Categorieën
LAIS, 449 dizains

het beleg

Niets zijn wij nog, vermoeid, vervloekt, gehaat.
Schimmen: fragiel, weerloos, geprijsd, ontdaan,
Niets nog, nummer in het rot van de staat
Skelet van letters, puin van het bestaan
De banvloek van beleg ons aangedaan.
Kuilen gapen, ogen breken, kindjes slaken
Scherpe kreten, moedermonden braken
Betekenis in bloed op het laken
Van de sneeuw. Dode dichters waken.
Niets zijn wij nog, de voetstappen kraken.

LYLIA, een reeks van 449 dizains is een hedendaagse herschikking van de Délie van Maurice Scève, een werk, verschenen in 1544, dat op haar beurt veelvuldig verwijst naar de 366 canzioniere (del vario stile) van Francesco Petrarca’s grote Liedboek. Een dizain, in de strikte vorm die Scève (en ook ik nu) hanteerde, bestaat uit tien verzen van tien lettergrepen in een vast rijmschema (ababbccdcd).

0 reacties op “het beleg”

[…] Vervloekt zijn wij, dolgedraaid in onszelf, Benoemd & daardoor in de ban gedaan Van wat de naam benoemt, een mager zelf Dat buiten ons beamen van de waan Geen ruimte heeft, geen werkelijk bestaan.   Ik ken jouw stem, jouw klank, jouw melodie: Jij bent het binnen dat ik buiten zie Die warme gloed in mij, ik ken jouw ziel & Jij wordt mij, eeuwige creatie, Want het wiel is weg, jouw weg wordt het wiel. […]

[…] Vermoeid zijn wij, de ogen parelen Droef in het donker, drijvende zoeken, Bij gedachten die neerwaarts warrelen, Been in het woelen,  huid onder doeken: Wij vinden niets, wij tieren, wij vloeken.   Vaal kleeft ons het licht aan van de schermen, De wereld is een veelheid van zwermen, Er is angst, het recht is dode letter, Hier ligt er iemand eenzaam te kermen, Daar zinkt alles in slijm & in etter. […]

[…] Gehaat zijn wij, bewakers van de grens: U wou ons weg, & vond daarbij gehoor Langs beide zijden, want geheel de mens Sloot zich rond u, een samenklank in koor. Een dit, een dat, geheel verbrijzeld spoor Van alles wat u wist & meer dan dat: De waarheid die het naakte leven had. Beschaamd & als een schande vergeten Zwijmel ik als één van ons door uw stad: Gehaat zijn wij, ter aarde gesmeten. […]

[…] Schimmen zijn wij, beminnen is gebrek Aan haat want liefde is evenement: Het hartje flikkert op & af als gek. Er wordt gewacht, weldra zijn wij dement, Dan kan de vorm gegoten voor de vent.   Ik spook in de stad, er liggen flarden Lied van mij waar mijn stem verhardde Tot gestalte, dood lijf waarin ik pook: Levend lijk van alle dode barden, Zo roer ik nog de wereld aan de kook. […]

[…] Fragiel zijn wij, doorzichtig in de wind Zwakker dan de doden die wij maken, Onzeker qua bestaan, een wankel kind Trillend voor het Al dat ons kan raken & Toch wat wreder weer in het kraken Van wat  beneden ons nog zwakker is.   Wij weten hoe ik mij in jou vergis, Ik wil niet mij & jij niet jij nog zijn Wij waren voor elkaar gevangenis, Wij kennen nu het reine van de pijn. […]

[…] Weerloos zijn wij, in staat van genade Heilige larven, vieze temptatie, Infestatie, hooggeleerde maden, Vuil onder de nagels van de natie, Puinwaaiers, grijze pedimentatie, Steuntrekkers, lowlifers, verbaal kabaal Voor alle zeven dichters in de zaal.   Ik, ik breid mij uit in tijd & ruimte Ik explodeer, ik vlam, ik word globaal: Flitspaal word ik in de hyperruimte. […]

[…] Geprijsd zijn wij ter waarde van ons vlees, Vet residu met kleffe dromen, god Versjankerd bij het rot van bot & pees, Verblind door wanen met een kop vol snot & Hees gekrijs, ontkenning van ons lot.   Ware het toch, dat wij niets meer deden, Dachten, maar slechts sliepen, aten, scheten, Wij zouden eer & die prijs bewaren.   Maar ons gebral klinkt tot op heden Uit containers vol bedorven waren. […]

[…] Ontdaan zijn wij, van liefde, leed & luister Geen keel omhalst nog klank van onze naam Geen licht valt in de val  van dit duister Dat ons als vel omvliest, bindt het lichaam In de ban van uw dodelijke blaam.   Ik draag de warme doeken naar u toe, Ik ben het bloed, het bloeden dat ik doe, Het is ontzet uit alles wat ik was.   Ik ben vergeten wie ik was, is, hoe Ontdaan ik leef van u, uw strakke pas. […]

Geef een reactie