Categorieën
121 Manieren gedicht van de dag lyriek

22B55

de kraaien buiten kraaien kraai om mij en ton tong tingelong
zo floepen hier de schermen aan en ten hemel
richten zich alom in lettersneeuw verpakt de krijtersdaken. ik
stuif en dwaal als wind in dat verhaal, mijn nukken
is in ramen witte ruis, mij vierendelende een oester op de tong

leg ik te vondeling, verdeel mijn oorlogskind van mond
tot oog tot mondelinge zin, verparel het rond fijne korrels
in het slijmen van verlangen waarin men drek proeft en
de ondergang, de medeklinkers d-r-k van het verguisde.

waarvan het zien en horen lering geeft, daar hecht ik
al mijn daden aan. het is als rode reus dat ik bestraal
de diepst geborgen resten rot  van de rechtvaardiging.

en de kraaien kraaien kraai om mij
die van zichzelf de dood probeert te aaien.

inputtekst (2009)


dv 2018 – “ik leert tellen: 6″ – ink  – A4

Geef een reactie