[deze tekst dateert van november 2004]
origineel verschenen in de Kathedraal op http://www.vilt.net/nkdee/naart_n.jsp
“We hebben dus een probleem”
“We hebben hier, zoals dat heet, een probleem”
Dirk van Bastelaere, Wwwhhooosshhh, p.92 & p.244
Alle teksten op deze site (= de oude vil,net/nkdee website, dv 2012), inclusief deze tekst, zijn nAârt teksten. Dat houdt o.a. in dat ze al schrijvende gepubliceerd worden , terstond, voortdurend. Er is m.a.w. geen afzonderlijke correctie of redactie faze, het is 1 geïntegreerd schrijfproces.
Als zodanig zijn de teksten een voorbeeld van wat ik proceduraal schrijven wil noemen: een openstelling van de tekst tijdens het schrijfproces. Het schrijven zelf, de gecontinueerde (of afgebroken) schrijfakt zelf wordt mede onderzoeksobject van het ruimer opgevatte project, dat zich wil opwaarderen tot valabele artistieke research.
Iedereen die de blik even buiten het enge kader van de literatuurbeoefenaar wil werpen, stelt een toenemende wetenschappelijke interesse vast voor artistieke paradigma’s. Talloze internationale projecten pogen wetenschappers en kunstenaars in een collaboratief verband te verenigen voor onderzoek in gezamenlijk omschreven velden.
Een m.i. dwingende voorwaarde om te komen tot vruchtbare samenwerking is enerzijds de doelbewuste demystificatie van het artistieke proces en anderzijds een zoniet finale dan toch tijdelijke loskoppeling van het artistieke proces met de persoonlijke economische en maatschappelijke belangen.
Het komt er simpelweg op aan om een vorm van labaratoriumsfeer te creëren rond het artistieke proces zodat de aandacht effie onverdeeld kan gaan naar het proces zelf en de al te subjectieve vestrengeling ervan met persoonlijke belangen deels af te zonderen om tot conclusies te kunnen komen die een beetje tot algemene bruikbaarheid kunnen leiden.
U leest het al in de voorzichtige bewoordingen: uiteraard is zo’n laboratoire auteur een illusie en op zijn beurt een vorm van mystificatie, maar het is wél een toenaderingspoging tot de vermeende wetenschappelijke objectiviteit en de absoluut gedachte aantoonbaarheid en gegrondheid van het wetenschappelijk discours. Beschouw het als een gemoedelijke zucht van ‘ach kom’ om voorafgaand een einde te maken aan het gekibbel tussen twee torenhoog met de eigen rasters zwaaiende kleuters die geen van beiden geneigd zullen zijn om de moeilijk verkregen snoepjes aan de andere uit te delen.
De huidige toestand van het internet maakt vele dingen mogelijk die voorheen ondenkbaar waren, al was het enkel omwille van praktische onhaalbaarheid. Het is elke schrijver nu mogelijk gemaakt om tegen een uiterst minimale kostprijs een constant raadpleegbaar tekstlichaam uit te bouwen. Dat zo goed als geen gerenommeerd schrijver daarvan gebruik maakt, heeft vrij evidente redenen: naast onbekendheid met het medium, wordt het nu eenmaal binnen de huidige politiek-economische configuratie van het literaire bestel te riskant geacht om tekstmateriaal waarvan de verkoopbaarheid vaak afhangt van opname in het zichzelf in stand houdende literaire corpus ‘zomaar’ beschikbaar te stellen op internet. Elk auteur dient ten alle tijde behandeld te worden als kip met potentiële gouden eieren, elk scherfje dient dan ook al was het slechts ritueel in de daartoe bestemde bewaardoos gestopt. Poëzie met Naam kan dan wel op podia of op een vuilniszak (tenminste als er landelijke media coverage aan te pas komt), voor de gerenommeerde auteur is tekst op internet uit den boze. Wat de poëzie betreft is internet immers het rijk van de amateur, van de kleverige massa geweblogde verzenmakerij waar hier en daar een miskend genie zich een persoonlijk hoekje literaire roem van eigen fabrikaat aanmeet met in grote letters de dreigende Teller die haar een lezerspubliek aanduidt dat dat van de gemiddelde pomo high-brow poëet vele malen overtreft. Publicatie daar door een auteur die het literair gemaakt heeft, zou een degradatie zijn, een ontwaarding van een auratisch omgeven cultuurgoed.
Die visie op internet is stilaan aan het afbrokkelen, Rottend Staal en het weblog van de Contrabas zijn voorbeelden van sites waar je literatuur kan zien opbruisen uit een brede basis van veelal beginnende dichters/schrijvers die het directe contact met de lezer niet schuwen. Mettertijd is dat fenomeen misschien een bedreiging voor de zwaar bewapende vrede in tijdschriftenland, het valt nog te bezien of de krijgsdames en -heren daar voltallig de loopgraven gaan intrekken, dan wel er zoals De Brakke Hond als eerste en nu ook DW&B een deugd van zullen maken de internetaanwezigheid te versterken. De idee dat tijdschriften ook een belangrijke rol kunnen vervullen door formules van ‘writers in residence’ en online schrijfateliers van collaboratieve en multi-mediale aard groeit wellicht. Ravi Shankar’s Drunken Boat (nee, deze Shankar speelt geen sitar) kan daarbij misschien als internationaal voorbeeld dienen van hoe literatuur op die manier aan zijn grenzen kan beginnen morrelen. Ik heb te weinig tijd om alles af te dweilen maar zag ook in het Nederlands taalgebied dichter Han van der Vegt op de Contrabas al ijverig aan het werk in zijn Werkboek met een persoonlijk onderzoek rond ‘auteurschap’ en de onvolprezen Peter Holvoet-Hanssen maakt met zijn Kapersnest ook al enige tijd zowel de Vlaamsche podia als de digitale wereldzeeën onveilig . Mijn schamele instemmende kraai moge hier weerklinken.
Waarschijnlijk ontbreekt het echter de meesten aan de financiële middelen om de technische infrastructuur aan te leggen. Mijn persoonlijke poging om hier een publicatie framework van artistieke aard aan te maken dat op Free Art License als open source soft en dus gratis zal worden aangeboden kan hier misschien nog van pas komen (als daar ooit iets van af geraakt- je hebt voor dergelijke dingen nu eenmaal enkele weken/maanden full time programmeertijd nodig en als je op zelfstandige basis wil overleven hebben we het dan al dadelijk over vele duizenden euros) , hoewel de meeste redacties/ potentiëel geinteresseerden wel zullen van mening zijn dat dat allemaal stukken van mensen en dure bedrijfsnamen moet kosten om werkbaar te zijn. En als het niks kost kan je er uiteraard ook geen subsidie voor vragen. Ok, da’s een beetje onder de gordel, maar uit ervaring weet ik nu eenmaal dat er in dit vaktechnisch gebied vaak met elefantiele budgetten op muggen wordt geschoten en dat grote, gesponsorde investeringen meestal linea recta leiden naar bij lancering al grotendeels geoutdatete, logge systemen waar geen kat aan uit kan en waar uiteindelijk enkel de verkopende partij mee gediend is.
Mij maakt dat hoegenaamd niets uit, ik heb die dingen zélf nodig, ik ken de markt van de bestaande content management systemen zo’n beetje, er zit gewoon niks tussen dat aan mijn normen beantwoordt, dus gemaakt moet het toch en als ik er iemand mee kan verblijden: volgaarne. Moet ik het natuurlijk wel eerst een beetje af krijgen. Moeilijk woord voor mij: af. Soit.
De vaak gestelde vraag of de digitale revolutie het einde betekent van het boek of andere tekstuitgaven op papier is hier niet aan de orde: de toekomst zal uitwijzen of bij een sterk verbeterde digitale weergave van teksten (de momenteel beschikbare schermen zijn totaal ongeschikt voor het verschaffen van een comfortabele leeservaring) een gedrukte vorm economisch haalbaar blijft, het heeft m.i. weinig zin om daar middels meestal emotioneel zwaar beladen debatten eindeloos zitten over te pierelieren.
Voorlopig is er geen enkele twijfel mogelijk rond de blijvende noodzaak, intrinsieke schoonheid en evidente waarde van het Boek, en kan je net zo min beginnen twijfelen aan de functies die de literaire tijdschriften nu vervullen (hoewel je over beide zaken wel een kritisch gefundeerde mening kan en moet hebben, ik verwijs voor ons taalgebied daarvoor gaarne naar enkele opstellen in Dirk Van Bastelaere’s ‘Wwwhhooosshhh’ (1). Tenslotte hebben we het hier over sterk aan verandering onderhevige macro-economisch en platvloers-politiek bepaalde processen die de uiteindelijke betekenis van het gepubliceerde grotendeels gaan bepalen.
Het is in deze context voor mij noodzakelijk om de mogelijke lezer te waarschuwen voor mijn hoogst dubieuze positie, een stellingname die eigenlijk geen stellingname is maar een voortdurend uitstellen ervan, soms ook interpreteerbaar als een paranoïde terugtrekking in een overmatig bewapend isolationalisme. Met mijn eigen geschrijf zit ik in een kluwen van enerzijds radikale afwijzing van de zichzelf promotende literaire orde én van de gevolgen van het zich inschrijven in de grotere economische orde van het literaire werk als product, anderzijds de aan elk schrijven fundamentele vraag tot erkenning van het geschrevene als literair waardevol.
De eerstgenoemde afwijzing resulteert in de feitelijke onmogelijkheid van het tweede, uiteindelijk speelt heel mijn schrijverschap zich tot vandaag af in het luchtledige, hoezeer ik ook zou kunnen prat gaan op een statistisch aantoonbare lezersmassa die die van menig gepubliceerd dichter aanzienlijk overtreft. ‘Miskend genie’ ben ik in dezen allerminst, niet alleen omdat het mij bij laatste natasten van het vege lijf ten ene male aan genialiteit ontbreekt, ook omdat ik gewoon te lui ben om die erkenning volgens de aangewezen weg te zoeken. Ik kan dat dan wel merendeels afdoen met een quasi arrogant ‘het zal mij worst wezen’ en als dooddoener wijzen naar het onontkenbaar en daarom meestal straal genegeerde feit van de uiterst minieme sociale relevantie van élk schrijven in de huidige wereld, als miezerig-menselijk haantje tussen het bonte gekakel op éénzelfde erf kan ik niet anders dan mea culpa slaan op de smalle kiekenborst en een soortgelijk dwaas streven naar uitbreiding van het dekkingsterritorium onderkennen in elke bewegingsfrase van het schichtige happen mijner kippenkop. Waarop men uiteraard weer kan inpikken met de glorieuze gedachte dat ik hier het gejengel der kritieken op tirannieke wijze de pas afsnij. Tja, auteurs blijven ook op operatietafels opengespalkt reflexmatig wegglibberen in het zwarte gat hunner alwetendheid.
Overigens heb ik daar meestal allemaal geen last van omdat mijn Kathedraal mij van een surplus voorziet dat binnen het eng-literaire onmogelijk is. Het is enkel als ik mij begin te ergeren aan de kwaliteit van het wél gepubliceerde dat mijn eigen dichtsels beginnen te zeuren met een instemmend koortje van de mij dierbaren op de achtergrond. Soms geef ik daar ook aan toe, onlangs nog, zomers zonnetje, postzegel teveel, kortom: zwakte.
Wetenschappelijk, literair-technisch, sociologisch en algemeen tekstkritisch onderzoek kan het literaire proces slechts gedeeltelijk onderwerpen aan methoden die in essentie vreemd blijven aan de literaire praktijk. Door de literaire praktijk los te koppelen van haar intentionaliteit, zijnde het schrijven in functie van de publicatie binnen de machtsstructuren van de bestaande, ‘geautoriseerde’ literaire media, kan de in zekere zin geslachtofferde kip haar eileiders tot nadere inspectie ontbloten en kan de goudproductie eindelijk aan een onderzoek tot op het bot beginnen. De zinvolheid daarvan is uiterst discutabel, de mogelijkheid is er, naar alle waarschijnlijkheid eten we vanavond kip met appelmoes, het spit is hier desondanks alvast draaiende.
Als een tekst na een tijdje ongewijzigd blijft, betekent dat meestal dat ik denk dat die een redelijk stabiele staat bereikt heeft, of dat ik er voorlopig niks aan toe te voegen/weg te laten heb, of simpelweg dat het ding mij (voorlopig) niet interesseert. Na een tijdje verstenen die dingen dan soms, een hoogst merkwaardige transformatie, voorwaar.
Teksten, ook deze tekst, kunnen evenwel bij leven en welzijn van uw dienaar op elk moment opnieuw beginnen veranderen, soms zelfs na jaren van stabiliteit, alsof een zee van eeuwigheid ze even heeft bespoeld en niets dan plat zand achterliet.
1 & ander houdt dus in dat eender welke tekst op elk moment weer kan verdwijnen / overschreven worden. Enigszins vervelend voor uw archiverende reflexen, ik geef het toe.

untitled, photoshop study, 14-08-05
U zal opperen dat het dan allemaal weinig zin heeft, misschien. Integendeel, meen ik, vandaag & gezien de functie van tekst hier: dit Kathedraaltje is in eerste instantie een (persoonlijk) onderzoeksproces met vlottende inhouden rond ’tekst – betekenis – poëzie’, ‘analoog-digitaal’, ‘lichaam-machine’, enfin zowat alles waar een dichtertje als ik dezer dagen mee wordt opgezadeld. Fixatie houdt ontwikkeling tegen, sluit vluchtwegen tegen de immer dreigende incapsulering door de marktmachine uit en is niet echt geschikt voor het medium internet. In die context is mijn stellingname als Kathedraalbouwer wél radicaal, doordacht én onwrikbaar. De n in nAârt ontkent haar kunst-zijn want de kunst is corrupt en daar wil ik niks mee te maken hebben. Ik werk liever onbezoldigd dan bezoedeld en na enkele maanden stel ik genoegzaam vast dat ik het al afgeleerd ben constant te klagen over tijdsgebrek en ook daarvan een deugd kan maken.
Een boek, een tijdschrift desnoods, is voor fixatie een meer aangewezen vorm. Voorlopig vind ik de meeste van mijn tekstuele creaties daar niet uitgewerkt of stabiel genoeg voor. Of juist wel, maar zouden ze door gepubliceerd te worden zichzelf tegenspreken. Wie weet, morgen, volgend jaar, nooit. Alles heeft zijn tijd.
In tegenstelling tot/ méér dan bij schermtekst is gedrukte of gescheven tekst een wonde, een litteken. Een snede op publiek papier &, bij uitbreiding, op het zichzelf prostituerende lijf literatuur dat ergens onbenaderbaar hangt te zweven, een uiterst labiel corpus, heden in permanente staat van innerlijke tegenspraak balancerend op de smalste kant van een hyperactieve, hier & daar al behoorlijk hysterische samenleving.
Onbenaderbaar en tegelijkertijd elke seconde hoogst efficiënt verniet door een blinde media-marktmachine waar ik eigenlijk enkel bij uitzondering en als een mallarméaanse paljas wil voor knielen. Literatuur lééft, méér dan ooit, en er is een ontzettende, haast voelbare nood aan bij ‘het publiek’, maar steek geen zaal vol ervoor of de boel is om zeep, zet er geen camera voor want je filmt enkel leegte. Literatuur, en bij uitbreiding kunst, leeft & klopt als de spookpijn na de amputatie.
Voorlopig enkel aan-huis bestelling dus, uw kabel door veranderend en veranderlijk, afdrukbaar voor zij die een echte lezing willen, en tjokvol denk- en schrijffouten misschien, ook al uit tijdsgebrek, maar vooral omdat ik al spartelende aan een ooit in overmoed beklommen touw, nu eenmaal denk dat het effie niet anders kán of mág.
Elke voorlopigheid wordt overigens telkens opnieuw geponeerd met diezelfde overmoed, hetzelfde blinde geloof, de overtuiging dat het moet, inclusief de ridicule uitschuivers, de missers, het falen & het bijwijle exhibitionistische vertoon van meelijwekkende emotie.
Die noodzaak om die kleine kantjes erbij te pakken, wordt m.i. bepaald door de stijgende noodzaak van wetenschappelijkheid, niet dat literatuur dat zozeer nodig heeft, het is eerder de wetenschap die meer en meer de dringende behoefte voelt tot annexatie van artistiek gegenereerde kennis.
Het wetenschappelijke paradigma is serieus aan het ‘vlotten’ geraakt in mijn nauwelijks onderbouwde visie, & kunst en wetenschap lijken elkaar definitief gevonden te hebben in de cultus/cultuur van het programmeerbare. Mensen als Jan Lauwereyns zitten daarbij op de voorste rij die fameuze aanvaring te bekijken en doen er een doordringend verslag van, we dienen hun moed daarbij vooral te loven – de spraakverwarring is een historisch feit én een fameus obstakel dat enkel met aan waanzin grenzende doodsverachting kan worden te lijf gegaan – maar we kunnen evenmin nalaten hun werken als onderzoeksmateriaal te analyseren, bekritiseren en vooral: naar beste kunnen beantwoorden.
Het blootstellen van de eigen schrijfpraktijk is dan ook een logische stap en voor mij persoonlijk niet eens bezwaarlijk/riskant wegens toch niks reputatie. Demystificatie waar het kan, omdat elke schrijver die naam waard wéét dat een algehele vernietiging van het blijvende mysterie onmogelijk is. Laten we terwille van de urgentie van de wereldvragen maar ’s effie stoppen met dromen en mekaar schaamteloos in de blote billen knijpen. Voor mensen die zich wel een weg naar de literaire faam (willen) banen of hebben gebaand ligt dat natuurlijk wel effie anders. Voor mij is het misschien wel een leuke smoes om die moeite niet te hoeven doen.
De schaamte daarvoor ebt overigens vlug weg als je denkt als programmeur, probeert te schrijven als programmeur ook, van compileerfout naar compileerfout. Als je dan een beetje de Open Source spirit te pakken hebt, dan weet je dat het werk uiteindelijk enkel gediend kan worden door de aantoonbare fouten die je maakt. Xtreme programming is niet voor niks uitgevonden.
Het eenzaam streven naar perfectie op de zolderkamer mág en kán óók, het pronken en pralen met blinkend-zwarte doodsspiegelprojectielen is én blijft evenzeer een lovenswaardige en aan te moedigen praktijk, maar niet in deze (voor mij urgente én oplosbare ) context. Het postmoderne onbehagen zit medunkt nu toch al lang genoeg met miljoenen handen in het kruis van onze samenleving te dabben opdat het ieder duidelijk mag wezen dat die jeuk verholpen dient te worden, dat er op elk terrein gewérkt dient te worden aan het Cruciale, die krakende tijdsplooi die hoedanook dient uitgestreken.
Commerciële, pseudo-commerciële of ontkennend- commerciële uitgevers van gedrukte teksten die daar brood of spel in zien, mogen hun verzoeken tot bewaring van ‘snapshots’ van de nAârt teksten in hun publicaties richten aan dirkvekemans@yahoo.com. Ze verblijden er wellicht enkele mij dierbare personen mee, schatsels die niet aflaten mij om plank- of schouwversierbaar WERK te verzoeken. Wat hier te vinden is, is dus allemaal geen …, ach soit.
Overigens neemt dit alles niet weg dat de meeste teksten zich in een feitelijke toestand van finaliteit bevinden, een eindstadium dat in het bijzonder voor de teksten in de REDUX sectie (SFE2005) klokslag middernacht 31/12/05 bekrachtigd zal worden: deze gedichtenreeks draagt immers nu al haar datering als een fatum in haar definitie.
Al mijn teksten vallen onder de Free Art License en mogen dus voor niet-commerciële doeleinden en mits naamvermelding vrijeleijk verder verspreid/gebruikt worden.
Langere citaten van andere auteurs die u hier zal terugvinden zijn geautoriseerd in hun gebruik door hun auteur, maar vallen daarom niet automatisch onder die licentie.
Best wel een datum bijzetten, lijkt mij en als het even kan een mailtje sturen naar dirkvekemans@yahoo.com
Noten
(1) Dirk Van Bastelaere: Wwwhhooosshhh. Over Poëzie en haar wereldse inbedding.Uitgeverij Vantilt, Nijmegen, 2001, ISBN 90 75697 30 9. Zie vooral het laatste deel ‘Kleine oorlogsmachines‘. Persoonlijk heb ik aan de hand van het poëzie en performance festivalletje ‘Leuven per Vers’ dat ik met vzw Los Buenos in 1996 organiseerde veel inzicht verworven in het reilen en zeilen van het literaire wereldje. Mijn aanvoelen toen was niet van die aard om het al bij al behoorlijk succesvolle initiatief te herhalen. ‘Versmurf de begeerte’ of andere circumstantials zijn niet echt aan mij besteed.



