Categorieën
lyriek Ruis

God!

Serafijnen

O  jeugdige Vorstin, hoe staat het met uw korenakker?
De mieren minnen mij, hetzij het zag hoe zij zich
Krachteloos zong.  Hoe stil, hoe doodstil is nu de aard
De etsnaald, in’t hout &  in’t koper gedreven

De hardheid, met haar barre woorden ? Het gaf
Zijn glans  & deed zijn plicht. Wie haar bezit, haar zich
Verworven heeft tot een  eigendom, haar veroverd heeft
Op zijn eigen ongoddelijke zinnen. De Liefde sticht.

Zoo? is er wat aan te zien? De beklimming begon.
Zij kreunen om lijken of huifkar zich niet;
Reeds zijn zij geweken in ’t verste verschiet!

In de glorie van dat tijdperk eerder visioen dan historie
Schoonste deugd van schoone zielen! Zachtheid zal
Den dwingland leiden! & Haar zonen zegent God!

[sonnet samengesteld met fragmenten uit
het Nederlandsch Leesboek van G.D. Minnaert, Gent 1892]

Geef een reactie