LAIS CLXVI

Plotseling sprong wat ‘r in haar ogen hing
en ’t dook onder in ’t donkergroene loof
weg en daar wat er stoof het was geen ding
maar duizenden lampieren* in de koof:
geheim gezoem van licht in haar alkoof.
Zij was niet hier, het was niet daar want daar
was hier en ook de tijd kwam in gevaar
omdat de ruimte prangde om het al
en niets dan zij werd het alleen gewaar:
het nimfenkleed vol leegte overal.

*lampieren: een soort vuurvliegjes die enkel in de bossen van Linden voorkomen

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CLXVI

Geef een reactie