Categorieën
Lopende zaken Ruis

de schuttingtaal der engelen

VERVAL

In het verval het vlees gedachteloos vervalt & vlees
hakt vlees uit koppen hol & verder  weg verzakken
dikke plakken van het zompe in het zompe. Kolkt
roze het bloed in gans witte etter. Misselijk mij
maakt hier uw hang (ik) naar foute lijken. Klootzak.
Kuttekop. Bruin verschoten haringfoef. Dramboerin.

Kalm & dromerig de diepe dames pakken dames zinnig
in de dames bij de halzen & de boeren smelten klokken
om tot kogels & kanonnen & de hoogte zakt de heren
op de broek & de heren zwiepen de kleine heren druipend
uit de  laagste pijpen & de alen persen alen uit hun kolossale
pensen & de lippen barsten uit de lippen

van het Aangezicht

& het Aangezicht glijdt van uw handen & uw kleren
& het Aangezicht druipt langs uw benen in uw rechterschoen
& het Aangezicht herpakt zich niet meer in de spiegel
tot het Aangezicht dat stond bekend als Uw Gelaat
want Uw Gelaat helaas is geen Gelaat gebleven

  • waarvan de ogen als twee zweren bleven bleren
  • waarvan de pus uit gaten spoot waar ooit de neus
  • waarvan de kaak aan ’t schouderblad bleef haken
  • waarvan de tanden schoten door de wangen & de tong
  • waarvan het speeksel droop in dikke bellen
  • waarvan de slijmen groenig uit  het keelgat kropen
  • waarvan het oogwit  met een larvenmassa samenviel
  • waarvan de oogleden onder het gewicht van de wimpers bezweken
  • waarvan de tong in repen op het blote kaaksbeen hing

[1 meer resultaten (van beschikbare 1)]

Slot met enige wij vragen u dringendheid tot mogen:

In leven niet blijft dit hier dat
& dat hier schuift wel op naar dit
maar waar was dan  dat Dit?

& van welk (gestorven) streven (is)
dit …  dan de laatste … dat
in start … larve met verve

z   ie                   k           s

te  i
k                        i  s

t      e

l7

u

i  s   f442
txl

6 reacties op “de schuttingtaal der engelen”

Dirk,
Wat een fraaie fantasmagorie van deze perzik van onsterfelijkheid, deze roos van vlees, deze kus, deze deze dekselse txl’aar, die je er – ook in de typografie van de laatste strofe – uit doet zien zoals Francis Bacon hem schilderde.

Deze beide gedichten, Wolkers, en het contrast tussen diens viriliteit en wat daar de keerzijde van kan zijn (cf. Bacon) doet me wel denken aan het volgende van Lucebert:

Mijn duiveglans mijn glansende adder van glas
Mijn viervoetige narennen mijn kneedbaar
Smeltpunt op de pupillen ruworige
Heester onder mijn handpalm deze
Deze stem is van stamelen een lichaam
Een vochtig voortvluchtig lichaam

Zeg-hoor je niet dat ik dood ben
Ik turner van de warwinkel
Een zaal een tombe een toren ben je
En met kettingen doorspekt
Denkt de rechtvaardige zingende de slechte
zingende denkt hij

Dat hij het tientallen vloeistoffijne meisjeslijf
In een gipsen snaar gevangen heeft
Ja dat denkt hij
Hij denkt dat

(Lucebert)

Viriliteit in de eerste strofe, de deconfiture (dood, ontbinding, ‘Bacon’) daarvan in de tweede, en de vereniging van seks, dood en de fixatie van beide in een (denk)beeld – was dat niet wat je woede op gang bracht? – in de derde. Dat meisjeslijf in die gipsen snaar komt zelfs rechtstreeks uit Kort Amerikaans…

In plaats van ‘Dit is de dood en dat ben ik’ had Wolkers het ook zo kunnen zeggen:

Dit was ik en dat was het heelal…

Had gekund maar toch weer niet denk ik, want dat is geheel iets anders, dan zit je weer in het affe,
Een van de belangrijkste aspecten van het Wolkers-realisme, laten we dat nu maar effie zo noemen, is precies dat je de dood als een actief onderdeel van het leven ziet, een kracht die ook maakt wat het ik is, in zijn momenten van zelfreflectie.

De dood als de uiteindelijk toetsteen van het individu, de dood als creatieve kracht die tot inzicht leidt tot verlichting. Je zit zo weer in het boeddhisme.

Bedankt voor het citeren, Rutger en het leggen van de verbanden, ik vind het vooral fantastisch ook dat zo Lucebert hier in de commentaren komt te staan.

Het verval is óók een stimulerend gebeuren, maar het is minder absoluut. Het is een andere kracht dan de dood, hoewel ze natuurlijk temporeel en causaal verbonden zijn. Het rotten bevrijdt energie, en de afschuw is een primair verdedigingsmechanisme, ik heb hier nog een erg lezenswaardige reflectie liggen van Aurel kolnai ‘On Disgust’. De verhouding met het exces is bijzonder interessant, het teveel ontlokt reacties van afschuw maar het trekt ook aan, het exces is daardoor altijd de bron van een spanningveld van waaruit de vluchtlijnen in alle richtingen wegschieten.

Verval ontwricht en dat heeft met name Negerestani in zijn boek ook goed begrepen, het ontwricht elke orde in die zin dat het die orde als lokaas openstelt voor de (zelf)vernietiging door het Buiten.
Het rot is een beweging van binnen uit, in de optiek van het rotten is het Harde, het ondoordringbare net de grootste potentiële verrottingsplaats. Ik wou met deze teksten ’s zien waar ik uit kwam met dergel;ijke bewegingen/spanningen en in een literair labo als deze omgeving kom ik natuurlijk al vug in de buurt van gekende themata.

Woede? nah, doel je op het betoogje daarna/ hierboven ? Da’s maar wat polemisch stoom aflaten, ik moet dat af en toe wel ’s want anders wordt ik echt nijdig en dat wil niemand, denk ik toch. Daarvoor dienen blogs ook, dat zoiets kàn, dat je op die manier dingen poogt in beweging te krijgen/houden.

De directe aanleiding voor deze vervalteksten was het Wolkers-gedicht, ik hoop dat ik ergens wat centen vind om ’s naar Leiden te gaan en om die Verzamelde gedichten te kopen. Het verscheen die dag op de Laurens Jz. Coster mails, maar het aanvoelen van meester Lucebert is natuurlijk nooit ver weg en als er iets is dat mijn woede wekt is het wel die eeuwige drang in de mensen om het schone te verneuken door het te willen fixeren. Dat is dan vrij literair gesteld, maar au fond is dat gewoon ordinaire hebzucht & nijd om het schone dat óók van binnenuit moet komen en dat bij de meesten daarbuiten ergens onbereikbaar staat te kontwiebelen.

Dirk,
Je zegt: dan zit *je* weer in het affe, en nu weet ik wel dat zoiets ook anders kan worden geformuleerd, maar het pers. vnw. is toch veelzeggend. Wie zit er in het affe? Wij – de beschouwers. Maar *ik* ben hartstikke dood, of als je wilt, ik *is* hartstikke dood. Maar dat is geen correct Nederlands. (‘Ik vrees dat wij God niet kwijtraken, omdat wij nog geloven in de grammatica…’ – Nietzsche). Ik bedoel maar: er is n.m.m. een moment, waarop het voor ik ook echt af is. En het geeft geen pas, vind ik, om die positie te vergeten, al was het maar omdat we dan voorbij zouden gaan aan de kwetsbaarste instantie binnen ons taalspel: deze die voor zichzelf moet zorgen, als een ongedekte pion. Een filosofie die dat uit het oog verliest, verdient misschien de naam filosofie ten volle, maar is niet in de wereld ingebed, en ja, wat moet je er dan mee, als je eindelijk ligt te zieltogen?

Neem, als we deze commentaren dan met moois willen vullen, wat het denken (én het rotten, het creperen) betreft dan ook dit van Jan Elburg:

een dood gemaakt als drank
gedestilleerd. als winst becijferd.
bedoeld. verwekt. gebaard. gevoed.
verpakt. als een machine. en verstuurd.
en stomverbaasd kreperen.
kan prachtig denken.
denken.

Eigenlijk niet veel anders dan die laatste regels van Lucebert. Ik weet dat je niet van ‘literatuur’ houdt: ik ook niet, laat staan van grammatica en derzelver regels. Maar je zult hier lyriek in willen herkennen: code die het op zich neemt God es écht tot de orde te roepen, als het daar dan toch om te doen is.
Kijk, die woede, die is er altijd: in de polemiek, op het weblog, in het gedicht, in al zijn gedaanten. Maar de man van inzicht, zegt N. voornoemd, moet niet alleen zijn vijanden kunnen liefhebben, maar ook zijn vrienden kunnen haten – en wie is er een grotere vriend dan de dood? Hij is geen toetssteen, maar een verlosser, – alleen voor de nablijvers kan hij een creatieve kracht zijn: maar wat heb *ik* daaraan?

Rutger,

Er is een duidelijk verschil tussen enerzijds de terecht door Nietzsche vervloekte omkering van waarden waarbij het negatieve ( het lijden, de dood) als een positieve waarde wordt voorgesteld en er verder vanuit het negatieve gebrek (de castratie, het tekort) een moraliserende fictie wordt opgebouwd, inclusief een eschatologisch perspectief met een g*d als verlossende sleutel op de finaal en gesloten gedachte schepping, en anderzijds een erkenning van de realiteit van het negatieve & een toelaten van het negatieve als een gegeven dat prioritair is aan de ik-constructie.

Elburg die je hier aanhaalt zit wat dat betreft nog in de Modernistische omkeringslogica die straight van Baudelaire komt, waar er met de Dood geflirt wordt omdat de eigen negativiteit onder impuls van het ik-ontkrachtende, de schizoïde effecten van de industrialisatie, het ik-vervreemdende Kapitaal door de maskers heen begint te rotten. Hier kan je net de rottingsanalyse van Negerestani inbrengen: het Symbolisme en de snel opeenvolgende Modernismen daarna kan je lezen als een verval waar de resten van het poëtische gedachtegoed autonome associaties aangaan en tijdelijke rot-eenheden vormt, waaronder natuurlijk ook de meest fantastische zwammen, veelkleurige puisten & sierlijke etterfonteintjes.

Maar dan, de Dood als leidraad naar de (virtuele) dissolutie van het ik.

N. brengt ons zelf op dat spoor ( het is voor hem ten dele nog letterlijk onzegbaar) en het is dat spoor dat o.a. Deleuze in zijn filosofie verder traceert: de affirmatie van het immanente, inclusief het a-humane einde, het onafwendbaar alle-grenzen-overschrijdende van de dood, is op zich een energie-opwekkende daad, die dan weliswaar elke ik-constructie destabiliseert ( het schizoïde effect van de affirmatie van het Leven), maar dat maakt die affirmatie niet minder primair.

voor de nablijvers is iemands dood allerminst positief te duiden, dat is voor mij perfiede want geperverteerde zelfmoordenaarslogica, wat ik wou zeggen is dat het volle besef van de Dood de artificiële ik-constructie terug in het volle Leven gooit, en dat je vanuit bijvoorbeeld boeddhistisch perspectief eerder gaat werken aan een verdere dissolutie van het ik, om nog beter met het Leven samen te vallen.

Dat is geen platte gods-dienst, waarbij het individu op de buik gaat voor de God-Als-Dood (de totale onderwerping van de Islam bv), dat is een Levens-dienst waarbij je ondanks je hebbelijkheden wenst te vervloeien in de volle kracht van het Leven.

In een louter materialistische en psychologiserende context kan je dat vertalen als een poging om de levensdans te voltrekken op de breuklijn van het Echte zelf het openbreken van het Reële door alle humane fictionaliseringen heen. In de praktijk is dat een uiterst gevaarlijke oefening waarvoor Deleuze dan ook herhaaldelijk voor gewaarschuwd heeft, want het zijn natuurlijk ook altijd de reeds naar het schizoïde neigende individuen die de lokroep van het Echte ‘aanvoelen” en er een binding mee aangaan die bij overdreven intensiteit alleen maar de dood tot gevolg heeft.

Het komt er op aan om telkens weer terug te keren, een leefbare strategie te ontwikkelen waarbij je een maximale buit terug naar het rationele veld kan meeslepen en de eigen schade aan de ik-constructie kan beperken tot wat je dragen kan.

Laat een reactie achter bij RHCdG Reactie annuleren