LAIS CCLIV

voor m.g.

Het is een eind gegaan doorheen het veld.
Het zag welhaast de weidse overkant,
maar iets weerhield zijn neigen naar geweld,
en borg de wens dat alles werd tot zand,
dat niemand nog verheffen kon zijn hand:
’t is liefde die ’t zodanig had verstrengd
tot louter vorm, een lidwoord voor de vent.
   Het zou haar dag omarmen als een zon,
wanneer zij nog dit duister is gewend,
het wou haar geven dat haar licht begon.

invoertekst (2014)