Categorieën
Grafiek Harusmuze

Harusmuze #381

22B33

381 – de wet is wet, de naam benoemt de naam

hexagram 9 小畜 (xiǎo chù) – “Klein Vergaren”

de HARUSMUZE is een eigentijds orakel, een NKdeE schrijfprogramma gebaseerd op het Boek der Veranderingen, de I Tjing. het programma heeft 520 (?) orakelspreuken als uitvoer, maar die zijn zelf nog aan verandering onderhevig.

input

https://dirkvekemans.be/2018/08/23/harusmuze-67/

commentaar

wetten en namen zijn sterk verwante functies in de diaretische controle van het gebeuren op het intermenselijke veld. anders: wetten en namen stratifiëren het gebeuren volgens een rigide diaresis (de “of…of-scheiding” waarvan Aristoteles de meester was) met als beoogd doel de controle over het menselijk gedrag.

een naam is functioneel gelijkaardig aan een wet: het benoemen van iets of iemand, is een beperking van het kwalitatieve gebeuren van dat iets of iemand tot een geprojecteerd Zijn ervan, de reductie waarin het ‘te tellen is als’, omdat de identiteit van het benoemde zo nu eenmaal wordt vastgelegd.

vanaf het ogenblik van de benoeming fungeert de benaming dan als de differentie van het gebeuren rond (over, in, omtrent,langs,…) de naam, die dan meteen als soortnaam gaat fungeren, waaruit de paradoxale situatie ontstaat dat elke Jef Jef is in de mate dat hij niet-Jef is: het is immers díe Jef en niet al die andere Jeffen.
de benoeming is, zoals men ook bij Derrida kan lezen, een verdict, een verordening. elke wet is dat ook, en wetten werken ook nog ’s extra categoriserend in die zin dat de verordende wet het gebeuren op twee wijzen territorialiseert:

1. de wet maakt twee gebieden aan, een ‘binnen’ van de wet, waar de wet rechtsgeldig is (alles wat zich daar ophoudt ‘valt’ onder de wet, dit is het validiteitsveld) en een buiten, waar zij niet geldt (alles daar gaat het ‘kader’ van de wet te buiten). voor de wet bestaat het gebied dat buiten haar geldigheid valt gewoon niet, daar is een handeling die tegen haar indruist niet onwettig, wat de wet betreft gebeurt er daar niets. (cfr. in onze media gebeurt er in Afrika niets – denk ook aan de projectie van een bol op een rechthoek zoals bij een wereldkaart, de lege ‘spiezen’ daar, dat is het buiten van de wet, daar ‘is’ er gewoon niets, maar dat niets is nog een niet-bedacht niets omdat er voorheen geen reden was om daar een niet-iets te denken, de bol was compleet)
2. de wet maakt binnen haar rechtsgeldigheidsveld een verder virtueel onderscheid waarbij een deel van het gebied ‘beantwoordt’ aan de wet en het andere deel ‘in overtreding’ is van de wet. op die manier bekeken kan je stellen dat de wet een benaming is ‘in het algemeen’, en in de tweede orde, omdat de wet het individu eerst benoemt als ‘burger’ waarover de wet rechtsgeldigheid claimt en vervolgens nogmaals benoemt als ‘gehoorzame’ of als “misdadige” burger.

Herakleitos zegt ons vandaag in fragment 33 (” Wet is ook: gehoor geven aan de wil van één. “- vert. Verhoeven) dat de wet ook gehoorzaamheid aan de wil van het/de éne inhoudt, en legt daarmee het evidente feit op tafel dat elke wet altijd en uiteindelijk ten goede zal komen aan het éne, los van het feit of dat nu de wetgever of de houder van de wet is.

dat is zo evident omdat elke wet nu eenmaal op basis van die diaresis werkt: het is of het ene of het andere, dura lex sed lex.

zolang de wet ‘duurt’ (sorry voor de flauwe woordspeling, maar ik wil dat temporele aspect in je oor knopen, je moet stilaan de echtheid van de GeldRuimte als een vijf-dimensionaal veld beginnen begrijpen*) zolang zij rechtsgeldig blijft in haar veld, zal de wet bevoordelen wie erdoor bevoordeeld wordt (geheel onafhankelijk van enig moreel oordeel over de wet, zeggen we dit, of zulks nu ‘juist’ is of niet is hier niet aan de orde).
net zoals de naamgeving de mensen herkenbaar maakt, zal de wet haar veld ‘te kennen geven’ of tekenen door en met de gevolgen van haar werking: de ‘gang van zaken’ wordt er immers door bepaald.


die codering van het menselijk gedrag is dus onontkoombaar, alleen zij die ‘buiten de wet worden gesteld’ zullen er aan kunnen ontkomen, maar hun bestaan in het Veld van de wet wordt daardoor ook een ‘naakt bestaan’, een illegaliteit ‘in absentia’ van de wet, die rechtstreeks ook een veroordeling is tot het ‘onleesbare’, het ‘amorfe’, het ‘ongeldige’ (cfr. Agambens voortreffelijke analyse daarvan).

“er bestaat dus geen onwettig zijn, want het zijnsgebied is wettelijk bepaald door de wet die uitgaat van de potentaat, de Man-Ding-God cluster, de lulhannes met het Woord in zijn broek.”

Anke Veld in Later, Ergens

vermits nu de wetten tot stand komen op basis van een benoeming van het specifieke van één bepaald stadium van het Rot in het gebeuren binnen één bepaald Veld in de Geldruimte, kan de wet niet anders dat zichzelf door uitputting van haar fundering veroordelen tot het onontkoombare stadium van de onwettigheid.

de wet wordt immers nooit dynamisch geformuleerd, zij hanteert steevast een rigide diaresis op basis van haar originaire benoeming ( de bepaling van haar veld van rechtsgeldigheid), een eindeloze herhaling van haar verordening.
elke verordening echter verandert het Veld kwalitatief aanzienlijk en daardoor zal die benoeming vrij snel op significante wijze afwijken van de originaire. al vlug wordt de wet dan ‘misbruikt’ door diegenen die er voordeel uit halen, want die bevoordeelden gaan al hun bekomen voordelen aanwenden om de wet in stand te houden. aja, hoe zou je zelf zijn?
de verdere kapitalisatie van de Geldruimte, de onontkoombare entropie van de natuurwet van het Kapitaal, maakt dat deze noodlottigheid alsmaar stringenter, bloediger en grootser in omvang wordt, zodanig dat het nu zelfs hoogst twijfelachtig wordt of we als soort wel een verdere recursie van dat proces (waar we met rasse schreden op afstevenen) zullen kunnen overleven (denk aan WOII maar dan x10, x40, x100).

je zou zeggen oei, ai, kieper al die wetten dan maar gauw buiten, maar ja…

omdat het volstrekt irrationeel gedrag van de mensen toch enigszins binnen de grenzen van het leefbare te houden dienen we daarom te besluiten dat wie de wet in ere wil houden ervoor dient te zorgen dat zij zo spoedig mogelijk volautomatisch geupdated wordt met de dataflows van de door haar gegenereerde kwalitatieve veranderingen.

de wet moet, vermoeden wij, een dynamische Spaltung worden die telkens, bij elke instantiëring haar eigen wettelijkheid aftast aan haar veranderde validiteitsgebied. tegenover de voortdurende noodtoestand waarin we belandt zijn staat niet een schisma van de ‘kerk’, geen revolutie, zelfs geen transitie, om de Kerk in het midden te houden moet ze voortdurend splitsen, moet de transitie die al gebeurt begeleid worden met een voortschrijdend inzicht van hoe de transitie plaatsvindt.
we zullen daarbij de angstige normopathie in onze gedragingen moeten omzetten naar een bevrijdende schizofrenie en weer terug, dat wordt uiteindelijk onze nieuwe werkelijkheidsmotor het pompen of verzuipen waarmee we de ingestorte zijnsorde kunnen vervangen met een nieuwe bubbel van leefbaarheid binnen het onleefbare echte, het razende Rot van de kosmische entropie.

er komt geen nieuwe normaal meer, het normale ‘bestaat’ al niet meer op het moment dat je het benoemt. de enige manier waarop we dat kunnen volhouden zal uiteindelijk het loslaten worden van de dode god in ons, het Zijn en de Dingen: we moeten ‘hem’ laten gaan. hoe ons dat gaat lukken, dat is op dit moment nog koffiedik kijken.

niet omdat het ‘juist’ is of zelfs maar wenselijk, gewoon omdat het niet anders kan, omdat het anders altijd plat op z’n smoele valt (met weeral zoveel miljoen vermijdbare gewelddadige overlijdens van onschuldige ongelukkigen). iets anders gaat nooit werken, zo beweert althans mijn Harusmuzeke.

een hedendaagse ‘wet’ zou – zo gaat zij verder met een allerschattigst ‘weet’-vingertje hoog geheven voor onze kijkdozen – zo moeten geprogrammeerd worden dat het voordeel dat zij genereert op een egale manier verspreid wordt in gans haar rechtsgeldigheidsveld en dat zij dat veld voortdurend negotieert met de haar naburige velden. enkel op deze manier kan een juridische stratifiëring van de Geldruimte de nodige garanties bieden op een open opbloei van het Wenselijke in die zo cruciale zesde dimensie. als dat niet zo is, vreet de humane nijd zichzelf op, dat kennen we al, van diep in den Treure, en wat daaruit komt, is recht uit het Hart van het Rot Gerukt…

maar ja, of je dat nu weet of niet, voor de gang van zaken maakt het niet uit, want hoe zou je iets gaan veranderen aan wat er onophoudelijk en onstopbaar aan het gebeuren is? naar wie ga je bellen? è?
maar als het je daadwerkelijk om de mensen te doen is, helpt dit soort inzicht enorm bij het niet verspillen van energie aan ergernissen waar je toch niks aan kan veranderen en bij het effecient raadplegen van de beslissingsbomen om te bepalen waar je het meest kan bereiken, waar je de ander het best kan bevrijden van kommer, kwel, dood en vernieling. en bijna altijd, dat zal je dan zien, begint dat bij jezelf, want als je niet goed voor jezelf zorgt en daaruit ervaring put, heb je de ander niks te bieden.

vandaar dat de NKdeE-bewoners hun kerkske in ’t midden wil houden door zoveel mogelijk niks te doen en zelf het goede voorbeeld te geven, namelijk dat te doen voor henzelf en de ander waarvan ze stommelings is te weten gekomen zijn dat het werkt. exemplarisch activisme noemen wij dat, mijn muzeke, mijn dode zotte dichters en ik.

scève

Je sens en moy la vilté de la crainte
Movoir l’horreur a mon indignité
Parqui la voix m’est en la bouche estaincte
Devant les piedz de ta divinité.
Mais que ne peult si haulte qualité
Amoindrissant, voyre celle des Dieux?
Telz deux Rubiz, telz Saphirs radieux:
Le demourant consideration,
Comme subject des delices des Cieulx,
Le tient caché a l’admiration.

*euh, ja, ik ga ervan uit dat nauwelijks iemand dit leest, dus ik praat tegen mijzelf, da’s nu eenmaal de motor van dit cyclisch georganiseerde schrijven op basis van de eigen input

Geef een reactie