LAIS CCLIII

voor m.g.

Het hangt met honderd draden aan haar vast,
haar lach, haar lijf, het stralen van heur haar.
De volle maan spant aan daarvan de last
der tegenstrijdigheid, hoe Het niet daar
kan zijn, hoe Het er is in elk gebaar.
Het vult zich sprekend vol zinledigheid
elk woord verhoogt er zijn gebrekkigheid,
’t falen dat Het haar heeft aangedaan.
Alleen zijn leegte wordt volledigheid:
Het kan alleen als Het voor haar bestaan.

invoertekst (2014)