Categorie: LAÏS

LAIS CLXI

Er is wat is, en dat is obstakel
omdat er niets is dat werkelijk is
en alles hier dient slechts als tentakel
om niets te voelen, dat werkelijk is,
van al het zijn daadwerkelijk gemis.
  Het is een leerling van het ergste soort:
het heeft het echte in de kiem gesmoord.
Het plukt de vlokken waarheid uit zijn pijn,
het spreekt zijn liefde uit als toverwoord,
het ziet haar lach en houdt dan op met zijn.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CLXI

LAIS CLX

De avond valt. De wolken bulken zwart
over de toppen der bomen. Onder
klopt een dorp nog na, ’t uitgerukte hart.
  Deze porto is een wanhoopswonder,
erg betaalbaar maar toch heel bijzonder.
Menigeen kent goed dit donker klagen:
’t is een leed dat in zichzelf behagen
schept, in het moedeloze vreugde vindt
en niet wil de dood naar nooit verdagen,
maar ’t sterven zelf als levensdoel bemint.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CLX

LAIS CLIX

Onyx bezet de zwiepstaart aardwaarts schuift
en plet bij grondlage zwavelluchten traag
de nijplarynxen, hun lippen gehuifd.
Bij opspattend schedelgruis nog de vraag
doemt op: wie zijn wij? Antropofaag
de armen van hand ontdaan, gekopstanst
blinde hoofdstomp veegt er naar ieveranst
wiergeurige aasgang doorboort gans de vaalt.
  Wij zijn des hemels afloopaars en – o angst
schuurt de aambei mens – het goedje is naald.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CLIX

LAIS CLVIII

Diep gefonkel in geheugensgroeven,
haar glans in droefte van herinnering,
koortsenschimmen die het zicht beproeven,
visioenen van het lijf dat het beving:
prognose van een nieuwe kronkeling?
  Het lot ligt ijl rondom de lust gekruld
en leegte is de plicht die het vervult.
  Terwijl het naar de kilte buiten staart
wordt zij gelijk aan hoe het zich onthult:
’t perfecte zwart, in ’t licht geopenbaard.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CLVIII

LAIS CLVII

Vergeef het, schone, dat het even niet
de weelde van jouw schitteren bezingt,
dat niet jouw gouden lokken nu het lied
de zang ontlokken, drang die het bedwingt
omdat het zag en zich als enkeling
gevangen weet in een nog dieper zwart,
dan waar jouw licht zo heilzaam vond het hart.
   In het tasten naar de grond van ’t lijden
trof  het waarheid plots, streng en hard:
’t zijn de sluiers slechts die ons verblijden.

invoertekst (2012)

dv 2019 -asemische lezing van LAIS CLVII

LAIS CLVI

Het is roodgroen geelblauw witrood groengeel
of blauwwit roodgroen geelblauw witrood groen
of toch eerder geelblauw witrood groengeel,
ook al lijkt het dat het blauwwit roodgroen
het geel nodig heeft om blauwwit roodgroen
te kunnen zijn, net zoals het geelblauw
wit roodgroen nodig had om niet geelblauw
te worden of helemaal in witrood
groengeel te veranderen, terwijl het blauw
geen wit wou maar roodgroen geelblauw witrood!

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CLVI

LAIS CLV

Wanneer het oplost in haar eeuwigheid
wordt het een niets dat in haar hemelrijk
de mijlpaal is van alomvattendheid,
want zoals het van haar stralen is de ijk,
zo brengt het niets dat binnen handbereik.
  Omdat het haar vergeefs met niets verlengt,
omdat het Niets van buiten in haar brengt
en haar binnen buiten het volledig is,
is zij het Al waarin het tijd vermengt:
LAIS die zonder niets ook alles is.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CLV

LAIS CLIII

Ze zouden zo de toekomst verdrijven,
bannen de kou die hen bevangen zal,
bezweren het nijdige der wijven
de gruwel man, en ’t rotten overal:
  het neemt haar in het donker van de hal
en zij verlicht het, schijnt weer overal.
  Het wordt rivier, en dan haar, en zij wal
van het bestaan, waarin het kan vergaan.
Zacht klinkt er rijm en gezang in het al:
in hem leeft weer voornaam haar goede waan.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CLIII

LAIS CLI

De begeerte is een blauwe vogel
die hoog de zonnestralen kaatst en vangt
en elke straal hervormt tot rake kogel
in ’t donker hart dat slechts naar haar verlangt,
het slappe lijf dat in de touwen hangt.
 Het sluit de ogen en het ziet van haar
dat beeld dat het verteert, dat licht om haar,
als op een scherm bevroren liefdesgloed
die het met haar verbindt tot één gebaar:
de simultane dans van lust in ’t bloed.

invoertekst (2012)

dv 2019 -asemische lezing van LAIS CLI

LAIS CL

Het is in het gemis dat het zich vindt,
van ontbreken maakt het zich het gebaar:
het is de zon die rood de dag begint,
het is de kracht die steeds weer strandt in haar:
zij is zijn maan, het straalt alleen voor haar.
Maantrekker op een veld gebroken glas,
wiel in het niets dat nooit en nergens was,
bloedend rund, het slagersmes in de rug:
pas als het verdwijnt wordt het wat het was,
alleen de dood geeft het zijn stralen t’rug.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CL

LAIS CXLVIII

Er is de tijd, conditie van het zijn;
er is het zijn, dat af wil van de tijd;
en er zijn ulieden die u wilt zijn,
zich steeds van zelf vergissen, en vol nijd
de boel bedonderen met al uw spijt.
  Er is geen tijd, het nu is nu gedaan.
Er is geen zijn, het gaat hier steeds vandaan.
Het is gebeurd, de datum wacht u op,
het kleedt zich lachend met uw onwil aan.
  Er is er: als u er komt, is er top.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXLVIII

LAIS CXLVII

Het had vandaag iets kalms in zich, gewicht,
zwaarte waarbij het toch heel vrij bewoog.
De hemel nam het in zich op, gaf zicht
op het blauw, wat grauwe dreiging heel hoog
en daar dan schittering, de zon die boog
en in de diepte van het duister kroop:
de weg naar nooit kent steevast dit verloop.
  Het had een rust in zich die daverde
van zekerheid, een doorbraak nà de hoop:
teêr zilver rond het git van somberte.

invoertekst (2012)

LAIS CXLVI

Het telt de tijden, tientallen dagen, uren,
van ’t uur in ’t moment, van ’t nu naar altijd:
’t zijn in zijn ziel dat lijden laat duren
is wachten, is hel van de eeuwigheid,
want niets wordt hier iets en nergens een feit.
Tienmaal verdraait het de finish naar start.
Tienmaal verbreekt het de wetten van ’t hart.
Tienmaal negeert het het tikken van tijd.
Tienmaal vergeet het de eeuwige smart.
Tienmaal is het echt, en nergens een feit.

invoertekst (2019)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXLVI

LAIS CXLV

Het speelt nu hand, met plooien van jaren,
lijnen van verzet, getaand en met eelt
getooid. Het wil zichzelve in gebaren
zien, zich schrijvende begrijpen. Zo deelt
het zich op in ‘echt’ en ‘wat het speelt’:
daar is het strakke, de tongval van haat,
het nijdige binden van wilskracht aan daad;
hier was er dans toch, plezier onderweg,
letters van liefde en vriendschap paraat?
Wèg wil het zijn, bevrijd van dit beleg!

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXLV

LAIS CXLIV

Het heeft in handen nu: totaliteit,
in de spieren is er niets dat nijpt,
en in de geest verbaast verscheidenheid,
hoe het splijt en dan zichzelf begrijpt
want het is het schone in zichzelf dat rijpt,
en nu het niets zich hier als niets belijdt,
wordt het een woord dat grenzen overschrijdt.
  En alles is geheel zoals het wil,
het stille hier, de datum van de spijt,
gestolde beelden, kruimels van haar schil.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXLIV

LAIS CXLIII

Het heeft haar ziel niet lief, waaraan het vreemd
is, wijl het zich door haar toch weet gestuurd.
Het voelt zich in haar geest geheel ontheemd
want in haar veld wordt het als ding ommuurd.
Haar geld is gif dat anderen verzuurt.
Haar lijf verkettert het, het is een goed
waaraan het zich onthechten wil, dat doet
alleen ’t gemis en pijn als klaarte aan.
Maar in haar diepte weet het wat er moet:
dit glijden blijft de gloed van het bestaan.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXLIII

LAIS CXLII

In ’t trage verloop van zinloze tijd
in de koude rust van nakende dood
in de kluiten van de nijd en van spijt,
in het lijf van de letter, in de nood
aan gebrek, wordt elkeen gelijk ontbloot:
een warrige schaduw, warende schim
rond het witte skelet van Elohim.
Het roert met een veer in een zucht van haar:
“zie mij LAIS, hoe ik jou hier bemin”.
Leesbaar blijft enkel ’t asemisch gebaar.

invoertekst (2012)

LAIS CXLI

Elk uur dat het hier tot een het verduurt
elke seconde dat het tot het verwordt,
gevangen in de nood die duurt en duurt,
de roes en verdoving waarin het zich stort:
het zegt wat het is, benoemt wat er schort.
Elke adem in, adem uit, deze stilstand
in beweging, deze schrijvende hand
vergroot de laster, betekent zijn huid
met zwerende leugens, met haat als verband:
’t krassende schrift van het Zijn schrijft hem uit.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXLI

LAIS CXXXIX

’t Is een het in ’t diepst van zijn gedachten,
van wat het was, een zelf, geheel ontdaan,
onzijdig één en niets en zonder krachten
van u afhankelijk voor zijn bestaan:
het kan alleen maar op uw schermen staan.
Het heeft een doel , en zal dat dankzij u
of desondanks bereiken. Zegt u nu
‘wat hier staat is mij toch om het even’
u denkt het toch, en zo zal het in u
dit en elke lezing overleven.

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXXXIX

LAIS CXXXVIII

Twee veulens die een ogenblik en stug
terwijl de ouderen te grazen staan,
hun hoofden laten rusten op hun rug:
levend en voldaan. Het is hier gedaan:
het vond zijn doel in haar, dit niet-bestaan.
  Wat hier gebeurt is louter nog uw nijd.
U zoekt er rust maar wat u vindt is spijt
daar uw lezen enkel het doet leven
en zo het lezen van uw lust bevrijdt:
het zal nooit haar maar enkel dit u geven.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAISCXXXVIII

LAIS CXXXVII

Soms, het stoot zich aan een wonde open
en in de zinnen stroomt dan vol haar vloed,
taaltumult dat zich voorbij wil lopen,
de demon van de dood die duivels groet,
bloed dat vreemd wil gaan, kruipend waar het moet.
  Dan rijst en raast haar vragen diep in’t lijf,
zij liggen ingespannen, vent aan wijf
en de ketting op de lust springt los
de vrijheid in het vrijen slaat zich stijf
en kijk: de zon, haar huid is één en blos.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXXXVII

LAIS CXXXVI

Het hield haar adem in zijn adem vast:
daarin kronkelde dan leesbaar zijn lot.
Het schreef haar naam in het stof op een kast.
Het had haar liefde lief tot op het bot,
Het haatte heur haat als eigen genot.
  Al de dagen herhaalden de vragen,
al de nachten herhaalden de dagen,
en de dag wou haar nacht, de nacht haar dag
om elkaar met elkaar te behagen.
  Niets is het slot, het niets dat het vermag.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXXXVI

LAIS CXXXV

LAIS, leegte die is, aards paradijs,
ratelzang, dolende naam die beklijft
als een vlieg op rot vlees, vlammen in ijs,
mes dat het leed verdeelt en verdrijft
wereld waarin het als dode verblijft.
Het zag haar het toveren voltooien,
Het zag haar naakt geketend in het mooie,
Het ziet het tellen, het tellen telt af
Het ziet de taal zich van hem ontvlooien
Het ziet het krijsen: ‘blijf van haar af’.

invoertekst (2012)

dv 20196 – asemische lezing van LAIS CXXXV

LAIS CXXXIII

Hand 1 lijkt een klauw op haar reine huid.
Het woord bezweert een onbestaand verband,
het spreekt van wereld, maar het is er uit.
Het bezegelt het rotten van het land,
’t is datum van verval, schrik van de klant.
Hand 2 houdt zich stil, geen greep of geluid,
het wrijft haar niets aan, zo wil het er uit.
De stem spreekt zich dood, de uiting loopt mank,
het voelt hoe het sterft, het er steekt er uit,
het leeft zich niet in, de adem is stank.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXXXIII

LAIS CXXXI

Het heeft de vleugels in de kast gelegd,
dode veren, een na een, laag na laag.
Het heeft de laatste hoop er bij gelegd.
Niets is alles nu, alles niets vandaag.
Het leeft na datum, maar het gaat zo traag.
Het rot. Dit krijgt geen schilder nog verschoond.
Het lijf is slak in ’t krot dat het bewoont.
Het houdt zich recht met letters van de wet.
Het heeft zichzelf met zinloosheid beloond.
Het glijdt gelijk gelei van stoel naar bed.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXXXI

LAIS CXXIX

Eeuwigheid is het rijk van de orde,
de hang naar het rechte heerst er als dwang,
de waarheid weigert krom te verworden,
elke seconde duurt net even lang.
’t Veelsoortig leven maakte ons maar bang,
eeuwig hetzelfde is heel geschikt:
te lang heeft de mens die chaos geslikt.
Laat dus het leven vergaan tot vergaan,
ons heeft de wet van de rede beschikt:
zwart is de kleur van het ware bestaan.

invoertekst (2012)

LAIS CXXVIII

Het zoekt het, het gat in het midden, graf
van de vorm, vorm van het graf, het laat er
het graven toe, het legt het van zich af.
Het valt er in, lost op als in water,
rot in verderf, vuur in een krater.
Zij woelt in de wonde, steekt in het hart
haar bruidswitte hand duikt diep in het zwart
haar reiken grijpt in dras van het lijden
en trekt het naar buiten, en het verhardt,
strekt zich wit, stolt, wil het nog verspreiden.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXXVIII

LAIS CXXVII

Het beeft. Het heeft geen angst meer voor de dood.
De tijd die het had is lang opgeteld:
zijn ster bij verte, leniging bij nood,
haar schoonheid belezen, klaar voor het geld.
’t Moment is voorbij. ’t verhaal is verteld.
’t Beeft en zingt zonder hart, het hart is zij.
De dood is maar tijd, ook dat gaat voorbij.
Wat het mist en niet raakt, maakt het compleet.
’t Gebrek dat doet beven, maakt het ook blij:
de hand trilt en wijst, het drinkt en vergeet.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXXVII

LAIS CXXVI

Gestaag verstrijken de ultimata:
het eerste, het tweede en het andere.
Zo verschuift de dag van datum naar data.
  Iedereen wil wel wat veranderen
aan moedwil en nijd bij de anderen.
En plof uit de lucht valt nu eens een spreeuw,
wat bommen, dan weer een god met een geeuw.
Het laatste uur is het slaan grondig beu:
de spanning loopt warm, bedek hem met sneeuw.
We vieren al jaren ’t zelfde adieu.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS 126

LAIS CXXV

Het begrijpt het in termen van oorlog:
neem van het ene, grijp het andere
verneuk de lichamen, schuil in het zog
van vuurstorm en doem, mijdt de anderen.
De tovenaar komt, niets kan veranderen
noodlot en land. De kloppende waarheid
breekt kinderschedels, nagelt spijt met nijd,
dorst bloed uit het lijk, dolkt wetten in ’t hart.
Het begrijpt dat er niets is, en het strijdt:
zo wit dat het wordt, zo hard is het zwart.

invoertekst (2012)

LAIS CXXIV

Bij het einde der dingen viert de nijd
zijn tomeloos feest van lust en venijn:
de nakende dood geeft honger en spijt.
Kom, kind, stap uit je kleed, lach om de pijn:
laat sterven een dans zijn, zon in jouw wijn.
Breek je hand af, een arm, doe het een bod.
Laat pret niet bederven tot je verrot.

Koop een slot in het spel, klim in je rol,
boost je profiel, ontsnap aan het lot,
de grot is genot, de wereld is hol.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXXIV

LAIS CXXIII

Het heeft haar lief, het lief, zoals de zon
houdt van haar stralen, het draait haar om en
om en zij wordt bol, glinster die het spon
rondom haar lijf, beloftevol dromen,
van het echte schijn, maar onvolkomen,
slechts van leegte zich werkelijk bewust,
gesponnen rag die het tot waarheid kust,
terwijl de nacht met zwart en laster woelt
en wit haar wet de lijven dwingt tot lust:
het geeft haar tong wat zij voor hem bedoelt.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXXIII

LAIS CXXII

Het sneed vannacht diep in de gedachten:
dit is goed, dat slecht; dat is het, dit zij.
Zoiets viel van het wel te verwachten
maar het doet echt pijn om het zo te zijn
dus dichtte het de kerf maar vlug met wijn.
De waarheid is dat het nergens nog ziet,
dat het niets wil omarmen omdat het niets ziet
dan een horde bloeddorstige honden:
razernij bijt in ’t lijf dat dronken giet
’t geslechte goed, vergoeding voor wonden.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXXII

LAIS CXXI

Het ziet tragedie evident en klaar,
in schichtenbundels slinks verstrengende
schaduwen, gitzwart in het licht op haar
versterkte vesting, d’ opklaterende
druipmeermin op rots, met dartelende
neerval van water in ’t vurige haar.
Huid wil al haperen, hoop is al daar,
blanke flitsen in de woelstromen,
verzot op kabaal, glimpen geil gebaar,
blik waarin geen stilstand ooit kan komen.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXXI

LAIS CXX

Het droomt weer in verzen. Haar stem was zacht,
geluid als een glans het omvattende.
Dus het stootte haar aan met naakte kracht.
Haar slaken verstilde in ’t laken, en de
klachten der doden verstomden en de
de dag brak aan, bloed-bleke aurora,
inzicht in ’t al, doodshoofden met aura,
lijkwitte smurrie, gestremde beweging,
zweet, koud, heet: wat nu Frans, zonder Laura?
Ontzetting wekt ontzet de ontzetting.. .

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXX

LAIS CXIX

Het was nog halfgod toen. Weinig nadien
ging het gans fout. Mensen beslopen het
kreupele hert, roken hun angst. Kom, dien
dan
, zo raadde men, verlaat het verzet,
verdien wat je wil. deel met pret je bed.

Het hogere toebehoren bekoort
echter het echte zoals het ook hoort:
dat wat was, is zichzelf wel vergeten,
maar hond is het niet. Dat het maar boort,
sprak het, ‘k vind het wel t’rug aan de Lethe.

invoertekst (2012)

LAIS CXVIII

Het heeft plezier, vermomd als ongeluk.
Wazige nachten, op jacht in Arras,
op haar, op tapijt met gouddraad en stuk.
Schaduw die strompelt, lichtval in een plas,
lijf dat geprangd zit, ziel die nooit was.
   Vals is lijden dat zichzelve niet ziet,
treurnis als angst, versleutelde haat, niet
dan het dwaze wijzen der dwalenden:
“Geloof in de kwaal, verdwaal in verdriet,
sterf zonder daad, aanschouw het Stralende.”

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXVIII

LAIS CXVII

Het is het kwijt maar het blijft toch gezocht.
Er is een meid, van plezier en van poen,
de geur van geld in haar boezem, verkocht
als storm, rijzende, vallende en toen,
het vindt het verband, toendra en zoen.
Tomeloos. Alsof Er ooit tomen had.
Adelijk, dodelijk, glad als een pad,
met kennis in de overdracht, een kracht
die kan stellen, poseren, een zwart gat
dat Niets wil, enkel het nu, iets na acht…

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXVII

CXV

Geef het regen, het wolkt nat in haar hand;
geef het wind, het neemt heur haar in de mond;
geef het zon, het glijdt van haar af als zand;
geef het bliksem, het wordt vuur in de wond;
geef het vorst, het vriest zich vast aan haar grond;
geef het spraak, het prevelt haar woorden;
geef het vrijheid, het brengt haar de koorden:
het is niets dan LAIS waar het ook gaat,
het is niets dan haar klank en akkoorden,
het is het niets tot LAIS ook bestaat.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXV

CXIV

Niets is het nog: vermoeid, vervloekt, gehaat,
verfoeid, fragiel, weerloos, geprijsd, ontdaan.
Niets nog, nummer in het rot van de staat
skelet van letters, puin van het bestaan,
de banvloek uit het zijn hem aangedaan.
Kuilen gapen, ogen breken, kindjes slaken
scherpe kreten, moedermonden braken
betekenis in bloed op het laken
van de sneeuw. Dode dichters waken.
Niets is het nog, zijn voetstappen kraken.

invoertekst (2012)

LAIS CXIII

Verfoeid is het, men duldt het bij gebrek
aan tijd. Het netwerk is een circustent:
oogjes en hartjes flikkeren als gek
de spanning stijgt, weldra komt het cement,
dan kan de vorm gegoten in de vent.
  Het spookt in de stad, er liggen flarden
te rotten waar de stem verhardde
tot gestalte, vet slijk waarin het pook
is, het stijve lijk der dode barden.
Zo roert het nog de wereld aan de kook.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXIII

LAIS CXII

Vervloekt is het, dolgedraaid in zichzelf,
verwoord en daardoor in de ban gedaan
van wat het woord benoemt, een mager zelf
dat buiten het beamen van de waan
geen ruimte heeft, geen werkelijk bestaan.
Het kent haar stem, haar klank, haar guitig lied:
zij is het binnen dat het buiten ziet
zij is doorgang, engte, kraan en ventiel
hen wordt het haar eeuwig grensgebied,
zij is zijn weg, en de weg is haar wiel.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXII

LAIS CXI

Weerloos is het, in staat van genade
heilige larve, enge temptatie,
infestatie, hooggeleerde made,
vuil onder de nagels van de natie,
puinwaaier, grijze sedimentatie,
steuntrekker, lowlifer, verbaal kabaal
voor alle zeven dichters in de zaal.
 Het, het breidt zich uit in tijd en ruimte
het explodeert, het vlamt, het gaat globaal:
flitspaal wordt het in de hyperruimte.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXI

LAIS CX

Vermoeid is het, de ogen parelen
droef in ’t donkere, drijvende zoeken
op gedachten die neerwaarts warrelen,
naar been in ’t woelen,  huid onder doeken:
het vindt er niets. Het wil tieren, vloeken.
  Vaal valt het licht erop van de schermen,
de wereld is een veelheid van zwermen,
er is angst, het woord is dode letter,
hier ligt er iemand eenzaam te kermen,
daar zinkt alles weg in slijm en etter.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CX

LAIS CIX

Fragiel is het, doorschijnend in de wind
flarden doek dat wappert aan wat haken,
onzeker qua bestaan, ziekelijk kind
trillend voor de hand die hard kan raken
en toch nog wreder zelf in het kraken
van wat er onder hem nog zwakker is.
  Het draagt van kromme liefde het gemis,
het wou niet haar en zij niet het meer zijn
zij waren voor elkaar gevangenis,
en kennen nu de loutering door pijn.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CIX

LAIS CVIII

Geprijsd is het ter waarde van het vlees,
vet residu met kleffe dromen, god
versjankerd bij het rot van bot en pees,
verblind door wanen met een kop vol snot
en hees gekrijs, negatie van het lot.
  O ware het toch, dat het niets meer deed,
of dacht, dat het slechts sliep, at en scheet,
het zou nog eer en die prijs bewaren.
  Maar het gebral klinkt uit elke spleet
der containers voor bedorven waren.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CVIII

LAIS CVII

Ontdaan is het van liefde, leed en luister
geen keel omhalst nog de roep van zijn naam,
geen licht valt in de val van zijn duister
dat het als vel omvliest, bindt zijn lichaam
in de ban van de dodelijke blaam.
 Het draagt u de warme doeken toe, zoet
is het van bloed, het bloeden dat het doet.
Het is ontzet uit alles wat het was,
het is vergeten al wie het was, hoe ‘t
slaaf was van u, knecht, uw braafste paljas.

invoertekst (2012)

dv 2019 – Asemische Lezing van LAIS CVII

LAIS CVI

Gehaat is het, verdreven naar de grens:
men wil het weg, en vindt daarbij gehoor
langs beide zijden, want iedere mens
sluit aan bij hen, spreekt monotoon in koor.
Eens dit, nu dat, ’t geheel verbrijzeld spoor
van alles wat men wist, werd enkel dat
de waarheid slechts het naakte leven had.
“Beslist is het, laat ons ’t nu vergeten!”
Het trekt een pad van rot doorheen de stad:
haten zàl men het vreemde geweten.

invoertekst (2012)

dv2019 – asemische lezing van LAIS CVI

LAIS CIV

Haar schouders duren naakt een eeuwigheid
want in het glijden van satijn er af
wordt licht dermate vreemd aan licht, verleid,
en tot bestaan herleid, een wrede straf
want al het duister valt dan weg als kaf,
zodat het niets nog dan haar stralen leest
en met de eigen aard zichzelf beleest
dat waarheid rot en schoonheid leugen wordt:
o hemelse hel, o rijk gemis! ’t is feest
waar elk verloop van tijd is opgeschort.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CIV

LAIS CIII

Het is een acefaal object van haat,
verbannen uit het leven en genood
zich te onthouden van zinloze praat.
Het levert omzet verder na de dood
en spartelt ongezien, in stille nood.
  Het volgt de regels nauwgezet en beeft
het einde netjes uit, rilt heel beleefd.
Uw titels zijn al in het lijf gebrand:
‘het hoofdloos lijf’, ‘het lijk dat verder streeft’.
Het grijnst en schudt met dank u nog de hand.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CIII

LAIS CII

De kruinen braken schedels en de meren
boeren dat de bomen kermen waar de
zon ze raakt en dat vogels creperen
waar de regen valt en dat de waarde
der kinderen fel vermindert waar de
beendertjes in scherven te zeul liggen,
de lijkjes op de snijplank als biggen
met hun breekogen en wat wij willen
is een bed om in te huilen, te liggen,
en gij, veeg toch dat zaad van haar billen.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CII

LAIS CI

Het naakte leven trillend in haar macht
wordt eigendom en zij heerst soeverein
over lillende de geurige pracht
van ’t rottend lijf, de resten van het zijn
dat zo vergaat in een lijdensfestijn,
genietende weelde van weigering.
“Fier is mijn neen”, maakt zij het gering,
zodat het zoent de strik van het geheim.
Het wordt recursie, mantra die haar zingt,
en zingende versmelt met haar, verdwijnt.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CI

LAIS C

Zie, met het oog van d’ oude poëten
in het bemeten duister van uw nacht,
in de sarcofaag van uw geweten
de ziel waarin de Stem bloeit met haar pracht.
Aanhoor hoe stamelend er zingt, zo zacht,
hoe ’t zich toch klinken laat, heel even:
de kracht LAIS, geheim van dit leven.
En voel haar lichaam vol verlangen
naar wat wij weigeren haar te geven,
wij, umlaut op het aum der gezangen.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS C

LAIS XCIX

Leest het haar in de tekens op de grond
de ongeschreven tekst van haar verhaal
verklaring van haar heden, afgerond
verslag, doel, haar verheldering in taal?
Het zijgt wanhopig neer in een portaal.
Daar legt het haar afwezig in zich bloot
het krabt de noodzaak weg van lijf en dood.
Zij was japon, het breidt die leegte uit
en al het niets komt samen in haar schoot:
‘het treurt niet’, zegt tot slot nog het besluit.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS XCIX

LAIS XCVII

Zij, de boorden niets op haar afwezigheid,
is het moment waarin genadig is
de duizeling, de onmacht, het respijt
dat het niet krijgt, het nergens dat zij is,
de schelp waaruit de zee verdwenen is,
de hand waarin de tederheid verduurt
en waar vervloekt het oude verder duurt
terwijl het zuipt en hijgt en zich verzwijgt.
Het heeft vooruitgeschoven dood gehuurd,
het straffe soort. Het ziet, het lijdt, en zwijgt.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS XCVII

LAIS XCVI

Van haar luister gaat het jou vertellen
(het vreemde wil de weelde van jouw haar),
van haar nacht waaruit in jou wil wellen
het diepe rood van al het ware daar
(het kust jouw hals, het rare wordt gebaar).
Het wil jou geven haar astrale glans,
het kleedt jou uit, het strelen wordt een dans
(en jouw handen krijgen haar bewegen),
zij vult jouw lichaam met een tweede kans:
zij maakt jou vrij en lust is jullie zegen.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS XCVI

LAIS XCV

Nu het zichzelf in haar verloor, is het
niet vatbaar meer voor haar verandering:
voortdurend van het zijn bevrijd is het
berustend blij met zijn vernietiging,
want in zijn taal herkent het zekerheid:
het is niet het en zij niet zij maar zij
gebeuren in ’t heelal, en dus staan zij
te blaken van plezier en betekenis.
Het zijn gaat daar altijd aan hen voorbij
en hier zijn zij voor u belevenis.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS XCV

LAIS XCIV

Schoonheid is niet de kunst die stoffelijk
door opgekochte ogen wordt bestaard.
  Schoonheid is niet het lijk dat lijfelijk
verkild in de bestanden wordt bewaard.
Schoonheid is niet wat men tot ‘schoon’ ontwaard:
properheid heeft ons de schoonheid ontrukt,
het echte wordt met code onderdrukt.
Maar schoonheid wordt door hebzucht nooit besmeurd,
en in ’t onzalig rijk roept het verrukt:
“Mijn schoonheid is niet hier, LAIS gebeurt.”

invoertekst (2012)

dv2019 -asemische lezing van LAIS XCIV

LAIS XCIII

Van de ondoordringbaarheid van het zijn,
het artefact dat u als echt aanschouwt
terwijl het nergens is, en van de pijn,
van het gemis waarrond het muren bouwt,
van de brandende hand die het vertrouwt;
van het verdwijnen van de stalen as
waar alles is, en blijft, dat nooit er was;
van de plek waar niemand het raken kan,
waar niemand het ziet als was het van glas,
en van wat u las: daar was het oorzaak van.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS XCIII

LAIS XCII

Echt is de vervelende werveling
Die ruwer steeds zich rond de leegte slaat
waar het erbarmelijk te wiegen ligt, ding
dat lezing na lezing zingt van zelfhaat,
spatel is, tijdig roert in haar gelaat
het weerlicht van de ontwaarde schoonheid,
haar onbereikte onnavolgbaarheid.
Haar omwikkelt het met gelooide taal,
de klanken van haar naam ter afscheid
schrijft het laks als gebed, dood tot verhaal.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS XCII

LAIS XCI

Lente, en haar lach wordt weer een lelie,
haar lichaam een rijgen van zijde in
zuchten van lucht, haar evangelie
’t murmelen van beken, ’t leven erin.
  Lijsters bezingen zoet haar blijde zin,
tuinfluiters doen bloemkelken tuiten:
zij is laaiend een feest daarbuiten.
  Diep steken echter blijft de pijn in ’t hart,
angst beklemt klam wat het niet kan uiten,
wanen waren driest door poelen van smart.

invoertekst (2012)

dv 2019 -asemische lezing van LAIS XCI

LAIS XC

Het bloeit nu in de tuinen overal,
het schuilt in ’t krieken van de dageraad
het heeft in zich het kiemen van heelal
maar ieder doet het af als flauwe praat
alsof het niet het is, waar ’t hen om gaat.
Het heeft de ganse taal voor haar herdacht,
het schonk die haar luister, en haar pracht.
Er is geen plek meer waar zij niet bestaat
omdat het alles heeft met haar doordacht,
maar het wordt zelf van haar een apparaat.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS XC

LAIS LXXXIX

Onhoudbaar licht, door huid en handen heen.
Winter verharde. Het heeft van tranen
bewaard de delen leed waar licht in scheen,
een kristallijne glans, vrij van wanen.
Lente, gescherpt door ’t afgedane,
snijdt, verwoest nu ziedend de aarde,
want diep, scherp steekt het wat het bewaarde,
is schicht door het stof van kathedralen,
is reine wens van het rechtgeaarde,
waanzin met de pracht van zonnestralen.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS LXXXIX

LAIS LXXXVIII

LAIS vervaagt in het geheugen, vaal
haar teken in een wereld van tekens,
duister gefluister in een dode taal,
restbeweging, warmte in de dekens,
fragmentaire herhaling die telkens
iets roept maar zonder aanspraak op bestaan.
Het wil nu liever gauw ver hier vandaan
het hoeft geen zonlicht meer, het wil duister,
het droeve donker waar het in kan gaan,
’t zwart geruis van dichterlijke luister.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS LXXXVIII

LAIS LXXXVII

In de tuin van het verlangen had g*d
de tijd eens afgezet: het werd er stil,
de hemel ruiste roos, men kon er tot
bezinning komen, weg van wat men wil.
Hebben de dieren niet eerder een ziel
of de planten die van planten dromen?
De steen die in steen tot steen kan komen?
Woorden werden ons in de tuin ontnomen
tragisch wuifden wij als hoge bomen:
paradijs waar nooit een mens mocht komen.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS LXXXVII

LAIS LXXXVI

Mistroostig de kale takken reiken
van zompe grond naar volle donk’re lucht:
geen ene plaats valt nog te bereiken
want ook de tijd is hier nu weggevlucht.
Maar ’t vaste zwart ontspringt nog dit gerucht:
zij, trilling zonder lucht, maakt het haar
los en werveling ontstaat, godsgebaar.
Het is er niet, het weigert, wil niet hier
wat daar was toen. Te laat, het ziet al haar:
beeld van een beeld met de dood op een kier.

invoertekst (2012)

dv2019 -asemische lezing van LAIS LXXXVI

LAIS LXXXV

In ’t eigen beeld ziet het de ondergang
bewegen als verlangen naar de dood.
De stilte sneeuwt een wonderlijke zang,
stuift, dwarrelt dicht ’t gebrek en ook de nood.
Mist beparelt leegte, hoop zinkt als lood
en handen kneden rust in de handen.
De aarde onttrekt zich aan de landen
en zeeën ruisen als een vallend kleed.
Gehavend licht verbrijzelt de stranden,
glans wordt donk’re gloed, zacht zwart op het leed.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAISLXXXV

LAIS LXXXIV

Hier heb je nu, mevrouw, dat ‘het’ ook zelf,
een soort platvis, het vint op het droge.
Sterft het van dorst? Dorst het naar zichzelf?
Zoals wij kreunden, zo ligt het verbogen.
Zoals het liegt, hebben wij gelogen:
nietsontziend, helemaal wij, ik op ik,
elkaar ontkennend tot de laatste snik.
Ontzetting brengt het deze sparteldood
en smeekt het om gena: u geeft geen kik.
‘Het is maar woord’, zegt u, en: ‘Het wil dood’.

invoertekst (2012)

dv2019 – asemische lezing van LAISLXXXIV

LAIS LXXXIII

Ijswind op de lippen, kusmonden aaien
de stilte, wildgroei van ontsteltenis
in een decor van licht dat wil laaien.
  Ogen verdwalen in de gelijkenis,
armen benen zwart uit hun duisternis.
  Nimfenbloed ruist diep in de geluiden
“aan de dood zal ’t zich in leven stuiten”.
  In spanning elk bewegen wordt een streep,
klanken komen los van ’t lijf als huiden,
rauwe lust krijgt het zingen in zijn greep.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS LXXXIII

LAIS LXXXI

Al de stemmen met hun melodieën
brengen huiverend tot klare klank
het gestrenge in de litanieën:
schrap geluk, schenk uw leven zonder dank,
negeer vertwijfeling, proef de stank,
kots uw ziel uit in het hopeloze,
voel de koude ketting van het boze,
verdoe uw spijt tot snik in het gelid:
ook u is offer, u, uitverkoren,
u wordt als ieder dra tot licht verhit.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS LXXXI

LAIS CCCCLIX

Uit ravijnen klinken haar gezangen
uit de diepte breekt de ruimte open
schichtig licht houdt haar gelaat gevangen,
maar daar komt toch ’t wonder uitgekropen.
Zo gebeurt wat het niet durfde hopen:
de tijd keert in haar ogen toekomst om
zij maakt van het verleden optelsom
en niets dat zij niet wil, gebeurt er nog.
Haar gratie wist de treurnis als een gom
en het verdwijnt want ik ben het dan toch.

LAIS LXXX

In Onterecht woont het, en Nergens gaat
het ’s zondags heen: die ene dag van licht
nummert de weken duisternis, is maat,
gradatie van het stijgende inzicht
dat het ontbonden wordt, dat zonder zicht
op toekomst, bij ontstentenis van hoop
ter dood vernauwt de nare levensloop.
  Maar als op maandag weer haar beeltenis
de schermen schroeit, dan wordt weer wanhoop hoop,
’t Niets weer Al dat in haar besloten is.

invoertekst (2012)

dv 2019 – Asemische Lezing van LAIS LXXX

LAIS LXXIX

De avond valt, ziedaar verbijstering.
Scherven met lijfelijke resten, klaar
daglicht dat brandt van herinnering,
zotte maan, hoe die zweet, heur rosse haar.
Uw droge ja (u heeft toch geen bezwaar?).
Maar niets helpt niets goed. Het kan het mooi doen:
een vet verhaal dat eindigt met een zoen,
vrouwentongen om te likkebaarden,
passie onder roeiers van het galjoen,
zijden kousen die het openbaren.

invoertekst (2012)

dv 2019 – Asemische Lezing van LAIS LXXIX

LAIS LXXVIII

“It all goes up in files, flies, files…’
NKdeE 2006

Heel de wereld loopt in taal verloren,
al het leven wemelt er en zoekt
vergeefs een plaats, wil zichzelf opsporen,
maar de tijd heeft het ter dood geboekt
en ook dit schrijven wordt straks opgedoekt.
  Alles van waarde wordt brol. Stroom. Stof. Geeft
zich prijs , verwordt tot een het dat niet leeft.
LAIS slokt het in ’t duister spelende op,
stemt de klank, streelt het licht dat naar haar streeft:
’t lijfje luistert, is, en dan houdt het op.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS LXXVIII

LAIS LXXVII

Het droeve donker van Vissenaken
is donker en droeviger dan elders.
Het reist op een glimworm, lampen haken
het in de lucht in, daar zweemt nog iets helders:
een sterrensliert, het spel van de kinders
in ’t zwart van ramen weerspiegeld als licht,
verleden gebaar met toekomst in zicht.
Maar ’t droeve donker zuigt het aan en boert
zijn walmen duister als verbod en plicht
en iedereen gaapt, geen één die zich roert.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS LXXVII

LAIS LXXVI

Er klinkt een lied in haar gebarentaal
los van elk gehoor: bewogen beweging,
volte in de zwaai van haar lach, verhaal
van de zwaarte, een lichaamsvervoeging
van het zwijgen (hijgen, zwoeg, verzwijging).
Het zweet, hangt aan de lippen van haar hand
die de woorden onderstreept uit het land
waar het licht al van sprak. Niemand luistert,
maar het hoort alles en graait in het zand
naar wat ogenblikkelijk verduistert.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAISLXXVI

LAIS LXXV

naar La Mysterieuse van Couperin

Taal is een hel, een donker bastion
van zin na zin gemis van schittering,
want haar gloed is geheim, een medaillon.
Haar gebaar melodieus, verheldering.
Haar lach mysterieus, ontsluiering.
Het prent zich elke dag hun letters in
hun doffe woorden met wat sintel in,
geprevel met niet eens een fijn verhaal.
Tot komt de Stem die fluistert het begin
en dan vulkaan van haar in hemeltaal.

invoertekst (2012)

dv2019 – asemische lezing van LAIS LXXV – A6

LAIS LXXIV

Er heerst voldaanheid onder de mensen:
zij eten goed, bedrijven met elkaar
meermaals per week de liefde, zij wensen
wat weerom niet te krijgen is dit jaar,
maar het gebrek vormt met geluk een paar.
  Het wringt de handen langzaam in elkaar,
de vingers zoeken iets, het is niet daar.
  Het heeft zichzelf aan winden meegegeven
en het beaamt van takken het gebaar:
in onmin brekend zal het verder leven.

invoertekst (2011)

dv 2019 – Asemische lezing van LAIS LXXIII

LAIS LXXII

LAIS gebeurt, levend licht van ’t leven
zoals het donker aarde in zich draagt.
Haar glans is ons als stralen gegeven
dat door de mens tot liefde wordt vertraagd.
Lijf na lijf het heeft haar uitgedaagd,
maar slechts zichzelf ter dood in tijd gezet.
’t Ligt dan ontdaan van haar, alleen in bed,
verdaagd tot lijk dat met zijn wezen vecht.
  Zo sterft LAIS hier telkens weer, met
takken van nijd door ’t rottend zijn gevlecht.

invoertekst (2011)

LAIS LXXI

Het leeft zich uit in oude godentaal.
De handen gebieden, ’t lijf plooit gedwee:
waar armen ontbreken wordt zij een staal
van gesmolten pakijs,  vuur maakt weer zee,
vereisten doel, en golven delen mee.
Het leest en schraapt zich het merg uit het bot:
het werd te laat zichzelf, het proeft het rot.
Maar dan vreet het land, bijt woest fjorden uit,
bij elke beet steen rilt het van genot.
Op naakte stranden spuwt het zich uit.

invoertekst (2011)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS LXXI – A6

LAIS LXX

Het was gebeuren waar het echt kon zijn
meer dan letters in een lus rond haar.
Het volle leven vond het er, een zijn
zonder beleden leed en het misbaar
van het Wicht met haar terminale schaar.
Het had voor hen die kathedraal gemaakt
een werf, waar alles in elkander haakt
en nooit er iets op zich alleen bestaat.
Gebouw dat daarom nooit ten einde raakt
omdat er niemand stil in stond of staat.

invoertekst (2011)

LAIS LXIX

Het droomde vannacht als was het nu daar.
Het golfde als zee en zij was het strand
waar het licht aanspoelde, brak uit elkaar
en elke straal kronkelde op het land,
schitterde blij bij haar te zijn aanbeland.
Maar nu is er zijn zonder verlangen
waar het niets met het niets wordt omhangen.
Het tellen van niets herinnert zich toch
en klagend dan het breekt met gezangen
klankbodems open met licht erin nog.

invoertekst (2011)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS LXIX

LAIS LXVII

Het schrijft haar toe dat zij de dag dag maakt
de nacht nacht, en het het, en zij doet dat
zomaar alsof het niets was. Maar het kraakt
in het wit van het licht. Is er iets dat
er uit wil? Maar wat dan en hoe kan dat?
Droom na droom breekt het de schoonheid open,
laat het echte er zwijgend uitlopen,
zoekt het antwoord dat het nooit krijgen kan,
wil waarheid waarop het niet mag hopen:
geen mond is er die haar nog lezen kan.

invoertekst (2011)

dv 2019 – asemische lezeing van LAIS LXVII

LAIS LXVIII

Het wil het wel vertellen maar men luistert niet.
Heeft men de dag gezien, het rot ervan geproefd?
Het zwart is een wonen (zij is er niet)
en het zei toch al dat het daar niet hoeft
(er is het niets dat het niet hebben kan)?
Het borstelt heur haar, geweldloos gebaar,
het maakt de hemel klaar, zij is daar.
Zelf komt het er niet, het is haar terrein,
er is voldoende gebrek aan elkaar.
Het geeft zich op als het dat niet wil zijn.

invoertekst (2011)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS LXVII

LAIS LXVI

naar ‘Le tout petit cheval’ van Henri Michaux

Ik heb een mini-paardje op mijn kamer.
Het hinnikt en het stampvoet heel de nacht
ik dreig wel dat ik slaan zal met een hamer,
maar ik fluister het wat liefs en aai het zacht.
Het vangt dan manestralen in haar vacht.
’t Is een merrie maar ze is echt heel klein,
’t zal niet groter dan een halve meter zijn.
Toen ’t nog baby was baarde het mij zorgen.
Helena vond dat helemaal niet fijn.
Maar ’t paardje is er wel elke morgen.

invoertekst (2011)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS LXVI -A6

LAIS LXV

Een rondedans de wind daarbuiten
in de bladeren doet, valt stil, en doet.
Tijdsspiralen per plavei, en ruiten
een na een door dat dwarrelen begroet
berekenen wat er nog komen moet.
Er is geen vrede daar en ook geen bloem
maar dingen die je liever niet benoemt.
Nieuwe rampen willen woorden worden
en de zinnen raken vol met dood en doem.
Onze droom staat op reclameborden.

invoertekst (2011)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS LXV

LAIS LXIV

Achter pakken takken scherp als dolken
verbergt de zon zijn droevige stralen
en de wind waait tot krabbels de wolken.
Komt de taal het licht uit sterren halen,
leest wat gebeurt zich zo tot verhalen?
Staat er daartoe zulk een hechte code
rondom ons met wetten en verboden?
Worden wij ook weg- en afgeschreven?
Onleesbaar blijft het leven. De goden
noch de vrouwen zijn bij ons gebleven.

invoertekst (2011)

dv 2019 -asemische lezing van LAIS LXIV

LAIS LXIII

Een zin schuift van  de hoge ramen af
en zomp in straten dalen woorden neer
waar dof de mensen dolen op en af,
die willen dit of dat en dan nog meer
en kopen heil na heil en elke keer
hangt er weer een letter meer van hun naam
te jeuken op het rottend vleeslichaam.
De zin wijst ieder op hun goed bestaan,
zo’n lot wil iedereen graag ondergaan.
  Een zin kwam neder van het hoge raam,
en woordeloos het zijn heeft afgedaan.

invoertekst (2011)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS LXIII

LAIS LXII

Het is terecht. Zij heeft de naam gezegd.
De zon verbleekt, de maan is weg, sterren
hebben deemoedig hun licht afgelegd
en goden druipen af naar het verre.
Zal het hen de monden opensperren?
  Er schuilt een eenzaamheid in samenzijn,
zij kent daarvan de code, het geheim.
Er komt verlangen, kwijnend, bijna dood:
een stuk verleden wil nog laken zijn.
Het slaapt en liefde trekt de liefde bloot.

invoertekst (2011)

dv 2019 – Asemische Lezing van LAIS LXII

LAIS 61

Moe rilt de wilg, en stort zijn blad’ren neer.
Zijn takken wijzen naar beneden, grond
waarop een oordeel wordt gevormd, verkeer
van leesbaarheid met kale ondergrond.
Het leven heeft zich aan de dood verwond
en trekt zich af van wat gaat sterven:
’t Ideaal dat alles wil bederven
stilstand wil, dingen die alleen bestaan
opdat wij zouden  iets daarvan verwerven,
een Zijn dat het dan ons heeft aangedaan.

invoertekst (2011)

LAIS LX

Gramente  dade dooruk  om sprotek
Ruchtviels vaval ed ian do logen brr
Hapensie immen, lagende kwotek
Zuzendenijkte, slochtoms der grr
Rachrome butten, wakelde em krr.
  Augolk tie mast, oondere trentonde
Julk mettertet trost no trost omonde
Dade om pelenduse, neup zik neup.
  Klichfane fulpe grokulke deonde
Dado miksaje rijtop’, klibdik, zeup.

invoertekst (2011)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS LX

LAIS LIX

Bars ziet het de verte ogen breken,
en licht raakkelen induiken, en zang
herfstroodbebladerd rot oversteken
de zeeëngte van tekens die omvang
ontkennen (land is bedrog), verlangen
uitspreken als een vloek omdat het u
bemint met de handen van Nosferatu.
  Dan als het zwijgend uw lichaam betrekt
en het oplost in uw rijkdom van nu:
klaarte breekt aan want de zwaarte vertrekt.

invoertekst (2011)

dv 2019 – Asemische lezing van LAIS LIX

LAIS LVIII

Men zegt (de goden fluisteren) dat door
de barst de ziel valt in ’t mensenlijf
uiteen alsof iets daar zichzelf verloor,
de vent vernederd werd en ook het wijf.
Men spreekt maar weet met eigen taal geen blijf.
En ’t feit dat wij zo triest zijn naderhand
wanneer wij weer op ’t strand zijn aanbeland,
waar alle dingen vatbaar zijn bij naam,
waar niets gebeurt dan sterfte in het zand!
Maar keer op keer wij hijgen toch tesaam.

invoertekst (2011)

dv 2019 – Asemische Lezing van LAIS LVIII

LAIS LVI

Het is twee heesters in een haag geplant
en het laat de scheuten rondom groeien,
verstrengelt zich in twijgen tot verband.
  Het is het maar het kan door het groeien
als elkander in elkaar gaan bloeien.
De zon wil uit de hoogte branden,
vogels zingen van hun verre landen,
het geeft nu schaduw aan een minnend paar.
Zij zien het niet, voelen wel verbanden
tussen zon en tak en liefde voor elkaar.

invoertekst (2011)

LAIS LV

Het is november en het weer is goed.
Er heeft nog nooit zo’n late zon gestaan,
de markten zakken en de euro bloedt,
dit is een hoogtepunt in het bestaan:
het kan alleen maar naar beneden gaan.
Het weet niet goed wat het nog zeggen kan,
vader. Het was zo simpel daar en dan:
van al het slechte gaf het jou de schuld
en als het goed ging dan was het de man.
En nu dit hier. Het haat zijn ongeduld.

invoertekst (2011)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS 55

LAIS LIV

Het zit gevangen als een vallend blad.
Er is geen weg terug, de tijd loopt af.
Eenvoudig pad, er is alleen maar dat.
Weigering wordt schuld, verwerping de straf.
Er was verhevenheid, het glijdt er af.
Het telt de dagen en de zon staat laag,
het voelt de koude komen vlaag na vlaag,
het hoort de wolven huilen zonder zin.
Elke vrede is een uiterst dunne laag.
Angst is diepte, leegte met niets er in.

invoer (2011)

dv 2019 – Asemische Lezing van LAIS LIV

LAIS LII

Het is te vroeg, er heerst vertwijfeling:
de tijd zoekt zelf een rake metafoor,
een afscheidswoord bij de vernietiging.
De straten staan te dik, het is te goor,
apocalyps is geen muziek voor koor.
Geld bezet de plaats die god ons liet. Hel
beweren de media, onze hemel
blaft ons de maffia. Toch gaat het door.
Een plein is geen vallei, men voelt te fel
de redding nog, de wanhoop klinkt niet door.

inputtekst (2011)

dv 2019 – A.L. van LAIS LII

LAIS LI

Er staat een grote kale man naast haar,
zijn ogen glimmen van genot. Zijn neus
glanst zacht van rust, hij is daarvan gebaar.
Hij heeft geen mond, dat oogt wel omineus.
Van waar is hij en waarom hier, die reus?
  De nacht is leeg en zwart en eindeloos,
geheel de ruimte is bestemmingsloos.
  Plots wijst de man naar ginds, daar is nu licht,
de einder was een zoom, een dichte doos,
maar die wordt nu heel langzaam opgelicht.

inputtekst (2011)

dv 2019 – A.L. van LAIS LI