje dat ik tollend
in je zwarte plooien warmer maak:

drijf je hand dan diep in mij,
schep & schrijf mij
brandend uit : zo kis ik al
op steen & roest ik het
in vlek & vloeken uit.



 

 

 

PRIBRAMIAANS


‘He [=Karl Pribram] believes that conscious experience
is the act of correlation itself and that correlation occurs
in the dendritic structures by the summation of the polarisations
(and depolarisations) through the processes in the dendritic networks’


Jeff Prideaux (WCU) in “Comparison between Karl Pribram’s “Holographic Brain Theory”
and more Conventional Models of Neuronal Computation”,
XXXXX, Compiled and edited by XXXXX,
XXXXX 2006, ISBN 0-9550664-4-1, p82


Beeld je in dat de woorden

dit deden dit bibberen

dit bloeden dit

Hier zijn en het dan

pardoes begeven.


Uw restbestand, o gij uitgaande u,

o gij schokkend okeren tot ’t donker

stille inkerende sterfding, o gij ademloze

zweetlap die in de glijwateren als een aal

in alg-groene poelen gedijt & smetteloos toch

uw schrilste klinkers kirrende berent,


o gij die instort meteen & als een

alles van uw leven extatisch

is, in alles aleph is, zo

ik het sluiken van uw haren, die

vinger daar de druppel net nog

maar de vergetelheid al uitschuif, op

het valluik uit de kuil in de muil

van het rasterende mormel

te kijk leg, zich laat te zien

zijn – uw worden, zeg maar,


Uw restbestand dus zakt

weldra resoluut onder de

kritische grens waarna, zo

vrees ik, de holonomische

restitutie wellicht geheel

onmogelijk wordt. We zouden


zullen we

met andere woorden

hier maar ’s moeten


praten?

 

 

 





RELIGIEUS

Er is geen tijd
& niets staat ons te wachten.

Er is geen bed
waarop mijn nacht geschreven staat,
maar dagelijks
is je schoonheid krijtend
op mijn zwartgeblakerd land
een toverzang :

geborgen klank van zilversnaren,
handen, dansend,
die mijn talen breken,
klakkeloos van liefde spreken,
alsof geen wervelstorm
ons in die oogwenk ooit
nog raken kon.

Er is geen tijd
& niets staat mij te wachten.

 

 




THERAPEUTISCH

Slaap mooi, slaap nu, slaap niet.
Verhef je fijnst besnaarde gil
tot in je spiegel krolse poezen
elke stilstand woest verdoezelen.

Breek dan, in je dag die sterft,
mijn boerse woorden aan,
ontdubbel mij tot ik
die aan je voeten geuren lik


van hoe je heilig bijna
bij mij lag, niet bij mij ligt,
tot mij verworden zal. Omarm
mijn schaduw in je diepste nacht,


lees mij tot ik dronken dans
& schenk je glas dat zingt
nog éénmaal vol van mij & drink
& droom, droom niet, droom zacht.

 


 

 

 

 


ZAKELIJK

Wonderbaarlijk noem je
hoe haar stem mij vangt
& ik van jou versleept
op harde grond bevlogen
kronkels maak.


Betoverend vind je
elk gebaar dat ik
van haar op jou verhaal
& hoe haar lijf in elke
streling past.


Zaligmakend heet het
als ik in je krul,
je tongen vurig lik
& al gods heerlijkheden
uit je dwing.


Vergis je niet in haar,
mijn lieveling : je
kreeg van haar die zwoele
stem, dat golvend haar, mijn
zilverling.

Geef een reactie