Categorieën
kort Proza

nergens

het fonkelde.

en de ogen en de handen waren heel even met de nacht alleen. het grauwe lijf  zat achter slot en grendel van de angst. buiten sloeg de zuivere lucht  witte zeilen open in de zee rond de pupillen, maar de opgesloten longen van het lijf verstijfden en het verschroeide er tot gans het lijf kermde en kronkelde. ontzet sloten de ogen zich en de handen sloegen zich voor het afwezige gelaat.

het fonkelen dreef hen verder uit elkaar. de maan blies bellen in de lege straat. benig blanke vingers tikten met hun weke nagels de bellen van het maanlicht aan. de bellen ploften, er zaten kleine draakjes in met metalliek gekleurde vleugels en vliegende kevers met vervaarlijke schilden. 

de benen kloegen en het lijf werd veel te snel door lust en nijd bevrijd. daar stoof alweer met opgekropt, immens en grijs lawaai de solferwind over  het nakende geslechte heen. 

later. het staat te wachten op de bus, het masker bengelt losjes onder de kin. de ogen glanzen droevig, de handen stoppen zich gebald tot nare knoesten helemaal diep in de zakken. in het brein klampen de ogen en de handen zich halsstarrig vast aan de gedachte dat het toch anders kan, dat het kan fonkelen.

en in een veel te zware kar zoeft ongezien de mooiste stem op aarde aan hem voorbij. het ziet haar niet maar hoort het zingen in zijn hoofd. het houdt van haar en zij zijn nooit en nergens samen.