Categorieën
Grafiek Harusmuze

Harusmuze #446

22B25

446 – de dood heeft geen substantie, geen omvang

hexagram 38 –  (kuí) – “Tegenstelling”

invoer

https://dirkvekemans.be/2018/06/17/harusmuze-2/

commentaar

denken over de dood is, in klassiek-ontologische taal, denken over het object van de angst: elke vorm van angst lijkt ‘in wezen’ terug te voeren tot een angst van het verliezen van ‘alles’, van de ‘wereld’, het ‘leven’.

maar de wereld is geen woord of een eigendom. de wereld ‘is’ niet, de wereld gebeurt. de wereld is de wereld is de wereld niet. het gebeuren duurt voor jou net zolang je tellen kan, zolang je zelf telt. en die ‘duur’ zelf is ook een tellen, een kwantificatie van een ‘beleving’.

bij de dood houdt de beleving op, het tellen stopt.

maar waar is de dood? waar is dat object achter al onze objecten van angst? of is er nog iets angstaanjagend onbekends, een ‘het onbekende’ dat verschilt van ‘de dood’? maar waar is dat onbekende dan?

nergens. noch de dood noch het onbekende, het Buiten, hebben een omvang. buiten de dood van de taal wordt er enkel gestorven. maar is ‘sterven’ niet hetzelfde als ‘leven’ zonder het object van de dood? het sterven hier is andersom misschien geboorte?

onze angst is omvangrijk. die neemt af en neemt toe. het lijkt wel dat onze angst de dood zoekt, haar object wil vatten, net zoals de liefde haar object wil vatten en het schoonheid noemt, of waarheid, wijsheid of lust.

de dood heeft geen omvang: het is een naam voor het niets-van-dit-alles

ja, misschien ‘maakt’ de angst de dood wel, net zoals de liefde in de filosofie de waarheid maakt, produceert. ook daar geldt immers: waar is de waarheid? waar is de schoonheid? god? niets daarvan heeft omvang.

zijn god en de dood samen gestorven?

de HARUSMUZE is een eigentijds orakel, een NKdeE schrijfprogramma gebaseerd op het Boek der Veranderingen, de I Tjing. het programma heeft 520 (?) orakelspreuken als uitvoer, maar die zijn zelf nog aan verandering onderhevig.

scève

Rien, ou bien peu, faudroit pour me dissoudre
D’avec son vif ce caducque mortel:
A quoy l’Esprit se veult tresbien resouldre,
Jà prevoyant son corps par la Mort tel,
Qu’avecques luy se fera immortel.
Et qu’il ne peult que pour un temps perir.
Doncques, pour paix a ma guerre acquerir,
Craindray renaistre a vie plus commode?
Quand sur la nuict le jour vient a mourir,
Le soir d’icy est Aulbe a l’Antipode.

Geef een reactie